Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 24 april 2026

Zaakgegevens

Op 24 april 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24 april 2026
Datum publicatie
24 april 2026
Zaaknummer
24/00950
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:728
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: 81.1 RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 17 februari 2022

    ECLI:NL:RBZWB:2022:819
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 21 februari 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:514

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Hoge Raad · 24 april 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:728

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/00950

Datum 24 april 2026

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 februari 2024, nr. 22/00794, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 19/4622) betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 februari 2016 tot en met 31 december 2017 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.F. Marijnissen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van de klacht

De Hoge Raad heeft de klacht over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klacht niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klacht is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

3.1

In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld op 18 maart 2024. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met minder dan zes maanden.

3.2

Belanghebbende heeft niet verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure. Wat betreft de bestreden naheffingsaanslag en de rentebeschikking kent de Hoge Raad daarom geen vergoeding van immateriële schade toe.

3.3

De opgelegde boete beloopt, na vermindering daarvan door de Rechtbank, meer dan € 1.000. De Hoge Raad ziet om die reden aanleiding om aan de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure gevolgen te verbinden en zal de boete zoals nader vastgesteld door de Rechtbank, verder verminderen met 5 procent tot € 9.076.

4 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,

- vernietigt de uitspraken van het Hof, van de Rechtbank en van de Inspecteur, maar uitsluitend voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikking, en

- vermindert de boete tot € 9.076.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.

ECLI:NL:GHSHE:2024:514. Vgl. HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, rechtsoverweging 5.2. Vgl. HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, rechtsoverweging 4.2.3.