Belastingrecht

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Zaakgegevens

Op 2 augustus 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
2 augustus 2024
Datum publicatie
1 augustus 2024
Zaaknummer
24/01413
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1089
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Procesgang

  1. Rechtbank Noord-Nederland · 24 december 2021

    ECLI:NL:RBNNE:2021:5353
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 27 februari 2024

    ECLI:NL:GHARL:2024:1518

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Hoge Raad · 2 augustus 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2024:1089

Uitspraak

Inhoudsopgave

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/01413

Datum 2 augustus 2024

ARREST

op het door [X] (hierna: belanghebbende) ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 februari 2024, nr. BK-ARN 22/59.

1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Het beroepschrift in cassatie bevat, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb dit vereist, niet de gronden van het beroep.

De griffier van de Hoge Raad heeft op 18 april 2024 in het digitale dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld dat verzuim binnen zes weken na die datum te herstellen. Die termijn eindigde op 30 mei 2024.

Op 26 en 28 juli 2024 heeft de Hoge Raad via het webportaal een tweetal brieven van belanghebbende ontvangen. Aangezien die brieven na afloop van de daartoe gestelde termijn zijn ingediend, laat de Hoge Raad die stukken buiten beschouwing. Daarom zal de Hoge Raad het beroep in cassatie met toepassing van artikel 6:6 Awb niet-ontvankelijk verklaren.

2 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2024.

ECLI:NL:GHARL:2024:1518.