Hoge Raad, cassatie belastingrecht
ECLI:NL:HR:2026:991
Op 19 June 2026 heeft de Hoge Raad een cassatie procedure behandeld op het gebied van belastingrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 23/02523, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:HR:2026:991.
Indicatie
HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02523
Datum 19 juni 2026
op het door A.P. Flinterman ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 mei 2023, nrs. BK-ARN 21/00792 tot en met 21/00795 (Voetnoot 1).
Overwegingen
1
Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
1.1
Volgens het op 27 juni 2023 ontvangen beroepschrift in cassatie is het beroep in cassatie ingesteld namens [X] . [X] is op 21 augustus 2023 overleden.
1.2
De griffier van de Hoge Raad heeft op 30 november 2023 in het voor dit ingestelde cassatieberoep aangemaakte digitale dossier een bericht geplaatst waarbij de indiener van het beroepschrift is verzocht binnen zes weken een bewijsstuk te verstrekken waaruit blijkt dat [X] hem had gemachtigd om namens haar beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof in te stellen, dan wel een door alle erfgenamen getekende en aan hem verstrekte volmacht over te leggen, of – in het geval een executeur-testamentair is aangesteld – een verklaring van de executeur-testamentair waaruit blijkt wat de wens is van alle erfgenamen met betrekking tot de onderhavige procedure.
1.3
De indiener van het beroepschrift heeft de gevraagde machtiging of de hiervoor in 1.2 bedoelde verklaring, niet overgelegd, ook niet nadat de griffier van de Hoge Raad hem daartoe op 19 augustus 2025 opnieuw in de gelegenheid had gesteld. Daarom gaat de Hoge Raad ervan uit dat de indiener van het beroepschrift niet bevoegd was om namens [X] beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof in te stellen. De Hoge Raad zal het beroep in cassatie op die grond niet-ontvankelijk verklaren.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en A.J. van Doesum, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.
Voetnoot
Voetnoot 1
ECLI:NL:GHARL:2023:4096.