Hoge Raad, cassatie civiel recht overig

ECLI:NL:HR:1945:14

Op 30 November 1945 heeft de Hoge Raad een cassatie procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 7852, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:HR:1945:14. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
7852
Datum uitspraak:
30 November 1945
Datum publicatie:
13 July 2018

Indicatie

Natuurlijke verbintenis. Plicht tot verzorging- van de weduwe. Levensverzekering t. b. v. de weduwe. Uitkeering, door werkgeefster van man aan diens weduwe te doen; bevoordeeling ten koste van ‘s mans boedel?

Conclusie is niet meer voorhanden.

Uitspraak

DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN

in de zaak (No.7852) van:

[eischeres], weduwe van [erflater], wonende te [woonplaats], eischeres tot cassatie van een op 19 April 1943 tusschen partijen door het Gerechtshof te 's-Gravenhage gewezen arrest, incidenteel verweerster, vertegenwoordigd door Mr. A. E. J. Nysingh, advocaat bij den Hoogen Raad;

tegen:

1. de N.V. de Centrale Arbeidersverzekerings- en Depositobank, gevestigd en kantoor houdende te 's-Gravenhage, verweerster in cassatie, incidenteel eischeres in cassatie, vertegenwoordigd door Jhr. Mr. G.W. van der Does, advocaat bij den Hoogen Raad;

en tegen:

2. a. [verweerder 2a], wonende te [woonplaats], als hoofd der algeheele gemeenschap van goederen, bestaande tusschen hem en zijn echtgenoote [betrokkene 1],

b. [verweerder 2b], wonende vroeger te [woonplaats] op Curaçao, thans te [woonplaats] ;

c. [verweerder 2c], wonende te [woonplaats] ;

d. [verweerder 2d], wonende te [woonplaats], mede-verweerders in cassatie, incidenteele verweerders, vertegenwoordigd door Mr. P.S. Noyon, advocaat bij den Hoogen Raad;

Gehoord de conclusie van den Procureur-Generaal, strekkende tot vernietiging van het bestreden arrest, terugwijzing der zaak naar het Gerechtshof te [woonplaats] ten einde met inachtneming van 's Hoogen Raads arrest verder te worden berecht en afgedaan, en veroordeeling van verweerders onder 2 in de proceskosten aan de zijde van eischeres en verweerster sub 1 gevallen;

Gezien de stukken;

Overwegende dat uit het bestreden arrest blijkt: dat op 24 Mei 1937 is overleden [erflater], die in derden echt, met uitsluiting van iedere goederengemeenschap, was gehuwd met partij [eischeres];

dat de echtgenoote van [verweerder 2a], [betrokkene 1], alsmede [verweerder 2b] [verweerder 2c] en [verweerder 2d], de verweerders sub 2, zijn kinderen uit zijn tweeden echt, terwijl geen andere kinderen of nakomelingen van den overledene bestaan;

dat [erflater] bij door zijn dood bekrachtigd testament, onder den last van twee legaten aan zijn echtgenoote [eischeres], tot eenige erfgenamen heeft benoemd hen, die door de wet zouden worden geroepen indien hij geen echtgenoote naliet, zijnde ten deze [de kinderen] voornoemd;

dat de arbeidsvoorwaarden, waaronder [erflater] bij zijn leven bij verweerster sub 1, verder te noemen de Bank, werkzaam was als gedelegeerd commissaris, zooals deze arbeidsvoorwaarden op 13 Juni 1928 opnieuw waren vastgesteld en door [erflater] waren aanvaard, inhielden dat bij overlijden van den Directeur, den gedelegeerden commissaris en den adjunct directeur door de Bank zal worden uitgekeerd eventueel overeenkomstig de aanwijzingen van de betrokken beambte, aan de weduwe of bij ontstentenis van deze aan de kinderen, elk voor een gelijk deel, of bij ontstentenis daarvan aan de door den betrokken functionaris aangewezen begunstigde(n) een jaar salaris, zooals dit 1 Januari van het jaar van overlijden bedroeg en een evenredig deel der tantième, welke hem anders over het loopend boekjaar zou ten goede gekomen zijn;

dat [eischeres] bij inleidende dagvaarding de Bank voor de Rechtbank te 's-Gravenhage heeft aangesproken tot betaling van de som van f.15000 .- met de wettelijke renten, aan haar verschuldigd krachtens even vermelde bepaling der arbeidsvoorwaarden en wel een bedrag van f.14500 .- voor een jaar salaris en f.500 .- als evenredig deel der tantième ;

dat [de kinderen], na bij vonnis der Rechtbank van 14 December 1939 in dit geding als intervenienten te zijn toegelaten, het recht van [eischeres] op de algeheele betaling van gezegde som van f.15000 .- hebben betwist op grond dat alsdan zou plaats hebben verkorting hunner rechten als legitimarissen en voorts daarvan het gevolg zou zijn bevoordeeling van de weduwe [eischeres] boven de grenzen van toelaatbare bevoordeeling eener tweede en verdere echtgenoote bij aanwezigheid van kinderen uit een vorig huwelijk;

dat voor de berekening van wat [eischeres] als derde echtgenoote van [erflater] totaal mocht ontvangen, [de kinderen] de hoegrootheid der massa, waarover het wettelijk erfdeel zoowel als het bedrag, dat de tweede en latere echtgenoote mogen genieten, moet worden berekend, hebben vastgesteld door het saldo der nalatenschap van [erflater] te vermeerderen met een aantal posten, waarvan ten deze slechts van belang zijn:

1. twee uitkeeringen uit levensverzekeringen door den erflater bij de Bank ten behoeve der weduwe [eischeres] tegen premiebetaling gesloten, waarvan de uitkeeringen bij zijn overlijden betaalbaar zijn geworden resp. groot f.700 .-- en 1.500 .-;

en 2. de bedragen groot f.14500. - en f.500 .- boven vermeld uit te keeren door de Bank aan de weduwe krachtens de arbeidsvoorwaarden;

dat [de kinderen] op grond hunner berekening vermindering verlangen van de vordering van f.15000 .- van [eischeres] op de Bank tot een bedrag van f.4846.58 en mitsdien hebben gevorderd de nietigverklaring althans vernietiging van de door den overledene in voormelde arbeidsvoorwaarden van 13 Juni 1928 ten aanzien van zijn recht op salaris en tantième ten behoeve van [eischeres] gemaakte beschikking tot een bedrag van f.10.153.42 en voorts veroordeeling van de Bank tot betaling van die som aan hen, intervenienten,met gelijktijdige veroordeeling van [eischeres] om die betaling te gehengen en te gedoogen;

dat de Bank zich bereid heeft verklaard uitbetaling te doen aan hem, die en tot zoodanig bedrag als de rechter zal aanwijzen;

Overwegende, dat de Rechtbank bij vonnis van 2 Januari 1941 aan [de kinderen], als intervenienten hun vordering heeft toegewezen, terwijl zij aan [eischeres] hare vordering geheel heeft ontzegd;

Overwegende, dat het Hof, op het door [eischeres] ingestelde hooger beroep, bij het bestreden arrest het beroepen vonnis heeft bevestigd, behoudens voorzoover aan [eischeres] haar vordering geheel is ontzegd en met toewijzing der vordering aan [eischeres] voor een bedrag van f.4846.58 haar heeft veroordeeld in de kosten van het appèl, echter alleen begroot voorzoover aan de zijde van [de kinderen] gevallen;

dat het Hof hierbij o.m. heeft overwogen:

"dat de eerste grief van [eischeres] zich richt tegen de beslissing van de Rechtbank, dat de twee uitkeeringen op grond van overeenkomsten door den [erflater] bij De Bank ten behoeve van [eischeres] gesloten, respectievelijk groot 1.700. -- en f. 500 .- , bij het saldo der nalatenschap dienen te worden opgeteld, hebbende volgens [eischeres] de Rechtbank ten onrechte overwogen, dat als voor de berekening van het wettelijk erfdeel in aanmerking komende gift niet alleen is te verstaan de in artikel 1703 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde overeenkomst, doch elke handeling daaronder is begrepen, waardoor een derde ten koste van het vermogen van den erflater is bevoordeeld, waarbij deze bevoordeeling het kennelijk doel dier rechtshandeling is geweest, en derhalve onder zoodanige "gift" ook is begrepen een ten behoeve van een derde bedongen uitkeering krachtens levensverzekering, waartegen [eischeres] aanvoert, dat bedoelde uitkeeringen geen "giften" zijn, doch uitingen van een normale zorg van den echtgenoot voor het levensonderhoud van zijn echtgenoote na zijn overlijden;

dat deze grief faalt, aangezien weliswaar de normale zorg van den echtgenoot medebrengt ten behoeve van het levensonderhoud van zijn echtgenoote na zijn overlijden, indien noodig, voorzieningen te treffen, waaronder het sluiten van levensverzekering kan vallen, doch de daaruit voortvloeiende uitkeeringen desondanks, zooals de Rechtbank terecht heeft overwogen, giften blijven, daar een derde ten koste van het vermogen van den erflater is bevoordeeld, waarbij deze bevoordeelingen het kennelijk doel dier rechtshandeling zijn geweest, en derhalve ook aan de bepalingen omtrent inkorting ten behoeve van het wettelijk erfdeel onderworpen blijven;

dat volgens de tweede grief de Rechtbank ten onrechte [eischeres] niet zou gevolgd hebben in haar standpunt, dat de uitkeering ad f.15000 .- , ingevolge de arbeidsvoorwaarden, tusschen [erflater] en De Bank gesloten, aan haar te doen, buiten beschouwing voor het berekenen van het wettelijk erfdeel behoorde te blijven, hebbende de Rechtbank daaromtrent overwogen, dat de uitkeering ad f. 15000 .- uitvloeisel is van de arbeidsvoorwaarden, waaronder [erflater] bij de Bank functioneerde en waar zoodanige vaststelling van voorwaarden door slechts één der betrokken partijen uiteraard is uitgesloten, de uit artikel 3 dier voorwaarden volgende ten deze bedoelde begunstiging van [eischeres] is terug te voeren tot een aldus door den erflater bedongen en stellig gewenschte bevoordeeling van [eischeres], alzoo het karakter draagt van een gift, welke voor de berekening van het wettelijk erfdeel in aanmerking komt, waarbij het niet van belang is of meerbedoelde voorwaarde is opgenomen al dan niet op initiatief of instigatie van [erflater], doch zijn enkele door [eischeres] zelf gestelde aanvaarding genoegzaam is om die uitkeering te maken tot een rechtshandeling, waardoor [eischeres] ten koste van het vermogen van den erflater en van de legitimarissen is bevoordeeld, dat dit nog duidelijker spreekt, indien acht wordt geslagen op de daarbij voorbehouden mogelijkheid, dat de erflater instede van zijn weduwe zijn kinderen zou aanwijzen als gerechtigd tot die uitkeering en dat aan dit alles niet vermag af te doen de omstandigheid, dat niet vaststaat, dat het salaris van wijlen [erflater] hooger zou zijn bepaald indien bedoeld artikel 3 niet onder de voorwaarden zou zijn opgenomen, wijl met die onzekerheid geen rekening is te houden, doch uitsluitend met het feit, dat [erflater] voor zijn echtgenoote dit voordeel bedong, tegen welke overwegingen [eischeres] onder meer aanvoert, dat de wijziging van de arbeidsvoorwaarden van De Bank is uitgegaan, omdat zij het tot haar plicht rekende de weduwe tegen eventualiteiten te dekken, zoodat het een pensioenverleening uit eigen middelen van De Bank is, dat [erflater] slechts de keus had die voorwaarden te aanvaarden of niet, en dat, als hij geweigerd had, de f.15.000 .- in de kas van De Bank waren gebleven en niemand na het overlijden van [erflater] eenige aanspraak op dat bedrag had kunnen doen gelden, dat [erflater] voor zijn weduwe niets bedongen heeft, dat de aanvaarding der voorwaarden de uitkeering niet maakt tot een rechtshandeling, waardoor [eischeres] ten koste van het vermogen van den erflater en van de legitimarissen is bevoordeeld, doch dat [eischeres] is bevoordeeld ten koste van het vermogen van De Bank, terwijl uit [erflater] vermogen geen enkele bijdrage met betrekking tot de in artikel 3 der voorwaarden bedoelde uitkering aan [eischeres] afkomstig is, en dat onjuist is de overweging van de Rechtbank, dat haar meening gesteund wordt door de in bedoeld artikel 3 geschapen mogelijkheid, dat [erflater] instede van zijn weduwe zijn kinderen zou aanwijzen als gerechtigd tot de uitkeering, wat de Rechtbank ook nog uitdrukt door te overwegen, dat [erflater] desgewild zou hebben bereikt uitkeering van de som aan zijn erven, wat onafwijsbaar voortvloeit uit de hem in artikel 3 uitdrukkelijk te dien aanzien toegekende bevoegdheid, waartegen [eischeres] aanvoert, dat de zinsnede "eventueel overeenkomstig de aanwijzingen van den betrokken beambte" alleen betrekking heeft op de wijze van uitkeering (jaarlijksche of maandelijksche termijnen), terwijl in artikel 3 de woorden "bij ontstentenis" voorkomen, die in het systeem van de Rechtbank niet passen;

dat het Hof met dit laatste gedeelte van de grief instemt, daar uit artikel 3 duidelijk blijkt, dat de weduwe de eenige bevoordeelde is, waaraan door [erflater] niet kon worden getornd, daar de kinderen eerst, en in dat geval automatisch, de uitkering zouden ontvangen bij "ontstentenis" van de weduwe, dat het opgaan van dit gedeelte van de grief echter aan [eischeres] niet kan baten, daar bij ontstentenis ook van [de kinderen] zelf bevoegd was een begunstigde, dus eventueel ook zichzelf aan te wijzen, een recht dat hij te gelde had kunnen maken en dat dus tot zijn boedel behoorde, zoodat er hier geen voorziening uitsluitend ten bate van de weduwe, die trouwens zelf geen partij was bij het arbeidscontract, is bedongen, maar [erflater] zelf aan haar een gewild voordeel ten koste van zijn boedel heeft toegekend, zoodat de uitkeering valt onder het begrip "gift", die bij de berekening van de legitieme in aanmerking genomen moet worden, en dat derhalve ook deze grief faalt;"

Overwegende, dat [eischeres] tegen 's Hofs arrest de navolgende middelen van cassatie heeft aangevoerd:

I. Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 158, 162, 235, 236, 237, 238, 879, 899, 899a, 949, 960, 961, 963a, 965, 966, 967, 968,971, 973,974,1353,1354, 1395,1703,1719 en 1724 van het Burgerlijk Wetboek en 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, ----------------------------

door ten aanzien van de eerste in het arrest omschreven grief van appellante te beslissen, zooals hierboven weergegeven, ten onrechte, ----------------------------------------------------

omdat, indien het sluiten van de ten processe bedoelde levensverzekeringen als uitingen van de normale zorg van den echtgenoot ten behoeve van het levensonderhoud van zijne echtgenoote na zijn overlijden is te beschouwen, die handeling of de daaruit voortvloeiende aanspraak op de uitkeeringen niet als een schenking, gift of bevoordeeling in den zin der wet, welke voor de berekening van het wettelijk erfdeel in aanmerking moet worden genomen, valt te beschouwen.

II. Schending of verkeerde toepassing van dezelfde artikelen als in het eerste middel aangehaald, alsmede van de artikelen 168 der Grondwet, 20 van de Wet van 18 April 1827 (Stbl.no.20) op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie, 59, 332, 343, 347, 348, 349 en 353 van het Wetboek van

Burgerlijke Rechtsvordering, --------------------------------------------

door ten aanzien van de tweede in het arrest omschreven grief, door eischeres als appellante tegen het in prima gewezen vonnis aangevoerd, te hebben overwogen en beslist als hooger weergegeven;

ten onrechte, ----------------------------------------------------

daar het geval waarin [erflater] volgens 's Hofs opvatting bevoegd zou zijn geweest een begunstigde, dus eventueel ook zich zelf, aan te wijzen, niet is ingetreden en hij dat door het Hof aangenomen recht (dat hij te gelde had kunnen maken, en dat dus tot zijn boedel zou hebben behoord) in werkelijkheid niet heeft gehad en in ieder geval niet aan eischeres heeft afgestaan, overgedragen of ten goede doen komen, gelijk dat recht dan ook niet het onderwerp van deze procedure uitmaakt, ---------------------------------

terwijl het recht dat ten gunste van eischeres ten laste van de Bank (de verweerster sub 1) is gevestigd, door eischeres niet uit of ten koste van het vermogen van haren overleden echtgenoot is verkregen en niet valt onder het begrip "gift" die bij de berekening van de legitieme in aanmerking genomen moet worden, althans eenige zoodanige schenking, gift of bevoordeeling van eischeres door [erflater] niet ligt in de vaststelling der arbeidsvoorwaarden of de daaruit voor eischeres voortgevloeide aanspraak op de uitkeering indien de omstandigheden waarop eischeres zich bij haar grief tegen het vonnis heeft beroepen, juist zijn, onder meer, dat de wijziging van de arbeidsvoorwaarden (waardoor het recht op de uitkering na het overlijden van [erflater] werd geschapen) van de Bank is uitgegaan, omdat zij het tot haar plicht rekende de weduwe tegen eventualiteiten te dekken, zoodat het een pensioenverleening uit eigen middelen van De Bank is, dat [erflater] slechts de keus had die voorwaarden te aanvaarden of niet, en dat, als hij geweigerd had, de f.15.000 .- in de kas van de Bank waren gebleven en niemand na het overlijden van [erflater] eenige aanspraak op dat bedrag had kunnen doen gelden, dat [erflater] voor zijn weduwe niets bedongen heeft, dat de aanvaarding der voorwaarden de uitkeering niet maakt tot een rechtshandeling, waardoor eischeres ten koste van het vermogen van den erflater en van de legitimarissen is bevoordeeld, doch dat eischeres is bevoordeeld ten koste van het vermogen van de Bank, terwijl uit [erflater]' vermogen geen enkele bijdrage met betrekking tot de in artikel 3 der voorwaarden bedoelde uitkeering aan eischeres afkomstig is, ---------

hetgeen het Hof ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken.

Overwegende, dat de Bank incidenteel een middel van cassatie heeft aangevoerd, strekkende tot vernietiging van het aangevallen arrest doch alleen voor zoover daarin een kosten veroordeeling in appel ten behoeve van de Bank ontbreekt;

Overwegende omtrent het eerste principale middel:

dat de overtuiging, dat de langstlevende echtgenoot niet onverzorgd mag achterblijven, meer en meer veld heeft gewonnen en heden ten dage onder meer tot uiting komt hierin, dat zij, die als ambtenaar of in overheidsbedrijven werkzaam zijn, aan de na hun overlijden overblijvende echtgenoote een weduwenpensioen zien toegekend en dat dit ook het geval is ten opzichte van zeer velen, die in particuliere bedrijven van min of meer grooten omvang werkzaam zijn;

dat het, in overeenstemming hiermede, voor hen, die het vooruitzicht op een voldoende verzorging van hun weduwe niet hebben, naar algemeen gangbare opvattingen van moraal en fatsoen-bijzondere omstandigheden voorbehouden - als een onafwijsbare plicht wordt beschouwd om, indien noodig, naar de

mate van het mogelijke te zorgen voor het onderhoud van de weduwe;

dat de vervulling van dezen plicht zoozeer beantwoordt aan hetgeen de echtgenooten van elkaar mogen verlangen, dat daarmede - voorzooverre de verzorging, gelet op de omstandigheden waaronder de echtgenooten leefden en de langstlevende achterblijft, het redelijke niet te buiten gaat - voldaan wordt aan een verplichting van den eenen echtgenoot jegens de ander, welke als een natuurlijke verbintenis moet worden erkend;

dat daarom de nakoming van zoodanige verzorgingsverplichting - hetzij bij handeling onder de levenden, hetzij bij uiterste wilsbeschikking - is voldoen aan een verbintenis en niet is schenking;

dat derhalve ook een levensverzekering door den man gesloten teneinde na zijn dood in het onderhoud van de vrouw te voorzien, voorzooverre niet te buiten gaande hetgeen noodig is voor een verzorging, die overeenkomstig het voorafgaande, als voorwerp eener natuurlijke verbintenis tusschen de echtelieden moet worden erkend, niet leidt tot een schenking en niet, wat de daaruit voortvloeiende uitkeeringen betreft, wordt getroffen door de bepalingen betreffende inkorting wegens inbreuk op het wettelijk erfdeel of ongeoorloofde bevoordeeling van de tweede of verdere echtgenoote;

dat mitsdien het middel terecht zich keert tegen 's Hofs oordeel, dat het voor de vraag of de ten processe bedoelde twee uitkeeringen krachtens levensverzekeringen door [erflater] ten behoeve van zijn echtgenoote gesloten, als giften voor de berekening van het wettelijk erfdeel in aanmerking komen, onverschillig is of deze uitkeeringen uitingen zouden zijn van een normale zorg van [erflater] voor het onderhoud van zijn weduwe;

Overwegende ten aanzien van het tweede principale middel;

dat het Hof op den enkelen grond, dat [erflater] ingevolge de arbeidsvoorwaarden, waaronder hij bij de Bank werkzaam was, bij ontstentenis van weduwe en kinderen zelf over de bij zijn overlijden door de werkgeefster toegezegde uitkeering de beschikking zou hebben gehad - "een recht dat hij te gelde had kunnen maken en dat dus tot zijn boedel behoorde"-,heeft geoordeeld, dat de uitkeering welke krachtens deze arbeidsvoorwaarden door het overlijden van [erflater] aan zijn weduwe toekomt, is een voordeel door [erflater] aan haar ten koste van zijn boedel toegekend;

dat het middel terecht dit oordeel bestrijdt;

dat toch, blijkens de eigen overwegingen van het Hof, de weduwe haar recht op uitkeering heeft gekregen ter gelegenheid van de wijziging van de arbeidsvoorwaarden, aan welke bevoordeeling [erflater] niet kon tornen, en niet krachtens een recht van [erflater] om zelf een begunstigde aan te wijzen, welk recht aan [erflater] is toegekend alleen voor het geval de rechtstreeksche toekenning van een recht, wegens het ontbreken van de in aanmerking komende personen, geen gevolg kon hebben;

dat nu de weduwe een recht op uitkeering verkreeg, [erflater] zelf geen beschikkingsrecht over de uitkeering heeft bekomen en dus dit recht geen deel uitmaakte van zijn boedel;

dat het Hof mitsdien aan de hand van de gestelde feiten opnieuw zal moeten oordeelen, of de weduwe door de toekenning van voormelde uitkeeringen is bevoordeeld uit het vermogen van den erflater dan wel uit dat van de Bank;

Overwegende dat het incidenteele cassatiemiddel voor behandeling niet in aanmerking komt, nu door de vernietiging van het bestreden arrest, waartoe de gegrondbevinding van de principale middelen leidt, de geheele kostenveroordeeling in appel komt te vervallen en daarover opnieuw zal moeten worden beslist;

dat de Bank zich, wat de hoofdzaak betreft, omtrent het ingestelde beroep in cassatie aan het oordeel van den Hoogen Raad heeft gerefereerd met verzoek de in het ongelijk gestelde partij ook in haar kosten te veroordeelen;

Vernietigt het bestreden arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage;

Verwijst het geding naar dit Gerechtshof ten einde de zaak met inachtneming van deze uitspraak verder te behandelen en te beslissen;

Veroordeelt verweerders sub 2 in de kosten der procedure in cassatie tot aan deze uitspraak aan de zijde van eischeres begroot op acht en zestig gulden dertig cent aan verschot en zevenhonderd vijftig gulden voor salaris en aan de zijde van verweerster sub 1 op vijf en veertig gulden aan verschot en honderd gulden voor salaris.

Gedaan bij de Heeren Nypels, waarnemend-President, van der Meulen, Sinninghe Damsté, Losecaat Vermeer en Smits, Raden, en door voornoemden waarnemend-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den Dertigsten November 1900 vijf en veertig, in bijzijn van den Procureur-Generaal.