Mededingingsrecht
Art. 81 lid 1 RO. Mededinging. Onrechtmatige daad. Ambtshalve toetsing aan art. 102 VWEU?
Hoge Raad, 25 september 2020
ECLI:NL:HR:2020:1490 · Hoge Raad · 25 september 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/mededingingsrecht/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2020-1490
Zaakgegevens
Op 25 september 2020 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over mededingingsrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 september 2020
- Datum publicatie
- 23 september 2020
- Zaaknummer
- 19/02128
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Mededingingsrecht
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- Advocaat
- J.F. de Groot
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2020:1490
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. Mededinging. Onrechtmatige daad. Ambtshalve toetsing aan art. 102 VWEU?
Procesgang
Rechtbank Limburg · 8 februari 2017
ECLI:NL:RBLIM:2017:956Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 17 april 2020
ECLI:NL:PHR:2020:448Hoge Raad · 25 september 2020deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2020:1490
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg · Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 19/02128
Datum 25 september 2020
ARREST
In de zaak van
1. De rechtspersoon naar Duits recht [eiseres 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
hierna gezamenlijk: [eisers],
advocaat: J.F. de Groot,
tegen
1. De publiekrechtelijke rechtspersoon BUREAU BEHEER LANDBOUWGRONDEN,
gevestigd te Utrecht,
2. De publiekrechtelijke rechtspersoon PROVINCIE LIMBURG,
zetelende te Maastricht,
VERWEERDERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: de Provincie c.s.,
advocaten: J.W.H. van Wijk en aanvankelijk ook M.E.M.G. Peletier.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
-
de vonnissen in de zaak C/03/195533/HA ZA 14-512 van de rechtbank Limburg van 22 juli 2015 en 8 februari 2017;
-
de arresten in de zaak 200.220.842/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 juli 2018 en 29 januari 2019.
[eisers] hebben tegen het arrest van 29 januari 2019 van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De Provincie c.s. hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor Pfeiffer c.s. mede door M.C. van Heezik.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eisers] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Beslissing
De Hoge Raad:
-
verwerpt het beroep;
-
veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Provincie c.s. begroot op € 882,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eisers] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren G. Snijders, als voorzitter, M.J. Kroeze en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 25 september 2020.