Hoge Raad, cassatie personen- en familierecht
ECLI:NL:HR:2026:843
Op 5 June 2026 heeft de Hoge Raad een cassatie procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 25/02099, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:HR:2026:843.
Indicatie
Wvggz. Aansluitende zorgmachtiging. Bezwaar tegen bepaalde vorm van verplichte zorg: beperkingen in het gebruik van communicatiemiddelen. Motiveringsplicht rechter.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02099
Datum 5 juni 2026
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT 'S-GRAVENHAGE,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/09/680695/ FA RK 25-1341 van de rechtbank Den Haag van 7 maart 2025.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van de rechtbank Den Haag, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat onder de bij wijze van verplichte zorg te treffen maatregel “het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten” ook valt “het gebruik van communicatiemiddelen”, en tot terugwijzing naar die rechtbank.
De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2
Uitgangspunten en feiten
2.1
In deze zaak heeft de officier van justitie verzocht op de voet van art. 6:5, aanhef en onder c, Wvggz een aansluitende zorgmachtiging te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van twee jaar voor onder meer de vorm van verplichte zorg “het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen”.
2.2
In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling staat onder meer het volgende:
“Advocaat(…)Er is geen grond om betrokkene bij het “aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen” te verhinderen gebruik te maken van zijn telefoon of hem die af te nemen. De rechtbank wordt gevraagd dat laatste niet toe te staan. Betrokkene heeft nog nooit misbruik gemaakt van zijn telefoon. Het beperken van het gebruik van communicatiemiddelen wordt bij toewijzing van deze zorgvorm niet althans door diverse rechters niet standaard geïncludeerd.”
2.3
De rechtbank (Voetnoot 1) heeft een aansluitende zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene verleend voor de duur van twee jaar. Bij de toegewezen vormen van verplichte zorg heeft de rechtbank onder meer “het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen” vermeld. De rechtbank heeft, voor zover in cassatie van belang, in dat verband het volgende overwogen:
“De rechtbank volgt betrokkene niet in zijn wens om te bepalen dat het “aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, kan worden toegepast, met uitzondering van het gebruik van communicatiemiddelen”. Het is aan de zorgverleners om te bezien in hoeverre de onder deze vorm van verplichte zorg vallende onderdelen noodzakelijk zijn om ernstig nadeel van betrokkene te voorkomen.”
Overwegingen
3
Beoordeling van het middel
3.1
Volgens onderdeel II van het middel is onbegrijpelijk dat de rechtbank bij de toegewezen vorm van verplichte zorg “het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten” ook “het gebruik van communicatiemiddelen” heeft opgenomen. Namens betrokkene is daartegen uitdrukkelijk bezwaar gemaakt. Bovendien blijkt uit het behandelplan hiervoor geen motivering, en verwijst de geneesheer-directeur op dit punt slechts naar het behandelplan, aldus de klacht.
3.2
De rechter die een zorgmachtiging verleent, dient te motiveren dat voor de vormen van verplichte zorg waarvoor de machtiging is verleend, is voldaan aan de criteria voor en het doel van verplichte zorg. De rechter mag daarbij volstaan met een verwijzing naar de medische verklaring en de overige aan het verzoek ten grondslag liggende stukken indien daaruit voldoende duidelijk blijkt dat is voldaan aan de criteria voor en het doel van de verplichte zorg. Indien echter de betrokkene bezwaar maakt tegen een bepaalde vorm van zorg, of de duur daarvan, zal de rechter zijn beslissing op dat punt moeten motiveren. De rechter behoeft alleen in te gaan op een dergelijk bezwaar indien het voldoende is toegelicht. (Voetnoot 2)
3.3
In deze zaak heeft de advocaat van betrokkene tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat er geen grond bestaat voor het opnemen van beperkingen in het gebruik van communicatiemiddelen in de zorgmachtiging omdat betrokkene nog nooit misbruik heeft gemaakt van zijn telefoon (zie hiervoor in 2.2). Aldus heeft (de advocaat van) betrokkene zijn bezwaar tegen deze vorm van verplichte zorg voldoende toegelicht. Met de hiervoor in 2.3 weergegeven overweging dat het aan de zorgverleners is om te bezien in hoeverre de onder deze vorm van verplichte zorg vallende onderdelen noodzakelijk zijn om ernstig nadeel van betrokkene te voorkomen, heeft de rechtbank haar beslissing op dit punt niet toereikend gemotiveerd. Daarmee heeft de rechtbank immers, ondanks het voldoende toegelichte bezwaar van betrokkene, niet gemotiveerd waarom voor deze vorm van verplichte zorg is voldaan aan de criteria voor en het doel van verplichte zorg. De klacht slaagt dus.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 7 maart 2025;
- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 5 juni 2026.
Voetnoot
Voetnoot 1
Rechtbank Den Haag 7 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13733.
Voetnoot 2
Vgl. HR 8 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1475, rov. 3.3; HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1012, rov. 4.2.4.