Hoge Raad, cassatie strafrecht overig

ECLI:NL:HR:1995:ZD0049

Op 16 May 1995 heeft de Hoge Raad een cassatie procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 99.828, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:HR:1995:ZD0049. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
99.828
Datum uitspraak:
16 May 1995
Datum publicatie:
8 April 2013
Formele relaties:
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1995:53
Verwijzingen:
Wetboek van Strafvordering 271, Wetboek van Strafvordering 311

Indicatie

Uitspraak

16 mei 1995

Strafkamer

nr. 99.828

AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 mei 1993 in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep bevestigd een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 3 februari 1992, waarbij de verdachte ter zake van 1. en 3. telkens "diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, meermalen gepleegd" en 2. "diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak" is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf.

2. Het cassatieberoep

Het beroep in ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Gerechtshof ten einde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

4.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de Politierechter van 28 oktober 1991 houdt onder meer in dat de verdachte en diens raadsman, mr L.A.M.J. Pütz, aldaar zijn verschenen en dat het onderzoek ter terechtzitting is geschorst tot de terechtzitting van 3 februari 1992. Het proces-verbaal van laatstgenoemde terechtzitting houdt in dat de verdachte niet is verschenen en dat zijn raadsman aanwezig is. Dit proces-verbaal houdt echter niet in dat mr Pütz in de gelegenheid is gesteld de verdediging te voeren en te antwoorden op de vordering van de Officier van Justitie en dat hem het recht is gelaten het laatst te spreken, zodat het ervoor moet worden gehouden dat een en ander niet is geschied.

4.2. Aldus heeft de Politierechter miskend dat na een schorsing van het onderzoek op de terechtzitting alwaar de verdachte is verschenen het op de nadere terechtzitting hervatte onderzoek op tegenspraak plaats vindt, ook al is de verdachte aldaar niet verschenen. Voormeld verzuim leidt, ingevolge art. 331 Sv, in samenhang met art. 311, tweede en vierde lid, Sv, tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, het op grond daarvan gewezen vonnis van de Politierechter, alsmede van het bestreden arrest waarbij dit nietige vonnis werd bevestigd.

5. Slotsom

Het vorenoverwogene brengt mee dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven en beslist moet worden als volgt.

6. Beslissing

De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ten einde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Mout en Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, in bijzijn van de waarnemend-griffier Van Woensel, en uitgesproken op 16 mei 1995.