Doodslag door in 2018 in Amsterdam als klusjesman zijn opdrachtgever in diens woning 30 keer met mes in zijn romp en nek te steken en in zijn hals te snijden n.a.v. conflict over kwaliteit van schilderwerkzaamheden van verdachte en betaling daarvan door slachtoffer, art. 287 Sr. Ontslag van alle rechtsvervolging in eerste aanleg. 1. Noodweerexces, aannemelijkheid feitelijke grondslag van verweer. Kon hof oordelen dat door verdachte geschetste feitelijke toedracht niet aannemelijk is geworden? 2. Vordering benadeelde partij t.a.v. gevorderde materiële schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud (art. 6:108.1 BW) en oplegging schadevergoedingsmaatregel. Is ’s hofs oordeel dat omvang van schade voldoende onderbouwd en redelijk is toereikend gemotiveerd?
Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Zonder doorkruising van HR:2022:417, heeft hof gemotiveerd op welke gronden de verwerping van verweer berust. I.h.b. heeft hof daarbij betekenis toegekend aan hetgeen uit beschikbaar (bewijs)materiaal volgt m.b.t. feitelijke toedracht. Hof heeft hierbij gewezen op telecomgegevens, sporenbeeld, diverse verklaringen (waaronder die van verdachte zelf) en overige p-v’s. Door hof gebruikte bewoordingen dat het een andere gang van zaken “meer aannemelijk” acht dan door verdachte geschetste gang van zaken (het door slachtoffer gedwongen zijn tot seksuele handelingen), moeten worden begrepen in het licht van voorwaarde dat feitelijke grondslag van beroep op noodweerexces, gelet op wat verdachte daarover heeft verklaard en in het licht van verhandelde ttz., voldoende aannemelijk moet worden. Hof heeft met gekozen formulering en met aandacht voor proceshouding van verdachte tot uitdrukking gebracht dat dit niet het geval is. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. In zijn motivering heeft hof beargumenteerd waarom het geen geloof hecht aan verklaring van verdachte en twijfels heeft over specifieke aspecten van die verklaring. Mede gelet op feit dat ‘s hofs oordeel in hoge mate is verweven met waarderingen van feitelijke aard, is dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2024:644 m.b.t. toewijzing van gevorderde materiële schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud. Uit zijn overwegingen over vordering b.p. wegens gederfd levensonderhoud blijkt niet dat hof, rekening houdend met bijzonderheden van partijdebat over vordering die strekt tot vergoeding van gederfd levensonderhoud, heeft beoordeeld of verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest haar stellingen en onderbouwingen m.b.t. (betwisting van) toewijsbaarheid van die vordering genoegzaam naar voren te brengen, en of zich omstandigheden voordeden die meebrachten dat hof, door eigen onderzoek te doen, compensatie moest bieden voor eventuele tekortkomingen daarin. Tegen die achtergrond is ‘s hofs oordeel dat “omvang van schade voldoende onderbouwd en redelijk [is]”, niet toereikend gemotiveerd. Daarom kan ook oplegging van schadevergoedingsmaatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR:2019:901).
Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. vordering b.p., v.zv. daarin bedrag van € 86.740,80 voor vergoeding van gederfd levensonderhoud is begrepen, en oplegging van schadevergoedingsmaatregel en terugwijzing. CAG: anders t.a.v. vordering b.p.