Hoge Raad, cassatie strafrecht overig

ECLI:NL:HR:2026:75

Op 20 January 2026 heeft de Hoge Raad een cassatie procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 24/03030, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:HR:2026:75.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
24/03030
Datum uitspraak:
20 January 2026
Datum publicatie:
20 January 2026

Indicatie

Brandstichting aan partytent in tuin van buren waardoor woning van buren en woning van verdachte zijn verbrand, art. 157.1 en 157.2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Redelijke termijn in cassatie. Verkorte termijn of reguliere termijn toepassen m.b.t. inzendtermijn en uitspraaktermijn, nu hof in zijn arrest de gevangenneming van verdachte heeft bevolen? 2. Schriftuur benadeelde partij. Aanvangsdatum van wettelijke rente over toegewezen bedrag voor aanschaf van nieuwe kleding. Belang bij cassatie?

Ad 1. Onder overschrijding van redelijke termijn is mede begrepen overschrijding van termijn voor het inzenden van stukken naar HR nadat cassatieberoep is ingesteld. Die inzendtermijn is gesteld op 8 maanden. Inzendtermijn wordt op 6 maanden gesteld in (onder meer) zaken waarin verdachte i.v.m. zaak in voorlopige hechtenis verkeert (vgl. HR:2008:BD2578). Voor vraag of verdachte in voorlopige hechtenis verkeert, is beslissend datum waarop cassatieberoep is ingesteld.

Verdachte bevond zich t.t.v. het instellen van cassatieberoep niet in voorlopige hechtenis. Op dag van inzending van stukken waren nog geen 8 maanden verstreken sinds het instellen van cassatieberoep. Wat betreft duur van cassatieprocedure is van belang datum waarop aanzegging door HR a.b.i. art. 435 Sv aan verdachte is betekend. Op die datum bevond verdachte zich o.g.v. de door hof bevolen gevangenneming wel in voorlopige hechtenis. HR doet uitspraak nadat meer dan 16 maanden zijn verstreken na het instellen van cassatieberoep. Dat brengt mee dat redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM is overschreden.

HR merkt op dat, vanwege uiteenlopende aard van betreffende procedures, voor beoordeling van redelijke termijn in feitelijke instantie enigszins andere uitgangspunten gelden dan voor beoordeling van redelijke termijn in cassatieprocedure. Uitgangspunten die van belang zijn m.b.t. procedure in feitelijke instantie, zijn uiteengezet in HR:2025:1775.

HR vermindert opgelegde gevangenisstraf van 54 maanden met 1 maand. CAG gaat zowel t.a.v. inzendtermijn als t.a.v. uitspraaktermijn uit van verkorte termijnen.

Ad 2. HR: art. 81.1 RO.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/03030

Datum 20 januari 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 augustus 2024, nummer 20-001886-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de verdachte.

Procesverloop

1
Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2], vertegenwoordigd door [betrokkene 1], heeft de advocaat R. van den Berg bij schrifturen cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De advocaat van de benadeelde partijen heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel van de verdachte en ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

2.2

Onder overschrijding van de redelijke termijn is mede begrepen de overschrijding van de termijn voor het inzenden van de stukken naar de Hoge Raad nadat cassatieberoep is ingesteld. Die inzendtermijn is gesteld op acht maanden. De inzendtermijn wordt op zes maanden gesteld in (onder meer) zaken waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert. (Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverweging 3.3.) Voor de vraag of de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert, is beslissend de datum waarop het cassatieberoep is ingesteld.

2.3

De verdachte bevond zich ten tijde van het instellen van het cassatieberoep niet in voorlopige hechtenis. Omdat op de dag van inzending van de stukken nog geen acht maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, is het cassatiemiddel tevergeefs voorgesteld.

2.4

Wat betreft de duur van de cassatieprocedure is van belang de datum waarop de aanzegging door de Hoge Raad als bedoeld in artikel 435 van het Wetboek van Strafvordering aan de verdachte is betekend. Op die datum bevond de verdachte zich op grond van de door het hof bevolen gevangenneming wel in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 54 maanden.

2.5

Opmerking verdient dat, vanwege de uiteenlopende aard van de betreffende procedures, voor de beoordeling van de redelijke termijn in feitelijke instantie enigszins andere uitgangspunten gelden dan voor de beoordeling van de redelijke termijn in de cassatieprocedure. De uitgangspunten die van belang zijn met betrekking tot de procedure in feitelijke instantie, zijn uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1775.

3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen die namens de verdachte en van de cassatiemiddelen die namens de benadeelde partijen zijn voorgesteld

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

Beslissing

4
Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze 53 maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2026.