Op 29 November 1991 heeft de Parket bij de Hoge Raad een procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 14.445, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:PHR:1991:51.
Nr. 14 445
Zitting 29 november 1991
Mr. Mok
Conclusie inzake
Ontvanger der Directe Belastingen te Helmond
tegen
[verweerder]
Edelhoogachtbaar college,
1. Korte beschrijving van de zaak
1.1. Inzet van het geding is de vervroegde invordering door eiser van cassatie, hierna: de ontvanger, van in totaal zeven aanslagen inkomstenbelasting en premieheffing over 1983 en 1984, welke aanslagen de inspecteur der directe belastingen te Helmond had opgelegd aan [verweerder], verweerder in cassatie.
De ontvanger heeft de artikelen 9 en 14bis van de Invorderingswet van 1845 van toepassing verklaard en heeft op 14 februari 1986 dwangbevelen uitgevaardigd, die op diezelfde dag aan [verweerder] zijn betekend. Voorts heeft de ontvanger beslag doen leggen op in de woning van [verweerder] aanwezige roerende goederen en op bankrekeningen te diens name.
1.2. De inspecteur heeft later de [verweerder] opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premieheffing over 1983 (in het kader van een fiscaal compromis over de jaren 1982–1986 (Voetnoot 1)) tot nihil teruggebracht. Daardoor zijn de dwangbevelen die ter invordering van die aanslagen zijn uitgevaardigd automatisch vervallen.
1.3. [verweerder] heeft de ontvanger gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch; daarbij is hij in verzet gekomen tegen de uitgevaardigde dwangbevelen.
De rechtbank heeft bij een verstekvonnis van 23 mei 1986 [verweerder] tot goed opposant verklaard.
Op door de ontvanger gedaan verzet heeft de rechtbank bij vonnis van 4 december 1987 de ontvanger tot goed opposant verklaard en [verweerder] zijn vorderingen ontzegd.
1.4. Van dat laatste vonnis is [verweerder] in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Daarbij heeft hij, naast toewijzing van zijn oorspronkelijke vorderingen, een verklaring voor recht gevraagd, inhoudend dat de ontvanger jegens hem, door de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen, een onrechtmatige daad had gepleegd.
Bij arrest van 5 februari 1990 heeft het hof overwogen dat [verweerder] geen belang meer had bij zijn verzet tegen de dwangbevelen die betrekking hadden op de (inmiddels tot nihil teruggebrachte) aanslagen over 1983. Met vernietiging van het vonnis van de rechtbank heeft het hof [verweerder] voor de dwangbevelen met betrekking tot de aanslagen over 1984 tot goed opposant verklaard.
Voorts heeft het hof verklaard dat de ontvanger jegens [verweerder] onrechtmatig had gehandeld bij zijn invorderingsmaatregelen terzake van al de zeven eerder genoemde aanslagen.
1.5. De ontvanger heeft tegen dat arrest (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. Het beroep steunt op een middel dat vijf onderdelen telt, waarvan vier weer uit verscheidene subonderdelen bestaan.
2. Opbouw van het bestreden arrest
2.1. In r.o. 4.1 overweegt het hof dat [verweerder] bij zijn vordering tot buiten effect stelling van de dwangbevelen die betrekking hebben op de aanslagen inkomstenbelasting en premieheffing over 1983, geen belang meer heeft. Die aanslagen zijn immers tot nihil teruggebracht.
Deze overweging is in cassatie niet aan de orde.
2.2. In r.o. 4.2 en r.o. 4.3, onder a–e, overweegt het hof dat de ontvanger bij de invordering onjuist heeft gehandeld, in het bijzonder onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht, om redenen die samenhangen met de oplegging van de aanslagen.
2.3. In r.o. 4.3, onder f, overweegt het hof dat de ontvanger onvoldoende zorgvuldigheid jegens [verweerder] heeft betracht door, zonder voorafgaande aanmaning, tot drastische invorderingsmaatregelen (nl. beslaglegging op o.m. inboedel) over te gaan op een tijdstip waarop [verweerder] met vakantie in het buitenland was.
2.4. Het komt mij voor dat het arrest van het hof zodoende op twee zelfstandige pijlers steunt: enerzijds de in § 2.2, anderzijds de in § 2.3 genoemde overwegingen. De eerste houden in dat de ontvanger onjuist heeft gehandeld door klakkeloos de door de inspecteur opgelegde aanslagen in te vorderen. De tweede verwijten de ontvanger onzorgvuldigheid bij de invordering zelf, nl. door de keuze van het moment van beslaglegging.
Dat betekent dat het middel, wil het slagen, elk van die pijlers omver moet weten te halen.
Inderdaad is het middel zowel tegen r.o. 4.2 als tegen elk van de in r.o. 4.3 genoemde ‘’feiten’’ gericht.
3. Kan belastingontvanger worden aangesproken op gebreken van door hem ingevorderde aanslagen?
3.1. Op grond van art. LVII, lid 2, van de Invoeringswet Invorderingswet 1990 (Voetnoot 2) is op het onderhavige geding de oude Wet op de invordering van 1845 (Voetnoot 3) van toepassing.
Die wet bepaalde in art. 15, lid 4:
‘’Verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan nimmer gericht zijn tegen de wettigheid of het bedrag van de aanslag of van een ingevolge enige bepaling van de belastingwetten door de inspecteur genomen beschikking (…)’’.
Een overeenkomstige bepaling komt thans voor in de Invorderingswet 1990, art. 17, lid 3, laatste zin.
3.2. De geciteerde bepaling van de (oude) Invorderingswet is in een recent arrest van de Hoge Raad (Voetnoot 4), o.m. met een beroep op de m.v.t. bij het voorstel van de Invorderingswet 1990 (Voetnoot 5) als volgt uitgewerkt:
‘’Uit art. 15 volgt voorts dat wel verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel mogelijk is, doch dat dit verzet — dat de tenuitvoerlegging niet schorst — niet gericht kan zijn tegen de wettigheid of het bedrag van de aanslag. In dit stelsel ligt besloten dat het de burgerlijke rechter niet vrij staat de wettigheid en de juistheid van het bedrag van de aanslag te toetsen — zoals ook strookt met de formele rechtskracht die aan een dergelijke beschikking toekomt — en dat hij voorts ook niet executiemaatregelen uit hoofde van een op grondslag van die aanslag uitgevaardigd dwangbevel onrechtmatig kan oordelen op de enkele grond dat het bedrag dat bij die aanslag is vastgesteld en waardoor die maatregelen dan ook zijn genomen, na bezwaar of beroep tenslotte wordt verminderd, zulks ongeacht tot welk bedrag die vermindering plaatsvindt (…). Wel is het de taak van de burgerlijke rechter — eventueel in het kader van een vordering tot schadevergoeding als de onderhavige — te onderzoeken of door de Staat onrechtmatig is gehandeld doordat in het kader van de versnelde invordering in de gegeven omstandigheden door de inspecteur bij het vaststellen van de betreffende aanslagen, onderscheidenlijk door de ontvanger bij de tenuitvoerlegging, in strijd is gehandeld met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waarbij in een geval als het onderhavige in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel aan de orde zal kunnen komen.’’
3.3. Bij het tweede gedeelte van dit citaat (beginnend met ‘’Wel is het de taak ...’’) plaats ik een kanttekening.
M.i. is van essentieel belang dat de Hoge Raad hier spreekt van onrechtmatig handelen door de Staat. Tegen door een ontvanger genomen (dwang)maatregelen ter invordering van een aanslag, bij de vaststelling waarvan de inspecteur gehandeld heeft in strijd met een beginsel van behoorlijk bestuur kan de belanghebbende in beginsel opkomen met een actie uit onrechtmatige daad, maar die actie dient hij in te stellen tegen de Staat, en dus niet tegen de ontvanger.
Dit is in overeenstemming met de vaste rechtspraak (Voetnoot 6) inzake het in rechte betrekken van overheidsdienaren wegens een beweerde onrechtmatige daad van een overheidslichaam.
Weliswaar is altijd aangenomen dat de ontvanger als zodanig in rechte kan optreden, een bevoegdheid die nu ook in de Invorderingswet 1990 (art. 3, lid 3) is gecodificeerd. Het gaat daarbij echter om ‘’rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak’’. Uit het al genoemde art. 17, lid 3 (waarvan de inhoud ook, zoals bleek, in iets andere bewoordingen in de oude wet voorkwam) kan men echter wel afleiden dat de wetgever verificatie van de juistheid van de aanslag niet tot de normale taken van de ontvanger heeft gerekend.
3.4.1. Onderzocht moet dan nog worden of ‘’marginale toetsing’’ van een aanslag tot de taak van de ontvanger behoort en, zo ja, wat zulke toetsing in dit verband inhoudt.
3.4.2. Het hof heeft aangenomen dat marginale toetsing tot de taak van de ontvanger behoort (r.o. 4.3., sub e). Hierbij baseert het hof zich niet op een algemeen geldende rechtsregel doch op een beleidslijn die de ontvanger zelf heeft genoemd.
Daarbij zal het hof doelen op de volgende passage in de in noot 1 genoemde pleitnotities (5.1.–5.2.):
‘’(…) de Ontvanger die voor nog niet onherroepelijk(e) aanslagen ingrijpende invorderingsmaatregelen neemt, (moet) onder omstandigheden de juistheid van de aanslagen marginaal toetsen. De Ontvanger heeft in dit geval wel bij de inspecteur geïnformeerd naar de juistheid van de aanslag.
De Ontvanger verwijst naar hetgeen hij daaromtrent in prima en bij Memorie van Antwoord heeft doen stellen. (…)’’
Wat de ontvanger daarmee bedoelde, kan blijken uit de c.v.r. in eerste aanleg. Daar heeft de ontvanger gerefereerd aan een vonnis in kort geding van de president van de rechtbank te Amsterdam (Voetnoot 7), waarin deze had overwogen:
‘’Wij zijn van oordeel dat de ontvanger die beginselen schendt en mitsdien onrechtmatig handelt indien hij onherroepelijke executiemaatregelen treft op basis van aanslagen waarvan met grote waarschijnlijkheid vaststaat dat deze bij een definitieve vaststelling niet in stand zullen blijven.’’
3.4.3. Wil men, zoals naar ik meen de bedoeling van het hof is, de ontvanger houden aan de door deze zelf genoemde beleidslijn, dan dient men ervan uit te gaan dat die beleidslijn niet meer zal inhouden dan uit de geciteerde passage van de Amsterdamse rechtbankpresident voortvloeit. Uit de in noot 1 genoemde pleitnotities waarin de ontvanger heeft doen stellen dat hij, alvorens hij een dwangbevel uitvaardigt, (in het algemeen) niet marginaal behoeft te toetsen of een aanslag juist is opgelegd.
Dat lijkt mij, gezien de uit de wet volgende taakverdeling tussen inspecteur en ontvanger (Voetnoot 8) en gezien het wettelijke systeem van controle op aanslagen (bezwaar bij de inspecteur en beroep op de belastingrechter), juist.
Het door de ontvanger steeds marginaal toetsen van een aanslag, alvorens deze een dwangbevel tot invordering van een nog niet onherroepelijke aanslag zou mogen uitvaardigen, zou ook praktisch — gezien het aantal uitgevaardigde dwangbevelen — niet mogelijk zijn. Daaraan voeg ik toe dat een, bij uitvaardiging van zulk een dwangbevel te stellen, standaardvraag van ontvanger aan inspecteur (‘’is die aanslag in orde?’’) waarschijnlijk tot een standaardantwoord (‘’ja’’) zou leiden en dus zinloos zou zijn.
Resumerend zou ik menen dat de ontvanger slechts wanneer hij — daarop al dan niet door de belanghebbende geattendeerd — aanleiding heeft te vermoeden dat er met een (niet onherroepelijke) aanslag iets niet in orde zou kunnen zijn, vóór hij dwangmaatregelen ter invordering neemt, een nader onderzoek moet instellen. Het ligt voor de hand dat hij dit doet door contact op te nemen met de inspecteur. In zo'n geval is geen sprake van een routinevraag en dan kan zulk contact ook zinvol zijn (Voetnoot 9).
4. Bespreking van het cassatiemiddel
4.1.1. Allereerst bespreek ik onderdeel E, dat gericht is tegen r.o. 4.2 van het bestreden arrest.
In appelgrief I had [verweerder] gesteld dat de rechtbank ten onrechte overwogen had
‘’dat in de dagvaarding geen toelichting is gegeven op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat de inspecteur op kennelijk onredelijke en onjuiste gronden de onder de voormelde aanslagen begrepen voorlopige aanslagen heeft opgelegd’’.
Het hof heeft in r.o. 4.2 deze grief gedeeltelijk gegrond verklaard, nl. wat betreft het jaar 1983. Dit is vooral geschied omdat was komen vast te staan dat [verweerder] over dat jaar in het geheel geen belasting verschuldigd was.
4.1.2. Daargelaten dat, zoals vermeld, het feit dat [verweerder] over het jaar 1983 tenslotte geen belasting verschuldigd was, het gevolg was van een tussen [verweerder] en de inspecteur — na de litigieuze invorderingsmaatregelen — aangegaan fiscaal compromis, meen ik dat het hof hier van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan.
Ten tijde van het nemen van de invorderingsmaatregelen waren [verweerder] over 1983 aanslagen opgelegd waarop de ontvanger zich mocht baseren. Dat de inspecteur die aanslagen later tot nihil heeft teruggebracht brengt niet mee dat de ontvanger — zolang hij geen reden had om te vermoeden dat er met die aanslagen iets niet in orde zou kunnen zijn — door op grond van dwangbevelen en met behulp van beslaglegging, tot invordering van die aanslagen over te gaan, onrechtmatig heeft gehandeld.
Zoals hiervóór al betoogd, moet in deze procedure buiten beschouwing blijven of de Staat, doordat de inspecteur achteraf (verondersteld) onjuist gebleken aanslagen heeft opgelegd, die tot voorzienbare invorderingsmaatregelen hebben geleid, onrechtmatig heeft gehandeld.
4.1.3. Subonderdeel E.ii. is terecht voorgesteld, terwijl de (alternatieve) subonderdelen E.i. en E.iii. onbesproken kunnen blijven.
4.2.1. In r.o. 4.3 sub e overweegt het hof dat de ontvanger gesteld had dat hij bij de inspecteur naar de juistheid van de aanslagen had geïnformeerd. [verweerder] heeft, aldus het hof, die stelling betwist.
Vervolgens overweegt het hof dat de ontvanger geen bewijs heeft aangeboden zodat niet mag worden aangenomen dat de ontvanger de informatie heeft ingewonnen.
Die overwegingen bestrijdt het middel in onderdeel A.
4.2.2. Uit de gedingstukken is af te leiden dat de ontvanger over de [verweerder] opgelegde aanslagen contact met de inspecteur heeft gehad. Uit de dagvaarding tot aanzegging van verzet tegen het verstekvonnis, tevens conclusie van eis, blijkt een aantal gegevens, bijv. over correctie van aangiften, die de ontvanger slechts van de inspecteur vernomen kan hebben.
Weliswaar zou de ontvanger ook ná de dwangmaatregelen (t.b.v. de gerechtelijke procedure) contact met de inspecteur gehad kunnen hebben, maar op tenminste één plaats blijkt van voorafgaand contact. Onder 3 (p. 5) van de genoemde dagvaarding wordt vermeld:
‘’Navraag bij de inspecteur leerde dat er zojuist een aanslag IB ten bedrage van ƒ 211.391 was opgelegd.’’
In zijn m.v.a. (sub G.) heeft de ontvanger doen opnemen:
‘’Ook de Ontvanger biedt zonodig bewijs aan van zijn stellingen, speciaal waar het betreft de gevraagde verklaring voor recht, waarbij hij met name denkt aan het leveren van bewijs middels het horen van getuigen.’’
Ik zie geen reden om tot die stellingen niet óók het verricht hebben van de hiervóór geciteerde navraag te rekenen. De verklaring voor recht was weliswaar eerst in appel gevraagd, maar op de bedoelde, door de ontvanger al in eerste aanleg naar voren gebrachte, stelling zou ook ter bestrijding van die eis een beroep kunnen worden gedaan.
Bij pleidooi in appel heeft de ontvanger vervolgens (blijkens de pleitnotities van zijn raadsman, sub 5.1.) gesteld dat hij
‘’in dit geval wel bij de inspecteur (had) geïnformeerd naar de juistheid van de aanslag.’’
In diezelfde pleitnotities (sub 10.2.) heeft de ontvanger herhaald dat hij van al zijn stellingen bewijs aanbood, i.h.b. door getuigen.
4.2.3.1. In het licht van het bovenstaande kan men m.i. niet stellen dat de ontvanger de feitelijke omstandigheid dat hij over de betrokken aanslagen contact met de inspecteur had gehad, voor het eerst bij pleidooi in appel naar voren heeft gebracht. Ook als men meent dat dit wel zo was, bestond er voor het hof onvoldoende grond te overwegen dat de ontvanger geen hierop betrekking hebbend bewijsaanbod had gedaan, nu het hof zelf (r.o. 4.3 sub e) heeft vastgesteld dat [verweerder] de bewuste stelling had betwist, dus in de gelegenheid was geweest daarop te reageren.
Derhalve is de overweging dat de ontvanger terzake geen bewijs had aangeboden, onbegrijpelijk.
Subonderdeel A.i. van het middel klaagt daarover terecht.
4.2.3.2. Hetzelfde subonderdeel verdedigt dat de overweging als zou [verweerder] de stelling van de ontvanger dat hij bij de inspecteur informaties had ingewonnen, betwist heeft, in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk is.
Uit het bestreden arrest blijkt dat in hoger beroep mondeling is gepleit. Het hof heeft een betwisting als hier bedoeld kennelijk uit het voor [verweerder] gehouden pleidooi afgeleid. Die feitelijke gevolgtrekking behoefde geen nadere motivering en is in cassatie onaantastbaar.
Overigens heeft de ontvanger bij de hier bedoelde klacht geen belang.
4.2.4. Subonderdeel A.ii. klaagt er over dat het hof de ontvanger ten onrechte geen bewijs heeft opgedragen van diens stelling, inhoudend dat hij bij de inspecteur naar de juistheid van de aanslagen had geïnformeerd.
Voor zover het subonderdeel erover klaagt dat het hof een bewijsaanbod terzake ten onrechte heeft gepasseerd, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft immers overwogen dat de ontvanger zulk een bewijsaanbod niet had gedaan. De onbegrijpelijkheid van die overweging verschaft de klacht de noodzakelijke feitelijke grondslag niet.
Voor zover het subonderdeel erover klaagt dat het hof niet ambtshalve bewijs heeft opgedragen, faalt het, omdat het hof daartoe niet gehouden was.
4.3.1. Subonderdeel B.i. veronderstelt dat uit r.o. 4.3 sub a–d moet worden afgeleid dat de aldaar genoemde gedragingen van de inspecteur de ontvanger moeten worden toegerekend.
In de aanhef van r.o. 4.3 overweegt het hof dat de ontvanger onvoldoende zorgvuldigheid jegens [verweerder] heeft betracht op grond van de daarna (sub a–f) genoemde feiten. De feiten sub a–e (waarbij b en c in onderling verband moeten worden beschouwd) betreffen inderdaad vrijwel uitsluitend gedragingen van de inspecteur.
Uit het eerder (§ 3.3., zie ook § 4.1.2.) betoogde vloeit voort dat invorderingsmaatregelen met betrekking tot aanslagen waarvan naderhand blijkt dat zij ten onrechte zijn opgelegd, er onder omstandigheden toe kunnen leiden dat de Staat aansprakelijk wordt geacht wegens onrechtmatige daad. Er kan echter geen sprake zijn van aansprakelijkheid van de ontvanger als zodanig.
Naar mijn mening slaagt het subonderdeel dan ook.
4.3.2. Subonderdeel B.ii., dat van een andere veronderstelling uitgaat dan de door mij juist geachte, mist feitelijke grondslag.
4.3.3. Onderdeel C behoeft, gezien het in § 4.3.1 betoogde, geen behandeling.
4.4. De slotsom uit het bovenstaande is dat verscheidene klachten tegen de in § 2.2 aangeduide eerste ‘’pijler’’ van het bestreden arrest slagen.
Zoals eerder opgemerkt kunnen deze klachten slechts succes hebben, indien het middel er in slaagt ook de tweede pijler omver te halen.
4.5.1. In r.o. 4.3 (aanhef en) sub f heeft het hof overwogen dat de invorderingsmaatregelen van de ontvanger jegens [verweerder] mede daarom onzorgvuldig waren, omdat de ontvanger zonder aanmaning tot die maatregelen is overgegaan tijdens de krokusvakantie. Het hof heeft daaraan toegevoegd dat van algemene bekendheid is dat Nederlanders met de maatschappelijke achtergronden van [verweerder] dan buitenslands plegen te vertoeven.
Daartegen keert zich onderdeel D.
4.5.2. Subonderdeel D.i. stelt dat het hof heeft miskend dat er in dit geval ‘’gerechtvaardigde vrees voor verduistering’’ bestond en dat volgens art. 9, aanhef en onder 2°, van de Invorderingswet van 1845 in zulk een geval geen aanmaning noodzakelijk is.
Deze klacht stoelt op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof verwijt de ontvanger niet dat deze ten onrechte een aanmaning achterwege heeft gelaten. Het gaat slechts uit van het (in het geding vaststaande) feit dat zo'n aanmaning achterwege gebleven is. In de opvatting van het hof had de ontvanger onder deze omstandigheden niet op de eerste dag van de krokusvakantie tot invorderingsmaatregelen mogen overgaan.
Daarmee wil het hof kennelijk tot uitdrukking brengen dat de ontvanger [verweerder] tijdens zijn (te verwachten) afwezigheid niet met zulke maatregelen had mogen overvallen. Dit zou anders zijn geweest indien — om welke reden ook — tevoren wel een aanmaning verzonden zou zijn.
Het subonderdeel ontbeert dan ook feitelijke grondslag.
4.5.3. Volgens subonderdeel D.ii. is de veronderstelde rechtsopvatting dat de ontvanger niet tot invorderingsmaatregelen mag overgaan op een tijdstip waarop, naar de ontvanger weet of behoort te weten, de betrokkene afwezig is, onjuist.
Uit § 4.5.2 vloeit voort dat ook deze klacht op niet geheel juiste lezing van het bestreden arrest berust. Het hof heeft nl. met de woorden ‘’zonder voorafgaande aanmaning’’ een beperking aangebracht. Ook wanneer men deze buiten beschouwing laat, komt het mij voor dat het subonderdeel geen doel treft.
De ‘’Leidraad Invordering’’ (Voetnoot 10) vermeldt:
‘’Op dagen die daarvoor uit tactisch oogpunt minder geschikt zijn, worden geen invorderingsmaatregelen ten uitvoer gebracht welke zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden verschoven.’’
Een algemene regel is in het bestreden arrest niet te lezen. Voor zover het subonderdeel daarover klaagt, mist het feitelijke grondslag.
Het hof was van oordeel dat een dag in een algemene vakantie, althans de krokusvakantie, t.a.v. [verweerder] (mede gezien diens maatschappelijke achtergronden) kennelijk tot de minder geschikte dagen behoorde en wel omdat dan op afwezigheid van [verweerder] gerekend moest worden. Dat laatste vond daarin bevestiging dat [verweerder] ook werkelijk afwezig was. Hier is sprake van een feitelijk en niet onbegrijpelijk oordeel waartegen in cassatie niet met succes opgekomen kan worden.
4.5.4. Subonderdeel D.iii. verwijt het hof in het ongewisse te laten of [verweerder], als hij wel thuis geweest was, de ontvanger had kunnen confronteren met nieuwe feiten en omstandigheden.
Die klacht miskent ten eerste dat noch uit de Leidraad Invordering, noch uit de desbetreffende overweging van het hof blijkt dat (alleen) het geven van de mogelijkheid van verweer aan de in de Leidraad geformuleerde regel ten grondslag ligt. Er kunnen andere redenen een rol spelen, zoals dat men bij beslag op inboedel, bij afwezigheid van de beslagene, het woonhuis (zoals ook gebeurd is) moet openbreken.
Zelfs al zou wel voorop staan de mogelijkheid te bieden zich te verweren, dan gaat het niet aan de eis te stellen dat moet blijken dat de belanghebbende ook daadwerkelijk een — min of meer doeltreffend — verweer zou hebben kunnen voeren.
4.5.5. Subonderdeel D.iiii. verdedigt dat de overweging sub f (van r.o. 4.3), het oordeel dat de ontvanger onrechtmatig heeft gehandeld niet zelfstandig kan dragen.
Het hof heeft de aanhef van r.o. 4.3. besloten met de zin ‘’Het Hof grondt zijn oordeel op de navolgende feiten’’. Het zegt niet dat elk van die feiten zijn oordeel kan dragen, noch dat het gaat om (uitsluitend) in hun onderlinge samenhang in ogenschouw genomen feiten.
Uit het hiervóór (§ 2.4) betoogde volgt dat r.o. 4.3 sub f, dat betrekking heeft op eigen gedragingen van de ontvanger, los staat van de voorafgaande overwegingen, die primair betrekking hebben op gedragingen van de inspecteur en eerst secundair op de reactie van de ontvanger daarop.
Anders dan het subonderdeel betoogt meen ik daarom dat r.o. 4.3 sub f geen samenhang heeft het voorafgaande en op zichzelf (dus los van de daartegen gerichte klachten) het arrest wel kan dragen.
4.5.6. Bovenstaande beschouwingen leiden tot de slotsom dat onderdeel D faalt en dat de daar vruchteloos aangevallen overweging het arrest van het hof zelfstandig kan dragen.
Hoewel verscheidene subonderdelen van het middel, t.w. A.i., B.i. en E.ii., slagen, leidt dit toch niet tot cassatie van het bestreden arrest. Ook wanneer de ontvanger alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld het aangeboden bewijs te leveren zou dit hem, al zou hij daarin slagen, geen baat kunnen brengen.
Dat neemt niet weg dat de in het bestreden arrest gegeven verklaring voor recht een ander aanzien krijgt, wanneer blijkt dat deze slechts op een pijler (het gekozen tijdstip van beslaglegging) kan steunen. Daardoor zou ook de basis voor een eventuele vordering tot schadevergoeding worden versmald.
4. Conclusie
De conclusie luidt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Voetnoot
Voetnoot 1
Aldus de pleitnotities van de advocaat van de ontvanger in hoger beroep (zitting 27 november 1989), sub 1.f.
Voetnoot 2
Wet van 30 mei 1990, Stb. 222, ed. S & J 114–I, 1991, p. 255.
Voetnoot 3
Wet van 22 mei 1845, Stb. 22, o.m. te vinden in Kluwers wetboeken en wetten nr. 3, Belastingwetten, 1990, p. 533.
Voetnoot 4
HR 22 juni 1990, RvdW 1990, 132, r.o. 3.2. Zie ook c.o.m., § 4.3.1.
Voetnoot 5
Kamerst. 20 588, nr. 3, p. 11, p. 37 en p. 54, io. P. 15–17.
Voetnoot 6
Zie bijv. HR 25 nov. 1983, NJ 1984, 297, m.nt. W.H. Heemskerk, met nadere gegevens in de c.o.m. (mr. Franx); zie ook de door Heemskerk in zijn noot geformuleerde vuistregels.
Voetnoot 7
4 juli 1984 (Happy Family), KG 1985, 212. Het gerechtshof te Amsterdam heeft in zijn arrest in diezelfde zaak (31 okt. 1984, NJ 1986, 786, ook in de c.v.r. geciteerd) een iets ruimere toetsingsbevoegdheid aangenomen; de ontvanger heeft in de c.v.r. slechts de overweging van de president in de bedoelde zaak voor zijn rekening genomen.
Voetnoot 8
Vgl. Ch.J. Langereis, Fiscale rechtsbescherming, diss. KHT (thans KUB) 1986, § 4.2.3., p. 74.
Voetnoot 9
Vgl. J.J. Vetter/P.J. Wattel, Hoofdzaken invordering, 1990, nr. 1603, p. 163.
Voetnoot 10
Vakstudie Belastingwetgeving, Het invorderingsrecht van de fiscus, II, ad § 2 Leidraad, p. 195.