Op 13 March 2026 heeft de Parket bij de Hoge Raad een procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 24/03234, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:PHR:2026:280.
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03234
Zitting 13 maart 2026
[de man]
(hierna: ‘de man’)
[de vrouw]
(hierna: ‘de vrouw’)
In deze zaak over de verdeling van een ontbonden huwelijksgemeenschap heb ik op 11 april 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:428) in het principale zowel als in het incidentele cassatieberoep geconcludeerd tot vernietiging en verwijzing. In deze aanvullende conclusie is er bijzondere aandacht voor de gevolgen van het uitblijven van een aantekening (Voetnoot 1) van het cassatieberoep in het rechtsmiddelenregister bij het gerechtshof Den Haag.
Procesverloop
1.1
Voor de in deze zaak vaststaande feiten verwijs ik naar mijn eerdere conclusie in deze zaak. In die conclusie is ook het procesverloop tot aan die conclusie besproken. Ik volsta hier met de aanvulling dat op 26 augustus 2024 bij de centrale balie van het Paleis van Justitie te ’s-Gravenhage een brief van mr. Van der Brugge, de advocaat van de man, is ingekomen. In deze brief is in de volgende bewoordingen verzocht om aantekening van het ingestelde cassatieberoep in het rechtsmiddelenregister:
“Hierdoor verzoek ik de griffier van het gerechtshof Den Haag om in het rechtsmiddelenregister in te schrijven dat op 21 augustus jl. door mij cassatieberoep is ingesteld tegen:
De beschikking [van] 22 mei 2024 van het gerechtshof Den Haag, Team Familie, zaaknummer 200.313.490/01 en 200.313.813/01.
De procederen[de] partijen in deze zaak zijn:
[de man]
tegen
[de vrouw]
.
Graag ontvang ik een bewijs van inschrijving.”
1.2
Op 11 april 2025 heb ik in het principale zowel als in het incidentele cassatieberoep geconcludeerd tot vernietiging en verwijzing. Beide partijen hebben schriftelijk op mijn conclusie gereageerd. Ik schets hierna wat sindsdien is voorgevallen.
1.3
Op 10 oktober 2025 heeft de waarnemend griffier van de Hoge Raad de advocaten van partijen verzocht zich uit te laten over de volgende punten:
- is het principale cassatieberoep tegen de bestreden uitspraak ingeschreven in het rechtsmiddelenregister, bedoeld in art. 433 Rv?
- had die inschrijving moeten plaatsvinden, op straffe van niet-ontvankelijkheid van dat beroep voor zover dit is gericht tegen het gedeelte van de uitspraak waarin is bepaald dat, wanneer de man weigert om de rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn voor verkoop en levering van de woning aan een derde, de uitspraak jegens de man in de plaats treedt van de door hem te verrichten rechtshandelingen (art. [3:]301 lid 2 BW)? Kunt u er hierbij aandacht aan besteden of de bestreden uitspraak op het moment dat het cassatieberoep werd ingesteld, daadwerkelijk in de plaats van (een deel van) de akte van levering was getreden of nog kon treden (vgl. HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538)?
1.4
De advocaten van beide partijen hebben zich over deze vragen uitgelaten.
1.5
Mr. Van der Brugge, de advocaat van de man, heeft bij zijn reactie een kopie van zijn brief van 26 augustus 2024 aan het gerechtshof Den Haag (randnummer 1.1 hiervoor) gevoegd. Onder verwijzing naar deze brief heeft hij de eerste vraag bevestigend beantwoord en zich op het standpunt gesteld dat de tweede vraag geen beantwoording behoeft. Hij heeft erop gewezen dat hij in de genoemde brief om een bewijs van aantekening heeft verzocht, maar dat elke reactie van het hof is uitgebleven. Naar aanleiding van het verzoek van de waarnemend griffier heeft hij op 13 oktober 2025 via Zivver-mail opnieuw om een bewijs van aantekening verzocht en wederom geen reactie gekregen. Mocht blijken dat het hof, om wat voor reden dan ook, het verzoek tot aantekening in het rechtsmiddelenregister niet heeft ingewilligd dan is volgens de man sprake van een apparaatsfout van het gerechtshof. In dat geval zal het gevolg daarvan moeten zijn dat aan het verzoek tot aantekening geacht wordt te zijn voldaan zodat de man in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen, ook met betrekking tot het eerste cassatiemiddel. Voor het tweede cassatiemiddel geldt volgens de advocaat van de man het bepaalde in art. 433 Rv (bedoeld zal zijn: het bepaalde in art. 3:301 lid 2 BW) niet zodat dit cassatiemiddel met zekerheid ontvangen kan worden.
1.6
Volgens de reactie van mr. Alt, de advocaat van de vrouw, is het principale cassatieberoep niet ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Hij wijst er verder op dat in het dictum van de bestreden beschikking is bepaald dat de beschikking op grond van art. 3:300 lid 1-2 BW jegens de man in de plaats kan treden van de door hem te verrichten rechtshandelingen als hij weigert de voor verkoop en levering benodigde rechtshandelingen te verrichten. Deze bepaling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Uit het een en ander volgt dat het cassatieberoep had moeten worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister, bij gebreke waarvan de man in zijn cassatieberoep, in elk geval voor zover het de woning betreft, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Mr. Alt wijst erop dat de bestreden uitspraak hangende het cassatieberoep daadwerkelijk in de plaats van een deel van de akte van levering is getreden.
1.7
Als bijlage bij het bericht van mr. Alt is een afschrift overgelegd van een akte van levering die op 27 juni 2025 is verleden door [notaris] . Uit de akte blijkt dat de woning op 11 maart 2025 is verkocht en per 27 juni 2025 is geleverd aan [kopers 1 en 2] . In de partijaanduiding is onder meer vermeld:
“[de man] , voornoemd, weigert om na te melden rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn om de verkoop en levering te laten plaatsvinden aan de hierna te noemen koper. De beschikking ex artikel 3:300 lid 1 en 2 Burgerlijk Wetboek treedt in de plaats van de door hem te verrichten rechtshandelingen en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad.
Een kopie van voormelde beschikking de dato tweeëntwintig mei tweeduizend vierentwintig van de Gerechtshof Den Haag zal aan de minuut van deze akte worden gehecht.
Tevens wordt een kopie van beschikking de dato achtentwintig april tweeduizend tweeëntwintig van de Rechtbank Rotterdam zal aan de minuut van deze akte worden gehecht.”
1.8
Nadien (op 22 oktober 2025) heeft mr. Alt, de advocaat van de vrouw, het volgende bericht gestuurd:
“In aanvulling op mijn eerdere bericht meld ik nog dat ik vandaag navraag heb gedaan bij de griffie Familiezaken van het Hof Den Haag of het cassatieberoep is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Volgens de griffie was dit niet het geval. Naar mijn mening ligt het op de weg van een advocaat die een rechtsmiddel instelt om ervoor zorg te dragen dat die inschrijving daadwerkelijk tijdig gebeurt. Dat betekent niet alleen een kort briefje, maar een gedocumenteerd verzoek, vergezeld van het inleidend processtuk in cassatie en tijdig (binnen de termijn) nabellen of het e.e.a. ook daadwerkelijk tijdig is gebeurd. Nu dat alles kennelijk achterwege is gebleven, handhaaf ik het beroep op niet-ontvankelijkheid. Ik heb van de griffie om een schriftelijke bevestiging per email gevraagd dat het e.e.a. niet is ingeschreven, maar die heb ik tot aan heden nog niet ontvangen. Mocht dat op korte termijn anders zijn dan zal ik dat stuk nog uploaden.”
1.9
Mr. Van der Brugge, de advocaat van de man, heeft daarop bij brief van 23 oktober 2025 gereageerd. Zijn brief is als volgt samen te vatten:
- de advocaat van de vouw stelt eisen aan een verzoek tot aantekening die nergens in een wettelijke bepaling of in een procesreglement zijn gesteld. Het doen van een verzoek tot aantekening is vormvrij. Uit art. 433 Rv blijkt dat de griffier aantekening moet doen van de naam van de partijen, de dagtekening van de uitspraak en de dagtekening van het rechtsmiddel. Al deze informatie is te vinden in de brief van 26 augustus 2024. Onderbouwing van het verzoek tot aantekening met (proces)stukken is nergens voorgeschreven;
- het ligt ook niet voor de hand dat nadere processtukken zouden moeten worden overgelegd, omdat een rechtsmiddel na aantekening ook weer kan worden ingetrokken. De griffier heeft geen bevoegdheid tot weigering van een tijdig gedaan verzoek tot aantekening waarin de informatie is te vinden die in art. 433 Rv is genoemd. Als een advocaat verzoekt om aantekening van een rechtsmiddel, moet de griffier onverwijld tot aantekening overgaan;
- het is niet verplicht of noodzakelijk dat de verzoeker tot aantekening van het rechtsmiddel telefonisch nagaat of aan zijn verzoek is voldaan. Uitgangspunt is immers dat de griffie haar werk correct en tijdig uitvoert;
- de overgelegde brief bewijst dat het verzoek om aantekening tijdig en met vermelding van de benodigde gegevens is gedaan, zodat er sprake is van een rechtsvermoeden dat het cassatieberoep tijdig is ingeschreven en het aan de vrouw is om dit rechtsvermoeden te ontzenuwen met een verklaring van de griffie van het hof dat geen aantekening heeft plaatsgevonden;
- toen de advocaat van de man op 13 oktober 2025 telefonisch bij de griffie van het hof informeerde of het cassatieberoep was ingeschreven in het rechtsmiddelenregister kreeg hij als antwoord dat die informatie niet telefonisch werd verstrekt en dat hij daarover een e-mail moest sturen. Dat heeft hij dus gedaan, maar tot dusver is die onbeantwoord gebleven. Het lijkt dan onwaarschijnlijk dat mr. Alt wel heeft vernomen dat geen aantekening had plaatsgevonden. En ook mr. Alt heeft tot nu toe geen schriftelijk bericht mogen ontvangen waarin wordt verklaard dat geen aantekening heeft plaatsgevonden;
- het nut van een tijdige aantekening van een cassatieberoep in het rechtsmiddelenregister en de daarop eventueel volgende registratie in het kadaster, moet worden gerelativeerd: de beschikking van het hof is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en kon dus uitgevoerd worden, zelfs wanneer aantekening had plaatsgevonden. Dat is in deze zaak ook gebeurd.
1.10
Mr. Alt, de advocaat van de vrouw, heeft op 23 oktober 2025 het volgende bericht gestuurd:
“Ik blijf erbij dat mij telefonisch is medegedeeld dat er geen inschrijving in het register heeft plaatsgevonden. Ik blijf er ook bij dat het de verantwoordelijkheid is van een advocaat die om inschrijving verzoekt dat dit ook tijdig en daadwerkelijk gebeurt. Inderdaad kan dat nabellen vereisen. Dan is men ook verzekerd van een bewijs van inschrijving dat dan later kan worden overgelegd. Een enkele indiening van een verzoek tot inschrijving is m.i. dus niet voldoende indien dat niet tot daadwerkelijke inschrijving leidt.”
1.11
Op 14 november 2025 heeft de waarnemend griffier van de Hoge Raad de advocaten van partijen medegedeeld dat Uw Raad ambtshalve inlichtingen heeft ingewonnen bij het gerechtshof Den Haag. Van het hof is het volgende bericht ontvangen:
“De brief van mr. R.[K]. van der Brugge van 26 augustus 2024 inzake het verzoek om inschrijving van het cassatieberoep van 21 augustus 2024 in het rechtsmiddelenregister in de zaak [de man] / [de vrouw] tegen de beschikking van het hof van 22 mei 2024 (zaaknummers 200.313.490 en 200.313.813) is op diezelfde datum, 26 augustus 2024, ontvangen bij de centrale balie van het Paleis van Justitie te Den Haag. Uit intern onderzoek is naar voren gekomen dat deze brief kennelijk de civiele griffie niet heeft bereikt. Vaststaat dat voor wat betreft de onderhavige zaken inschrijving in het rechtsmiddelenregister niet heeft plaatsgevonden.”
1.12
Partijen hebben zich vervolgens kunnen uitlaten over wat het een en ander betekent voor de onderhavige cassatieprocedure. Beide partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
1.13
De uitlating van de man is als volgt samen te vatten:
- uit het in randnummer 1.11 van deze conclusie weergegeven bericht van het hof kan bezwaarlijk anders worden begrepen dan dat het feit dat het cassatieberoep niet is aangetekend in het rechtsmiddelenregister het gevolg is van een apparaatsfout van het hof;
- voor deze situatie is de strenge sanctie van niet-ontvankelijkheid niet bedoeld. Wat in een dergelijk geval rechtens is, blijkt niet eenduidig uit de wetsbepaling, wetsgeschiedenis of de gepubliceerde jurisprudentie van Uw Raad. Er is sprake van twee botsende belangen: enerzijds het algemene belang van waarheidsgetrouwe openbare registers en rechtszekerheid omtrent de rechtstoestand van registergoederen, anderzijds het individuele belang van een partij om niet de dupe te worden van apparaatsfouten, een vorm van procesrechtelijke rechtvaardigheid;
- volgens de man moet het individuele belang van een partij om niet de dupe te worden van apparaatsfouten in deze zaak zwaarder wegen. Het recht op een eerlijk verloop van een gerechtelijke procedure is een mensenrecht dat is gewaarborgd door art. 6 EVRM. Dat is in dit geval ook aan de orde. Het rechtsbelang van een actueel en correct kadaster is minder essentieel dan het recht op een eerlijk verloop van een gerechtelijke procedure;
- daarnaast is een aantekening in een rechtsmiddelenregister minder belangrijk bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraken als de onderhavige, omdat deze ingevolge art. 3:17 lid 1, sub e, BW kunnen worden ingeschreven. Ongeacht of het cassatieberoep wel of niet is aangetekend in het rechtsmiddelenregister, de inschrijving van de beschikking van het hof in de openbare registers garandeert de koper van een onroerende zaak dat de eigendomsoverdracht van deze zaak aan hem krachtens een rechtsgeldige titel heeft plaatsgevonden, zolang deze uitspraak niet in hoger beroep of cassatie is vernietigd. Zodra de onroerende zaak in eigendom is overgedragen krachtens de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde gerechtelijke uitspraak, garanderen art. 3:22-24 BW de verkrijger te goeder trouw een sterke rechtsbescherming;
- de vrouw wist, althans kon weten, dat tijdig een verzoek tot aantekening in het rechtsmiddelenregister was gedaan en dat een eventuele schriftelijke of telefonische mededeling van de griffie van het hof inhoudende dat geen cassatieberoep was ingeschreven wel eens op een misslag zou kunnen berusten. Zij is dus niet te goeder trouw en daarom verdienen haar belangen geen bescherming. En zelfs wanneer dat toch anders mocht zijn, dan is de vrouw niet benadeeld doordat geen aantekening in het rechtsmiddelenregister heeft plaatsgevonden. Omdat de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad was verklaard kon het pand worden verkocht en krachtens een geldige rechtstitel worden geleverd.
1.14
De uitlating van de vrouw is als volgt samen te vatten:
- volgens Uw Raad is het aan de eiser tot cassatie om door overlegging van een verklaring van de griffier van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gegeven aan te tonen dat aan het in art. 3:301 lid 2 BW gestelde voorschrift is voldaan. (Voetnoot 2) Daarop had de inspanning van de advocaat van de man gericht moeten zijn. Nu het de taak van een advocaat is om voor tijdige aantekening en een griffiersverklaring te zorgen, had de advocaat van de man nog vóór het verstrijken van de achtdagentermijn in actie moeten komen, bijvoorbeeld door telefonisch in contact te treden met de griffie van het hof;
- het een en ander betekent dat de man in zijn cassatieberoep in elk geval voor zover het de echtelijke woning betreft niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
1.15
Op verzoek van Uw Raad zal ik thans nader concluderen. De in deze aanvullende conclusie te beantwoorden vraag is of de man kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep en zo niet, hoe ver de uit te spreken niet-ontvankelijkheid moet strekken.
2
Achtergrond en werking van het rechtsmiddelenregister
2.1
Voordat ik toekom aan de beoordeling van de ontvankelijkheid van de man in zijn cassatieberoep wijd ik enige randnummers aan het doel en de werking van het rechtsmiddelenregister. (Voetnoot 3) Ik stel daarbij een terminologische opmerking voorop. Er is een terminologisch verschil tussen de formulering in art. 432 en 433 Rv (waar sprake is van ‘aantekenen’ in het rechtsmiddelenregister) en die in het Burgerlijk Wetboek (waar met betrekking tot het rechtsmiddelenregister steeds vormen van het werkwoord ‘inschrijven’ zijn gebruikt). Om het onderscheid tussen een aantekening in het rechtsmiddelenregister uit art. 433 Rv enerzijds en anderzijds een inschrijving in de openbare registers in de zin van art. 3:16 BW te benadrukken, gebruik ik in deze conclusie voor de rechtsmiddelenregisters zoveel mogelijk de terminologie uit art. 432-433 Rv (‘aantekenen’) en reserveer ik de term ‘inschrijven’ voor inschrijving in de openbare registers.
2.2
Een condemnatoire rechterlijke uitspraak werkt in beginsel onmiddellijk vanaf het moment van de uitspraak. (Voetnoot 4) Dit betekent dat een rechterlijke uitspraak in beginsel ook direct vatbaar is voor tenuitvoerlegging – zij het dan dat de uitspraak daarvoor eerst aan de veroordeelde partij moet worden betekend (art. 430 lid 3 Rv).
2.3
Het instellen van een gewoon rechtsmiddel (verzet, hoger beroep of cassatieberoep) heeft in beginsel schorsende werking. (Voetnoot 5) Dit betekent onder meer dat geen tenuitvoerlegging kan worden begonnen als een rechtsmiddel aanhangig is en dat een eventuele ten tijde van de instelling van een rechtsmiddel al begonnen tenuitvoerlegging moet worden gestaakt.
2.4
De schorsende werking van rechtsmiddelen geldt niet voor zover de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard (en de voorlopige tenuitvoerlegging daarmee is toegestaan, zie bijvoorbeeld art. 432 Rv). (Voetnoot 6) Een uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring is in het wettelijk systeem de uitzondering op de hiervoor geschetste hoofdregel van schorsende werking van rechtsmiddelen. Op de betekenis van een dergelijke uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring kom ik daarom, (mede) gelet op de bijzonderheden van de onderhavige zaak, hierna terug.
2.5
Het kan zich voordoen dat een uitspraak ten uitvoer wordt gelegd tegenover iemand die geen partij was in het geschil. Dan geldt hetzelfde regime als hiervoor besproken, zij het dat na betekening een termijn van acht dagen moet worden gerespecteerd. Dit is geregeld in art. 432 Rv:
Geen vonnis (Voetnoot 7) waarvan de voorlopige tenuitvoerlegging niet is toegestaan kan tegen een derde worden ten uitvoer gelegd, noch kan daaraan door die derde worden voldaan, dan acht dagen na betekening daarvan aan de partij die in het ongelijk is gesteld, en met overlegging van een verklaring van de griffier dat er op zijn registers geen verzet, hoger beroep of cassatie daartegen is aangetekend.
2.6
Tegen deze achtergrond is art. 433 Rv te begrijpen: een partij die een rechtsmiddel heeft ingesteld, kan er belang bij hebben om dit te laten aantekenen in het rechtsmiddelenregister. Daarmee voorkomt zij dat de griffier nadien nog een verklaring als bedoeld in art. 432 Rv afgeeft en daarmee dat de in art. 432 Rv bedoelde derde aan de uitspraak mag voldoen of zich eventueel zou kunnen beroepen op art. 6:34 lid 2 BW. (Voetnoot 8) Art. 433 Rv luidt als volgt:
De partij die verzet heeft gedaan, of hoger beroep of beroep in cassatie heeft ingesteld, heeft de bevoegdheid om daarvan ter griffie van het gerecht dat het bestreden vonnis heeft uitgesproken, in een daartoe bestemd register aantekening te doen houden, met vermelding van de namen van de partijen, de dagtekening van het vonnis en die van het verzet, het hoger beroep of het beroep in cassatie. (Voetnoot 9)
2.7
Merk op dat uit art. 433 Rv zelf geen verplichting tot aantekening van het rechtsmiddel in het rechtsmiddelenregister volgt. Tot de invoering van het huidige Burgerlijk Wetboek in 1992 gold een dergelijke verplichting in geen enkel geval. Het is wel goed denkbaar dat een partij er belang bij heeft haar ingestelde rechtsmiddel te laten aantekenen in het rechtsmiddelenregister en daardoor te voorkomen dat de met het rechtsmiddel bestreden uitspraak tegenover derden ten uitvoer kan worden gelegd.
2.8
Volgens het recht van vóór 1992 werd ook de bewaarder van de openbare registers gezien als een derde tegen wie een rechterlijke uitspraak kon worden tenuitvoergelegd in de zin van art. 86 (oud) Rv of art. 432 (oud) Rv. (Voetnoot 10) Dit betekende dat een in de registers in te schrijven uitspraak naar oud recht ofwel uitvoerbaar bij voorraad moest zijn verklaard ofwel vergezeld moest gaan van een griffiersverklaring dat geen rechtsmiddel was ingesteld. Daarnaast moest de eerder genoemde termijn van acht dagen na betekening van de uitspraak in acht worden genomen.
2.9
Sinds 1992 is de regeling betreffende in de openbare registers in te schrijven uitspraken gedetailleerder dan zij voordien was. De hoofdregel voor in de openbare registers in te schrijven uitspraken is te vinden in art. 3:17 lid 1, aanhef en onder e, BW. Ik noem dit de hoofdregel (en zal dus pas later op de voor de onderhavige zaak belangrijke art. 3:300-301 BW ingaan), omdat deze bepaling vrij algemeen is geformuleerd en de andere bepalingen over inschrijving van rechterlijke uitspraken in de openbare registers in het Burgerlijk Wetboek soms strenger, maar nooit minder streng zijn dan art. 3:17 lid 1, aanhef en onder e, BW. In dat artikel is bepaald dat een rechterlijke uitspraak die de rechtstoestand van registergoederen of de bevoegdheid daarover te beschikken betreft kan worden ingeschreven, mits zij uitvoerbaar bij voorraad is of een verklaring van de griffier wordt overgelegd, dat tegen de uitspraak geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat of dat hem drie maanden na de uitspraak niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken. Ook een tegen een in art. 3:17 lid 1, onder e, BW bedoelde uitspraak ingesteld rechtsmiddel kan (op grond van dezelfde bepaling) worden ingeschreven in de openbare registers.
2.10
Enkele van de in het Burgerlijk Wetboek geregelde rechterlijke uitspraken die de rechtstoestand van een registergoed betreffen zijn alleen vatbaar voor inschrijving als ze in kracht van gewijsde zijn gegaan. Zie in die zin art. 3:27 lid 1 (uitwijzingsprocedure), 3:29 lid 4 (doorhaling inschrijving), 5:32 lid 5 (rechterlijke grensvastlegging; ook in verbinding met art. 5:35 lid 3 BW, over duinvorming en -afneming) en 5:116 lid 5 BW (toewijzing van het appartementsrecht aan de grondeigenaar bij achterstallige canon of retributie met betrekking tot een in appartementsrechten gesplitst recht van erfpacht of opstal). Voor deze gevallen heeft de verklaring van de griffier blijkens art. 25 Kadasterwet ten doel kracht van gewijsde zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen.
2.11
De wijze waarop een inschrijving in de openbare registers kan worden verkregen, is nader geregeld in de Kadasterwet. Vooral art. 25 Kadasterwet is thans van belang. Het eerste lid van deze bepaling luidt als volgt:
Ter inschrijving van een rechterlijke uitspraak die voor een akte van levering in de plaats treedt of die krachtens een andere wet dan de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken kan worden ingeschreven, wordt een expeditie van de rechterlijke uitspraak aangeboden, alsmede:
a. indien de rechterlijke uitspraak slechts inschrijfbaar is, nadat zij in kracht van gewijsde is gegaan: een verklaring van de griffier van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan, inhoudende dat daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat;
b. indien de onder a bedoelde eis voor inschrijfbaarheid niet is gesteld en de rechterlijke uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad is: een verklaring van de griffier van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan, inhoudende:
1°. hetzij dat daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, hetzij dat hem drie maanden na de uitspraak niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken;
2°. zo het rechtsmiddel bij verzoekschrift moet worden ingesteld, dat ook de griffier van het gerecht waar dit verzoekschrift moet worden ingediend, niet van het instellen van een rechtsmiddel is gebleken;
c. indien voor de inschrijving betekening aan de veroordeelde vereist is, een door de deurwaarder getekend afschrift van het exploot waarbij de betekening is geschied.
2.12
Voor de in art. 25 lid 1, onder a en b, Kadasterwet bedoelde verklaring van de griffier zal de bedoelde griffier zich baseren op het bij zijn gerecht aangehouden rechtsmiddelenregister van art. 433 Rv. De bedoeling van de in de Kadasterwet gestelde eis dat deze griffiersverklaring mede ter inschrijving wordt aangeboden is om zoveel als mogelijk zeker te stellen dat de in te schrijven uitspraak kracht van gewijsde heeft verkregen. Als de in te schrijven uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en de uitspraak niet slechts inschrijfbaar is nadat zij in kracht van gewijsde is gegaan, is voor de inschrijving van de uitspraak in de openbare registers geen griffiersverklaring nodig.
2.13
In de meeste in randnummer 2.10 van deze conclusie genoemde gevallen is de normaal gesproken facultatieve aantekening van een tegen een uitspraak ingesteld rechtsmiddel in het rechtsmiddelenregister op straffe van niet-ontvankelijkheid van de aanlegger van het rechtsmiddel verplicht gesteld. Zie art. 3:27 lid 3, 3:29 lid 3 en 5:32 lid 4 BW (deze laatste bepaling ook in verbinding met art. 5:35 BW).
2.14
Het Burgerlijk Wetboek regelt naast art. 3:17 lid 1, aanhef en onder e, BW nog twee gevallen van uitspraken die in de openbare registers kunnen worden ingeschreven als zij kracht van gewijsde hebben verkregen of uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard. Zie art. 3:301 lid 1 (rechterlijke uitspraak vervangt (deel van) leveringsakte) en art. 6:260 lid 3 BW (rechterlijke wijziging of ontbinding op grond van art. 6:258-259 BW van een in de openbare registers ingeschreven overeenkomst). Aantekening van een in te stellen rechtsmiddel in het rechtsmiddelenregister van art. 433 Rv is in art. 3:301 lid 2 BW verplicht gesteld (wederom op straffe van niet-ontvankelijkheid). Voor rechtsmiddelen tegen uitspraken die op grond van art. 3:17 lid 1, aanhef en onder e, BW of art. 6:260 lid 3 BW kunnen worden ingeschreven in de openbare registers geldt aantekening in het rechtsmiddelenregister niet als ontvankelijkheidsvereiste. (Voetnoot 11)
2.15
Dit overzicht is aanleiding voor een aantal korte opmerkingen. Ik zal beginnen met enige opmerkingen over rechtsmiddelen tegen en rechtszekerheid bij voor inschrijving in de openbare registers in aanmerking komende uitspraken die niet uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard. Daarna kom ik toe aan opmerkingen over uitspraken die wel uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard.
2.16
In alle gevallen waarbij inschrijving van een uitspraak in de openbare registers alleen mogelijk is als de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan (zie randnummer 2.10 van deze conclusie) is aantekening van een in te stellen rechtsmiddel in het in art. 433 Rv bedoelde rechtsmiddelenregister een ontvankelijkheidsvereiste, behalve in het geval bedoeld in art. 5:116 BW.
2.17
Voor rechtsmiddelen tegen uitspraken bedoeld in art. 5:116 BW of tegen niet uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraken bedoeld in art. 3:17 lid 1, aanhef en onder e, BW en art. 6:260 lid 3 BW (op de wel uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraken ga ik hierna in (randnummer 2.20 e.v.)) is kortom geen verplichting tot aantekening in het rechtsmiddelenregister geregeld. Uit art. 25 lid 1 Kadasterwet volgt evenwel dat de kracht van gewijsde die voor inschrijving van deze uitspraken in de openbare registers nodig is zoveel mogelijk wordt gewaarborgd door de in die bepaling genoemde verklaring van de griffier. In een andere waarborg is niet voorzien.
2.18
Een partij die weet dat haar wederpartij (tijdig) een rechtsmiddel heeft ingesteld (waardoor de uitspraak nog geen kracht van gewijsde heeft) en desondanks de executie van de uitspraak voortzet door een expeditie van de uitspraak en de in art. 25 lid 1 Kadasterwet bedoelde griffiersverklaring ter inschrijving aan te bieden aan de bewaarder van de openbare registers, handelt daarmee voorbarig. (Voetnoot 12)
2.19
De aanlegger van een rechtsmiddel kan deze voorbarige tenuitvoerlegging onmogelijk maken door gebruik te maken van zijn bevoegdheid om het rechtsmiddel in het rechtsmiddelenregister te laten aantekenen (art. 433 Rv). Daarmee voorkomt hij immers dat de griffier de in art. 25 Kadasterwet bedoelde verklaring afgeeft. Dit kan een prikkel zijn om in deze gevallen om aantekening van een rechtsmiddel in het daartoe bestemde register te verzoeken, ook al is dat geen vereiste voor ontvankelijkheid van de aanlegger van het rechtsmiddel.
2.20
Ik kom vervolgens toe aan opmerkingen over rechtsmiddelen tegen uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraken bedoeld in art. 3:17 lid 1, aanhef en onder e, 3:301 lid 1 en 6:260 lid 3 BW.
2.21
In de eerste plaats is te benadrukken dat voor het antwoord op de vraag of deze uitspraken vatbaar zijn voor inschrijving in de openbare registers niet relevant is of een rechtsmiddel is ingesteld. De uitvoerbaarheid bij voorraad brengt immers in deze gevallen mee dat uitspraken zijn in te schrijven ondanks een eventueel ingesteld rechtsmiddel. Voor inschrijving in de openbare registers is – zoals ook blijkt uit de tekst van art. 25 lid 1 Kadasterwet (zie randnummer 2.11 van deze conclusie) – daarom dan ook geen griffiersverklaring nodig.
2.22
Art. 3:17 lid 1, aanhef en onder e, BW en art. 6:260 lid 3 BW stellen ontvankelijkheid niet afhankelijk van de aantekening van een tegen de in die bepalingen bedoelde uitspraken ingesteld rechtsmiddel in het rechtsmiddelenregister. Gelet op de vereisten voor inschrijving van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak in de openbare registers is dit logisch. Voor het vaststellen van de inschrijfbaarheid immers – anders gezegd: om te voorkomen dat niet inschrijfbare uitspraken desondanks worden ingeschreven, met alle nadelige gevolgen van dien voor de betrouwbaarheid van de openbare registers – is het antwoord op de vraag of een rechtsmiddel is ingesteld in deze gevallen niet van betekenis.
2.23
Alleen voor rechtsmiddelen tegen uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraken die in de plaats (kunnen) treden van een akte tot levering of een gedeelte daarvan (art. 3:300 lid 2 BW) is aantekening in het rechtsmiddelenregister een vereiste voor ontvankelijkheid van de aanlegger van het rechtsmiddel (art. 3:301 lid 2 BW). In het eerste lid van art. 3:301 BW is bepaald aan welke eisen moet zijn voldaan voordat de uitspraak in de openbare registers kan worden ingeschreven, in het tweede lid is bepaald dat verzet, hoger beroep en cassatie op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel moeten worden aangetekend in het rechtsmiddelenregister. Ik citeer hier de bepaling met weglating van het voor deze zaak niet relevante derde lid:
1. Een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte, kan slechts in de openbare registers worden ingeschreven, indien zij is betekend aan degene die tot de levering werd veroordeeld, en
a. in kracht van gewijsde is gegaan, of
b. uitvoerbaar bij voorraad is en een termijn van veertien dagen of zoveel korter of langer als in de uitspraak is bepaald, sedert de betekening van de uitspraak is verstreken.[ (Voetnoot 13)]
2. Verzet, hoger beroep en cassatie moeten op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel worden ingeschreven in de registers, bedoeld in artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In afwijking van artikel 143 van dat wetboek begint de verzettermijn te lopen vanaf de betekening van het vonnis aan de veroordeelde, ook als de betekening niet aan hem in persoon geschiedt.
2.24
Volgens de rechtspraak van Uw Raad is de aanlegger van een rechtsmiddel die heeft nagelaten het in het rechtsmiddelenregister te laten aantekenen slechts niet-ontvankelijk voor zover zijn rechtsmiddel betrekking heeft op dat gedeelte van de uitspraak ten aanzien waarvan de rechter heeft bepaald dat het op de voet van art. 3:300 lid 2 treedt in de plaats van de akte of op delen van de uitspraak die met dat gedeelte in onlosmakelijk verband staan. (Voetnoot 14)
2.25
Uw Raad heeft in het verleden overwogen dat de aantekening van een rechtsmiddel in het rechtsmiddelenregister – ook als de bestreden uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard – nodig is voor de “ten aanzien van verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid”. (Voetnoot 15)
2.26
Het beroep op rechtszekerheid kan bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraken niet betekenen dat de openbare registers moeten worden beschermd tegen onterechte inschrijvingen van niet voor inschrijving vatbare uitspraken. Zie immers mijn opmerkingen in randnummer 2.22 van deze conclusie, die hier evenzeer opgeld doen. Als een uitspraak die een leveringsakte met betrekking tot een registergoed of een gedeelte daarvan kan vervangen uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is voor de inschrijfbaarheid van die uitspraak in de openbare registers niet van belang of een rechtsmiddel is ingesteld. (Voetnoot 16)
2.27
Rechtszekerheid lijkt hier te betekenen dat uit de registers ook van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak moet kunnen blijken dat ze kracht van gewijsde heeft verkregen, bijvoorbeeld doordat de griffiersverklaring na verloop van de rechtsmiddelentermijn alsnog wordt ingeschreven in de openbare registers. (Voetnoot 17) Ik vraag me af of een dergelijke inschrijving van de griffiersverklaring naderhand daadwerkelijk meer rechtszekerheid biedt dan het stelsel van bescherming van vertrouwen op de registers, eventueel in samenhang met de notariële recherche. Ik licht het een en ander toe.
2.28
De gevallen die zijn bedoeld in art. 3:300 lid 2 BW worden gekenmerkt door een bijzonderheid die zich bij de andere in te schrijven uitspraken niet voordoet: de rechterlijke uitspraak wordt in de openbare registers ingeschreven ter vervanging van een leveringsakte of een gedeelte daarvan bij wijze van reële executie van een veroordeling.
2.29
Gaat het om een uitspraak waarbij partij A is veroordeeld tot levering aan partij B, dan mogen toekomstige verkrijgers (C) voor de beschikkingsbevoegdheid van B afgaan op wat zij dienaangaande uit de registers kunnen opmaken. Is de ingeschreven uitspraak uitvoerbaar bij voorraad verklaard en ingeschreven, dan is, zolang de rechtsmiddelentermijn nog niet is verstreken, voorzichtigheid geboden. Uit de openbare registers blijkt immers ten minste (Voetnoot 18) dat er nog een rechtsmiddel kan worden ingesteld dat tot vernietiging van de in de openbare registers ingeschreven uitspraak kan leiden. De in de levering B-C tussenkomende notaris hoort hierop te wijzen. (Voetnoot 19)
2.30
Is de rechtsmiddelentermijn ten tijde van de levering B-C reeds verstreken, dan is van belang dat een tegen een hier bedoelde uitspraak ingesteld rechtsmiddel zelf ook een voor inschrijving in de openbare registers vatbaar feit is (art. 3:17 lid 1, aanhef en onder e, BW). Voor een opvolgende verkrijger C wordt dan art. 3:24 BW van belang: indien op het tijdstip waarop een rechtshandeling tot verkrijging van een recht op een registergoed onder bijzondere titel in de registers wordt ingeschreven, een eveneens voor inschrijving in de registers vatbaar feit niet met betrekking tot dat registergoed ingeschreven was, kan dit feit aan de verkrijger niet worden tegengeworpen, tenzij hij het kende (art. 3:24 lid 1 BW). Als er wel een rechtsmiddel is ingesteld, maar dit op het in art. 3:24 lid 1 BW bedoelde moment niet was ingeschreven in de openbare registers, kan het niet worden tegengeworpen aan de verkrijger C, tenzij deze wist dat het rechtsmiddel was ingesteld. C kan daarom in dat soort gevallen (mocht het niet ingeschreven rechtsmiddel tot vernietiging van de uitspraak leiden) doorgaans bescherming ontlenen aan art. 3:24 BW in verbinding met art. 3:88 BW. (Voetnoot 20)
2.31
Voor de gevallen omschreven in het vorige randnummer biedt latere inschrijving van de griffiersverklaring in de openbare registers geen duidelijk waarneembare extra rechtszekerheid. (Voetnoot 21)
2.32
Gaat het, zoals in de onderhavige zaak, om een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling van partij A om samen met partij B een zeker registergoed te verkopen en leveren aan een vooralsnog onbekende partij C, dan doet deze partij C er goed aan om bij het sluiten van de koop na te vragen wat de status van de uitspraak is, zeker als de rechtsmiddelentermijn nog niet is verstreken. (Voetnoot 22) Het komt mij voor dat de bij de levering tussenkomende notaris moet zekerstellen dat alle voor hem comparerende partijen begrijpen wat een levering met behulp van een bij voorraad uitvoerbaar verklaarde uitspraak ter vervanging van een gedeelte van de akte voor hen betekent. (Voetnoot 23) Het komt er dan op aan of partij B partij C ervan weet te overtuigen dat partij A binnen de rechtsmiddelentermijn geen rechtsmiddel zal instellen of, als de rechtsmiddelentermijn is verstreken, heeft ingesteld. Daarvoor zijn eenvoudiger middelen dan een griffiersverklaring denkbaar, bijvoorbeeld een verklaring van partij A of haar advocaat. Ook denkbaar is dat partij B partij C ervan overtuigt dat de overdracht ondanks een eventueel ingesteld rechtsmiddel voldoende betrouwbaar zal zijn.
2.33
De afdronk van al het voorgaande is dat bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraken en daartegen ingestelde rechtsmiddelen de ontvankelijkheidseis van een aantekening in het rechtsmiddelenregister ten behoeve van de rechtszekerheid veel weg heeft van het met een kanon op een mug schieten. De draconische sanctie (niet-ontvankelijkheid) staat mijns inziens niet in verhouding tot de met deze maatregel verkregen ‘extra’ rechtszekerheid. (Voetnoot 24)
2.34
Mijn hiervoor geuite bedenkingen ten spijt: de wettelijke regeling houdt in dat het niet aantekenen van een rechtsmiddel in het daartoe bestemde rechtsmiddelenregister leidt tot niet-ontvankelijkheid van de aanlegger. (Voetnoot 25) Uw Raad is tot dusver strikt geweest in de toepassing van deze regel. (Voetnoot 26)
2.35
Ik laat mijn bedenkingen echter wel meewegen in de uitleg van de regeling en de beantwoording van de vraag of de aanlegger van een rechtsmiddel die tijdig om aantekening van dat rechtsmiddel in het rechtsmiddelenregister heeft verzocht kan worden tegengeworpen dat de verzochte aantekening – kennelijk door omstandigheden die uitsluitend vallen binnen de invloedssfeer van het gerecht dat tot het aanhouden van het rechtsmiddelenregister was gehouden – niet daadwerkelijk heeft plaatsgehad. De ernst van de sanctie (niet-ontvankelijkheid) en de geringe ‘misgelopen’ rechtszekerheid pleiten er mijns inziens voor om een partij niet het risico te laten dragen van administratieve vergissingen bij een gerecht. (Voetnoot 27) Ik vind het bovendien minder gelukkig dat de wederpartij van de aanlegger van het rechtsmiddel duidelijk iets te winnen heeft bij strikte handhaving van het ontvankelijkheidsvereiste, terwijl het voorschrift niet strekt ter bescherming van de wederpartij van de aanlegger van het rechtsmiddel. (Voetnoot 28)
2.36
Tot slot wijs ik nog op het volgende. Bij Uw Raad is momenteel onder zaaknummer 24/04835 een andere procedure aanhangig waarin vragen zijn gerezen over wat aangewezen is als een tijdig verzoek tot aantekening van een cassatieberoep in het rechtsmiddelenregister niet tot tijdige aantekening in dat register heeft geleid. In die procedure had de advocaat van de eiseres tot cassatie per e-mail van 31 december 2024 de griffier van (wederom) het gerechtshof Den Haag verzocht om aantekening van het cassatieberoep in het rechtsmiddelenregister als bedoeld in art. 433 Rv. De procesinleiding in cassatie zou als bijlage bij het bericht zijn gevoegd. Het cassatieberoep in die zaak is op 17 januari 2025 (bijna drie weken na het verzoek) aangetekend in het register. (Voetnoot 29) Mijn ambtsgenoot Valk heeft in zijn conclusie in die zaak bepleit het risico van het niet goed functioneren van de griffie bij een gerecht niet te laten dragen door de partij die tot aantekening verplicht is, kort gezegd omdat (1) een parallel mogelijk is met art. 3:19 lid 2 BW, waar het tijdstip van aanbieding van de voor aantekening vereiste stukken, dus niet het tijdstip van de daadwerkelijke inschrijving, wordt gehouden voor het tijdstip van inschrijving in de openbare registers van bijvoorbeeld een notariële akte, en omdat (2) een onvolledig rechtsmiddelenregister op zichzelf nog geen rechtsschijn in het leven roept en de vertraagde aantekening in het in die zaak voorliggende geval klaarblijkelijk niemand op het verkeerde been heeft gezet. (Voetnoot 30) Volgens A-G Valk zou de verantwoordelijkheid van een tot aantekening verplichte partij moeten eindigen met de aanbieding ter aantekening. (Voetnoot 31)
2.37
Er zijn enige mogelijk relevante verschillen tussen de zaak waarin A-G Valk heeft geconcludeerd en de onderhavige.
2.38
Het eerste verschil is dat de verplichting tot het laten aantekenen in het rechtsmiddelenregister in de zaak van A-G Valk voortvloeit uit art. 3:29 lid 3 BW, terwijl ze in het onderhavige geval voortvloeit uit art. 3:301 lid 2 BW. Nu beide bepalingen zijn gericht op hetzelfde doel – kort gezegd: waarborgen van de rechtszekerheid die is vereist bij de verkrijging van registergoederen (zie randnummer 2.25, maar in dit verband ook de daarop volgende randnummers van deze conclusie) – is een uniforme omgang met niet of te laat aangetekende rechtsmiddelen wenselijk. (Voetnoot 32) Ik zou hierbij willen opmerken dat de parallellen tussen beide bepalingen vooral bestaan voor zover een uitspraak die in plaats van een gedeelte van een leveringsakte moet treden als bedoeld in art. 3:301 lid 2 BW niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Een vonnis als bedoeld in art. 3:29 BW kan immers pas worden ingeschreven in de openbare registers als het in kracht van gewijsde is gegaan (randnummer 2.10 van deze conclusie).
2.39
Een tweede verschil is dat het ingestelde cassatieberoep in de zaak van A-G Valk uiteindelijk wel is aangetekend in het rechtsmiddelenregister. In de onderhavige zaak heeft – voor zover mij bekend: tot op heden – geen aantekening plaatsgehad.
2.40
In het oog springt echter vooral dat A-G Valk het er in randnummer 3.6 van zijn conclusie op houdt dat er geen derden op het verkeerde been zijn gezet door de te late aantekening in het rechtsmiddelenregister, omdat de griffier van het gerechtshof klaarblijkelijk geen verklaring heeft hoeven doen dat hem drie maanden na de uitspraak niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken en het arrest van het gerechtshof waarbij de inschrijving van het in die zaak aan de orde gestelde ondererfpachtrecht waardeloos is verklaard klaarblijkelijk niet in de openbare registers was ingeschreven. Hierin verschilt de zaak van A-G Valk van de onderhavige. In de onderhavige zaak is de woning immers verkocht en geleverd, waarbij de uitspraak in de plaats is getreden van de rechtshandelingen van de man die voor deze verkoop en levering nodig waren.
2.41
Tegen deze achtergrond kom ik tot beoordeling van de ontvankelijkheidskwestie in de voorliggende zaak.
3
Ontvankelijkheid van de man in zijn cassatieberoep
3.1
In cassatie kan tot uitgangspunt worden genomen dat het cassatieberoep van de man niet is aangetekend in het bij het gerechtshof Den Haag aangehouden register bedoeld in art. 433 Rv, ondanks het – binnen acht dagen na het instellen van het cassatieberoep bij de centrale balie van het hof binnengekomen – verzoek om een dergelijke aantekening.
3.2
In deze paragraaf staat de vraag centraal of het feit dat het cassatieberoep niet in het rechtsmiddelenregister bij het hof Den Haag is aangetekend ertoe moet leiden dat de man in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dit vergt beantwoording van een aantal voorvragen. Daarom komt aan de orde of aantekening in het rechtsmiddelenregister in dit geval was vereist, aan welke vereisten een verzoek tot aantekening in het rechtsmiddelenregister moet voldoen en hoever de gevolgen van het uitblijven van een aantekening in dit concrete geval moeten strekken.
Aantekening in het rechtsmiddelenregister
3.3
In de eerste plaats ligt de vraag voor of aantekening van het cassatieberoep in het rechtsmiddelenregister in deze zaak verplicht was. Het relevante deel van het dictum van de bestreden beschikking luidt als volgt:
bepaalt dat, wanneer de man weigert om de rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn voor verkoop en levering van de woning aan een derde, de onderhavige beschikking ex artikel 3:300 lid 1 en lid 2 BW jegens de man in de plaats treedt van de door hem te verrichten rechtshandelingen en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad[.]
3.4
Uit de in het dictum opgenomen uitdrukkelijke verwijzing naar art. 3:300 lid 2 BW volgt zonder enige twijfel dat de uitspraak in de plaats kon treden van een door de man en de vrouw tezamen op te maken akte bestemd tot levering van een registergoed of een deel daarvan. (Voetnoot 33)
3.5
Dit gedeelte van de beschikking is in cassatie bestreden door cassatiemiddel I van de man. (Voetnoot 34)
3.6
Dit brengt – ook gelet op de in randnummer 2.24 van deze conclusie gememoreerde rechtspraak van Uw Raad – mee dat art. 3:301 lid 2 BW van toepassing is, zodat de man gehouden was zijn cassatieberoep te laten aantekenen in het rechtsmiddelenregister bij het hof op straffe van zijn niet-ontvankelijkheid in cassatiemiddel I.
Aan een verzoek tot aantekening in het rechtsmiddelenregister te stellen eisen
3.7
Vervolgens rijst – mede gelet op de uitlatingen van partijen over en weer – de vraag aan welke vereisten een verzoek tot aantekening in het rechtsmiddelenregister moet voldoen.
3.8
Art. 433 Rv schrijft voor dat de aantekening in het rechtsmiddelenregister de namen van de partijen, de dagtekening van het vonnis en die van het verzet, het hoger beroep of het cassatieberoep moet vermelden. Daaruit is af te leiden dat een partij die aantekening in het rechtsmiddelenregister verlangt ten minste deze informatie aan de griffie zal moeten aanleveren.
3.9
Voor zover mij bekend geeft geen van de procesreglementen nadere regels voor het doen van een verzoek tot aantekening in het rechtsmiddelenregister.
3.10
Art. 3:29 BW en art. 3:301 BW bevatten geen nadere aanwijzingen ter beantwoording van de vraag welke informatie moet worden aangeleverd om een rechtsmiddel in het rechtsmiddelenregister te laten aantekenen. In de derde volzin van art. 3:27 lid 2 BW is de formulering anders, suggererende dat “de dagvaarding waarbij het rechtsmiddel wordt ingesteld” moet worden “ingeschreven” in het rechtsmiddelenregister:
(…) De dagvaarding waarbij het rechtsmiddel wordt ingesteld, moet op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen worden ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. (…)
3.11
Onduidelijk is of hiermee is bedoeld dat een appellant een afschrift van de dagvaarding (of, in geval van een beroep in cassatie, de procesinleiding) waarbij hij zijn rechtsmiddel instelt aan de griffie van het gerecht moet doen toekomen. Het ligt wellicht meer voor de hand om deze bepaling in lijn met art. 433 Rv uit te leggen en dus op grond van het voorschrift dat de dagvaarding moet worden ingeschreven vooral aantekening nodig te achten van het gegeven dat (en de datum waarop) de andere partij(en) bij de bestreden uitspraak zijn gedagvaard. Die uitleg lijkt mij ook juist in verband met het volgende.
3.12
Het is mogelijk dat het rechtsmiddel zich niet richt tegen het gedeelte van de uitspraak dat betrekking heeft op een registergoed en in plaats van (een deel van) een door partijen op te maken akte kan treden. (Voetnoot 35) Dit kan zich onder meer voordoen als een gerecht in conventie heeft bepaald dat zijn uitspraak in de plaats kan treden van een tussen partijen op te maken leveringsakte met betrekking tot een registergoed en het rechtsmiddel alleen is gericht tegen een of meer oordelen in reconventie. De oordelen in conventie verkrijgen dan kracht van gewijsde.
3.13
Als het rechtsmiddel dan wordt aangetekend in het rechtsmiddelenregister bedoeld in art. 433 Rv, zal de griffier daarna de verklaring dat hem geen ingesteld rechtsmiddel bekend is niet meer kunnen geven, zodat ook het gedeelte van de uitspraak dat al kracht van gewijsde heeft verkregen niet kan worden ingeschreven in de openbare registers, behoudens in het geval het uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. (Voetnoot 36) Dat zou reden kunnen zijn te bepleiten dat de griffier een verklaring kan afgeven dat voor zover hem bekend geen rechtsmiddel is ingesteld tegen het in de openbare registers in te schrijven gedeelte van de uitspraak.
3.14
Dit lijkt mij echter onwenselijk. De beantwoording van de vraag welke delen van de uitspraak zijn bestreden en welke niet is aan de aangezochte rechter, niet aan de griffie van het gerecht dat de bestreden uitspraak heeft gedaan. Bovendien kan bijvoorbeeld in vorderingsprocedures in hoger beroep bij memorie van grieven (dus: na de appeldagvaarding) nog eiswijziging plaatshebben. Die eiswijziging onttrekt zich dan aan het zicht van de griffier van het gerecht dat het bestreden vonnis heeft gewezen, ook als aangenomen zou moeten worden dat hem een afschrift van de appeldagvaarding zou moeten worden toegezonden.
3.15
Tot slot is erop te wijzen dat geen enkele bepaling de griffier van een gerecht de bevoegdheid geeft om een verzoek tot aantekening in het rechtsmiddelenregister te weigeren.
3.16
In het licht van het voorgaande houd ik het erop dat een verzoek tot aantekening in het rechtsmiddelenregister vormvrij is, zolang het maar de in art. 433 Rv opgesomde, in het register aan te tekenen gegevens bevat. (Voetnoot 37)
3.17
Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat de aanlegger van een rechtsmiddel die aan de griffie van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gegeven om aantekening in het rechtsmiddelenregister heeft verzocht nadien gehouden is te controleren of de griffie de haar bij wet opgedragen taak daadwerkelijk heeft uitgevoerd. Met A-G Valk deel ik de opvatting dat de verantwoordelijkheid van een tot aantekening verplichte partij zou moeten eindigen met het (tijdig doen van een) verzoek tot aantekening. (Voetnoot 38)
3.18
In dat verband wijs ik op het volgende. Uw Raad heeft in 1999 geoordeeld dat het op de weg van de aanlegger van het rechtsmiddel ligt om door overlegging van een verklaring van de griffier van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gegeven aan te tonen dat het rechtsmiddel is aangetekend in het juiste rechtsmiddelenregister. (Voetnoot 39) Sinds 2007 heeft Uw Raad herhaaldelijk geoordeeld dat de aangezochte rechter ambtshalve dient te onderzoeken of aan het voorschrift van art. 3:301 lid 2 BW is voldaan. (Voetnoot 40) Het is sindsdien niet helemaal duidelijk waar de op de aanlegger van het rechtsmiddel rustende plicht om informatie aan te dragen eindigt en de op de rechter rustende ambtshalve onderzoeksplicht begint. (Voetnoot 41) Het ambtshalve onderzoek zal in de regel bestaan uit onderzoek van door de aanlegger overgelegde stukken waaruit van de aantekening in het rechtsmiddelenregister blijkt of, als dergelijke stukken ontbreken, navraag bij partijen en bij de griffie van het gerecht waarvan de bestreden uitspraak afkomstig is, zoals Uw Raad in deze zaak heeft gedaan.
3.19
Als de aangezochte rechter gehouden is ambtshalve te onderzoeken of aan het vereiste van art. 3:301 lid 2 BW is voldaan en de bevoegdheid heeft om daartoe bij een ander gerecht inlichtingen in te winnen, is daaruit wellicht af te leiden dat hij – als daarvoor aanleiding is – van deze bevoegdheid niet alleen kan, maar ook móet gebruikmaken. In dat licht lijkt het volgende een efficiënte taakverdeling. Waar het vóór 2007 op de weg van de aanlegger van het rechtsmiddel lag om bewijsmiddelen te verkrijgen waarmee hij kon aantonen dat het rechtsmiddel daadwerkelijk was aangetekend in het rechtsmiddelenregister, is het sindsdien de aangezochte rechter zelf die op onderzoek uit moet. Simpel gezegd: het ‘nabellen’ is niet langer de verantwoordelijkheid van de advocaat van de aanlegger van het rechtsmiddel, maar die van de aangezochte rechter. De verantwoordelijkheid van een tot aantekening verplichte partij eindigt dan inderdaad met het tijdige verzoek om aantekening in het rechtsmiddelenregister. Een partij kan gerust zijn met een ontvangstbevestiging waaruit blijkt dat het verzoek tijdig bij het juiste gerecht is binnengekomen.
3.20
Mogelijk moet worden aangenomen dat het nog altijd in de eerste plaats aan de aanlegger van het rechtsmiddel is om door overlegging van stukken aan te tonen dat het rechtsmiddel daadwerkelijk in het juiste register is aangetekend. De verplichte ambtshalve toetsing door de aangezochte rechter betekent dan niet meer dan dat niet is vereist dat de wederpartij zich op niet-ontvankelijkheid beroept. De vraag blijft dan in welke gevallen de aangezochte rechter ertoe mag of moet overgaan ambtshalve inlichtingen in te winnen bij het gerecht dat de bestreden uitspraak heeft gedaan. Hoe dat ook zij, in dit scenario geldt dat het aan de discretie van partijen behoort te worden overgelaten welke moeite zij zich getroosten om bewijsmiddelen te vergaren. Een advocaat zal bij uitblijven van een verwacht bericht van de griffie wellicht de aanvechting voelen navraag te doen. De rechter evenwel heeft over de ontvankelijkheid van de aanlegger van het rechtsmiddel te oordelen op basis van het aan hem voorgelegde bewijs (of de afwezigheid daarvan). Het aantal pogingen dat de aanlegger van het rechtsmiddel heeft ondernomen om dat bewijs te verkrijgen is voor de ontvankelijkheid niet bijzonder relevant.
3.21
In het onderhavige geval is het verzoek tot aantekening in het rechtsmiddelenregister vervat in een brief, waarin alle in art. 433 Rv opgesomde gegevens zijn vermeld. Dit betekent dat het verzoek aan de daarvoor geldende vereisten voldoet. Tot navraag bij de griffie nadien was de man naar mijn mening niet gehouden.
Gevolgen van het uitblijven van aantekening na verzoek daartoe
3.22
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er bij het gerechtshof Den Haag tijdig een aan de voorschriften voldoend verzoek tot aantekening van het cassatieberoep in het rechtsmiddelenregister is binnengekomen. Dan rest nog de beantwoording van de vraag wat het uitblijven van een daadwerkelijke aantekening in het rechtsmiddelenregister voor de onderhavige cassatieprocedure moet hebben.
3.23
De wet is, naar de letter gelezen, streng. Geen aantekening in het rechtsmiddelenregister betekent niet-ontvankelijkheid. Deze letterlijke lezing leidt naar mijn mening tot onaanvaardbare resultaten als zij ook onverkort wordt toegepast op gevallen waar tijdig een geldig verzoek tot aantekening door het juiste gerecht is ontvangen, dat vervolgens ten gevolge van niet aan de aanlegger van het rechtsmiddel toe te rekenen omstandigheden niet tot daadwerkelijke aantekening in het rechtsmiddelenregister heeft geleid.
3.24
In het onderhavige geval lijkt de brief houdende het verzoek tot aantekening in het ongerede te zijn geraakt na ontvangst door de centrale balie van het Paleis van Justitie te Den Haag. Uit de in randnummers 1.4-1.10 van deze conclusie samengevatte correspondentie is af te leiden dat geen van beide partijen in deze procedure erin is geslaagd van het hof schriftelijk uitsluitsel te verkrijgen over het antwoord op de vraag of het rechtsmiddel in het daartoe bestemde register was aangetekend.
3.25
Uit de in randnummer 1.7 van deze conclusie vermelde stukken lijkt te volgen dat de bestreden beschikking van het hof in de plaats is getreden van een gedeelte van de leveringsakte met betrekking tot de woning en in juni 2025 is ingeschreven in de openbare registers.
3.26
Het hof had zijn beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Aantekening van het rechtsmiddel in het rechtsmiddelenregister zou niet in de weg hebben gestaan aan inschrijving van de beschikking. (Voetnoot 42)
3.27
Dit alles afwegende en onder verwijzing naar randnummers 2.33-2.35 van deze conclusie meen ik dat een doelmatige uitleg van de regeling meebrengt dat aan de man, die immers tijdig een geldig verzoek tot aantekening in het rechtsmiddelenregister aan het juiste gerecht heeft doen toekomen, niet kan worden tegengeworpen dat de verzochte aantekening – kennelijk door buiten zijn invloedssfeer vallende omstandigheden – niet daadwerkelijk heeft plaatsgehad.
Slotsom
3.28
Het voorgaande voert tot de slotsom dat de man kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep.
De conclusie strekt tot ontvankelijkverklaring van de man in het door hem ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoot
Voetnoot 1
Zie over de terminologie in deze conclusie mijn toelichting in randnummer 2.1 van deze conclusie.
Voetnoot 2
Verwezen is naar HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4005, NJ 2000/495 m.nt. H.J. Snijders, rov. 4.1.
Voetnoot 3
Over het rechtsmiddelenregister en vooral zijn praktische aspecten bestaat veel onduidelijkheid, geïllustreerd door de waarschuwende woorden uit Asser Procesrecht/F.B. Bakels, A. Hammerstein & E.M. Wesseling-van Gent, Deel 4. Hoger beroep, Deventer: Wolters Kluwer 2026, nr. 195: “Over de inrichting en toegankelijkheid van deze registers is ons niets bekend.” Een nog verontrustendere optekening – gelukkig van enige tijd geleden – is te vinden bij E.A.A. Luijten, ‘Een valkuil in het goederenrecht (art. 3:301 lid 2 BW)’, Vastgoedrecht 2010-1, p. 15, voetnoot 3: “Het register leidt een schimmig bestaan. Uit navraag bij de Rb. Maastricht kon worden afgeleid dat men daar niet op de hoogte was van het bestaan ervan.” H.J. Snijders, ‘Openbare registers van afdeling 3.1.2 BW en rechtsmiddelenregister van art. 433 Rv’, in P.C. van Es e.a. (red.), Hulde aan Huijgen. Liber amicorum Pim Huijgen, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 255, lijkt openbaarheid van het rechtsmiddelenregister aan te nemen. Volgens J.P. Jas, ‘De inschrijvingsverplichting in het rechtsmiddelenregister: woke of gecanceld? Naar aanleiding van HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538, NJ 2020, 112 (X/VM Vastgoed)’, in H. Boom & P.A. Fruytier (red.), Versmallen en verbreden. Liber amicorum Jan-Paul Heering, Den Haag: Boom juridisch 2024, p. 149-150 is het in de praktijk meestal een Word-bestand op een computer bij de griffie of een papieren schrift, ordner of multomap (zodat de registers volgens de auteur op p. 155 “op tamelijk onprofessionele wijze [worden] bijgehouden”), maar kunnen partijen of derden het register in ieder geval niet eigenhandig raadplegen.
Voetnoot 4
Zie bijvoorbeeld H.J. Snijders, H.B. Krans, C.J.M. Klaassen en G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 215, Asser Procesrecht/A.C. van Schaick, Deel 2. Eerste aanleg, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 118 en E. Gras, R.G. Hendrikse & A.W. Jongbloed, Compendium van het Burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 9.2.1 en 9.3.3. Vergelijk Asser Procesrecht/A. Steneker, Deel 5. Beslag en executie, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 164.
Voetnoot 5
Zie onder meer B.T.M. van der Wiel, ‘De cassatieprocedure’, in B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 225, Asser Procesrecht/A. Steneker, Deel 5. Beslag en executie, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nrs. 557-559 en F.C. Bentvelzen, Doorbreking van rechtsmiddelenverboden, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2025, nr. 172.
Voetnoot 6
Zie Asser Procesrecht/A. Steneker, Deel 5. Beslag en executie, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 560 e.v.
Voetnoot 7
Art. 432 Rv geldt naar wordt aangenomen ook voor beschikkingen en arresten. Zie Asser Procesrecht/A. Steneker, Deel 5. Beslag en executie, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 597.
Voetnoot 8
Zie Asser Procesrecht/A. Steneker, Deel 5. Beslag en executie, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nrs. 424-425, T&C Burgerlijke rechtsvordering, art. 433 Rv (online, actueel tot en met 1 oktober 2025), aant. 1 (A.J. Gieske) en GS Verbintenissenrecht, art. 6:34 BW (online, actueel tot en met 2 oktober 2020), aant. 12 (Y.R.R.R. de Mul).
Voetnoot 9
De aantekening in het rechtsmiddelenregister van een verzet tegen een uitspraak bij verstek is per 1 januari 2002 in art. 433 Rv opgenomen. Zij was voordien geregeld in art. 85 (oud) Rv. Zie NvW-3, Parl. Gesch. Herziening Burgerlijk Procesrecht, p. 491. De parlementaire geschiedenis over art. 3:301 BW bevat daarom ook veel verwijzingen naar art. 85 (oud) Rv.
Voetnoot 10
Zie daarover R.P. Cleveringa, Mr. W. van Rossem’s Verklaring van het Nederlands Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Deel I, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1972, commentaar op art. 86, aant. 2 (p. 475) en R.P. Cleveringa, Mr. W. van Rossem’s Verklaring van het Nederlands Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Deel II, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1972, commentaar op art. 432, aant. 1 (p. 1017).
Voetnoot 11
Merk op dat art. 3:29 lid 2 en lid 3, tweede tot en met vierde zin, BW in art. 6:260 lid 4 BW van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Het vereiste dat rechtsmiddelen op straffe van niet-ontvankelijkheid moeten worden aangetekend in het rechtsmiddelenregister (art. 3:29 lid 3, eerste volzin, BW) is niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Anders GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 145 Rv (online, actueel tot en met 20 september 2024), aant. 3.1 (P.A. Fruytier), alwaar is gesuggereerd dat ook het aantekeningsvereiste geldt op grond van art. 6:260 lid 4 BW.
Voetnoot 12
We hebben het hier over niet uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraken. Dat betekent dat voor inschrijving in de openbare registers kracht van gewijsde vereist is. Zolang de rechtsmiddelentermijn loopt, zal inschrijving sowieso worden geweigerd, omdat dan zo goed als zeker is dat de uitspraak nog geen kracht van gewijsde heeft. Het gaat hier om een rechtsmiddel dat is ingesteld, maar niet is aangetekend in het rechtsmiddelenregister. Dat heeft schorsende werking, zodat de bestreden uitspraak geen kracht van gewijsde verkrijgt na het verstrijken van de rechtsmiddelentermijn. Omdat de griffier zich bij zijn verklaring baseert op het rechtsmiddelenregister en daarin geen aantekening vindt, kan hij een verklaring geven dat hem geen rechtsmiddel bekend is. Dat kan leiden tot voorbarige inschrijving. Wil de wederpartij dat voorkomen, dan zou zij het door haar ingestelde rechtsmiddel voor het einde van de rechtsmiddelentermijn (althans zo snel mogelijk daarna) kunnen laten aantekenen in het rechtsmiddelenregister. Aantekening is hier dan weliswaar niet verplicht, maar soms wel verstandig. Zie randnummer 2.19 hierna.
Voetnoot 13
De MvT Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv.), p. 1401 vermeldt over deze tweewekentermijn: “Wel dient de president en trouwens ook de gewone rechter die zijn veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaart, de nodige voorzichtigheid te betrachten bij het nemen van zijn desbetreffende beslissing. Dat kan ertoe leiden dat aan de uitvoerbaarheid de voorwaarde van zekerheidsstelling wordt verbonden (…). Maar dit zal niet altijd een goede oplossing zijn, met name, wanneer de eiser enerzijds groot belang heeft bij onverwijlde tenuitvoerlegging en anderzijds niet de mogelijkheden om op korte termijn zekerheid te stellen. Daarom is de inschrijfbaarheid van de uitspraak tevens gebonden aan een termijn die na de betekening daarvan moet zijn verstreken wil van inschrijving sprake kunnen zijn. (…) Aldus wordt voor de veroordeelde niet iedere mogelijkheid afgesneden om zich tegen de executie te verweren bij voorbeeld door bij het instellen van een rechtsmiddel tevens toepassing van het nieuwe artikel 54 [thans 234] Rv. te vragen of door overeenkomstig artikel 438 Rv. een executiegeschil uit te lokken op grond van omstandigheden die aan de president of de rechter in eerste aanleg niet bekend waren.”
Voetnoot 14
Onder meer HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4005, NJ 2000/495 m.nt. H.J. Snijders, rov. 4.2.2, HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615, NJ 2008/141 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2007/61 m.nt. J.J. Dammingh (Brongersma Stichting), rov. 3.4 en HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:647, NJ 2021/164, JOR 2021/167 m.nt. A. Steneker en JERF 2021/122 m.nt. J.W.A. Biemans, rov. 3.2.4.
Voetnoot 15
De formulering is ontleend aan HR 19 november 2004, ECLI:NL:2004:AP4743, NJ 2006/216 m.nt. H.J. Snijders (Witadi), rov 4.1. Zie in vergelijkbare zin onder meer HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4005, NJ 2000/495 m.nt. H.J. Snijders, rov. 4.2.1, HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7611, NJ 2008/140 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2007/60 m.nt. J.J. Dammingh, rov. 3.4, HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615, NJ 2008/141 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2007/61 m.nt. J.J. Dammingh (Brongersma Stichting), rov. 3.3.1, HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538, NJ 2022/112 m.nt. H.J. Snijders, JBPr 2020/60 m.nt. J.J. Dammingh, JIN 2020/63 m.nt. M.A.J.G. Janssen en JOR 2020/193 m.nt. A. Steneker (VM Vastgoed), rov. 3.4, HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:647, NJ 2021/164, JOR 2021/167 m.nt. A. Steneker en JERF 2021/122 m.nt. J.W.A. Biemans, rov. 3.2.2 en HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1108, NJ 2023/272 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2023/2 m.nt. P.A. Fruytier, rov. 3.2.1. Een vergelijkbare leer met betrekking tot art. 3:29 BW (waar geen sprake kan zijn van een inschrijfbare uitspraak zolang die geen kracht van gewijsde heeft) blijkt uit HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1599, NJ 2023/338, JOR 2024/53 m.nt. A. Steneker en JBPr 2025/21 m.nt. R.M. Andes ([…]), rov. 3.2.
Voetnoot 16
Om deze reden is dan ook niet goed te volgen dat Uw Raad lijkt te hebben overwogen (HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615, NJ 2008/141 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2007/61 m.nt. J.J. Dammingh (Brongersma Stichting), rov. 3.3.1) dat moet worden voorkomen dat de bewaarder van de registers bij de inschrijving van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak bedoeld in art. 3:300 lid 2 en 3:301 BW “afgaat op een verklaring van de griffier die ten onrechte inhoudt dat geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat of is ingesteld”. De wet biedt de bewaarder geen ruimte om al dan niet op de griffiersverklaring ‘af te gaan’, omdat de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Zelfs als de bewaarder weet dat de overgelegde griffiersverklaring onjuist is, is hij niet op die grond bevoegd om inschrijving van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak in de openbare registers te weigeren.
Voetnoot 17
Zie in het bijzonder HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4005, NJ 2000/495 m.nt. H.J. Snijders, rov. 4.2.1, alwaar onder meer: “De bepaling [art. 3:301 lid 2 BW] bewerkstelligt dat de griffier van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan bij de afgifte van de in art. 25 Kadasterwet bedoelde verklaring, dat hem niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken, kan afgaan op het in art. 433 [Rv] bedoelde register. Zulks is niet alleen van belang in de in art. 25 lid 1 onder a en b [Kadasterwet] genoemde gevallen maar ook in dat waarin de in art. 3:300 lid 2 [BW] bedoelde uitspraak bij voorraad uitvoerbaar is verklaard. In zodanig geval draagt de veroordeling zolang daartegen nog beroep in cassatie openstaat, of, indien cassatie is ingesteld, het geding nog niet definitief tot een einde is gekomen, een niet definitief karakter. Zou de termijn voor het instellen van beroep in cassatie zijn verstreken nadat van de bevoegdheid om de uitspraak bij voorraad uit te voeren gebruik is gemaakt, dan zal alsnog een verklaring van de griffier als bedoeld in art. 25 Kadasterwet kunnen worden ingeschreven om buiten twijfel te stellen dat geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat tegen de reeds ingeschreven uitspraak.” Een feit is alleen vatbaar voor inschrijving in de openbare registers als de wet die vatbaarheid heeft gecreëerd: er geldt kortom een gesloten systeem. Dit volgt uit de formulering van de aanhef van art. 3:17 BW, maar zie ook GS Vermogensrecht, art. 3:17 BW (online, actueel tot 5 september 2017), aant. 2 (E.R. Helder), J.C. van Straaten, Kadaster, openbare registers en derdenbescherming, Deventer: Kluwer 1992, p. 78 en MvT, Parl. Gesch. Kadasterwet, p. 7. Wellicht heeft Uw Raad in het geciteerde arrest impliciet een buitenwettelijke rechtsgrond gecreëerd voor inschrijving van de verklaring van de griffier als zelfstandig rechtsfeit.
Voetnoot 18
“Ten minste”, want mogelijk blijkt uit de openbare registers dat er daadwerkelijk een rechtsmiddel is ingesteld, dat immers op grond van art. 3:17 lid 1, aanhef en onder e (slot), BW voor inschrijving vatbaar is. Als uit de openbare registers blijkt dat het rechtsmiddel nog ingesteld kán worden (omdat de termijn ten tijde van de beoogde levering nog loopt) lijkt me dat C zich niet kan beroepen op goede trouw ten aanzien van het ten tijde van zijn verkrijging nog niet ingestelde rechtsmiddel (en de eventuele daaruit volgende vernietiging van de ingeschreven uitspraak), juist omdat uit de registers de mogelijkheid van een later ingesteld rechtsmiddel leidend tot vernietiging bleek – een van de “feiten die door raadpleging van de registers zouden zijn gekend” (art. 3:23 BW), zodat het beroep van de verkrijger op goede trouw niet zal worden aanvaard. Kortom: de mogelijkheid van inschrijving bestaat wel, maar lijkt pas van belang na verstrijken van de rechtsmiddelentermijn.
Voetnoot 19
Vergelijk reeds Snijders in zijn noot (nr. 6) onder HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4005, NJ 2000/495 m.nt. H.J. Snijders. Er is ook te wijzen op art. 43 Wet op het notarisambt (Wna). Zie daarover onder meer B.C.M. Waaijer, J.C.H. Melis’ De Notariswet, Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 14.2.1.5.
Voetnoot 20
Zo ook G.T. de Jong, ‘De eis van inschrijving van een rechtsmiddel tegen rechterlijke uitspraken betreffende registergoederen in het rechtsmiddelenregister: een kritische benadering’, NTBR 2009/7, par. 5.3 (p. 50), H.W. Heyman, S.E. Bartels & V. Tweehuysen, Vastgoedtransacties. Overdracht, Den Haag: Boom juridisch 2019, nr. 505 (p. 443) en H.J. Snijders, ‘Openbare registers van afdeling 3.1.2 BW en rechtsmiddelenregister van art. 433 Rv’, in P.C. van Es e.a. (red.), Hulde aan Huijgen. Liber amicorum Pim Huijgen, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 257-258.
Voetnoot 21
Zie G.T. de Jong, ‘De eis van inschrijving van een rechtsmiddel tegen rechterlijke uitspraken betreffende registergoederen in het rechtsmiddelenregister: een kritische benadering’, NTBR 2009/7, in het bijzonder par. 5.3-5.4 (p. 50-51), H.W. Heyman, S.E. Bartels & V. Tweehuysen, Vastgoedtransacties. Overdracht, Den Haag: Boom juridisch 2019, nrs. 505-506 (p. 442 e.v.) en H.J. Snijders, ‘Openbare registers van afdeling 3.1.2 BW en rechtsmiddelenregister van art. 433 Rv’, in P.C. van Es e.a. (red.), Hulde aan Huijgen. Liber amicorum Pim Huijgen, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 259.
Voetnoot 22
NB: omdat de uitspraak pas in de openbare registers wordt ingeschreven ter voltooiing van de levering, is het voor beoogd verkrijger C onmogelijk om voordien in de openbare registers na te gaan of daar ook een griffiersverklaring conform art. 25 lid 1 Kadasterwet is ingeschreven.
Voetnoot 23
Ook hier is te wijzen op art. 43 Wna en onder meer B.C.M. Waaijer, J.C.H. Melis’ De Notariswet, Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 14.2.1.5.
Voetnoot 24
Zie ook de kritiek op de vereiste aantekening in de rechtsmiddelenregisters bij G.T. de Jong, ‘De eis van inschrijving van een rechtsmiddel tegen rechterlijke uitspraken betreffende registergoederen in het rechtsmiddelenregister: een kritische benadering’, NTBR 2009/7, p. 44 e.v., H.W. Heyman, S.E. Bartels & V. Tweehuysen, Vastgoedtransacties. Overdracht, Den Haag: Boom juridisch 2019, nr. 505 e.v. (p. 442 e.v.) en H.J. Snijders, ‘Openbare registers van afdeling 3.1.2 BW en rechtsmiddelenregister van art. 433 Rv’, in P.C. van Es e.a. (red.), Hulde aan Huijgen. Liber amicorum Pim Huijgen, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 258-261. Ook kritisch (zij het op iets andere gronden) is J.P. Jas, ‘De inschrijvingsverplichting in het rechtsmiddelenregister: woke of gecanceld? Naar aanleiding van HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538, NJ 2020, 112 (X/VM Vastgoed)’, in H. Boom & P.A. Fruytier (red.), Versmallen en verbreden. Liber amicorum Jan-Paul Heering, Den Haag: Boom juridisch 2024, p. 155-158.
Voetnoot 25
Voor de reikwijdte van de sanctie verwijs ik naar randnummer 2.24 van deze conclusie.
Voetnoot 26
HR 27 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7908, NJ 2003/328 (over een verklaring van waardeloosheid), HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7611, NJ 2008/140 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2007/60 m.nt. J.J. Dammingh, HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615, NJ 2008/141 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2007/61 m.nt. J.J. Dammingh en hof Amsterdam 10 juni 2024, ECLI:NL:GHAMS:2014:2437 – cassatieberoep verworpen in HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3420, RvdW 2016/15 (art. 81 RO). Zie over het een en ander H.W. Heyman, S.E. Bartels & V. Tweehuysen, Vastgoedtransacties. Overdracht, Den Haag: Boom juridisch 2019, nr. 495 e.v. (p. 437 e.v.).
Voetnoot 27
In zoverre kan ik slechts adhesie betuigen aan de hierna nog te noemen conclusie van A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2025:1209) in een zaak waarin Uw Raad nog geen uitspraak heeft gedaan.
Voetnoot 28
HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7611, NJ 2008/140 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2007/60 m.nt. J.J. Dammingh, rov. 3.4, HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2531, NJ 2015/368 en JBPr 2015/5 m.nt. J.J. Dammingh (Boerenhofstede Strand-Vliet), rov. 3.3.2, HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538, NJ 2022/112 m.nt. H.J. Snijders, JBPr 2020/60 m.nt. J.J. Dammingh, JIN 2020/63 m.nt. M.A.J.G. Janssen en JOR 2020/193 m.nt. A. Steneker (VM Vastgoed), rov. 3.4 en (over art. 3:29 BW) HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1599, NJ 2023/338, JOR 2024/53 m.nt. A. Steneker en JBPr 2025/21 m.nt. R.M. Andes ([…]), rov. 3.2.
Voetnoot 29
Zie voor het een en ander A-G Valk in randnummer 3.1 van zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:1209).
Voetnoot 30
Zie paragraaf 3 van de conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:1209).
Voetnoot 31
De formulering is ontleend aan randnummer 3.5 van zijn al genoemde conclusie.
Voetnoot 32
Zie HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1599, NJ 2023/338, JOR 2024/53 m.nt. A. Steneker en JBPr 2025/21 m.nt. R.M. Andes ([…]), rov. 3.2. Uit de verwijzingen in de voetnoot (die steeds zien op art. 3:301 BW) is af te leiden dat ook Uw Raad de beide regelingen vergelijkbaar acht.
Voetnoot 33
In dit verband wordt voor de verplichting tot aantekening in het rechtsmiddelenregister wel onderscheid gemaakt tussen een vonnis ter vervanging van een verklaring en een vonnis ter vervanging van een akte of een deel daarvan, in de zin dat art. 3:301 BW alleen op het laatste geval van toepassing zou zijn. Volgens A-G Valk is dit onderscheid kunstmatig. Zie A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2022:244, randnummer 3.4) voor HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:617, NJ 2022/177, JOR 2022/224 m.nt. R.F. Groos en JIN 2022/91 M.A.J.G. Janssen. Ik onderschrijf Valks opmerking aldaar dat hoe dan ook sprake is van materieel zeer vergelijkbare gevallen, zodat niet aanspreekt dat in het ene geval de regels van art. 3:301 BW wel van toepassing zouden zijn en in het andere niet.
Voetnoot 34
Dit cassatiemiddel is besproken in randnummers 3.3 tot en met 3.17 van mijn eerdere conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:428) in deze zaak.
Voetnoot 35
Zie in dit verband randnummer 2.24 van deze conclusie.
Voetnoot 36
Zie in dit verband randnummer 2.11 e.v. van deze conclusie.
Voetnoot 37
Iets anders is onlangs mogelijk gesuggereerd in S.C. Braun & V. van Eenennaam, ‘Tijdige inschrijving rechtsmiddelenregister cruciaal’, Advocatenblad 2026, afl. 2, p. 74-75. Braun & Van Eenennaam schrijven op p. 75: “Inschrijving in het rechtsmiddelenregister vindt niet automatisch plaats bij het instellen van een rechtsmiddel. De advocaat dient de griffie van de rechtbank die de uitspraak heeft gedaan uitdrukkelijk te verzoeken tot inschrijving. Een griffiestempel ter bevestiging van de ontvangst van het rechtsmiddel volstaat niet. Voor inschrijving in het rechtsmiddelenregister is een afzonderlijke griffiersverklaring vereist.” Uit deze passage blijkt niet welke griffie het stempel voor ontvangst van het rechtsmiddel zou hebben gezet. De eerste zin van het citaat suggereert dat de auteurs met de derde zin van het citaat het oog hebben gehad op de griffie van het aangezochte gerecht. Voor deze lezing pleit ook dat in de derde zin van het citaat sprake is van een stempel voor ontvangst “van het rechtsmiddel” – en dus niet voor ontvangst van een verzoek tot aantekening of iets dergelijks. De slotzin van het citaat suggereert daarentegen (wellicht vooral vanwege de daar genoemde griffiersverklaring) dat zij het oog hebben gehad op de griffie die het rechtsmiddelenregister aanhoudt. In dat geval is onduidelijk op welke grond volgens de auteurs een afzonderlijke verklaring van de griffier (die kennelijk niet in een griffiestempel kan zijn vervat) nodig is.
Voetnoot 38
Zie randnummer 2.36 van deze conclusie en randnummer 3.5 van de aldaar besproken conclusie van A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2025:1209).
Voetnoot 39
HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4005, NJ 2000/495 m.nt. H.J. Snijders, rov. 4.1.
Voetnoot 40
HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7611, NJ 2008/140 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2007/60 m.nt. J.J. Dammingh, rov. 3.4, HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615, NJ 2008/141 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2007/61 m.nt. J.J. Dammingh (Brongersma Stichting), rov. 3.3.1, HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:647, NJ 2021/164, JOR 2021/167 m.nt. A. Steneker en JERF 2021/122 m.nt. J.W.A. Biemans, rov. 3.2.3 en HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1108, NJ 2023/272 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2023/2 m.nt. P.A. Fruytier, rov. 3.2.1.
Voetnoot 41
In de literatuur blijft deze kwestie tot dusver enigszins onderbelicht.
Voetnoot 42
Zie randnummer 2.21 van deze conclusie.