Bij het met aanvulling der gronden door het bestreden arrest bevestigde vonnis is bewezen verklaard, dat de beklaagde omstreeks Mei 1922 te Amersfoort en elders in Nederland, directeur zijnde van de N. V. [A], hoofdkantoor te Amersfoort, de in de telastelegging omschreven onware balans per 31 December 1921 van gemelde bank opzettelijk openbaar heeft gemaakt, door deze te doen toekomen aan verschillende personen in Amersfoort en elders in Nederland, zijnde die openbaar gemaakte balans in zooverre opzettelijk onwaar, dat op de debetzijde het cijfer achter „debiteuren“ opzettelijk te hoog was gesteld en op de creditzijde het cijfer achter „saldowinst“ opzettelijk onjuist gesteld was.
Bij pleidooi zijn twee middelen van cassatie aangevoerd. Het eerste luidt:
„Schending, althans verkeerde toepassing van de artt. 143, 211, 221, 223, 239, 246, 247 Wetboek van Strafvordering, juncto art. 336 Wetboek van Strafrecht, doordat het door het Hof bevestigde vonnis niet voldoende met redenen is omkleed:
I. ten aanzien van de vraag in hoeverre de bewuste balans onwaar was. Hieromtrent is alleen in het algemeen aangenomen dat het cijfer achter debiteuren opzettelijk te hoog en het cijfer achter saldo winst opzettelijk onjuist was gesteld.
II. ten aanzien van de vraag of de balans inderdaad onwaar d. i. onjuist, verkeerd was en c. q. daardoor nadeel, althans misleiding van het publiek mogelijk was.
III. ten aanzien van de vraag of de bewuste balans in den zin der wet openbaar gemaakt is en of het opzet van requirant op dat openbaarmaken was gericht.
Tot toelichting van het eerste onderdeel is aangevoerd, dat het bewezen verklaarde, dat het cijfer van den debetpost „debiteuren“ te hoog en het cijfer van den creditpost „saldo winst" onjuist was, te vaag is. Hoe op dien grond geklaagd kan worden over onvoldoende omkleeding met redenen, is niet duidelijk, immers het deel van het vonnis, waartegen deze grief zich richt, bevat niet de redenen van het bewezen verklaarde, doch de bewezenverklaring zelve.
Die bewezenverklaring was overigens voldoende om toepassing van art. 336 Wb. v. Strafr. te wettigen. Uit geen wetsbepaling volgt, dat hiertoe eerst zou moeten zijn beslist, hoe de balans precies behoorde te luiden.
Het tweede onderdeel van het middel stelt eischen, de mogelijkheid van nadeel of van misleiding van het publiek, welke art. 336 niet kent. Dat wat daarin strafbaar wordt gesteld alleen dan strafbaar behoorde te zijn, indien dientengevolge nadeel kon worden geleden, is bij de totstandkoming van dit wetsvoorschrift wel betoogd, doch heeft geen weerklank gevonden. En de mogelijkheid van misleiding van het publiek is wel de voor de hand liggende beweegreden van de strafbaarstelling geweest, maar is daarin niet anders tot uitdrukking gebracht dan door den eisch, dat de balans een „onware" zij. Dit is zij zeker, wanneer hare uitkomst, hier het saldo winst, onjuist is en evenzeer reeds, wanneer - gelijk hier zelfs naar de stellingen van den verdachte bij zijne verdediging het geval is - de groepeering der cijfers onjuist is en onder „debiteuren" is gebracht wat onder „gebouwen" zou behooren. Onwaar is dan de balans, omdat daardoor het beeld van den toestand, dien zij moet weergeven, scheef getrokken wordt.
Het was dus niet noodig in het bevestigde vonnis de onwaarheid der balans, waarvan bewezen werd verklaard, dat de cijfers van het saldo winst en van den post „debiteuren" onjuist waren, nog nader met redenen te omkleeden.
Naar aanleiding van het derde onderdeel van het middel merk ik op, dat de Rechtbank in het bevestigde vonnis de met de bewezenverklaring overeenstemmende telastelegging, dat de beklaagde de balans opzettelijk heeft openbaar gemaakt door deze te doen toekomen aan verschillende personen te Amersfoort en elders in Nederland, blijkbaar aldus heeft opgevat, dat het openbaar maken niet maar een benaming is, doch ook een feitelijk element bevat, hetgeen met de bewoordingen niet onvereenigbaar is. Moest het feitelijk element alleen in de toezending aan verschillende niet nader aangeduide personen gezocht worden, dan ware het telastegelegde niet strafbaar, daar zoodanige toezending niet steeds een openbaarmaking oplevert. De bewezenverklaring nu van deze feitelijke telastelegging vindt zijn omkleeding met redenen in beklaagde's erkentenis, dat hij het jaarverslag, waarin de balans op zijn last was afgedrukt, heeft laten (d. i. doen) verzenden aan cliënten, aandeelhouders en bevriende instellingen.
Deze omkleeding met redenen komt mij alleszins voldoende voor. Zij zou dit niet zijn, indien - gelijk bij pleidooi is betoogd - onder openbaar maken in art. 336 moest worden verstaan de kenbaarmaking aan elk en een iegelijk. Deze opvatting schijnt mij echter onjuist. Openbaar gemaakt wordt de balans reeds, wanneer zij den betrekkelijk beperkten kring der Naamlooze Vennootschap, waarvan zij den financieelen toestand moet vastleggen, d. i. den kring van hare aandeelhouders, verlaat en wordt medegedeeld aan het publiek, dat gevormd wordt door de buiten de vennootschap staande cliënten en bevriende instellingen. Dat de balans b.v. in de dagbladen of door aanplakking zou worden gepubliceerd, zal de wetgever zich wel niet hebben voorgesteld.
Het eerste middel kan dus in geen zijner onderdeelen tot cassatie leiden.
Het tweede luidt:
„Schending, althans verkeerde toepassing van art. 398 Sv. doordat tot het bewijs hebben medegewerkt de verklaringen in het door het Hof bevestigde vonnis.
I. van den getuige [getuige 1]:
„dat dit winstsaldo in ieder geval een + f 16000 te hoog is;"
II. van den getuige [getuige 2]:
„dat hij een aan hem in zijn hoedanigheid van directeur van het bijkantoor van de Nationale Bankvereeniging te Apeldoorn gericht jaarverslag heeft ontvangen", enz. welke verklaringen bijzondere meeningen of gissingen inhouden."
Hiervan schijnt mij het eerste onderdeel gegrond. Hoe hoog het winstsaldo van een balans moet zijn, hangt af van de bedragen der samenstellende posten en deze zijn voor een groot deel niet anders dan door schatting te bepalen, waarbij subjectief inzicht een rol speelt. Dit geldt in het bijzonder van sommige posten van deze balans, die juist bij het onderzoek der zaak naar voren getreden zijn, den post „debiteuren“, wier solvabiliteit en den post „gebouwen“, wier waarde naar persoonlijke opvattingen begroot moeten worden. Dat het winstsaldo te hoog is, is dus inderdaad een bijzondere meening of gissing. Ook de door den getuige gebezigde woorden „in ieder geval“ duiden er op, dat aan zijne verklaring een niet uitgesproken redeneering ten grondslag ligt.
Ongegrond is echter het tweede onderdeel van dit middel. De verklaring toch van getuige [getuige 2], dat het jaarverslag aan hem in zijne genoemde hoedanigheid gericht is geweest, zal wel aldus moeten worden verstaan, dat die hoedanigheid bij de toezending op het adres was vermeld, hetgeen voor waarneming vatbaar is.
Op grond van onderdeel I van dit middel concludeer ik intusschen tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing der zaak naar een aangrenzend Gerechtshof om op het bestaande hooger beroep en met inachtneming van het door den Hoogen Raad te wijzen arrest opnieuw te worden berecht en afgedaan.