Post alia:
Onderdeel 1 van het middel gaat, naar het mij voorkomt, uit van een te beperkte opvatting van het begrip „onttrekken aan het wettig gezag". Uw Raad besliste bij zijn arrest van 22 Dec. 1953 (N. J. '54 478), dat in art. 279 Sr. „gezag" een toestand aanduidt, die „rechtens" bestaat en dat „gesteld" geenszins uitdrukt, dat ook reeds feitelijke heerschappij uitgeoefend zou moeten zijn. Naar die uitspraak kan het bedoelde „onttrekken" zich dus ook voordoen wanneer het wettig gezag rechtens wel reeds is gesteld, doch de feitelijke heerschappij nog niet door de rechthebbende wordt uitgeoefend. Bij voormeld arrest werd tevens beslist, dat, in overeenstemming met doel en strekking van het voorschrift, in art. 279 Sr. onder „aan het wettig gesteld gezag onttrekken" elk doen verkeren van de minderjarige buiten dat gezag behoort te vallen. Dit betekent dunkt mij, zoals ook Röling in zijn annotatie bij het arrest opmerkt, dat „onttrekken" mede omvat „ onttrokken houden". In het onderhavige geval berustte het „gezag" in bovenbedoelde zin over de minderjarige ingevolge het bepaalde bij art. 3 van het Besluit Oorlogspleegkinderen sedert Aug. 1945 bij de Commissie voor Oorlogspleegkinderen, bedoeld in art. 2 van het Besluit. Ten tijde in de bewezenverklaring genoemd werd de feitelijke heerschappij over het kind nog niet door die Commissie uitgeoefend, omdat zij er nog niet in was geslaagd het meisje onder haar hoede te krijgen. Toen req. nu op de uitdrukkelijke vordering van de vertegenwoordiger van de Commissie voor Oorlogspleegkinderen om de minderjarige aan hem af te geven weigerde zulks te doen en zodoende de uitoefening van de feitelijke heerschappij door diegene, die daartoe ingevolge de wettelijke voorschriften uitsluitend bevoegd was verhinderde, betekende dit, dat zij de minderjarige onttrok - immers onttrokken hield - aan het wettig over haar gesteld gezag.
Hieraan doet niet af, dat req., naar zij zegt, op het moment van die weigering in de onmogelijkheid verkeerde die afgifte van het kind direct te bewerkstelligen, daar het kind elders zou zijn ondergedoken. Immers blijkt niet uit de stukken, waarvan Uw Raad kennis neemt, dat zij toen met de verblijfplaats van het kind niet bekend was en die verblijfplaats ook niet te weten kon komen, noch ook, dat zij niet in staat was het kind te doen terugkeren. Integendeel blijkt daaruit dat zij die verblijfplaats kende doch die geheim wenste te houden. Niet de afwezigheid van de minderjarige was hier beslissend, doch de onwil om haar te doen komen waar zij behoorde te zijn.
Onderdeel 1 van het middel komt mij derhalve ongegrond voor.
Het tweede onderdeel van het middel gaat, als ik het wel versta, uit van de stelling als zou art. 279 Sr. de eis stellen, dat de dader moet hebben geweten, dat zijn daad bij de wet verboden en strafbaar was. Echter is de eis van een zodanig verzwaard opzet in bedoeld voorschrift niet te lezen. Dat bij req. elke schuld met betrekking tot de wederrechtelijkheid van haar handelen afwezig zou zijn geweest is in vorige instanties harerzijds niet beweerd en ook in cassatie wordt daarop geen beroep gedaan. De stukken welke voor kennisneming door Uw Raad in aanmerking komen leveren trouwens geen enkele aanwijzing op, dat zulks het geval zou zijn.
Ook het tweede onderdeel van het middel ongegrond achtend heb ik de eer te concluderen dat Uw Raad het beroep niet ontvankelijk zal verklaren voorzover bij het arrest waarvan beroep in cassatie:
1e. de dagvaarding in eerste aanleg voor wat het daarbij sub II aan verd. telastegelegde betreft is nietigverklaard, en
2e. req. van het haar sub I meer of anders telastegelegde, dan werd bewezenverklaard, werd vrijgesproken, en het beroep voor het overige zal verwerpen.