Op 3 March 2026 heeft de Parket bij de Hoge Raad een procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 25/02045, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:PHR:2026:221.
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02045 H
Zitting 3 maart 2026
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de gewezen verdachte
1
De vordering tot herziening ten nadele
1.1
Bij arrest van het gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 27 oktober 2010 is de gewezen verdachte vrijgesproken van de hem ten laste gelegde, primair impliciet primair “moord”, primair impliciet subsidiair “doodslag” en subsidiair “mishandeling terwijl het feit de dood ten gevolge heeft”. (Voetnoot 1) Het arrest is op 13 maart 2012 onherroepelijk geworden, nadat de Hoge Raad het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie op die datum had verworpen. (Voetnoot 2)
1.2
Namens het College van procureurs-generaal heeft zijn voorzitter op 4 juni 2025 een schriftelijke vordering ingediend, die een aanvraag inhoudt tot herziening ten nadele in de zin van art. 482b lid 1 Sv van de genoemde onherroepelijke einduitspraak van het gerechtshof te ’s-Gravenhage.
1.3
Op 16 september 2025 heeft S.V. Jansen, advocaat te Zoetermeer, namens de gewezen verdachte een verweerschrift ingediend.
1.4
In kort bestek houdt deze conclusie het volgende in.
1.5
De aanvraag tot herziening dateert van meer dan dertien jaar na het onherroepelijk worden van het vrijsprekend arrest van het hof in 2012. In 2012 stond art. 68 lid 1 Sr, waarin het ‘ne bis in idem’-beginsel is neergelegd, in de weg aan een hernieuwde vervolging voor het feit waarvan de gewezen verdachte was vrijgesproken. De wet voorzag indertijd niet in een wettelijke voorziening voor herziening ten nadele. De Wet herziening ten nadele is op 1 oktober 2013 in werking getreden. (Voetnoot 3) De wetgever heeft onmiddellijke werking van de wet beoogd. De herzieningsaanvraag strekt ertoe de wet alsnog toe te passen op de onherroepelijke uitspraak die dateert van vóór de inwerkingtreding daarvan.
1.6
Uit het vervolg van deze conclusie blijkt dat onzeker is of het toepassen van herziening ten nadele op uitspraken die dateren van vóór de inwerkingtreding van de wet in overeenstemming is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), in het bijzonder met de art. 6 en 7 van dit verdrag. De bestaande rechtspraak over art. 6 en 7 EVRM biedt geen uitsluitsel.
1.7
Gegrondverklaring van de aanvraag tot herziening zou een ingrijpende inmenging in het gezag van gewijsde en daarmee de rechtszekerheid betekenen. Dit ingrijpende karakter is bij de totstandkoming van deze conclusie onder ogen gezien en heeft bijgedragen aan de strekking daarvan. In deze conclusie kan de onzekerheid over de verenigbaarheid met het EVRM niet worden weggenomen, terwijl in dezen de onzekerheidsmarge juist zo klein mogelijk zal moeten zijn om de potentieel ingrijpende gevolgen van het al dan niet toepassen van de wettelijke regeling van herziening ten nadele op een geval als het onderhavige te kunnen aanvaarden.
1.8
De onzekerheidsmarge kan worden geminimaliseerd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) te verzoeken op grond van het Zestiende Protocol een advisory opinion uit te brengen over de vraag of de toepassing van de Wet herziening ten nadele op een vrijspraak van een levensdelict die vóór die datum onherroepelijk is geworden, verenigbaar is met art. 6 en/of art. 7 EVRM. Daartoe strekt deze conclusie. Voor de volledigheid merk ik daarbij op dat de verenigbaarheid van de Wet herziening ten nadele met verdragsrechten voor het overige niet ter discussie staat.
1.9
De opbouw van deze conclusie is als volgt:
- de zaak waarop de aanvraag tot herziening ten nadele betrekking heeft (onderdeel 2);
- de herzieningsaanvraag van het College van procureurs-generaal (onderdeel 3);
- het verweerschrift ingediend namens de gewezen verdachte (onderdeel 4);
- standpunten en oordelen ten aanzien van de onmiddellijke werking van de herzieningsregeling (onderdeel 5);
- grondslag en karakter van herziening ten nadele (onderdeel 6);
- de onmiddellijke werking van de herzieningsregeling (onderdeel 7);
- een verzoek om een advisory opinion aan het EHRM (onderdeel 8);
- slotsom (onderdeel 9).
2
De zaak waarop de aanvraag tot herziening ten nadele betrekking heeft
2.1
De zaak betreft de dood van [slachtoffer] . Op 12 juli 2006 werd zij, op achtentwintigjarige leeftijd, levenloos aangetroffen op de zolder van de woning van haar ouders in [plaats] . Zij was slechts gekleed in een geopende badjas. Naast haar lichaam werd een afgerolde slip aangetroffen. In haar borst stak een mes. Om haar nek zat een tiewrap gesnoerd. Zij had een plastic boodschappentas om haar hoofd. Het gerechtshof heeft uit verklaringen van de ouders van het slachtoffer afgeleid dat de boodschappentas afkomstig was uit de meterkast van de woning van de ouders, dat het mes uit één van de keukenladen kwam en dat de tiewrap niet uit de woning afkomstig was. Er werden geen sporen van braak of inklimming aangetroffen.
2.2
Het opsporingsonderzoek kreeg de naam Schorpioen. Door de patholoog-anatoom werd vastgesteld dat [slachtoffer] door verwurging met de tiewrap om het leven was gekomen. De drie steken met het mes waren post mortem aangebracht. Verder had [slachtoffer] een bloeduitstorting aan de linkerzijde van haar gezicht en hals. Het tijdstip van overlijden kon door de patholoog-anatoom niet worden vastgesteld.
2.3
Uit onderzoek van de politie bleek dat [slachtoffer] op de avond van 11 juli 2006 was gaan salsadansen in een horecagelegenheid in [plaats] . Zij werd door een vriendin rond 23:30 uur thuisgebracht. Om 23:37 uur werd de computer op de zolderkamer aangezet en om 23:43 uur werd een e-mail verstuurd aan een derde. Rond datzelfde tijdstip werd vervolgens een nieuwe e-mail aangemaakt die was gericht aan [betrokkene 1] , maar dit bericht werd niet verzonden. Door de buren wonende in de aangrenzende woning werden omstreeks 23:45 – 23:50 uur geluiden vanuit de badkamer van de woning gehoord. Een overbuurvrouw heeft [slachtoffer] op de zolderkamer gezien. Zij nam aan dat [slachtoffer] op een stoel zat. Tussen 0:00 en 00:30 uur hoorden de overbuurvrouw en haar man een vrouwenstem “Nee, nee, nee” schreeuwen, welk geschreeuw abrupt eindigde.
2.4
[slachtoffer] woonde sinds januari 2006, na haar echtscheiding van [betrokkene 2] , bij haar ouders in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . Daar sliep zij op de zolderkamer. [slachtoffer] verbleef met ingang van 7 juli 2006 alleen in de woning, omdat haar ouders vanaf die datum met vakantie waren. [slachtoffer] had een relatie met [betrokkene 1] , die ten tijde van het misdrijf in Koeweit verbleef.
2.5
De gewezen verdachte is getrouwd geweest met een tante van [slachtoffer] . In het kader van het familie- en relatieonderzoek is hij op 2 augustus 2006 voor de eerste keer als getuige gehoord. Tijdens een tweede (getuigen)verhoor op 21 november 2006 heeft hij schriftelijk toestemming gegeven voor vrijwillige afname van celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek. Op 27 november 2006 werd het DNA-referentiemonster van de gewezen verdachte, samen met de monsters van nog dertien andere personen, overgebracht naar het NFI voor vergelijkend DNA-onderzoek. Op 13 december 2006 deelde een medewerker van het NFI telefonisch aan de officier van justitie mee dat de gewezen verdachte niet kon worden uitgesloten als donor van het sporenmateriaal aangetroffen op de plaats delict. De gewezen verdachte werd op 14 december 2006 als verdachte aangemerkt. Op 18 december 2006 werden het sporenmateriaal en het DNA-referentiemonster overgebracht naar het Forensisch Laboratorium voor DNA-onderzoek (FLDO).
2.6
Uit het rapport van het FLDO van 20 december 2006 kwam naar voren dat de gewezen verdachte niet kon worden uitgesloten als een van de donoren van drie sporen, te weten een bemonstering van de nagels van het slachtoffer, een bemonstering van de badjas van het slachtoffer en een bemonstering van de om het hoofd van het slachtoffer aangetroffen plastic boodschappentas, omdat het Y-chromosomale DNA-profiel van de gewezen verdachte past binnen het Y-chromosomale DNA-profiel van de drie sporen. De gewezen verdachte werd op 21 december 2006 aangehouden.
2.7
Aan de gewezen verdachte werd primair moord / doodslag, subsidiair mishandeling met de dood als gevolg ten laste gelegd. Het Openbaar Ministerie wees in het requisitoir onder meer op DNA-sporen waarvan het profiel geheel of gedeeltelijk overeenkwam met dat van de gewezen verdachte.
2.8
De gewezen verdachte werd bij vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 juli 2008 vrijgesproken. Ook in hoger beroep werd hij vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, bij arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 27 oktober 2010. (Voetnoot 4) De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen dit arrest bij arrest van 13 maart 2012. (Voetnoot 5) Daarmee werd de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Gravenhage onherroepelijk.
2.9
Na het onherroepelijk worden van de uitspraak waarbij de gewezen verdachte was vrijgesproken, werden het in de DNA-databank opgenomen DNA-profiel van de gewezen verdachte en het van hem bewaarde celmateriaal vernietigd. Wel bleef een uitgeschreven DNA-profiel van de gewezen verdachte, dat tijdens het onderzoek was opgenomen in het procesdossier van het onderzoek Schorpioen, bewaard. In mei 2015 is het onderzoek opnieuw gestart in het kader van het ‘cold case‘-onderzoek met als naam Lotus.
2.10
In de periode 2015 tot en met 2019 zijn diverse verzoeken aan het NFI en FLDO gedaan om nieuwe bemonsteringen veilig te stellen en eerder veiliggestelde bemonsteringen met gebruikmaking van nieuwe DNA-technieken te onderzoeken.
2.11
Op 1 april 2021 heeft de daartoe door het College van procureurs-generaal aangewezen officier van justitie, ter voorbereiding van een aanvraag tot herziening ten nadele, een vordering ingediend tot het verrichten van onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris als bedoeld in art. 482c lid 2 Sv. De officier van justitie vorderde met het oog op DNA-onderzoek de afname van celmateriaal van de gewezen verdachte en de vergelijking van het daarvan vervaardigde DNA-profiel met dat van het sporenmateriaal afkomstig van de plaats delict. Bij beschikking van 22 juni 2021 heeft de rechter-commissaris de vordering van de officier van justitie toegewezen. De raadkamer van de rechtbank Midden-Nederland verklaarde het hoger beroep van de gewezen verdachte tegen de beschikking van de rechter-commissaris bij beschikking van 30 augustus 2021 ongegrond. Op 3 november 2021 is celmateriaal van de gewezen verdachte afgenomen ten behoeve van DNA-onderzoek. In het NFI-rapport van 25 november 2021 zijn de resultaten opgenomen van het DNA-onderzoek en de vergelijking van het daaruit verkregen DNA-profiel met het sporenmateriaal in de zaak. Het onderzoek onder leiding van de rechter-commissaris is op 29 oktober 2024 beëindigd.
De procedure in eerste aanleg
2.12
In eerste aanleg werd aan de gewezen verdachte ten laste gelegd dat:
“Hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2006 tot en met 12 juli 2006 te [plaats] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, wurghandelingen verricht en steekwonden toegebracht, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”
2.13
De officier van justitie deed in het requisitoir een beroep op de volgende resultaten van het forensisch onderzoek:
- Een bemonstering van de nagels van de rechterhand van het slachtoffer (AHH352#2).
Het betreft een autosomaal DNA-mengprofiel van minimaal twee personen. Het vergelijkend DNA-onderzoek heeft het volgende opgeleverd. Het hoofdprofiel past bij het DNA-profiel van het slachtoffer. De overige tien, zwak aanwezige, DNA-kenmerken passen – op één kenmerk na – bij het DNA-profiel van de gewezen verdachte. Uit het NFI-rapport van 22 december 2006 volgt dat er twee mogelijkheden zijn: 1. Het mengprofiel is afkomstig van twee personen. In dit scenario moet de gewezen verdachte als donor worden uitgesloten. 2. Het mengprofiel is afkomstig van drie personen. In dat geval kan de gewezen verdachte niet worden uitgesloten als donor. Het contra-onderzoek door het Forensic Science Service (FSS) heeft dezelfde resultaten opgeleverd.
De bemonstering van de nagels is door het FLDO onderworpen aan een Y-chromosomaal onderzoek. Er werd een DNA-profiel bestaande uit zestien Y-chromosomale DNA-kenmerken aangetroffen, welke kenmerken volledig overeenkomen met het Y-chromosomale DNA-profiel van de gewezen verdachte. Deze onderzoeksbevindingen zijn door het FSS bevestigd.
- Een bemonstering van de revers van de badjas van het slachtoffer (AHH372#3)
Autosomaal onderzoek aan de bemonstering heeft aangetoond dat in de bemonstering zich zwak aanwezige DNA-kenmerken bevinden die gelijk zijn aan DNA-kenmerken van de gewezen verdachte. Op grond daarvan kan volgens het NFI niet worden uitgesloten dat de bemonstering celmateriaal van de gewezen verdachte bevat. Uit het rapport van het FSS volgt dat zich, naast het hoofdprofiel van het slachtoffer, acht andere DNA-kenmerken in de bemonstering bevinden. Deze kenmerken komen volledig overeen met de desbetreffende kenmerken in het DNA-profiel van de gewezen verdachte.
Het Y-chromosomale DNA-profiel uit de bemonstering, bestaande uit zestien kenmerken, komt volledig overeen met het Y-chromosomale DNA-profiel van de gewezen verdachte.
- Een bemonstering van de plastic boodschappentas (AHH371#1)
Het betreft een bemonstering aan de bovenzijde van de tas, op het punt waar de tas om het hoofd van het slachtoffer was samengetrokken. Van het spoor konden vier Y-chromosomale DNA-kenmerken worden bepaald. Die bleken bij vergelijking met het Y-chromosomale DNA-profiel van de gewezen verdachte overeen te komen.
- Drie haren (AHH360#1, ACE899#1 en ARA458#1)
De drie haren werden aangetroffen op het lichaam van het slachtoffer, te weten in de rechterlies, op het rechterbovenbeen en op het linkerbovenbeen. Morfologisch onderzoek had uitgewezen dat deze haren pasten in het schaamhaar- en beenhaarpalet van de gewezen verdachte. Het NFI concludeerde dat het mitochondriale DNA-profiel van de haren volledig overeenkomt met dat van de verdachte. De onderzoeksresultaten zijn bevestigd door het FSS.
Aan beide kanten van het lichaam van het slachtoffer zijn, ter hoogte van de taille, schoenzoolsporen aangetroffen in stof. De schoenzoolsporen zijn afkomstig van een slipper van het merk Damage, maat 45 of 46, die werd verkocht door Bristol. Uit onderzoek bleek dat de toenmalige vriendin van de gewezen verdachte op 9 juni 2006, een maand voor de dood van het slachtoffer, dergelijke slippers heeft gekocht bij de Bristol, maat 46. Verder is er een foto, gemaakt op 22 juli 2006, aangetroffen van de gewezen verdachte op het strand, zittend op een stoel, met onder de stoel twee in elkaar gestoken slippers waarvan het volgens een deskundige zeer aannemelijk is dat de slippers gelijksoortig zijn aan de slippers van het merk Damage.
2.14
De rechtbank ’s-Gravenhage heeft de gewezen verdachte bij vonnis van 15 juli 2008 vrijgesproken van hetgeen hem ten laste was gelegd. De rechtbank motiveerde haar oordeel als volgt (met weglating van voetnoten):
4.1
De rechtbank gaat, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, uit van de volgende feiten.
Op 12 juli 2006 wordt in de woning van haar ouders in [plaats] het levenloze lichaam aangetroffen van [slachtoffer] . Zij woonde daar tijdelijk, haar ouders waren op vakantie. Het lichaam lag op de vloer van de zolderkamer, slechts gehuld in een badjas, een tiewrap om haar hals en een plastic tas om haar hoofd. Er was een mes in haar hartstreek gestoken. Blijkens het sectierapport van de patholoog van het Nederlands Forensisch Instituut (verder te noemen het NFI) was zij door verstikking om het leven gekomen. Er is een zeer uitgebreid (forensisch) onderzoek ingesteld, waarbij geen sporen zijn aangetroffen die wijzen op braak of inklimming en evenmin sporen die wijzen op een worsteling. Wel had het slachtoffer een grote bloeduitstorting aan de linkerzijde van het gezicht. Voorts zijn sporen aangetroffen rond en op het lichaam van het slachtoffer. Op deze sporen zijn verschillende methoden van DNA-onderzoek toegepast waarbij celmateriaal van een mannelijke donor werd aangetoond. Op grond van verklaringen van een vriendin met wie het slachtoffer die avond uit was, onderzoek aan haar computer en waarnemingen van omwonenden is het slachtoffer tussen 23.45 uur op 11 juli 2006 en 01.00 uur om het leven gekomen. Het onderzoek van de politie heeft zich gericht op een man, die op enige wijze in contact stond of had gestaan met het slachtoffer. Een groot aantal mannen, waaronder verdachte, is gevraagd DNA af te staan.
Verdachte is getrouwd geweest met een tante van het slachtoffer en heeft aldus jarenlang in nauw contact met haar en haar familie gestaan. Verdachte heeft iedere betrokkenheid bij de gewelddadige dood van het slachtoffer ontkend en voor het overige tijdens de verhoren bij de politie en het onderzoek ter terechtzitting grotendeels een beroep gedaan op zijn zwijgrecht.
4.2
Het standpunt van de officier van justitie.
Op basis van het politieonderzoek moet worden aangenomen, dat het gaat om een man die op enige wijze in contact stond of heeft gestaan met het slachtoffer. Het technisch en DNA-onderzoek heeft zich toegespitst op de volgende sporen, aangetroffen op en rond het slachtoffer:
- DNA onder de nagels van de rechterhand van het slachtoffer (AHH 352#2);
- DNA op de revers van de badjas (AHH 372#3);
- DNA op de plastic tas om het hoofd van het slachtoffer (AHH 371#1);
- meerdere haren op het ontblote bovenbeen van het slachtoffer (AHH 360#1, ACE 899#1 en ARA 458#1) en
- afdrukken van slippers ter weerszijde van het lichaam.
Al deze sporen kunnen in verband worden gebracht met verdachte. Het gaat hier om dadersporen. Er is in het onderzoek niemand anders aangetroffen van wie een overeenkomst met één van deze sporen kon worden vastgesteld. Op basis van dit forensisch onderzoek is maar één conclusie mogelijk, te weten dat verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht. Daarnaast zijn er nog een aantal feiten en omstandigheden die bijdragen aan de overtuiging dat verdachte inderdaad de dader is. Zo heeft verdachte een alibi genoemd dat niet bleek te kloppen, heeft hij gelogen over het bezit van slippers en spreekt hij al over moord voor dat dit bekend is (daderkennis).
Het handelen van verdachte moet worden gekwalificeerd als moord. Nu geen aanwijzingen bestaan voor ontoerekeningsvatbaarheid, en er ook overigens geen omstandigheden zijn die matigend zouden moeten werken, wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd van 15 jaar.
4.3
Het standpunt van de verdediging.
De resultaten van het technisch en DNA-onderzoek wijzen verdachte niet aan als dader. De resultaten zouden slechts kunnen dienen ter ondersteuning van ander bewijs maar er is geen ander bewijs dat verdachte wél als dader aanwijst. Het is bovendien maar zeer de vraag of de betreffende sporen dadersporen zijn. Er zijn meerdere verklaringen denkbaar voor de aanwezigheid van mogelijk materiaal van verdachte. Verdachte heeft geen enkel motief. Verdachte heeft niet gelogen over zijn alibi, verdachte beschikte niet over daderkennis. Tenslotte staat niet vast dat de dader een bekende van het slachtoffer moet zijn geweest.
4.4
De beoordeling van de tenlastelegging
Bij de beoordeling van de bewijsmiddelen staan de sporen, welke op en rond het lichaam van het slachtoffer zijn aangetroffen centraal. Het openbaar ministerie en de verdediging verschillen van mening over de bewijswaarde van de conclusies van de diverse onderzoeken.
De rechtbank zal allereerst de resultaten van het sporenonderzoek afzonderlijk bespreken.
AHH352#2
de bemonstering van de nagels van de rechterhand van het slachtoffer.
Van het celmateriaal in de bemonstering van AHH352#2 van de nagels van de rechterhand van het slachtoffer is een DNA mengprofiel verkregen waarin de DNA kenmerken zichtbaar zijn van een man en een vrouw. Hieruit kan een DNA hoofdprofiel worden afgeleid dat overeenkomt met het DNA profiel van het slachtoffer. Daarnaast zijn een aantal zwak aanwezige DNA kenmerken waargenomen die van een tweede (mannelijke) donor afkomstig zijn. Deze zijn vergeleken met de DNA kenmerken van de verdachte. Het NFI heeft over dit vergelijkend onderzoek gerapporteerd, dat DNA kenmerken zijn waargenomen, die gelijk zijn aan die van verdachte maar dat er ook verschillen zijn waargenomen. Het NFI concludeert dat er twee mogelijkheden zijn:
- de bemonstering bevat een mengsel van materiaal afkomstig van twee personen, in welk geval verdachte moet worden uitgesloten als donor,
- de bemonstering bevat een mengsel van materiaal afkomstig van drie personen, in welk geval verdachte niet kan worden uitgesloten als donor. Het NFI heeft voorts aangegeven, dat vanwege de complexiteit van het verkregen DNA mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering AHH352#2 een statistische berekening met betrekking tot de bewijswaarde van de genoemde overeenkomst niet is uitgevoerd.
De rechtbank stelt op grond van voornoemde rapportage en de toelichtingen van [deskundige 1] van het NFI als getuige-deskundige ter terechtzitting vast dat het DNA mengprofiel van de bemonstering AHH352 #2 niet volledig overeenkomt met het DNA profiel van de verdachte nu één aangetroffen DNA kenmerk afwijkt van het DNA profiel van de verdachte en van het slachtoffer. Dit leidt tot de conclusie dat de verdachte dient te worden uitgesloten als donor aan het DNA mengprofiel van de bemonstering AHH352#2, tenzij dit mengprofiel DNA bevat van meer dan twee donoren.
Op grond van het autosomale DNA onderzoek zijn er onvoldoende aanknopingspunten om aan te kunnen nemen dat de bemonstering AHH352#2 een DNA mengprofiel is van tenminste drie donoren. Het NFI heeft geen bijdrage van een derde donor aan het DNA mengprofiel van de bemonstering AHH352#2 ook niet na nader aanvullend onderzoek van de bemonstering aan kunnen tonen. [deskundige 1] heeft ter terechtzitting van 15 april 2008 verklaard dat het nooit geheel valt uit te sluiten dat er een derde persoon aan een DNA mengprofiel heeft bijgedragen. Voorts heeft zij aangegeven dat in 3 procent van de gevallen blijkt dat er toch drie donoren aan een mengprofiel hebben bijgedragen zelfs als er op alle loci niet meer dan vier pieken zijn waargenomen. De rechtbank acht op grond hiervan de mogelijkheid dat er toch een derde persoon heeft bijgedragen aan het DNA mengprofiel AHH352#2 weliswaar aanwezig maar te gering om hierop deze conclusie te kunnen baseren. Nu niet kan worden vastgesteld en evenmin kan worden aangenomen dat een derde donor aan het DNA mengprofiel AHH352#2 heeft bijgedragen, kan niet worden volgehouden dat het DNA profiel van de verdachte een match heeft opgeleverd met de DNA kenmerken aangetroffen in het spoor AHH 352#2. Niet kan worden voorbijgegaan aan het aantreffen van het DNA profiel van de verdachte afwijkend DNA kenmerk in dit spoor. Zelfs al zou de rechtbank - quod non - de aanwezigheid van een derde donor in het mengprofiel AHH352#2 aannemen, dan nog kan aan het aangetroffen mengprofiel geen bewijskracht worden verleend omdat de deskundige vanwege de complexiteit van het mengprofiel de bewijswaarde niet statistisch kan berekenen.
AHH372#3
, de bemonstering van de revers van de badjas van het slachtoffer.
Het NFI heeft de badjas onderzocht op de aanwezigheid van bloed en daarbij op drie locaties bemonsteringen genomen en veiliggesteld voor autosomaal DNA-onderzoek. Er is een profiel verkregen dat overeenkomt met het DNA-profiel van het slachtoffer. Het in het monster aanwezige bloed of celmateriaal lijkt naar alle waarschijnlijkheid dus afkomstig van het slachtoffer (frequentie, 1 op 1 miljard). Daarnaast zijn in het profiel van de bemonstering enkele zwak aanwezige DNA-kenmerken waargenomen. In een aanvullend rapport heeft het NFI gerapporteerd dat deze zwak aanwezige kenmerken overeenkomen met de betreffende kenmerken van verdachte. De conclusie luidt dat verdachte niet kan worden uitgesloten maar dat een statistische berekening van de bewijswaarde van deze conclusie, juist vanwege de zwakke aanwezigheid niet is uitgevoerd. Ter zitting heeft [deskundige 1] nog verduidelijkt dat een dergelijke berekening onmogelijk is omdat daarvoor te veel aannames moeten worden gedaan.
Op verzoek van de verdediging is de bemonstering ook onderzocht door het Forensic Science Service (verder te noemen FSS) een laboratorium in Groot Brittannië. Deze dienst komt tot de conclusie dat er naast het materiaal van het slachtoffer 8 kenmerken zijn die overeenkomen met de DNA kenmerken in het profiel van verdachte. Weliswaar meent de officier van justitie dat het hier een sterkere conclusie betreft dan het NFI heeft getrokken. Niettemin gaat ook deze conclusie niet verder dan dat verdachte niet kan worden uitgesloten. Bovendien ziet ook het FSS geen kans op basis van de beschikbare gegevens te komen tot een statistische evaluatie.
De resultaten van het autosomale DNA-onderzoek van deze bemonstering kunnen dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet als bewijs dienen dat verdachte donor is van het bemonsterde materiaal.
AHH354#1
, de bemonstering van de tiewrap.
Met betrekking tot de bemonstering van de gladde zijde van de tiewrap rapporteert het NFI dat in deze bemonstering te weinig informatie aanwezig is om een betrouwbare uitspraak te kunnen doen over de aan- of afwezigheid van celmateriaal van de verdachte in deze bemonstering. Ook [deskundige 2] van het FSS stelt dat deze bemonstering niet geschikt is voor een betekenisvolle vergelijking.
AHH371#1
, de bemonstering van de plastic tas om het hoofd van het slachtoffer.
Blijkens het reeds genoemde rapport van het NFI is de tas onderzocht op bloed. Het onderwerpelijke spoor is - anders dan de officier in haar requisitoir heeft gesteld - afkomstig van de handvatten van de tas. Het spoor heeft géén voor vergelijkend autosomaal DNA onderzoek geschikt profiel opgeleverd.
Samenvattend komt de rechtbank tot het oordeel dat het autosomale DNA onderzoek geen bewijs heeft opgeleverd voor betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit.
Y-chromosomaal DNA onderzoek op deze sporen.
Op verzoek van de officier van justitie is door [deskundige 3] van het Forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoek in Leiden (hierna FLDO) getracht in het sporenmateriaal een Y- chromosomaal DNA profiel vast te stellen.
In het spoor AHH352#2 (bemonstering nagels) werd een DNA profiel bestaande uit 16 polymorfe Y-chromosoom DNA kenmerken aangetroffen dat volledig overeenkomt met het Y-chromosomale DNA profiel van de verdachte. Het Y-chromosomale DNA profiel van de verdachte past ook binnen de aangetroffen gemengde Y-chromosomale DNA kenmerken van de sporen AHH371#1 (bemonstering badjas) en AHH372#2 (bemonstering tas). Hieruit volgt dat de verdachte niet kan worden uitgesloten als donor van deze sporen. Dit geldt echter ook in ieder geval voor alle in mannelijk lijn aan hem verwante familieleden en een onbekend aantal andere personen.
Met betrekking tot de interpretatie van het resultaat uit Y-chromosomale DNA profielen heeft [deskundige 3] naar voren gebracht dat Y-chromosomale kenmerken onveranderd van vader op zoon worden doorgegeven. Hierdoor hebben mannen die in directe mannelijke lijn aan elkaar verwant zijn, hetzelfde Y-chromosomale DNA profiel. Tevens bestaat de kans dat een niet in de mannelijke lijn van verdachte verwante man per toeval hetzelfde Y-chromosomale DNA profiel heeft als de verdachte.
De frequentie van het Y-chromosomale DNA profiel van verdachte schat [deskundige 3] in op circa 2% (ofwel 1 op 50) van de mannelijke bevolking in Nederland.
Eveneens heeft [deskundige 4] , forensisch wetenschapper van het al genoemde FSS de biologische sporen aan een Y-chromosomaal onderzoek onderworpen. Zij concludeert dat het Y-chromosomale DNA profiel van spoor AHH352#2 overeenstemt met het Y-chromosomaal profiel van verdachte. Op grond hiervan zijn er twee mogelijkheden:
a. de belangrijkste component is afkomstig van de verdachte of van een mannelijk familielid;
b. de belangrijkste component is niet afkomstig van verdachte of van een mannelijk familielid maar van een ander met hetzelfde Y-chromosomaal DNA profiel als verdachte.
Teneinde te onderzoeken hoe groot de kans is dat een ander dat verdachte (of een mannelijk familielid) donor van spoor is, heeft zij onderzocht hoe algemeen het Y-chromosomale profiel verkregen uit spoor AHH352#2 in de Nederlandse bevolking is. In een databestand van 381 Nederlandse monsters zijn 19 overeenkomsten met dit Y-chromosomale profiel verkregen. Op basis hiervan schat zij dat de frequentie van dit profiel in de Nederlandse bevolking 1 op 18 is.
De rechtbank komt op grond van het vorengaande tot het oordeel dat de het Y-chromosomaal onderzoek van de biologische sporen weliswaar een overeenkomst met het profiel van de verdachte heeft opgeleverd, maar dat dit geenszins exclusief de verdachte als donor van dit sporenmateriaal aanwijst. Een Y-chromosomaal DNA profiel is niet uniek voor één persoon alleen al omdat alle aan elkaar verwante mannelijke familieleden eenzelfde Y-chromosomaal profiel hebben. Daarbij kunnen ook niet verwante mannelijke personen een gelijk Y-chromosomaal profiel hebben. Deze kans is - anders dan bij een volledige autosomale DNA match - niet verwaarloosbaar klein zoals blijkt uit de (summiere) vergelijkend onderzoeken van de deskundigen.
Ook het NFI heeft aangegeven dat als Y-chromosomaal DNA onderzoek resulteert in gelijke DNA profielen van een spoor van een persoon, dit gegeven slechts bruikbaar is als aanvullend bewijs, maar nooit als sterke aanwijzing.
Het bovenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de resultaten van het Y-chromosomale DNA onderzoek geen positief bewijs leveren voor de stelling dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
AHH360#1, ACE899#1en ARA458#1
, de aangetroffen haren.
Op en rond het lichaam van verdachte werden haren aangetroffen. Deze zijn morfologisch onderzocht. Geconcludeerd is, dat zeven haren mogelijk afkomstig zijn van verdachte. Autosomaal DNA-onderzoek bleek wegens onvoldoende materiaal niet te kunnen worden uitgevoerd. Wel werd door het FLDO mitochondriaal DNA onderzoek verricht. Dit leidde tot de conclusie dat vier van de zeven haren niet passen in het mtDNA profiel van verdachte. Slechts van drie haren is het mtDNA profiel conform dat van verdachte. Het betreft hier de evengenoemde drie sporen. De conclusie van het FLDO, welke is bevestigd door het FSS, is dat de sporen afkomstig kunnen zijn van verdachte maar ook van alle in vrouwelijke lijn aan hem verwante familieleden en een onbekend aantal andere personen. Het FSS heeft daarbij nog aangegeven, dat het aangetroffen profiel in AHH360#1 niet is aangetroffen in de gegevens set van het FSS. Op vragen van de rechtbank aan [deskundige 3] , geeft ook deze deskundige aan dat het hier een weinig algemeen profiel betreft.
Door de verdediging is aangevoerd, dat - zo het al om haren van verdachte zou gaan - het mogelijk is dat deze haren bij een andere gelegenheid zijn achtergelaten. Dat met die mogelijkheid rekening gehouden moet worden volgt al uit het feit, dat ook haren van haar zus op de buik van het slachtoffer zijn aangetroffen en ook dierenharen. Het illustreert hoe behoedzaam met de aanwezigheid van dergelijke sporen moet worden omgegaan.
De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat slechts met terughoudendheid conclusies aan deze sporen kunnen worden verbonden. De conclusie van de officier van justitie dat de aanwezigheid van haren van de verdachte op en in de nabijheid van het lichaam van het slachtoffer hem aanwijst als dader gaat er allereerst aan voorbij dat niet vast is komen te staan dat het om haren van verdachte gaat. Immers de mogelijkheid dat de haren afkomstig zijn van één van zijn familieleden in de vrouwelijke lijn of van een onbekende andere met het zelfde profiel kan niet zonder meer als onwaarschijnlijk terzijde worden geschoven. Zelfs als vast zou staan dat de haren van de verdachte zijn - quod non - is het niet uitgesloten dat deze haren in de woning gevonden zijn omdat verdachte als gast van de familie in de woning aanwezig is geweest. Uit het dossier blijkt dat de verdachte bij de ouders van het slachtoffer op bezoek kwam.
Schoensporen
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de schoensporen het volgende uit het dossier blijkt. [deskundige 5] , deskundige van de technische recherche gespecialiseerd in schoen- en bandsporen, heeft onderzoek gedaan naar de op de plaats van het misdrijf veiliggestelde schoensporen. De schoensporen veilig gesteld aan weerszijden van het slachtoffer vertonen hetzelfde profiel als zolen van de muilen en slippers in de maat 46 van het merk Damage te koop bij Bristol. De fabrikant van het schoeisel met deze zolen heeft bevestigd dat deze muilen en slippers uitsluitend geleverd zijn aan Bristol. Uit de gegevens van pintransacties bij Bristol te [plaats] blijkt dat de vriendin van verdachte op 9 juni 2006 een paar slippers van het merk Damage, maat 46 heeft gekocht. De vriendin van verdachte heeft bevestigd dat zij zwarte slippers voor verdachte heeft gekocht bij Bristol, zij dacht in maat 45.
In het proces verbaal van vergelijkend onderzoek naar foto’s van verdachte met de slippers concludeert de deskundige, samen met een collega, dat zeer aannemelijk is dat twee slippers die in elkaar gestoken onder de stoel liggen waarop verdachte staat afgebeeld gelijksoortig zijn aan de teenslippers van het merk Damage. Verdachte geconfronteerd met een afbeelding van soortgelijke slippers, op de vraag of hij deze herkende, gezegd dat hij geen slippers heeft. Later heeft verdachte geconfronteerd met een foto waar hij met de slippers op staat, verklaard dat de eerdere verklaring “eruit floepte”.
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de schoensporen dadersporen zijn. Uit het verhoor van de deskundige bij de rechter-commissaris blijkt dat hij niet vast heeft kunnen stellen of de aangetroffen schoensporen een afdruk van een rechter of een linker schoen betreffen (verhoor onder 13). Voorts verklaart de deskundige dat in dit geval geen sprake is van een afdruk met bloed (onder 12 en19). Deze bevindingen van de deskundige maken dat naar oordeel van de rechtbank niet uit te sluiten is dat de sporen geen dadersporen zijn. Immers, indien de twee sporen naast het lichaam van het slachtoffer van twee linker of twee rechter schoenen zouden zijn, zijn de sporen niet meer in direct verband te brengen met het levenloze lichaam van het slachtoffer. Voorts is door de deskundige niet vastgesteld dat er een spoor met muilen of slippers van het merk Damage in bloed is veiliggesteld, waardoor niet is uit te sluiten dat de sporen die wel zijn aangetroffen dateren van voordat het slachtoffer om het leven werd gebracht.
Voorts overweegt de rechtbank dat, zelfs indien er van uit wordt gegaan dat de schoensporen wel als daderspoor kunnen worden gekwalificeerd, deze sporen verdachte nog niet aanwijzen als dader. De deskundige verklaart in het genoemde verhoor (onder 5) dat specifieke beschadigingen een afdruk van een schoen uniek maken. Deze specifieke kenmerken heeft de deskundige niet kunnen vaststellen omdat de folies met de schoensporen matig en zwak waren. Daarbij komt dat bij verdachte geen slippers zijn aangetroffen zodat geen vergelijking van de afdruk met eventuele specifieke beschadigingen op de zolen van deze slippers mogelijk was.
Uit de door Bristol ter beschikking gestelde gegevens blijkt dat alleen al in Nederland in de maten 40 tot en met 46 respectievelijk 3.152 en 2.698 exemplaren slippers en muilen van het merk Damage zijn verkocht. Ten slotte kan niet onopgemerkt blijven dat ondanks het feit dat de fabrikant heeft bevestigd dat de muilen en slippers van het merk Damage uitsluitend aan Bristol zijn geleverd, niet valt uit te sluiten dat dit profiel in de zolen van schoeisel van andere fabrikanten voorkomt.
De rechtbank is van oordeel dat dit betekent dat de mogelijkheid dat de schoensporen zijn achtergelaten door ander schoeisel zodanig reëel is dat de schoensporen niet eenduidig kunnen worden herleid tot de verdachte.
Interpretatie van de sporen.
Voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie, dat als er al bewijswaarde aan een spoor kan worden toegekend, er geen spoor is waarvan vaststaat dat verdachte het ter gelegenheid van het delict heeft veroorzaakt. Daar waar de officier opmerkt, dat al deze sporen in verband kunnen worden gebracht met verdachte, gaat dat verband feitelijk niet verder dan dat verdachte niet kan worden uitgesloten als donor.
Deze resultaten kunnen dan ook hooguit als ondersteunend bewijs worden gebruikt, voor redengevend bewijs van betrokkenheid van verdachte, welk redengevend bewijs in deze echter ontbreekt.
Hoewel verbalisanten tijdens hun verhoor aan verdachte voorhouden: “het is jouw DNA, dat staat voor de volle 100% vast” blijkt uit voorgaande dat dit een onjuiste weergave, in elk geval een onjuiste interpretatie van de onderzoeksresultaten is geweest.
Behalve bovengenoemde sporen zijn er geen aan verdachte te relateren sporen aangetroffen, niet op de zolderkamer of elders in het huis en ook niet op de tiewrap en het mes. Het betoog van de officier van justitie dat al deze sporen in onderlinge samenhang bezien de conclusie dat verdachte de dader, is kunnen dragen volgt de rechtbank niet, omdat het uitgangspunt daarbij is dat alle andere potentiële verdachten zijn uitgesloten. De rechtbank komt daar hieronder op terug.
Het feit, dat sporen met zowel een Y-chromosomaal DNA profiel als een mitochondriaal DNA profiel, overeenkomend met dat van verdachte in de zolderkamer zijn aangetroffen kan niet leiden tot een andere conclusie dan de deskundigen hebben gerapporteerd. De resultaten van het Y-chromosomale DNA-onderzoek en het mitochondriale DNA onderzoek kan alleen dan in samenhang met elkaar worden geïnterpreteerd als de profielen uit hetzelfde spoor zouden zijn afgeleid. In dit geval zijn de profielen afkomstig uit verschillende sporen. Het samenbrengen van deze resultaten zou dan van de niet betrouwbare vooronderstelling uitgaan dat de sporen afkomstig zijn van één persoon.
Uitsluiting van andere personen dan verdachte.
De officier van justitie hecht bewijswaarde aan het feit, dat alle andere in het onderzoek betrokken personen kunnen worden uitgesloten als donor van de biologische sporen. De vooronderstelling welke hieraan ten grondslag ligt, is dat alle potentiële daders in het onderzoek zijn betrokken omdat de dader een bekende van het slachtoffer moet zijn geweest. Deze conclusie is gebaseerd op de aanname dat het slachtoffer de dader zelf heeft binnengelaten omdat er geen sporen van braak of inklimming zijn gevonden. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Uit het enkele gegeven dat er geen sporen van braak of inklimming zijn gevonden, kan niet zonder meer worden afgeleid dat het slachtoffer een voor haar bekende dader de woning heeft binnengelaten. Niet valt uit te sluiten, dat de dader die avond van 11 juli 2006 de woning op een andere wijze - met welk doel dan ook - binnengekomen is. Bijvoorbeeld omdat de keukendeur niet was afgesloten. De aangetroffen situatie van de keukendeur, enkel van binnenuit afgesloten met twee draaigrendels en niet met een aanwezig nachtslot, laat de mogelijkheid open dat de dader de woning via de keukendeur is binnengekomen en deze daarna met de draaigrendels heeft afgesloten alvorens de woning via de voordeur te verlaten. De rechtbank is van oordeel dat de uitsluiting van andere potentiële daders in de gegeven situatie niet met zich brengt dat dit als bewijs dient voor het oordeel dat de verdachte dan de dader zou moeten zijn.
Alibi.
De rechtbank deelt ook niet het standpunt van politie en openbaar ministerie dat verdachte zichzelf een alibi heeft verstrekt dat niet bleek te kloppen. Verdachte heeft op 2 augustus 2006 bij gelegenheid van zijn verhoor als getuige op de vraag waar hij op dinsdagavond 11 juli 2006 was, geantwoord dat hij die avond bij zijn vriendin was (p 633). Zijn vriendin heeft dat (desgevraagd en overigens pas meer dan drie maanden later) ook bevestigd (p 635). Niet kan worden gezegd, dat verdachte niet naar waarheid heeft geantwoord nu aan verdachte destijds kennelijk niet is gevraagd waar hij de nacht van 11 op 12 juli 2006 heeft doorgebracht. Daarbij is van belang dat de verdachte bij het verhoor van 2 augustus 2006 mogelijk niet op de hoogte was van het vermoedelijke tijdstip van overlijden van het slachtoffer. Na zijn aanhouding heeft verdachte verklaard dat hij aan het einde van die avond is weggegaan, waarmede hij zichzelf een alibi voor het tijdstip van het delict ontnam. De rechtbank kan de verklaring in deze context dan ook niet als een kennelijk leugenachtige verklaring beschouwen die is gedaan om de waarheid te verdoezelen.
Daderkennis
De officier van justitie heeft In haar requisitoir geconcludeerd dat de verdachte over kennis beschikte die alleen de dader op dat moment kon hebben. Zo zou hij al voor dat het bekend kon zijn geweest, hebben gezegd dat het slachtoffer was vermoord. In dit verband heeft de officier van justitie gewezen op de verklaringen van de moeder, de zuster, de ex-echtgenote en een vriendin van verdachte. Deze getuigen hebben ook verklaringen afgelegd tegenover de rechter-commissaris, waarin hun eerdere verklaringen worden gerelativeerd. De vraag of verdachte over daderkennis beschikte kan daarmee niet zonder meer bevestigend worden beantwoord.
Conclusie.
Overige omstandigheden, welke de officier heeft aangevoerd, roepen wellicht vragen op maar dragen in het licht van het voorgaande niet bij aan het bewijs dat verdachte de dader zou zijn.
Al het voorgaande nog eens overziende kan de rechtbank geen andere conclusie trekken dan dat er géén bewijsmiddelen zijn welke de verdachte als dader aanwijzen. Er is dan ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte het telastegelegde feit heeft begaan. Verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.”
Het hoger beroep
2.15
In hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd. Aan de gewezen verdachte werd na wijziging ten laste gelegd dat:
"hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2006 tot en met 12 juli 2006 te [plaats] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar (al dan niet na kalm beraad en rustig overleg) een kabelbinder om de hals van die [slachtoffer] gebonden en/of deze (te) strak aangetrokken en/of (vervolgens) deze kabelbinder (al dan niet na kalm beraad en rustig overleg) strak aangetrokken gehouden rond de hals van die [slachtoffer] en/of nagelaten deze kabelbinder (tijdig) los te maken en/of vervolgens (meermalen) met een mes gestoken in de borst van die [slachtoffer] en/of een (plastic) zak over het hoofd van die [slachtoffer] getrokken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden";
"hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2006 tot en met 12 juli 2006 te [plaats] opzettelijk mishandelend [slachtoffer] heeft vastgepakt (bij haar badjas) en/of haar lichaam heeft betast en/of die [slachtoffer] heeft geslagen en/of geduwd en/of die [slachtoffer] een kopstoot heeft gegeven, althans een blauw oog bezorgd, en/of die [slachtoffer] ten val heeft gebracht en/of de onderbroek van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken en/of een kabelbinder om de hals van die [slachtoffer] heeft aangelegd en/of deze kabelbinder (te) strak heeft aangetrokken en/of deze kabelbinder enige tijd (te) strak aangetrokken heeft gehouden rond de hals van die [slachtoffer] en/of heeft nagelaten deze kabelbinder (tijdig) los te maken en/of vervolgens (meermalen) met een mes heeft gestoken in de borst van die [slachtoffer] en/of een (plastic) zak over het hoofd van die [slachtoffer] heeft getrokken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."
2.16
In de fase van het hoger beroep is nader opsporingsonderzoek verricht, onder andere aan de badjas van het slachtoffer.
2.17
Tijdens de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep is door de advocaat-generaal, in aanvulling op hetgeen reeds in eerste aanleg was aangedragen, gewezen op het volgende belastende materiaal: (Voetnoot 6)
- Bemonsteringen aan de badjas (AHH372#9, #10, #11, #12, #14, #15, #17 en #19)
Van de badjas zijn zestien nieuwe bemonsteringen genomen (AHH372#5 tot en met #20). Uit het NFI-rapport van 11 januari 2010 volgt dat de bemonsteringen AHH372#9, #10 en #12 mengprofielen van minimaal twee personen betreffen. Het DNA-profiel van [slachtoffer] matcht met deze mengprofielen. De afgeleide profielen uit de drie bemonsteringen matchen met het DNA-profiel van de gewezen verdachte. De berekende frequenties van de afgeleide DNA-profielen zijn kleiner dan één op één miljard. Naast het DNA-profiel van [slachtoffer] en het afgeleide profiel, zijn één of enkele additionele, zwak aanwezige DNA-kenmerken waargenomen. Omdat deze zwak aanwezige DNA-kenmerken niet gereproduceerd zijn, is het volgens het NFI niet mogelijk om te bepalen of deze kenmerken artefacten zijn of duiden op de aanwezigheid van celmateriaal van (minimaal) een derde persoon. Daarnaast matcht het DNA-profiel van de gewezen verdachte met de zwak aanwezige DNA-kenmerken in de bemonsteringen #11, #15 en #17. Deze matches zijn echter niet onderworpen aan een statistische berekening. Tot slot kan de gewezen verdachte niet worden uitgesloten als donor van celmateriaal in de bemonsteringen #14 en #19.
- Bemonstering van de nagels van de rechterhand van het slachtoffer (AHH352#2)
Het NFI heeft in het rapport van 22 december 2006 gerapporteerd dat in het DNA-mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering AHH352#2 DNA-kenmerken zijn waargenomen die gelijk zijn aan DNA-kenmerken van de gewezen verdachte. Eén verschil kon echter niet door technische oorzaken worden verklaard. Het betreft één afgeleid DNA-kenmerk dat aanwezig is in de bemonstering, maar niet in het DNA-profiel van de gewezen verdachte. Geconcludeerd werd dat indien de bemonstering celmateriaal bevatte van twee personen, de gewezen verdachte diende te worden uitgesloten, en indien de bemonstering celmateriaal bevatte van drie personen, de gewezen verdachte niet kon worden uitgesloten. In hoger beroep werd door twee deskundigen gewezen op een nieuwe mogelijke verklaring, te weten een mutatie in het DNA van één van de donoren. De [deskundige 6] heeft de diverse mogelijkheden statistisch berekend en concludeerde in het rapport van 21 september 2010 dat “there is very strong evidence for the presence of the suspect’s DNA in the finger-nail scrapings” (het DNA-mengprofiel AHH352#2). Met “very strong evidence” doelt [deskundige 6] op een likelihood ratio tussen 10.000 en een miljoen. De conclusie luidt dat “the autosomal DNA profiles from the finger-nail scraping from the victim almost certainly contains the autosomal DNA of the suspect”.
2.18
Bij arrest van 27 oktober 2010 heeft het hof de gewezen verdachte vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:
“Overwegingen met betrekking tot het voorhanden bewijsmateriaal
In de nacht van 11 juli 2006 op 12 juli 2006 is te [plaats] [slachtoffer] op uiterst gewelddadige wijze om het leven gebracht.
Tegen deze achtergrond en op basis van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof tot het volgende overwegingen gekomen.
Naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] heeft het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in 2006 onderzoek verricht naar de aanwezigheid van biologische sporen op de plaats delict. Bij dit onderzoek zijn, voor zover hier relevant, o.a. de badjas waarin het slachtoffer gekleed was toen ze werd aangetroffen en de nagels van de rechterhand van het slachtoffer bemonsterd op de aanwezigheid van celmateriaal voor vergelijkend DNA-onderzoek. In 2009 is de badjas door het NFI aan een aanvullend biologisch sporenonderzoek onderworpen.
De andere bij het onderzoek veiliggestelde bemonsteringen zullen hier verder buiten bespreking blijven, omdat van het materiaal van die bemonsteringen geen DNA-profielen zijn verkregen danwel bij het vergelijkend DNA-onderzoek, waarbij het DNA-profiel van de verdachte is vergeleken met het DNA-profiel van het celmateriaal op de desbetreffende bemonstering van het aangetroffen biologische spoor of referentiemonster, geen althans te weinig (relevante) de verdachte betreffende resultaten heeft opgeleverd om te kunnen bijdragen tot het bewijs.
Op en rond het lichaam van het slachtoffer werden tevens haren aangetroffen. Door het NFI zijn deze haren in 2007 morfologisch onderzocht. Voorts heeft het Forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoek (FLDO) een ter zake dienend vergelijkend DNA-onderzoek verricht. Dit onderzoek had ook betrekking op de plastic tas die zich om het hoofd van het slachtoffer bevond. Ook is nader onderzoek gedaan naar op de plaats delict veiliggestelde schoensporen.
Op verzoek van de verdediging zijn de veiliggestelde monsters in 2007 tevens onderzocht door het Forensic Science Services (FSS) in Groot Brittannië. Door het FLDO is in 2008 aan de hand van het sporenmateriaal tevens een vergelijkend Y chromosomaal DNA-onderzoek gedaan.
Door de diverse deskundigen is over hun bevindingen gerapporteerd en nadien, (mede) aan de hand van eerdere rapportages en bevindingen van andere deskundigen, aanvullend gerapporteerd. [deskundige 1] van het NFI is tevens gehoord ter terechtzitting in eerste aanleg. Daarnaast heeft het openbaar ministerie, aan de hand van eerdere bevindingen van het NFI, een contra-expertise laten uitvoeren door het LGC Forensics uit Groot Brittannië. Tenslotte heeft het openbaar ministerie door [deskundige 6] een statistische analyse laten verrichten van - uiteindelijk - het onder de vingernagel van het slachtoffer aangetroffen DNA-profiel.
Met betrekking tot de bevindingen van de diverse deskundigen, voor zover hier relevant, overweegt het hof het volgende.
Badjas van het slachtoffer
Het NFI heeft de badjas [AHH372] van het slachtoffer in 2006 en aanvullend in 2009 onderzocht op de aanwezigheid van biologische sporen en daarbij op een aantal locaties bemonsteringen genomen en veiliggesteld voor DNA-onderzoek.
In 2006 is de badjas voor het eerst onderzocht. Van het celmateriaal in de bemonstering [AHH372] #3 van de revers van de badjas van het slachtoffer is een DNA-profiel verkregen dat overeenkomt met het DNA-profiel van het slachtoffer. Daarnaast zijn in het DNA-profiel van het celmateriaal van de bemonstering [AHH372] #3 enkele zwak aanwezige DNA-kenmerken waargenomen. Het NFI heeft gerapporteerd dat de zwak aanwezige DNA-kenmerken gelijk zijn aan de desbetreffende DNA-kenmerken van de verdachte. Er zijn bij deze vergelijking echter ook verschillen waargenomen, die kunnen worden veroorzaakt door technische oorzaken.
Volgens het NFI betekent dit dat niet uitgesloten is dat de bemonstering [AHH372] #3 van de badjas celmateriaal bevat dat afkomstig is van de verdachte. Vanwege het geringe aantal zwak aanwezige DNA-kenmerken heeft het NFI geen statistische berekening met betrekking tot de bewijswaarde van de geconstateerde overeenkomst uitgevoerd.
Ook het FSS plaatst kanttekeningen bij de bewijswaarde van de ook door hen geconstateerde overeenkomst, nu er, zo begrijpt het hof, sprake is van een incompleet Y-STR DNA-profiel van een laag niveau dat bestaat uit DNA van meer dan één mannelijk persoon, zonder een duidelijke meer belangrijke bijdrage. Voorts ziet ook het FFS geen kans om op basis van de beschikbare gegevens te komen tot een statistische evaluatie.
Alles afwegende komt het hof, met de rechtbank, tot de conclusie dat de resultaten van het autosomale DNA-onderzoek van bemonstering [AHH372] #3 zelfstandig niet als bewijs kunnen dienen dat de verdachte donor is van het bemonsterde celmateriaal.
In 2009 is de badjas van het slachtoffer door het NFI aan een aanvullend biologisch sporenonderzoek onderworpen. Daarbij zijn, voor zover hier relevant, de bemonsteringen [AHH372] #9, #10, #11, #12, #14, #15 en #17 veiliggesteld voor vergelijkend DNA-onderzoek. Aansluitend heeft LGC Forensics een contra-expertise uitgevoerd, waarbij deze bemonsteringen zijn onderworpen aan een Y-chromosomaal DNA-onderzoek.
Bemonstering [AHH372] #14
Bemonstering [AHH372] #14 betreft de buitenzijde van de rechter revers van de badjas van het slachtoffer. Van het celmateriaal in de bemonstering [AHH372] #14 is een DNA-mengprofiel verkregen waarin de DNA-kenmerken zichtbaar zijn van minimaal drie personen, waaronder minimaal één man. Het DNA-profiel van het slachtoffer matcht met het verkregen DNA-mengprofiel. Dit betekent dat de monstering [AHH372] #14 celmateriaal bevat dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer. De aanwezigheid van een relatief geringe hoeveelheid celmateriaal van de verdachte kan op grond van vergelijkend DNA-onderzoek niet worden uitgesloten.
Het verkregen DNA-mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering [AHH372] #14 van de badjas is nadien vergeleken met de in de DNA-databank voor strafzaken aanwezige DNA-mengprofielen. Hierbij is, naast een match met het DNA-profiel van het slachtoffer, een match gevonden met het DNA-profiel van een tot dat moment niet bekende derde. Deze match betekent volgens het NFI dat de aanwezigheid van een relatief geringe hoeveelheid DNA van de desbetreffende derde in de bemonstering [AHH372] #14 op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek niet kan worden uitgesloten.
Ook het LGC Forensics is in het kader van de contra-expertise tot de conclusie gekomen dat het Y STR dat is verkregen van monster [AHH372] #14 een gedeeltelijk gemengd profiel betreft afkomstig van tenminste drie bronnen. Er vanuit gaande dat één ervan het slachtoffer betreft, dan zijn de andere twee profielen afkomstig van twee mannen, waaronder mogelijk de verdachte.
Vanwege de complexiteit van DNA-mengprofiel van de bemonstering [AHH372] #14 heeft het NFI afgezien van een statistische berekening voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden match met het DNA-profiel van de betrokkene. Niet valt in te zien waarom zulks niet zou hebben te gelden voor de geconstateerde match met het profiel van de verdachte, zodat naar ‘s-hofs oordeel slechts met grote terughoudendheid conclusies aan dit spoor kunnen worden verbonden. Dat nader onderzoek naar de betrokkenheid van de bedoelde derde bij het onderhavige misdrijf niets heeft opgeleverd, wat daar verder van zij, doet hieraan niet af. De geconstateerde match met het DNA-profiel van een derde geeft naar ‘s hofs oordeel in ieder geval aan hoe behoedzaam met eventuele bevindingen van DNA-onderzoek moet worden omgegaan.
Bemonsteringen [AHH372] #11, #15(met bloed) en #17 (met bloed)
Bemonstering [AHH372] #11 betreft een bemonstering van de buitenzijde ter hoogte van de borst/linkerschouder van de badjas. Bemonstering [AHH372] #15 betreft een bloedspoor op de rechter revers. Bemonstering [AHH372] #17 betreft een bloedspoor op de rechterbovenarm van de badjas. Van het celmateriaal in de bemonsteringen [AHH372] #11, #15 (met bloed) en #17 (met bloed) zijn DNA-profielen verkregen die matchen met het DNA-profiel van het slachtoffer. In deze DNA-profielen zijn daarnaast zwak aanwezige DNA-kenmerken zichtbaar van (minimaal) één andere persoon, waaronder minimaal één man.
Het DNA-profiel van de verdachte matcht met deze zwak aanwezige DNA-kenmerken. Dit betekent dat de bemonsteringen [AHH372] #11, #15 en #17 naast bloed en/of celmateriaal dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer, een relatief geringe hoeveelheid bloed en/of celmateriaal bevatten dat afkomstig kan zijn van de verdachte. Vanwege de complexiteit van de zwak aanwezige DNA-kenmerken in deze DNA-profielen en omdat van andere bemonsteringen van de badjas statistische berekeningen zijn uitgevoerd, zijn de DNA-profielen van deze bemonsteringen door het NFI niet onderworpen aan een statistische berekening. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat aan de aangetroffen mengprofielen geen zelfstandige bewijskracht kan worden ontleend.
Bemonstering [AHH372] #9, #10 en #12
De bemonstering [AHH372] #9 betreft een bemonstering van de buitenzijde van de kraag van de badjas. Bemonstering [AHH372] #10 betreft een bemonstering van de binnenzijde van de kraag van de badjas en bemonstering [AHH372] #12 betreft een bemonstering van de buitenzijde van de badjas ter hoogte van de borst/rechterschouder.
Van het celmateriaal van deze bemonsteringen zijn DNA-mengprofielen verkregen van (minimaal) twee personen, waaronder minimaal één man. Het DNA-profiel van het slachtoffer matcht met deze DNA-mengprofielen. De afgeleide DNA-profielen van de tweede celdonor zijn van een man en matchen met het DNA-profiel van de verdachte. Dit betekent volgens het NFI dat de bemonsteringen [AHH372] #9, #10, en #12 celmateriaal bevatten dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer, vermengd met (een relatief geringere) hoeveelheid celmateriaal dat afkomstig kan zijn van de verdachte. De berekende frequenties van de afgeleide DNA-profielen van het celmateriaal in de vorengenoemde bemonsteringen zijn kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met de afgeleide DNA-profielen van de bemonstering is kleiner dan één op één miljard.
Daarnaast zijn in deze DNA-mengprofielen één of enkele additionele, zwak aanwezige DNA-kenmerken waargenomen. Omdat ze niet gereproduceerd zijn is het volgens het NFI niet mogelijk om te bepalen of deze DNA-kenmerken artefacten zijn, of mogelijk duiden op de aanwezigheid van een zeer geringe hoeveelheid celmateriaal van (minimaal) een derde persoon.
Met betrekking tot de bemonstering [AHH372] #10 komen het NFI en LGC Forensics tot een verschillende beoordeling van de statistische berekening van bewijswaarde van de geconstateerde overeenkomst van de aangetroffen DNA-kenmerken met het profiel van de verdachte.
Volgens LGS Forensics zijn de berekende frequenties van de afgeleide DNA-profielen van het celmateriaal in de bemonsteringen [AHH372] #10 aanzienlijk kleiner en, zo begrijpt het hof, is de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met de afgeleide DNA-profielen van de bemonstering kleiner dan één op 3,6 miljoen.
Wat er verder van de uitkomst van de statistische berekening zij, het hof deelt op basis van beide onderzoeken, in onderling verband en samenhang bezien, de aanvullende conclusie van het NFI dat het afgeleide DNA-profiel matcht met het profiel van de verdachte en de kans dat een willekeurig gekozen man matcht met dit profiel (bijzonder) klein is. Dit laat evenwel onverlet dat het hof bepaald niet uitgesloten acht dat de verdachte, die als voormalig aangetrouwd familielid tot de vriendenkring van het slachtoffer behoorde en regelmatig in de woning waar het slachtoffer is aangetroffen is geweest, bij een andere eerdere gelegenheid in contact is gekomen met de badjas en aldus het bemonsterde spoor heeft achtergelaten. Het hof verwijst in dit opzicht ook naar de eerste verklaring van de moeder van het slachtoffer over het tijdstip van wassen van die badjas, te weten geruime tijd vóór de datum van het misdrijf. Daarmee staat niet vast dat de verdachte dit spoor ter gelegenheid van het delict heeft veroorzaakt. Dat de verdachte over de herkomst van het spoor niet heeft willen verklaren is, bezien in het licht van de waarheidsvinding weliswaar zeer onbevredigend, maar maakt dit niet anders.
Nagels rechterhand van het slachtoffer
Voorts zijn door het NFI de nagels van de rechterhand van het slachtoffer [AHH352] op biologische sporen onderzocht en bemonsterd voor vergelijkend DNA-onderzoek.
In het DNA-mengprofiel van het celmateriaal van de bemonstering [AHH352] #2 zijn DNA-kenmerken waargenomen die gelijk zijn aan DNA-kenmerken van de verdachte. Er zijn evenwel ook verschillen waargenomen. Volgens het NFI kunnen die verschillen, op één na, door technische oorzaken verklaard worden.
Het betreft één afgeleid DNA-kenmerk dat aanwezig is in het DNA-profiel van de voormelde bemonstering, maar dat niet aanwezig is in het DNA-profiel van de verdachte. Op grond van dit resultaat onderscheidt het NFI twee mogelijkheden: de bemonstering [AHH352] #2 bevat een mengsel van celmateriaal van twee danwel van drie personen. In het eerste geval - onder de aanname dat in het DNA-mengprofiel de DNA-kenmerken worden waargenomen van twee personen -, wordt uitgesloten dat de bemonstering [AHH352] #2 celmateriaal van de verdachte bevat. In het tweede geval - onder de aanname dat in het DNA-mengprofiel de DNA-kenmerken worden waargenomen van drie personen -, kan niet kan worden uitgesloten dat de betreffende bemonstering celmateriaal van de verdachte bevat.
Het NFI merkt daarbij evenwel op dat, vanwege de complexiteit van het verkregen DNA mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering [AHH352] #2, een statistische berekening met betrekking tot de bewijswaarde van die overeenkomst achterwege is gebleven. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de NFI getuige-deskundige [deskundige 1] daarover voorts verklaard dat deze berekening onmogelijk is uit te voeren, omdat hiervoor te veel aannames moesten worden gedaan. Mutatis mutandis geldt dit volgens de getuige-deskundige voor het mengprofiel [AHH372] #3 verkregen van de badjas.
Ook het door de verdediging ingeschakelde FSS komt in het rapport uit 2007 tot vergelijkbare conclusies.
Het hof stelt, met de rechtbank, op grond van de rapportages en toelichting van de bovengenoemde getuige-deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg allereerst vast dat het DNA-mengprofiel van de bemonstering [AHH352] #2 niet volledig overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte. Dit leidt tot de conclusie dat de verdachte dient te worden uitgesloten als donor aan het onderhavige mengprofiel, tenzij dit mengprofiel DNA-kenmerken bevat van meer dan twee personen. Voorts is de aanwezigheid van een derde persoon als donor van het aangetroffen celmateriaal, ondanks het theoretische voorbehoud dat op dit punt door de getuige-deskundige is gemaakt, niet onomstotelijk aangetoond. Gelet hierop, alsmede op het feit dat, ook in dat geval, vanwege het geringe aantal zwak aanwezige DNA-kenmerken, geen statistische berekening kan worden uitgevoerd met betrekking tot de bewijswaarde, kan aan het aangetroffen mengprofiel geen (zelfstandige) bewijskracht worden toegekend.
Y-chromosomaal onderzoek naar bemonsterde nagels, badjas en tas
Door het FLDO is onderzoek gedaan, waarbij is getracht in het sporenmateriaal [AHH352] #2 (bemonstering nagels), [AHH371]#1 (bemonstering tas) en [AHH372] #3 (bemonstering badjas) een Y-chromosomaal DNA-profiel vast te stellen. Aansluitend is hierover nader aanvullend gerapporteerd.
In spoor [AHH352] #2 werd een DNA profiel bestaande uit 16 polymorfe Y-chromosoom DNA kenmerken aangetroffen, dat volledig overeenkomt met het Y-chromosomale DNA profiel van de verdachte. Het Y-chromosomale DNA-profiel van de verdachte past ook binnen de aangetroffen gemengde Y-chromosomale DNA kenmerken van de sporen [AHH371] #1 en [AHH372] #3. Hieruit kan volgens het FLDO worden geconcludeerd dat de verdachte niet kan worden uitgesloten als donor van deze sporen. Dit geldt, zoals blijkt uit de toelichting op de rapportage, echter ook in ieder geval voor alle in mannelijke lijn aan de verdachte verwante familieleden en een onbekend aantal andere personen.
Met betrekking tot het Y-chromosomale DNA profiel van het spoor [AHH352] #2 concludeert ook het FSS dat dit spoor overeenstemt met het Y-chromosomaal profiel van de verdachte. Teneinde te bepalen hoe groot de kans is dat een ander dan de verdachte (of een mannelijk familielid) donor is van dit spoor, komt FSS, na onderzoek, uiteindelijk tot de conclusie dat een eerlijke en redelijke schatting van de frequentie van dit profiel in de Nederlandse mannelijke bevolking ongeveer 1 op 18 is. Bemonstering [AHH372] #3 levert daarentegen volgens het FSS een incompleet Y-chromosomaal DNA-profiel op van een laag niveau dat bestaat uit DNA van meer dan één mannelijk persoon, zonder een duidelijke meer belangrijke bijdrage. Ofschoon de verdachte niet kan worden uitgesloten als donor, kan echter worden verwacht dat een groot aantal mannelijke personen per ongeluk kunnen overeenkomen met componenten van deze mix. Het FSS komt derhalve tot de conclusie dat het aangetroffen Y-chromosomale DNA in bemonstering [AHH372] #3 geen bewijswaarde kan hebben. Uit bemonstering [AHH371]#1 tenslotte werd door FSS een incompleet Y-chromosomaal DNA-profiel verkregen van een laag niveau. Dit profiel is volgens FSS niet geschikt voor vergelijking met referentiemonsters, waardoor er geen interpretatie van dit resultaat mogelijk is.
Daarbij komt dat het NFI de handvatten van de plastic tas eerder heeft onderzocht op bloed. Het desbetreffende spoor heeft toen géén voor vergelijkend autosomaal DNA-onderzoek geschikt profiel opgeleverd.
Het hof komt op grond van het bovenstaande tot het oordeel dat het Y-chromosomaal onderzoek van de vorengenoemde biologische sporen [AHH352] #2 (bemonstering nagels) en [AHH372] #3 (bemonstering badjas) weliswaar een overeenkomst heeft opgeleverd met het profiel van de verdachte, maar dat dit geenszins exclusief de verdachte als donor van dit sporenmateriaal aanwijst en, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, slechts bruikbaar is als aanvullend bewijs en nooit als zelfstandig bewijsmiddel. Met betrekking tot de interpretatie van het resultaat uit het Y-chromosomale DNA onderzoek door FLDO naar spoor [AHH371] #1 komt het hof, mede gelet op de rapportages van het FSS en NFI, tot het oordeel dat daaraan geen bewijskracht kan worden ontleend.
Haren op of rond het lichaam
Het lichaam van het slachtoffer is onderzocht op de aanwezigheid van haren. De hierbij aangetroffen haren zijn door het NFI vergelijkend morfologisch onderzocht. Naar aanleiding van de resultaten van het vergelijkend morfologisch haaronderzoek komt het NFI tot de conclusie dat zeven haren mogelijk (het hof: de laagste positieve waarschijnlijkheidstrap die het NFI hanteert) afkomstig zijn van de verdachte. Autosomaal DNA-onderzoek kon niet worden uitgevoerd, wegens onvoldoende materiaal.
Aan de hand van deze resultaten is door het FLDO mitochondriaal DNA-onderzoek verricht. Het FLDO concludeerde dat vier van de zeven haren niet passen in het mitochondriaal DNA-profiel van de verdachte. Van de overige drie aangetroffen haren, te weten de sporen [AHH360] #1, [ACE899] #1 en [ARA458] #1, komt het mitochondriaal DNA-profiel volledig overeen met de verdachte. Derhalve kan volgens het FLDO geconcludeerd worden dat deze haren afkomstig kunnen zijn van de verdachte, met dien verstande dat deze sporen (lees: haren) ook van alle in vrouwelijke lijn aan hem verwante familieleden en een onbekend aantal andere personen afkomstig kunnen zijn.
Deze conclusie wordt eveneens onderschreven door het FSS. Daarbij komt bovendien dat het FLDO heeft aangegeven dat het hier een weinig algemeen profiel lijkt te zijn. Dat, door het ontbreken van betrouwbare Nederlandse mitochondriaal DNA-gegevens niet kan worden uitgesloten dat dit mitochondriaal DNA-profiel, binnen Nederland, lokaal wel regelmatig kan voorkomen.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat, zo de desbetreffende haren al van de verdachte zijn, niet kan worden uitgesloten dat die op een ander moment in de woning van het slachtoffer zijn achtergelaten, mede gelet erop dat de verdachte als aangetrouwd familielid en gast van de familie eerder in de woning aanwezig is geweest. Het hof wijst er bovendien nog op dat ook haren van een onverdacht persoon en dierenharen op het slachtoffer zijn aangetroffen.
Het hof heeft onder ogen gezien dat er aan de hand van de bovenvermelde resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek aanwijzingen zijn verkregen die wijzen naar de verdachte als donor van celmateriaal in diverse bemonsteringen op de plaats waar het levenloze lichaam van het slachtoffer werd aangetroffen. De vraag waar het hof zich vervolgens voor gesteld ziet is of deze resultaten van voldoende gewicht zijn dat ze, zowel ieder afzonderlijk als in onderling verband en samenhang bezien, tot een veroordeling van de verdachte kunnen leiden. Het hof is zich er daarbij ten volle van bewust dat een ernstig misdrijf als het onderhavige opheldering behoeft en dat de dader zijn straf niet mag ontlopen.
Daar staat evenwel tegenover dat het hof slechts tot een bewezenverklaring kan en mag komen, wanneer hij - door de inhoud van wettige bewijsmiddelen - van verdachtes schuld overtuigd is geraakt. Bij twijfel moet ten gunste van de verdachte worden beslist (in dubio pro reo). Ook in geval een dergelijke beslissing geen enkele vorm van soelaas biedt aan de nabestaanden.
Het hof is verder van oordeel dat resultaten van de hiervoor aangehaalde DNA onderzoeken, gelet ook op de nuanceringen en het voorbehoud dat door de diverse getuige-deskundigen over de bewijswaarde van enkele van die resultaten is gemaakt, met de nodige terughoudendheid dienen te worden beoordeeld.
Deze terughoudendheid geldt eveneens voor de op verzoek van het openbaar ministerie door [deskundige 6] gemaakte analyse van de bevindingen van de diverse deskundigen, nu de door deze gehanteerde onderzoeksmethodieken, wat daar verder ook van zij, blijkens diens mededeling ter terechtzitting in hoger beroep, ook in de visie van de advocaat-generaal, experimenteel van aard zijn en voor discussie vatbaar zijn, zoals ook de door hem gebruikte aannames.
Daarbij komt dat als er al bewijswaarde aan een spoor kan worden toegekend, niet althans niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte dit spoor bij gelegenheid van het delict heeft veroorzaakt. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de resultaten van het desbetreffende onderzoek dan ook hooguit als ondersteunend bewijs kunnen worden gebruikt en alleen indien dit bewijs voldoende ondersteuning vindt in ander wettig bewijs. Dit ander, redengevend bewijs ontbreekt naar het oordeel van het hof. In dit verband overweegt het hof nog dat niet is komen vast te staan dat de op de plaats delict aangetroffen schoensporen dadersporen zijn, laat staan dat de schoensporen eenduidig kunnen worden herleid tot de verdachte. Het hof volgt voorts de rechtbank in haar oordeel dat de overige door het openbaar ministerie aangedragen omstandigheden niet bijdragen aan het bewijs dat de verdachte de dader van het onderhavige misdrijf zou zijn. Dit geldt tenslotte evenzeer voor de bewijswaarde die de advocaat-generaal kennelijk hecht aan door hem geschetste motieven van de dader, nu deze grotendeels speculatief van aard zijn.
Alles afwegende komt het hof dan ook tot het oordeel dat niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte het hem primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en dat hij daarvan derhalve dient te worden vrijgesproken.”
2.19
Tegen het arrest van het gerechtshof ‘s-Gravenhage is door het Openbaar Ministerie beroep in cassatie ingesteld. In de cassatieschriftuur werden twee middelen voorgesteld. Het tweede middel behelsde de klacht dat het hof, in strijd met artikel 359 lid 2 Sv, onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het in hoger beroep ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inzake het bewijs van het ten laste gelegde. AG Machielse kwam tot het oordeel dat het middel slaagde. Daarbij nam hij in overweging hetgeen het Openbaar Ministerie ter terechtzitting van het hof had aangevoerd over de sporen op de badjas van het slachtoffer, in het bijzonder de sporen AHH372#9, #10 en #12, het nagelvuil van de rechterhand van het slachtoffer, de schoensporen en de haren aangetroffen op het lichaam van het slachtoffer. Deze onderdelen maakten volgens AG Machielse deel uit van de kern van de door het Openbaar Ministerie gepresenteerde bewijsconstructie, terwijl het hof op onderdelen daarvan ten onrechte niet (voldoende) had gerespondeerd. De conclusie van AG Machielse strekte tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing naar een aangrenzend hof. (Voetnoot 7)
2.20
De Hoge Raad volgde de conclusie in zoverre niet. Bij de bespreking van het tweede middel stelde de Hoge Raad voorop dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de feitenrechter die de verdachte op grond van zijn feitelijke waardering van het bewijsmateriaal heeft vrijgesproken, terecht tot dat oordeel is gekomen. Uit de vrijheid van selectie en waardering van het bewijs volgt onder meer dat de bewijsbeslissing, met de daartoe gegeven motivering, niet onbegrijpelijk zal kunnen worden genoemd op de grond dat het beschikbare bewijsmateriaal een andere beslissing toelaat. De Hoge Raad kwam tot het oordeel dat, gelet op de vrijheid inzake de selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de rechter en in aanmerking genomen hetgeen door de advocaat-generaal bij het hof naar voren was gebracht, het hof, ook in het licht van art. 359 lid 2 Sv, niet gehouden was de vrijspraak nader te motiveren. Anders dan AG Machielse, was de Hoge Raad van oordeel dat het cassatieberoep diende te worden verworpen. (Voetnoot 8) Met de verwerping van het beroep in cassatie op 13 maart 2012 werd het arrest van het hof van 27 oktober 2010 onherroepelijk.
Onherroepelijke vrijspraak en DNA-databank
2.21
Na het onherroepelijk worden van de einduitspraak waarbij de gewezen verdachte was vrijgesproken, zijn het DNA-profiel van de verdachte en het celmateriaal op 28 maart 2012 vernietigd. (Voetnoot 9) In de DNA-databank bleef wel spoor AHH352#02 (nagelvuil rechterhand slachtoffer) aanwezig. Dat betrof een mengprofiel van ofwel twee personen ( [slachtoffer] en een derde) ofwel drie personen ( [slachtoffer] , onbekende man A en een derde).
Het coldcase onderzoek Lotus
Onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie
2.22
Op 29 mei 2015 verzocht de officier van justitie aan het NFI om een inventarisatie te maken van al het biologisch sporen- en referentiemateriaal uit het onderzoek Schorpioen. Het NFI leverde deze inventarisatie op 1 oktober 2015 aan. Door medewerkers van de Voorziening Cold Cases en Vermiste Personen van de politie Den Haag werd eenzelfde soort inventarisatie uitgevoerd ten aanzien van de aanwezige sporen in de opslagruimte van de politie. Vervolgens heeft het NFI, in opdracht van de officier van justitie, onderzoek gedaan aan reeds bestaande bemonsteringen en heeft het NFI nieuwe bemonsteringen veiliggesteld. De (forensisch) onderzoekers van de politie en het NFI die betrokkenheid hebben gehad bij het onderzoek Schorpioen zijn niet betrokken geweest bij het onderzoek Lotus.
2.23
Van sommige sporen was onvoldoende celmateriaal aanwezig om meer dan één DNA-(contra)onderzoek te verrichten. Daarom is ten aanzien van bepaalde sporen besloten om onderzoek daaraan uit te stellen tot een betere DNA-techniek beschikbaar is. In januari 2017 heeft de politie (opnieuw) geïnformeerd bij het TMFI, FLDO en NFI naar mogelijk nieuwe(re) DNA-technieken. Een deskundige van het NFI gaf toen aan dat er een nieuwe techniek beschikbaar was, te weten Massive Parallel Sequencing (MPS). In het kader van MPS worden DNA-kenmerken op 23 loci bepaald en wordt niet alleen naar de lengtes van DNA-fragmenten gekeken, maar wordt ook de opbouw daarvan geanalyseerd.
2.24
In het kader van het onderzoek Lotus zijn vier rapporten (Voetnoot 10) door het NFI (rapporten van respectievelijk 18 augustus 2016 (Voetnoot 11), 19 december 2016, 5 juni 2019 en 17 juni 2019) en één rapport door het FLDO (rapport van 4 februari 2019) opgemaakt.
2.25
Uit het NFI-rapport van 18 augustus 2016 volgt dat in tien oude bemonsteringen van de badjas een DNA-profiel van een “onbekende man A” is aangetroffen. Zo leverde de bemonstering van de buitenzijde van de badjas ter hoogte van de borst/rechterschouder (bemonstering AHH372#12) een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen op dat afkomstig kan zijn [slachtoffer] en van “onbekende man A”. De matchkans werd niet berekend. Wel werd opgemerkt dat het DNA-mengprofiel van het celmateriaal in AHH372#12 voldoet aan de criteria voor opname in de DNA-databank.
2.26
Op 25 augustus 2016 heeft de officier van justitie het NFI verzocht om het DNA-profiel dat is gekoppeld aan “onbekende man A” op te nemen in de DNA-databank en om “onbekende man A” te betrekken bij het vergelijkend DNA-onderzoek. Het NFI heeft in zijn rapport van 19 december 2016 het volgende opgemerkt naar aanleiding van dit verzoek:
“De afgeleide DNA-kenmerken van het DNA-mengprofiel van het DNA in de bemonstering AHH352#02 van de nagels van de rechterhand van het slachtoffer (in het rapport van aanvragen 001, 002, 005 en 007, gekoppeld aan onbekende man A) is sinds 20 juli 2006 opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken. Indien een match wordt gevonden met deze afgeleide DNA-kenmerken dan worden de bevoegde autoriteiten hiervan op de hoogte gesteld.”
2.27
Naar aanleiding van deze passage in het NFI-rapport van 19 december 2016 heeft het Openbaar Ministerie een toelichting gevraagd aan de deskundige van het NFI. De toelichting luidde als volgt:
“Het mengprofiel van AHH352#02 stond reeds in de DNA-databank. Het andere mengprofiel dat matcht met onbekende man A binnen deze zaak (AHH372#12) zou ook kunnen worden opgenomen in de databank, maar dat zou alleen matches geven binnen de zaak.
De vergelijking onderling is reeds binnen deze zaak gedaan. Er zou dan een verzoek van de DNA-databank voor Strafzaken volgen om één van de profielen van onbekende man A te verwijderen, om duplicaten in de databank te voorkomen.”
2.28
Hieruit kan volgen dat het DNA-profiel van “onbekende man A” dat in 2006 is afgeleid uit AHH352#02 (nagelvuil rechterhand [slachtoffer] ) hetzelfde profiel is als het profiel van onbekende man A dat in 2016 is afgeleid uit AHH372#12 (buitenzijde badjas ter hoogte van borst/rechterschouder).
2.29
In het rapport van 18 augustus 2016 is beschreven dat de slip in delen opnieuw is bemonsterd. Deze bemonsteringen zijn als AHH373#04 t/m #09 veiliggesteld. Deze nieuwe bemonsteringen zijn onderzocht, alsook de oude bemonsteringen AHH373#01 en AHH373#02. In de bemonsteringen #03, #05, #06, #07 en #09 werd een DNA-profiel van één vrouw aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer] . (Voetnoot 12) In de bemonsteringen #01 en #02 werd een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal drie personen dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer] , “onbekende man A” en een onbekend persoon. De matchkans is niet berekend. In de bemonsteringen #04 en #08 werd een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal twee personen dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer] en “onbekende man A”. De matchkans is niet berekend.
2.30
Uit het NFI-rapport van 19 december 2016 blijkt dat de slip aanvullend is bemonsterd aan de binnenzijde van de voorkant. Deze bemonstering is veiliggesteld als AHH373#10 en leverde een DNA-mengprofiel op van minimaal twee personen dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer] en “onbekende man A”. De kans dat een willekeurig gekozen man matcht met dit afgeleide DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.
2.31
Op 17 april 2019 heeft de officier van justitie een uitgeschreven DNA-profiel van de gewezen verdachte, zoals dat nog aanwezig was in het procesdossier van het onderzoek Schorpioen, anoniem aan het NFI ter beschikking gesteld. Dit werd gedaan in de vorm van een zogenoemde allelentabel, waarin de DNA-kenmerken van een man, bepaald op zeventien DNA-loci, waren opgenomen. Verzocht werd:
“(…) om het ‘uitgeschreven DNA-profiel van een man’ (autosomaal en Y-chromosomaal) te vergelijken met het afgeleide DNA-profiel uit het DNA-mengprofiel van de bemonstering AHH373#10 dat matcht met het DNA-profiel van onbekende man A (…)”.
2.32
Tevens werd gevraagd om, indien een overeenkomst tussen ‘het uitgeschreven DNA-profiel van een man’ en het DNA-profiel van onbekende man A zou worden gevonden, de bewijskracht te berekenen “ten aanzien van ‘uitgeschreven DNA-profiel van een man en het onderstaande sporenmateriaal”.
2.33
In het NFI-rapport van 5 juni 2019 wordt beschreven dat in het kader van DNA-onderzoek in de jaren 2015 en 2016 vijftien DNA-loci werden onderzocht. Dit betreft deels andere DNA-loci dan de zeventien DNA-loci uit het ‘uitgeschreven DNA-profiel van een man’. Slechts tien DNA-loci overlappen. Daarom is het vergelijkende DNA-onderzoek en de berekening van de bewijskracht gebaseerd op deze tien overlappende DNA-loci.
2.34
Uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek ten aanzien van AHH373#10 (binnenzijde voorkant slip) wordt geconcludeerd dat het ‘uitgeschreven DNA-profiel van een man’ overeenkomt met het afgeleide DNA-profiel van bemonstering AHH373#10 (gekoppeld aan onbekende man A) op de tien overeenkomstige DNA-loci tussen deze twee profielen. Aan dit resultaat koppelt het NFI twee bevindingen:
“- dit betekent dat de ‘uitgeschreven man’ en onbekende man A, één en dezelfde man kan zijn.
- dit betekent tevens dat de ‘uitgeschreven man’ één van de donoren kan zijn van het DNA in de andere bemonsteringen gekoppeld aan onbekende man A”
2.35
Ten aanzien van bemonstering AHH373#01 zijn de resultaten circa tweehonderdduizend keer waarschijnlijker wanneer het DNA-mengprofiel afkomstig is van [slachtoffer] , ‘uitgeschreven man’ en een onbekend persoon, dan wanneer het DNA-mengprofiel afkomstig is van [slachtoffer] en twee onbekende personen. Ten aanzien van bemonstering AHH373#02 is geconcludeerd dat de resultaten meer dan een miljard keer waarschijnlijker zijn wanneer het DNA-mengprofiel afkomstig is van [slachtoffer] , ‘uitgeschreven man’ en een onbekend persoon, dan wanneer het mengprofiel afkomstig is van [slachtoffer] en twee onbekende personen. Wat betreft de sporen AHH373#04, AHH373#08 en AHH373#10 zijn de resultaten meer dan een miljard keer waarschijnlijker als het mengprofiel afkomstig is van [slachtoffer] en ‘uitgeschreven man’, dan wanneer het mengprofiel afkomstig is van [slachtoffer] en een onbekend persoon.
2.36
Na het ontvangen van het NFI-rapport van 5 juni 2019 is diezelfde dag door de politie per e-mail aan het NFI verzocht om “voor alle overige bemonsteringen opnieuw de bewijskracht te berekenen ten aanzien van onbekende man A als de bewijskracht ten aanzien van het DNA-profiel van 'uitgeschreven DNA-profiel van een man' kleiner was dan 1 miljard.” Uit het rapport van 17 juni 2019 volgt dat ten aanzien van AHH373#1 de kans op de resultaten circa 75 miljoen keer waarschijnlijker zijn als het DNA-mengprofiel afkomstig is van [slachtoffer] , onbekende man A en één onbekend persoon, dan wanneer het mengprofiel afkomstig is van [slachtoffer] en twee onbekende personen.
2.37
Uit het NFI-rapport van 18 augustus 2016 blijkt dat het remblokje van de tiewrap aanvullend is bemonsterd:
- Binnenzijde van de insteekzijde van het remblokje (AAGN1993NL#01)
- Binnenzijde van de uitsteekzijde van het remblokje (AAGN1993NL#02)
- Deel van de tiewrap aanwezig in het remblokje (AAGN1993NL#03)
2.38
In de bemonsteringen #01 en #03 is een DNA-profiel van één vrouw aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer] . (Voetnoot 13) Ten aanzien van bemonstering #02 werd geconcludeerd: “(vooralsnog) geen voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikt DNA-profiel verkregen.”
2.39
In een overleg op 13 oktober 2017 gaf een deskundige van het NFI te kennen dat het was aan te bevelen om ten aanzien van de tiewrap een aanvullend DNA-onderzoek door het FLDO te laten verrichten met de MPS-techniek (Massive Parallel Sequencing). In juni 2018 werd de bemonstering van de binnenzijde van de uitsteekzijde van het remblokje (AAGN1993NL#02) aangeboden aan het FLDO. Uit het FLDO-rapport van 4 februari 2019 blijkt dat dit onderzoek heeft geresulteerd “in een DNA-(meng)profiel, bestaande uit 10 autosomale STRs (aSTRs), afkomstig van tenminste twee personen.” Deze tien DNA-kenmerken passen niet binnen het DNA-profiel van [slachtoffer] . Ook wordt geconcludeerd dat het spoor #02 niet voldoet aan de criteria voor opname in de DNA-databank of het eenmalig zoeken in de databank. Wel is het mogelijk het spoor handmatig te vergelijken met andere DNA-profielen, aldus het FLDO.
2.40
De resultaten van deze handmatige vergelijking met andere DNA-profielen zijn weergegeven in het NFI-rapport van 5 juni 2019. Uit het vergelijkend DNA-onderzoek wordt geconcludeerd dat het:
“’uitgeschreven DNA-profiel van een man’ (en daarmee ook onbekende man A) donor kan zijn van een deel van het DNA in deze bemonstering op de 10 overeenkomstige DNA-loci (…)”
2.41
De resultaten van het DNA-onderzoek zijn circa 35.000 keer waarschijnlijker als het mengprofiel DNA bevat van ‘uitgeschreven DNA-profiel van een man’ en één willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het mengprofiel DNA bevat van twee willekeurige onbekende personen.
2.42
Het NFI schrijft dat voor AAGN1993#02 geldt dat als het referentiemonster van de ‘uitgeschreven DNA-profiel van een man’ beschikbaar komt, het daaruit verkregen DNA-profiel opnieuw kan worden vergeleken met AAGN1993NL#02. Het NFI verwacht dat deze aanvullende vergelijking gaat leiden tot een hogere bewijskracht omdat nog niet alle verkregen DNA-loci zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.
2.43
In het NFI-rapport van 17 juni 2019 is de bewijskracht berekend ten aanzien van AAGN1993NL#02, onder de aanname dat het ‘uitgeschreven DNA-profiel van een man’ en het profiel ‘onbekende man A’ van dezelfde man afkomstig zijn. Omdat niet alle DNA-loci in de twee profielen overeenkomen, is de bewijskracht voor de twee mogelijke varianten berekend. De verkregen resultaten van het DNA-onderzoek zijn respectievelijk circa 60.000 keer (variant 1) en 1,4 miljoen keer (variant 2) waarschijnlijker als de bemonstering DNA bevat van “onbekende man A” en één willekeurige onbekende, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van twee willekeurige onbekende personen.
2.44
Het NFI had kenbaar gemaakt dat als een eenduidig referentiemonster beschikbaar is van de persoon aan wie het ‘uitgeschreven DNA-profiel van een man’ toebehoort, aanvullend vergelijkend DNA-onderzoek mogelijk leidt tot een hogere bewijskracht. Op grond van deze bevinding heeft het Openbaar Ministerie besloten een vordering in te dienen bij de rechter-commissaris om te bewerkstelligen dat celmateriaal zou worden afgenomen van de gewezen verdachte.
Onderzoek onder leiding van de rechter-commissaris
2.45
Op 1 april 2021 heeft de officier van justitie, na schriftelijke instemming van het College van procureurs-generaal, een vordering tot onderzoek bij de rechter-commissaris in de rechtbank Midden-Nederland ingediend als bedoeld in art. 482c lid 2 en lid 3 Sv. De officier van justitie vorderde dat de rechter-commissaris:
“(…) middels bijstand van de Forensische Opsporing van de politie, celmateriaal van de gewezen verdachte afneemt ten behoeve van DNA-onderzoek, het NFI opdracht geeft om van dit celmateriaal een nieuw DNA-profiel te laten opmaken en het NFI opdracht geeft om dat nieuwe DNA-profiel te onderzoeken en te vergelijken met de sporen die thans deel uitmaken van het onderzoek Lotus.”
2.46
De rechter-commissaris was van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de Hoge Raad een herzieningsaanvraag gegrond zal achten en dat het gevorderde onderzoek dringend noodzakelijk was en wees de vordering bij beschikking van 22 juni 2021 toe. Het hoger beroep van de gewezen verdachte tegen deze beschikking werd op 30 augustus 2021 ongegrond verklaard.
2.47
Vervolgens is op 3 november 2021 ten behoeve van DNA-onderzoek celmateriaal van de gewezen verdachte afgenomen. Met dit referentiemonster van de gewezen verdachte is vergelijkend DNA-onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn opgenomen in het NFI-rapport van 25 november 2021.
2.48
Vervolgens hebben op 8 februari 2022, 23 maart 2022 en in mei 2022 regiezittingen bij de rechter-commissaris plaatsgevonden. Naar aanleiding van de regiezittingen is een deskundige van Forensic Science South Australia (FSSA) benoemd om een analyse van het sporenbeeld op activiteitenniveau uit te voeren. The Maastricht Forensic Institute heeft daarbij een coördinerende rol vervuld. Ten behoeve van het onderzoek zijn de verdediging en het Openbaar Ministerie in de gelegenheid gesteld om scenario’s op te stellen en nadere vragen voor te leggen. De deskundige van FSSA heeft op 12 augustus 2024 gerapporteerd. Het onderzoek onder leiding van de rechter-commissaris is op 29 oktober 2024 beëindigd.
3.1
Op 4 juni 2025 is bij de Hoge Raad een schriftelijke vordering namens het College van procureurs-generaal (het College) ingekomen, inhoudende een aanvraag tot herziening ten nadele van de onherroepelijk geworden einduitspraak waarbij de gewezen verdachte is vrijgesproken.
3.2
In de herzieningsaanvraag wordt ingegaan op de vereisten voor het toewijzen van de aanvraag. De standpunten van het College ten aanzien van deze vereisten zullen hierna worden besproken. Het College stipt daarnaast kort de onmiddellijke werking van de Wet herziening ten nadele aan. Ik bespreek het standpunt van het College over de onmiddellijke werking in onderdeel 5.
3.3
Het College meent dat sprake is van twee nova die naar aanleiding van nieuw forensisch onderzoek aan het licht zijn gekomen. Het betreft resultaten van DNA-onderzoek zoals beschreven in het NFI-rapport van 25 november 2021.
Novum I: onderzoek aan (één bemonstering van) binnenkant remblokje tiewrap
3.4
In het kader van het onderzoek Lotus zijn drie nieuwe bemonsteringen veiliggesteld van de binnenkant van het remblokje van de tiewrap (AAGN1993NL#01, 02 en 03). In bemonstering AAGN1993NL#02 (bemonstering van de binnenkant van de uitsteekzijde van het remblokje van de tiewrap), is een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen aangetroffen. Het DNA-mengprofiel kan afkomstig zijn van [slachtoffer] en de gewezen verdachte. Het NFI heeft geconcludeerd dat de kans op de resultaten circa 7,5 miljoen keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer] en de gewezen verdachte, dan wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer] en een willekeurige onbekende persoon.
3.5
De DNA-onderzoeken aan de tiewrap in het kader van onderzoek Schorpioen hadden geen resultaat opgeleverd. Tijdens het onderzoek Schorpioen is de tiewrap bemonsterd aan de gladde zijde, de geribbelde zijde, het aantrekdeel en de buitenkant van het remblokje. In die bemonsteringen is geen ander DNA-materiaal aangetroffen dan materiaal dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer] . De binnenkant van het remblokje van de tiewrap is in 2006 niet onderzocht. Het College betoogt dat de stand van de techniek in de periode 2006 tot en met 2010 niet zodanig was dat het zinvol was geweest om dat deel van het remblokje te onderzoeken. De DNA-techniek die toen werd gebruikt, de ‘SGM plus’-techniek, was veel minder gevoelig en had minder onderscheidend vermogen dan de huidige technieken. Daarom viel niet te verwachten dat de binnenkant van het remblokje voldoende DNA-materiaal zou bevatten dat kon worden gedetecteerd. In 2006 was het vaste praktijk om van een tiewrap die delen te bemonsteren die destijds waren bemonsterd: de gladde zijde, de geribbelde zijde, het aantrekdeel en de buitenkant van het remblokje.
Novum II: onderzoek aan (vijf bemonsteringen van de) slip (AHH373)
3.6
Het DNA-onderzoek dat tijdens het onderzoek Schorpioen in de periode 2006 tot en met 2010 aan twee bemonsteringen van de slip is uitgevoerd, had geen resultaat opgeleverd. De twee oorspronkelijke bemonsteringen (AHH373#01 en AHH373#02) zijn in het onderzoek Lotus opnieuw onderzocht met nieuwe DNA-technieken. Ook zijn drie aanvullende bemonsteringen van de slip veiliggesteld (AHH373#04, AHH373#08 en AHH373#10) die met dezelfde nieuwe DNA-technieken zijn onderzocht. Het nieuwe DNA-onderzoek heeft ertoe geleid dat in vijf bemonsteringen aan de slip van [slachtoffer] DNA-materiaal is aangetroffen dat afkomstig kan zijn van de gewezen verdachte. In de twee oude bemonsteringen is ook DNA-materiaal aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [betrokkene 1] , de toenmalige partner van [slachtoffer] .
3.7
Ten aanzien van bemonstering AHH373#01 was de conclusie dat de kans op de gevonden resultaten 82 miljoen keer of meer dan één miljard keer waarschijnlijker is wanneer het DNA van de gewezen verdachte afkomstig is dan van een willekeurig ander persoon, afhankelijk van de vraag of mag worden aangenomen dat [betrokkene 1] één van de donoren is. (Voetnoot 14) Ten aanzien van de andere vier bemonsteringen heeft het NFI geconcludeerd dat de kans op de gevonden resultaten meer dan één miljard keer waarschijnlijk is als het DNA van de gewezen verdachte afkomstig is dan als dat afkomstig is van een willekeurig andere persoon.
Nieuw onderzoek aan bemonsteringen badjas: wel resultaten, maar geen novum
3.8
In de herzieningsaanvraag wordt door het College gewezen op nieuw onderzoek aan de (bemonsteringen van de) badjas. Het College merkt op dat de nieuwe forensische bevindingen niet kunnen worden aangemerkt als novum, omdat in hoger beroep ook al voor een aantal bemonsteringen een relatie met de gewezen verdachte kon worden gelegd.
Onderzoek op activiteitenniveau
3.9
In de fase van het onderzoek onder leiding van de rechter-commissaris is een deskundige van FSSA aangesteld om het sporenbeeld te duiden op activiteitenniveau. Door de deskundige is acht geslagen op het DNA-onderzoek aan de slip, de tiewrap, de plastic boodschappentas, de badjas, het nagelvuil van de rechterhand en het mes. De resultaten van het DNA-onderzoek aan de haren aangetroffen op het lichaam van [slachtoffer] zijn niet meegenomen. De verdediging en het Openbaar Ministerie zijn in de gelegenheid gesteld om scenario’s op te stellen. Het scenario van het Openbaar Ministerie is dat de gewezen verdachte [slachtoffer] om het leven heeft gebracht en dat de gewezen verdachte een eerdere connectie met [slachtoffer] heeft. Het scenario van de verdediging is dat een onbekende persoon [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, dat de gewezen verdachte niet in de woning was ten tijde van het incident en dat de gewezen verdachte een eerdere connectie heeft met [slachtoffer] . De deskundige van FSSA concludeerde dat het ongeveer 180.000 keer waarschijnlijker is om de DNA-resultaten te verkrijgen als het scenario van het Openbaar Ministerie waar is, dan als het scenario van de verdediging waar is:
“After evaluating these initial findings, plus the ‘additional’ and ‘novum’ findings in light of the two scenarios and the background information given above I conclude that it is approximately 180 000 times more probable to have obtained the observed results if the course of events occurred in the manner described by the prosecution scenario rather than occurring in the manner described by the defence scenario. The results therefore provide very strong support that the events occurred in the manner described by the prosecution scenario rather than the defence scenario.”
3.10
De beoordeling van het sporenbeeld zoals dat aan het gerechtshof ter beschikking stond, en dus zonder de resultaten uit het NFI-rapport van 25 november 2021, bracht de deskundige tot het oordeel dat het ongeveer 77 keer waarschijnlijker is om de DNA-resultaten te verkrijgen onder het scenario van het Openbaar Ministerie, dan onder het scenario van de verdediging.
Rechtmatigheid van de bewijsgaring
3.11
Het College stelt dat de nova op een rechtmatige wijze zijn verkregen. In het bijzonder gaat het College in op het uitgeschreven DNA-profiel van de gewezen verdachte dat op 17 april 2019 geanonimiseerd ter beschikking is gesteld aan het NFI. Het in 2006 in de DNA-databank opgenomen DNA-profiel en het celmateriaal van de gewezen verdachte zijn na het onherroepelijk worden van de vrijspraak op 28 maart 2012 vernietigd, conform art. 16 en 17 (oud) Besluit DNA-onderzoek in strafzaken, Stb. 2001, 400 (hierna: het DNA-besluit). Wel was het uitgeschreven DNA-profiel van de gewezen verdachte aanwezig in het procesdossier. Het College stelt dat dit uitgeschreven DNA-profiel rechtmatig onderdeel uitmaakte van het procesdossier, aangezien de verdediging zelf had verzocht het uitgeschreven DNA-profiel aan het dossier toe te voegen. Het bewaren van dit uitgeschreven DNA-profiel in het procesdossier was volgens het College rechtmatig, omdat deze strafvorderlijke gegevens op grond van art. 39d, in samenhang met art. 4 lid 1, aanhef en onder a, Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens bewaard moeten blijven tot dertig jaar nadat een einduitspraak als bedoeld in art. 352 Sv is gedaan.
3.12
Het College betoogt dat ook het gebruik van het uitgeschreven DNA-profiel rechtmatig was. Daartoe wijst het College op de ratio van de Wet herziening ten nadele. De besluitgever heeft nadrukkelijk gewild dat DNA-gegevens van de gewezen verdachte, die reeds aan de opsporing ter beschikking staan, kunnen worden onderworpen aan nieuw technisch onderzoek met het oog op een eventuele herziening ten nadele. Verder acht het College van belang dat de besluitgever kennelijk niet goed heeft doordacht hoe om te gaan met situaties als de onderhavige, waarbij de bevoegdheid bestaat om een vergelijkend DNA-onderzoek te verrichten met het DNA-profiel van de gewezen verdachte, maar het DNA-profiel van de gewezen verdachte niet (meer) in de DNA-databank is vastgelegd. Het huidige art. 14 lid 8 Besluit DNA-onderzoek schrijft voor dat een DNA-profiel van een gewezen verdachte dat is vastgelegd in de DNA-databank uitsluitend kan worden vergeleken indien de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie, opdracht tot de vergelijking heeft gegeven. Het College schrijft dat, hoewel in onderhavige zaak geen sprake was van een in de DNA-databank vastgelegd DNA-profiel, het omwille van de zorgvuldigheid wel de voorkeur had gehad een dergelijke opdracht van de rechter-commissaris te verkrijgen. Het College meent echter dat het ontbreken van een dergelijke opdracht onverlet laat dat sprake is van een onderzoek dat overeenkomstig de wettelijke voorschriften heeft plaatsgevonden als bedoeld in art. 482a lid 4 Sv.
3.13
Tevens betreft het vergelijkend DNA-onderzoek volgens het College geen onderzoek “tegen de gewezen verdachte” als bedoeld in art. 482c lid 1 Sv. Bij het verrichten van het vergelijkend onderzoek is de persoon van de gewezen verdachte niet direct betrokken, conform de bedoeling van de besluitgever. Volgens het College heeft het onderzoek overeenkomstig de wettelijke voorschriften plaatsgevonden.
3.14
Het College stelt dat voor het nieuwe, door het NFI verrichte onderzoek een andere techniek is gebruikt dan in het oorspronkelijke onderzoek Schorpioen. Voor het autosomale DNA-onderzoek geldt dat dit in 2006 werd uitgevoerd met de ‘SGM plus’-techniek, waarmee tien loci en het geslacht werden bepaald. Per 1 april 2011 is het NFI gaan werken met de NGM-techniek, die gevoeliger is dan de ‘SGM plus’-techniek en bovendien meer loci bepaalt, te weten vijftien in plaats van tien.
3.15
Bij het onderzoek dat in 2018 door het FLDO is gedaan aan een van de bemonsteringen van de binnenkant van het remblokje (AAGN1993NL#02) is gebruikgemaakt van een nieuwe techniek voor DNA-onderzoek, met als naam Massive Parallel Sequencing (MPS). Het blokje van de tiewrap is in 2006 niet onderzocht. De stand van de techniek was in de periode van 2006 tot en met 2010 niet zodanig dat het zinvol was geweest om het blokje te onderzoeken. De ‘SGM plus’-techniek was zoveel minder gevoelig en had zoveel minder onderscheidend vermogen dan de huidige technieken, dat de kleine hoeveelheid DNA die te verwachten was in het remblokje niet gedetecteerd zou zijn.
3.16
Het College stelt dat de tiewrap in een zeer nauw verband staat met het strafbare feit, omdat [slachtoffer] met behulp daarvan is gewurgd. Bovendien moet de tiewrap door de dader zijn meegenomen, omdat de vader van [slachtoffer] heeft verklaard dat deze niet uit de woning afkomstig was.
3.17
Het College wijst erop dat het aannemelijk is dat de dader de slip heeft afgerold. De slip is afgerold naast [slachtoffer] aangetroffen, terwijl haar andere kleding opgevouwen in de badkamer is gevonden. Bovendien heeft de moeder van [slachtoffer] verklaard dat [slachtoffer] vaak in huis liep, terwijl zij was gekleed in een badjas en slip. Daarnaast kan het DNA-materiaal van de gewezen verdachte op de slip niet worden verklaard door secundaire of tertiaire overdracht na een sociaal bezoek van de gewezen verdachte in juni 2006. Indien wordt aangenomen dat het DNA-materiaal van de gewezen verdachte op de slip terecht is gekomen, doordat de dader eerst de badjas van [slachtoffer] (waarop mogelijk DNA-materiaal van de gewezen verdachte terecht is gekomen tijdens een sociaal bezoek in juni 2006) heeft vastgepakt en daarna de slip heeft uitgetrokken, zou het in de lijn van de verwachting liggen dat ook DNA van de moeder of vader van [slachtoffer] op de slip zou zijn aangetroffen. [slachtoffer] woonde in de periode voor haar dood immers in de woning van haar moeder en vader, die haar geregeld een knuffel gaven. DNA van de moeder of vader is echter niet aangetroffen op de slip. Tot slot wijst het College erop dat de gewezen verdachte, in tegenstelling tot de toenmalige vriend van [slachtoffer] van wie ook DNA is aangetroffen op de slip, geen intieme relatie had met [slachtoffer] .
3.18
Het College merkt op dat het hof in het arrest van 27 oktober 2010 van belang achtte dat het DNA-materiaal op de badjas niet noodzakelijkerwijs een daderspoor betrof, omdat de gewezen verdachte het DNA-materiaal zou kunnen hebben achtergelaten tijdens een eerder bezoek aan de familie [slachtoffer] . Een dergelijke redenering gaat niet op ten aanzien van de nieuwe sporen op de tiewrap en de slip, aldus het College. Voor zowel de slip als de tiewrap geldt dat een sterke relatie met het delict bestaat. Verder wijst het College op de grote bewijswaarde van de DNA-resultaten. Dat levert volgens het College een substantieel verschil op tussen het bewijs waarover de rechtbank en het gerechtshof beschikten en het bewijs dat thans voorligt. Het College concludeert:
“Daar waar, samengevat, het oordeel in eerste aanleg en in hoger beroep was dat aanwezig bewijs vooral indirect wees op betrokkenheid van de gewezen verdachte ligt dat door de nova anders. Door de nova ligt er nu bewijs dat direct richting de gewezen verdachte wijst als de dader van het levensdelict op [slachtoffer] . Als de nova dan in onderlinge samenhang worden gewogen met de bewijsmiddelen die er destijds lagen, zoals de op [slachtoffer] aangetroffen haren, de sporen op de plastic tas, de sporen op de badjas en de sporen van de slippers, dan is de conclusie van het OM dat sprake is van gegevens die aan de rechter bij het onderzoek op de terechtzitting niet bekend waren en waardoor het ernstige vermoeden is ontstaan dat, indien deze gegevens bekend zouden zijn geweest, de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte voor een opzettelijk begaan misdrijf dat de dood van een ander ten gevolge heeft gehad.”
Het belang van een goede rechtsbedeling
3.19
Het College stelt zich op het standpunt dat herziening ten nadele van de vrijspraak van de gewezen verdachte in het concrete geval in het belang is van een goede rechtsbedeling. In dat kader wordt gewezen op een aantal omstandigheden.
3.20
Het onderzoek onder leiding van de rechter-commissaris in de rechtbank Midden-Nederland heeft volgens het College plaatsgevonden in lijn met het beginsel van hoor en wederhoor. De gewezen verdachte en diens raadsman zijn op alle bepalende momenten in de procedure in de gelegenheid gesteld verweer te voeren en nader onderzoek te laten uitvoeren.
3.21
Het oorspronkelijke opsporingsonderzoek Schorpioen heeft volgens het College op een zorgvuldige wijze plaatsgevonden. De nova zijn naar voren gekomen met behulp van DNA-technieken die pas jaren na het eerdere proces zijn ontwikkeld.
3.22
Het tijdsverloop maakt volgens het College niet dat herziening ten nadele niet meer in het belang is van een goede rechtsbedeling. Het strafbare feit is niet verjaard. Ook is goed verklaarbaar waarom de eerste verzoeken om nader DNA-onderzoek (pas) in 2015 zijn gedaan. Er was in het kader van het onderzoek Schorpioen al veel technisch onderzoek verricht, zodat het weinig zinvol was om direct na het onherroepelijk worden van de vrijspraak in 2012 een nader onderzoek te starten. Dat het onderzoek voorafgaand aan de vordering aan de rechter-commissaris vier jaar in beslag heeft genomen, is met name veroorzaakt doordat bekend was dat een nieuwe techniek beschikbaar zou komen voor het onderzoek aan het remblokje van de tiewrap en dat het NFI het Openbaar Ministerie had geadviseerd daarop te wachten. De duur van het onderzoek onder leiding van de rechter-commissaris is te verklaren door de grondigheid van het onderzoek, waarbij ook veel ruimte en gelegenheid is geboden aan de verdediging om nader onderzoek en tegenonderzoek te laten verrichten.
3.23
De verdenking betreft een zeer ernstig levensdelict dat grote impact heeft gehad op de nabestaanden en de maatschappij. Het belang van de gewezen verdachte om met rust te worden gelaten is daarom volgens het College van ondergeschikt belang in deze zaak.
4.1
Op 16 september 2025 is namens de gewezen verdachte een verweerschrift ingediend. In het verweerschrift wordt betoogd dat 1) de resultaten van het nieuwe onderzoek geen ernstig vermoeden opleveren dat alsnog een veroordeling zou plaatsvinden, 2) dat het nieuwe bewijs onrechtmatig is verkregen, zodat dit bewijs niet bij de beoordeling van de herzieningsaanvraag mag worden betrokken en 3) dat de onmiddellijke werking van de Wet herziening ten nadele in strijd is met verdragsrecht en beginselen. Hieronder bespreek ik de eerste twee standpunten. Het derde standpunt komt aan de orde in onderdeel 5.
Geen nova: (nieuw) bewijs levert geen ernstig vermoeden van een veroordeling op
4.2
In het verweerschrift wordt allereerst aangevoerd dat de resultaten van het in het kader van het onderzoek Lotus uitgevoerde DNA-onderzoek weliswaar een nieuw gegeven opleveren, maar geen ernstig vermoeden dat, indien het gegeven bekend zou zijn geweest, de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling. De bewijskracht van de nieuwe gegevens is daarvoor onvoldoende, aldus de raadsman.
Onderzoek aan het remblokje van de tiewrap
4.3
Het onderzoek aan het remblokje van de tiewrap heeft een mengprofiel opgeleverd dat afkomstig is van minimaal twee donoren. Gewezen wordt op het NFI-rapport van 18 augustus 2016 en het FLDO-rapport van 4 februari 2019, waarin is geconcludeerd dat het DNA-profiel van [slachtoffer] niet past binnen het DNA-mengprofiel van het spoor. De raadsman brengt naar voren dat de gewezen verdachte kennelijk niet de enige donor is van het mengprofiel.
4.4
Verder wijst de raadsman op het feit dat de DNA-match enkel bewijs is op bronniveau en niet op activiteitenniveau. De DNA-match zegt immers niets over de wijze of tijdstip waarop het DNA-materiaal is achtergelaten. Zonder bewijs op activiteitenniveau heeft een DNA-match te weinig bewijskracht. Het DNA-spoor is niet noodzakelijkerwijs een daderspoor, aldus de raadsman.
4.5
Ten aanzien van het remblokje wordt in het verweerschrift het volgende geconcludeerd:
“26. Ondanks de nieuwheid kan het remblokjespoor niet als dragend bewijs gelden; het levert geen ernstig vermoeden dat dit alsnog tot een veroordeling zou leiden. Dit klemt te meer nu via secundaire of tertiaire overdracht DNA-materiaal in dit remblokje kan zijn opgehoopt bij het aantrekken van de tiewrap of kan sprake zijn van contaminatie door de verschillende op de tiewrap uitgevoerde onderzoeken. Kortom: dit is ‘Valess-bewijs’: het ziet en klinkt als kip (daderspoor), maar is het niet - het mist de activiteit-context die het tot delictspecifiek bewijs maakt.”
Onderzoek aan de slip
4.6
Ten aanzien van de resultaten van het nieuwe DNA-onderzoek aan de slip, wijst de raadsman erop dat er sprake is van een mengprofiel met DNA van het slachtoffer, de gewezen verdachte en [betrokkene 1] , de toenmalige partner van [slachtoffer] . De raadsman noemt de DNA-match met [betrokkene 1] opmerkelijk, omdat [betrokkene 1] ten tijde van het delict al enige tijd in Koeweit verbleef en ondergoed regelmatig pleegt te worden gewassen. Dit gegeven onderstreept volgens de raadsman de conclusie dat sprake kan zijn van secundaire of tertiaire overdracht, zodat de aanwezigheid van DNA-materiaal niet zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van een daderspoor.
Onrechtmatige bewijsvergaring
4.7
De raadsman voert aan dat het DNA-profiel, dat in het onderzoek Schorpioen werd aangeduid met het DNA-profiel van “onbekende man A”, niet had mogen worden gebruikt als vergelijkingsprofiel voor de nieuwe bemonsteringen, zoals de bemonstering van de binnenzijde van het remblokje van de tiewrap. De vrijspraak van de gewezen verdachte is in 2012 onherroepelijk geworden. De raadsman vervolgt:
“63. (…) Het hergebruiken van oude sporen die toen al ontoereikend zijn bevonden, door ze als vergelijkingsmateriaal in te zetten, ondergraaft de finaliteit van het strafproces. Een vrijspraak zou daarmee nooit definitief zijn; zwakke (meng)sporen kunnen eindeloos opnieuw ingezet worden in de hoop dat modernere methoden alsnog iets opleveren;
64. Met andere woorden, je zou kunnen zeggen dat sprake is van een u-bocht constructie waarbij een(meng)spoor dat destijds te zwak was om het bewijs te dragen, alsnog wordt gerecycled tot bouwsteen voor een nieuwe bewijsconstructie;”
4.8
Verder acht de raadsman van belang dat het DNA-profiel van “onbekende man A” een uitgeschreven profiel betreft. Doordat niet wordt gewerkt met de “ruwe data” is toetsing door de verdediging onmogelijk. Bovendien is sprake geweest van onderzoek “tegen de gewezen verdachte”.
4.9
Geconcludeerd wordt dat het onderzoek onrechtmatig heeft plaatsgevonden en de resultaten daarvan niet in deze procedure mogen worden gebruikt. Namens de gewezen verdachte verzoekt de raadsman de Hoge Raad het verzoek tot herziening ten nadele af te wijzen.
5. Standpunten en oordelen ten aanzien van de onmiddellijke werking van de herzieningsregeling
5.1
Het College en de verdediging hebben standpunten ingenomen ten aanzien van de onmiddellijke werking van de Wet herziening ten nadele. Alvorens deze standpunten te bespreken, geef ik het oordeel weer van de rechter-commissaris en de rechtbank.
Het oordeel van de rechter-commissaris in de beschikking van 22 juni 2021
5.2
De onmiddellijke werking van de Wet herziening ten nadele en de verenigbaarheid daarvan met het EVRM zijn aan de orde gekomen in het kader van de behandeling door de rechter-commissaris van de vordering van de officier van justitie als bedoeld in art. 482c lid 2 Sv. De advocaat van de gewezen verdachte had aangevoerd dat “dergelijke terugwerkende kracht” in strijd is met de beginselen van ne bis in idem, rechtszekerheid en het recht om met rust te worden gelaten, welke beginselen onder meer besloten liggen in de artikelen 6 en 7 EVRM. De rechter-commissaris overwoog in het kader van de beoordeling of de herziening ten nadele in het belang is van een goede rechtsbedeling (in de beschikking aangeduid als punt V):
“14. Beoordeling van punt V vergt een afweging: weegt het maatschappelijk belang dat – slechts het ernstig vermoeden bestaat dat – waarheidsvinding en gerechtigheid gediend worden met herziening zwaarder dan het belang van de vrijgesproken [verdachte] bij rechtszekerheid en rust. (…)
De vraag of de toepasselijke EVRM-bepalingen in de weg staan aan herziening ten nadele in zaken waarin de vrijspraak reeds onherroepelijk was vóór de inwerkingtreding van de wet moet in dit licht bezien worden. De rechter-commissaris meent dat dit niet absoluut het geval is. Dat brengt haar tot een belangenafweging die in dit geval uitvalt in het nadeel van [verdachte] . De ernst van hetgeen is voorgevallen speelt daarbij een belangrijke rol.”
Het oordeel van de rechtbank in de beschikking van 30 augustus 2021
5.3
De onmiddellijke werking van de wet is ook aan de orde gesteld in het hoger beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris. De raadkamer van de rechtbank Midden-Nederland overwoog als volgt (met weglating van voetnoten):
“5.2. Verenigbaarheid met de artikelen 6 en/of 7 van het EVRM
De rechtbank overweegt als volgt.
In verband met de invoering van de Wet herziening ten nadele zijn de artikelen 482a tot en met 482i aan het Wetboek van Strafvordering toegevoegd. Hierdoor is de al bestaande herzieningsregeling in het Wetboek van Strafvordering aangevuld met de mogelijkheid om een vrijspraak of een ontslag van rechtsvervolging te herzien ten nadele van de gewezen verdachte. Die herziening wordt daarbij gezien als de voortzetting van de eerdere vervolging.
De vraag ligt nu voor of de Wet herziening ten nadele ook ziet op einduitspraken die onherroepelijk zijn geworden voordat deze wet in werking trad. De rechtbank stelt vast dat het uitgangspunt voor deze vraag is neergelegd in artikel 4 Wet algemene bepalingen: ‘De wet verbindt alleen voor het toekomende en heeft geen terugwerkende kracht’. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit uitgangspunt in zijn algemeenheid ook voor het strafprocesrecht en het houdt in dat proceshandelingen worden beheerst door het recht dat geldt ten tijde van die handelingen. Anders dan voor strafrechtelijke bepalingen kan voor strafprocesrechtelijke bepalingen worden afgeweken van dit uitgangspunt. Dit is echter alleen het geval wanneer de wetgever uitdrukkelijk heeft bepaald dat de nieuwe wet ook betekenis heeft voorproceshandelingen die zich in het verleden hebben afgespeeld.
De Wet herziening ten nadele gaat uit van onmiddellijke werking van de daarin vervatte regeling. Bij de tweede nota van wijziging is de bepaling van overgangsrecht, die herziening ten nadele uitsloot van einduitspraken die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de wet onherroepelijk waren geworden, geschrapt.
Het voorgaande betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het ervoor moet worden gehouden dat de wetgever uitdrukkelijk heeft bepaald dat de Wet herziening ten nadele ook mogelijk is ten aanzien van misdrijven die vóór de inwerkingtreding van de wet zijn begaan en ten aanzien waarvan de desbetreffende einduitspraak vóór die datum in kracht van gewijsde is gegaan. Dit sluit niet uit dat de concrete toepassing van de Wet in deze gevallen naar het oordeel van de rechtbank onder omstandigheden in strijd kan zijn met artikel 6 en/of 7 van het EVRM, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van verjaring. Bij de beoordeling of er sprake is van een dergelijke strijdigheid dient de rechtbank rekening te houden met de omstandigheden van het geval ten tijde van het indienen van de onderhavige vordering van de officier van justitie. Daarbij moet allereerst worden vastgesteld dat in casu geen sprake is van verjaring. Voorts blijkt uit de stukken dat de eerdere vrijspraak van de gewezen verdachte onherroepelijk is geworden op 13 maart 2012. Dat betekent dat er sinds het arrest van de Hoge Raad iets meer dan negen jaren zijn verstreken tot de indiening van de onderhavige vordering. De verdediging heeft erop gewezen dat de gewezen verdachte in die periode met moeite een nieuw leven heeft opgebouwd, dat hij is getrouwd en werk heeft. De gewezen verdachte verzoekt om met rust te worden gelaten.
De rechtbank overweegt dienaangaande dat bij de vraag of het tijdsverloop in dit geval in de weg staat aan toewijzing van de vordering mede moet worden gekeken naar de ernst van het feit waar de gewezen verdachte van werd verdacht, een levensdelict, alsmede hoe de eerdere verdenking tot stand is gekomen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het feit waarvan hier sprake is, dusdanig ernstig is dat dit opweegt tegen een tijdsverloop van iets meer dan negen jaar, zoals in de onderhavige zaak. Daarbij komt dat niet kan worden gezegd dat de vordering die de officier van justitie heeft gedaan, gezien de totstandkoming van de eerdere verdenking, vexatoir jegens de gewezen verdachte is. Ten slotte heeft de gewezen verdachte sinds de inwerkingtreding van de Wet op 1 oktober 2013, ermee rekening kunnen en moeten houden dat de officier van justitie een vordering als de onderhavige zou indienen. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat de toewijzing van de vordering niet strijdig is met artikel 6 en/of 7 van het EVRM.”
De herzieningsaanvraag
5.4
In de herzieningsaanvraag van het College van procureurs-generaal wordt summier ingegaan op de onmiddellijke werking van de wet. De vraag naar de verenigbaarheid met het EVRM blijft onbesproken. Op pagina 31 is slechts vermeld:
“Opgemerkt zij dat de vrijspraak in TGO Schorpioen dateert van voor de inwerkingtreding van de Wet herziening ten nadele. De wet heeft echter onmiddellijke werking, zodat herziening ten nadele ook mogelijk is ten aanzien van misdrijven die vóór de inwerkingtreding van de wet onherroepelijk zijn geworden. Het is de expliciete bedoeling van de wetgever geweest om aan de wet onmiddellijke werking toe te kennen.”
5.6
In het verweerschrift wordt het standpunt ingenomen dat het herzieningsverzoek moet worden afgewezen omdat de retroactieve toepassing van de herzieningsregeling ten nadele in strijd is met onder andere art. 7 EVRM. In het verweerschrift wordt daartoe het volgende aangevoerd:
“X. Overgangsrecht en rechtszekerheid: de vrijspraak was onherroepelijk vóór invoering van art. 482a Sv.
39 De onherroepelijke vrijspraak van verdachte dateert van 27 oktober 2010 ;
40. Het cassatieberoep van het OM werd door de Hoge Raad verworpen op 13 maart 2012, waarmee de vrijspraak definitief is geworden;
41. Destijds was de mogelijkheid tot herziening ten nadele niet ingevoerd; deze werd pas op 1 oktober 2013 geïntroduceerd middels de Wet Herziening ten Nadele (Stb. 2012, 310);
B. Het beginsel van rechtszekerheid
42. De rechtstaat vereist dat een onherroepelijke vrijspraak zekerheid biedt: verdachte moet beschermd zijn tegen dubbeling of heropening van dezelfde zaak (“ne bis in idem");
43. De invoering van herziening ten nadele vormt een principiële wettelijke doorbreking van dit rechtszekerheidsbeginsel;
44. Er ontbreekt een overgangsregeling die het met terugwerkende kracht openbreken van onherroepelijke vrijspraak toestaat. Het is ook de vraag in hoeverre deze wetgeving in strijd is met het EVRM. De verdediging is van mening dat de rechten van de gewezen verdachte, krachtens het EVRM zich verzetten tegen toewijzing van dit verzoek. De vraag is in het midden gelaten in de eerdere Vivaldi-zaak. Aanvankelijk voorzag het wetsvoorstel niet in “terugwerkende kracht”, maar later is dit aangepast. De A-G in Vivaldi schetst dat de regeling ingrijpend is en de eerbiediging van het gezag van gewijsde en ne bis in idem raakt; juist daarom is terughoudendheid geboden en is onmiddellijke werking niet onbegrensd.
C. Verbod op terugwerkende kracht
45. Volgens het legaliteitsbeginsel (art. 1 Sv, art. 7 EVRM, art. 15 IVBPR) mogen strafrechtelijke en fundamenteel procesrechtelijke wetten niet ten nadele van de verdachte met terugwerkende kracht worden toegepast;
46. De regeling herziening ten nadele valt onder die fundamentele procesrechtelijke bepalingen, omdat ze de rechtspositie van verdachte ingrijpend aantast;
47. Het toepassen van deze regeling op een zaak die al onherroepelijk was, betekent dan een retroactieve inbreuk op verworven rechtszekerheid;
D. Weerlegging mogelijke standpunten Openbaar Ministerie
48. Het OM kan stellen dat het procesrecht een algemene onmiddellijke werking kent;
49. Dit standpunt faalt omdat herziening ten nadele geen gewone procesregel is, maar een uitzonderlijke heropening van een afgesloten procedure;
50. Het ontbreken van een expliciete overgangsregeling in de wet bevestigt naar uiterlijke verschijningsvorm dat de wetgever geen terugwerkende kracht beoogt;
51. Een ruime interpretatie die het openbreken toch toestaat, is strijdig met art. 7 EVRM en art. 15 IVBPR;
E. Conclusie overgangsrecht
52. De vrijspraak van cliënt is op 13 maart 2012 definitief geworden, vóór invoering van art. 482a Sv.;
53. Het verzoek van het OM moet worden afgewezen omdat toepassing van de regeling herziening ten nadele in deze zaak onrechtmatig retroactief is;”
6
Grondslag en karakter van herziening ten nadele
Herziening ten nadele: botsende belangen en stringente eisen
6.1
Herziening ten nadele kan niet worden gezien als het spiegelbeeld van herziening ten voordele. (Voetnoot 15) Herziening ten nadele strekt er in de kern toe te voorkomen dat schuldigen onbestraft blijven. Dat belang is naar zijn aard en zwaarte niet gelijk te schakelen met het belang dat herziening ten voordele beoogt te dienen. Bij de vaststelling van het Wetboek van Strafvordering werd al opgemerkt dat “het rechtsbewustzijn der natie in geval van ongegronde vrijspraak niet dermate [wordt] geschokt als bij veroordeeling van een niet-schuldige.” (Voetnoot 16)
6.2
In geval van herziening ten nadele staan de belangen van de gewezen verdachte enerzijds en de belangen van slachtoffers en nabestaanden anderzijds in zekere zin tegenover elkaar. Ook daarin verschillen de beide vormen van herziening van elkaar. Herziening ten voordele is in het belang van de veroordeelde, maar gaat niet ten koste van slachtoffers en nabestaanden, die immers in redelijkheid geen belang kunnen hebben bij de handhaving van een onterechte veroordeling. (Voetnoot 17)
6.3
Herziening ten nadele is een verstrekkend, buitengewoon rechtsmiddel. Met herziening ten nadele kan een uitzondering worden gemaakt op het uitgangspunt dat na een onherroepelijke vrijspraak, mede in het belang van de rechtszekerheid, het gezag van gewijsde moet worden geëerbiedigd. De regeling van herziening ten nadele voorziet ook in de mogelijkheid dat na een onherroepelijke vrijspraak onderzoek wordt gedaan. Daarmee kan de gewezen verdachte opnieuw worden geconfronteerd met beschuldigingen en belastend onderzoek. (Voetnoot 18)
6.4
Herziening ten nadele raakt kortom niet alleen de belangen van de gewezen verdachte, maar relativeert ook de betekenis van het adagium lites finiri oportet, van het gezag van gewijsde van onherroepelijke uitspraken en daarmee mogelijk ook van het gezag van rechterlijke uitspraken als zodanig. Daar komt bij dat door de herzieningsmogelijkheid verwachtingen kunnen worden gewekt bij slachtoffers en nabestaanden, die lang niet in alle gevallen kunnen worden waargemaakt.
6.5
Daartegenover staat het belang van de samenleving en van slachtoffers en nabestaanden dat een vrijspraak die onterecht blijkt te zijn moet kunnen worden herzien. Dat belang is des te pregnanter ingeval het gaat om zeer ernstige strafbare feiten, zoals levensdelicten. Het kan maatschappelijk moeilijk te aanvaarden zijn dat een gewezen verdachte niet alsnog kan worden bestraft, indien deze bijvoorbeeld naderhand een geloofwaardige bekentenis aflegt. Ook kan worden gewezen op het feit dat onterecht gebleken vrijspraken geen vrede stichten, maar juist publieke verontwaardiging veroorzaken. (Voetnoot 19)
6.6
Al deze factoren zijn door de wetgever in aanmerking genomen bij de afweging of een wettelijke voorziening voor herziening ten nadele zou moeten worden getroffen. (Voetnoot 20) De wetgever heeft ervoor gekozen herziening ten nadele mogelijk te maken, maar slechts in bepaalde gevallen, op specifieke gronden én onder strenge voorwaarden. Die keuze van de wetgever staat in deze zaak niet ter discussie. De herzieningsaanvraag zal moeten worden beoordeeld aan de hand van het toetsingskader dat de wetgever heeft ontworpen, uiteraard met inachtneming van de grenzen die voortvloeien uit het verdragsrecht.
6.7
Gelet op de strekking van deze conclusie, wordt volstaan met een korte schets van de eisen die aan herziening ten nadele worden gesteld.
6.8
Herziening ten nadele is mogelijk ten aanzien van een onherroepelijke vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging en moet in het belang zijn van een goede rechtsbedeling. De gronden waarop herziening ten nadele mogelijk is, kunnen worden onderscheiden in nova en falsa. Een novum betreft een nieuw gegeven. Er moet sprake zijn van een gegeven dat aan de rechter in de eerdere procedure niet bekend was én waardoor het ernstige vermoeden ontstaat dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte voor een opzettelijk begaan misdrijf dat de dood van een ander ten gevolge heeft. Als novum kan gelden a) een geloofwaardige bekentenis van de gewezen verdachte en b) resultaten van technisch onderzoek. De andere gronden voor herziening betreffen zogenoemde falsa. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de uitspraak berust op valse stukken. In de onderhavige zaak is de herzieningsaanvraag gestoeld op nova.
Herziening ten nadele in het licht van het EVRM
6.9
Herziening ten nadele raakt aan de rechtszekerheid en de eerbiediging van het gezag van gewijsde. Deze belangen worden in het EVRM onder meer beschermd door art. 6, art. 7 en art. 4 van het Zevende Protocol. In art. 4 lid 2 Zevende Protocol is bepaald dat het ne bis in idem-beginsel, zoals neergelegd in het eerste lid van art. 4, zich niet verzet tegen “the reopening of the case in accordance with the law and penal procedure of the State concerned, if there is evidence of new or newly discovered facts, or if there has been a fundamental defect in the previous proceedings, which could affect the outcome of the case”. Nederland heeft het Zevende Protocol bij het EVRM niet geratificeerd. Toch kan (de rechtspraak van het EHRM over) art. 4 lid 2 Zevende Protocol indirect, in het licht van art. 6 lid 1 EVRM, betekenis hebben in de Nederlandse rechtsorde. Daarop kom ik nog terug.
6.10
Het EVRM verzet zich er niet tegen dat een strafzaak onder bepaalde, zij het zeer strikte, voorwaarden ten nadele van de gewezen verdachte wordt heropend. Herziening is naar het oordeel van het EHRM in zijn rechtspraak over art. 4 van het Zevende Protocol slechts mogelijk “in exceptional circumstances”, in overeenstemming met het nationaal recht en op de volgende gronden: a) nieuw bewijs of b) een fundamenteel gebrek in de eerdere procedure. (Voetnoot 21) Bovendien moeten de nieuwe feiten of het fundamentele gebrek de uitkomst van de zaak kunnen beïnvloeden. Het begrip “fundamenteel gebrek” betekent dat sprake moet zijn van een ernstige schending van een procedurele regel die de integriteit van de eerdere procedure ernstig ondermijnt. Een enkele herbeoordeling van het bewijsmateriaal in het dossier voldoet niet aan dit criterium.
6.11
De voormalige AG Knigge is in zijn conclusie in de Vivaldi-zaak uitvoerig ingegaan op de verhouding van het buitengewone rechtsmiddel van herziening ten nadele tot beginselen en verdragsrechten. Hij stelt met kracht van argumenten dat uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat herziening ten nadele als zodanig niet onverenigbaar is met de genoemde verdragsrechten. (Voetnoot 22) Daarbij wijst hij erop dat de wetgever de toepassing van herziening ten nadele met formele en materiële waarborgen heeft omgeven. Alleen ten aanzien van het overgangsrecht heeft de wetgever volgens hem de grens opgezocht.
6.12
Graag verwijs ik voor de bespreking van de verhouding van de wettelijke regeling van herziening ten nadele tot het EVRM in algemene zin naar de genoemde conclusie van AG Knigge. Ik zal mij in het onderstaande beperken tot het bespreken van de vraag naar de verenigbaarheid met het verdragsrecht van het meest omstreden aspect van de huidige regeling, te weten de toepassing van de wet op vonnissen en arresten die onherroepelijk zijn geworden vóór de inwerkingtreding daarvan.
7
Onmiddellijke werking van de herzieningsregeling
7.1
De Wet herziening ten nadele is op 1 oktober 2013 in werking getreden. (Voetnoot 23) Het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage waarbij de gewezen verdachte is vrijgesproken, is onherroepelijk geworden op 13 maart 2012, nadat de Hoge Raad het cassatieberoep dat was ingesteld door het Openbaar Ministerie had verworpen. Daarmee rijst de vraag of de wettelijke regeling van herziening ten nadele van toepassing is op de onderhavige zaak.
7.2
De herzieningsregeling voorziet niet in een specifieke, in de wet neergelegde regeling van overgangsrecht. Strafprocesrechtelijke voorschriften hebben in de regel onmiddellijke werking. Indien deze hoofdregel wordt toegepast, strekt de wettelijke regeling zich ook uit tot vrijspraken die onherroepelijk zijn geworden voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet herziening ten nadele. De wetsgeschiedenis laat er geen misverstand over bestaan dat de wetgever is uitgegaan van onmiddellijke werking van de wet. Daarmee is echter het laatste woord over het overgangsrecht nog niet gezegd. De regels van overgangsrecht zullen ook verenigbaar moeten zijn met rechtstreeks werkende verdragsbepalingen, zoals art. 6 en art. 7 van het EVRM.
7.3
In het onderstaande zal uitvoerig bij het overgangsrecht worden stilgestaan. (Voetnoot 24) Daartoe wordt eerst aandacht besteed aan de keuze van de wetgever, de literatuur en de conclusie en het arrest in de Vivaldi-zaak. Vervolgens wordt bezien welke keuzes in andere landen zijn gemaakt. Ten slotte komt de Europese rechtspraak aan bod.
7.4
Indien niet is voorzien in overgangsrecht dat anders bepaalt, hebben wetswijzigingen van (straf)procesrechtelijke aard onmiddellijke werking. Dat uitgangspunt van onmiddellijke werking impliceert dat proceshandelingen worden beheerst door het recht dat geldt ten tijde van die handelingen. Voor het strafprocesrecht betekent onmiddellijke werking dat het nieuwe procesrecht ook van toepassing is bij de berechting van strafbare feiten die zijn begaan vóór de inwerkingtreding van de wet. (Voetnoot 25)
7.5
Indien een wettelijke overgangsbepaling ontbreekt, dient de rechter het overgangsrecht te bepalen aan de hand van een redelijke wetsuitleg. (Voetnoot 26) Bij die redelijke wetsuitleg komt aan de wetsgeschiedenis betekenis toe. Daarop zal in het onderstaande worden ingegaan.
Wetsgeschiedenis
7.6
In het oorspronkelijke wetsvoorstel Herziening ten nadele was expliciet voorzien in overgangsrecht. Artikel II van het wetsvoorstel bepaalde dat “geen herziening ten nadele van de gewezen verdachte (…) plaats[vindt] van een arrest of vonnis dat onherroepelijk is geworden voor het tijdstip waarop deze wet in werking treedt.” (Voetnoot 27) In het oorspronkelijke wetsvoorstel was er dus voor gekozen geen onmiddellijke werking aan de voorgestelde regeling van de herziening ten nadele toe te kennen. Eerbiedigende werking werd wenselijk geacht om gerechtvaardigde verwachtingen van (gewezen) verdachten te respecteren. Daarover werd in de memorie van toelichting het volgende opgemerkt: (Voetnoot 28)
“Het in artikel 1, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht neergelegde verbod van terugwerkende kracht geldt niet op het terrein van het strafprocesrecht. Wel dient het strafvorderlijke overheidsoptreden plaats te vinden in overeenstemming met de algemene beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging. Deze houden onder meer in dat de overheid gerechtvaardigde verwachtingen van burgers dient te respecteren. Omdat Nederland thans niet de mogelijkheid van een herziening ten nadele kent, is ten aanzien van personen die onherroepelijk zijn vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging de verwachting gewekt dat deze uitspraak niet ten nadele van hen kan worden herzien. Daarom maakt het voorgestelde artikel II in zoverre een uitzondering op de bovenstaande hoofdregel dat geen herziening ten nadele plaatsvindt van een uitspraak die onherroepelijk is geworden voor het tijdstip waarop dit wetsvoorstel, na tot wet te zijn verheven, in werking treedt.
Het College van procureurs-generaal bepleit om de regeling van herziening ten nadele onmiddellijke werking toe te kennen. Het College meent dat niet kan worden volgehouden dat een gewezen verdachte van een moord waarvoor hij voor de datum van inwerkingtreding onherroepelijk is vrijgesproken, de gerechtvaardigde verwachting mag koesteren dat de overheid niet zal trachten hem alsnog voor zijn daad te vervolgen «als de wet eenmaal die mogelijkheid biedt». Zoals het College opmerkt zou de regeling onmiddellijke werking kennen als de normale regels van strafvordering zouden worden gevolgd. Voor mij weegt echter zwaar dat herziening ten nadele een zeer zwaar rechtsmiddel is dat ingrijpt op de rechtspositie van de gewezen verdachte. Het is gebruikelijk en wenselijk om, bij verkregen rechten van de verdachte burger, ook in eerbiedigende werking te voorzien als het gaat om regelingen die het vervolgingsrecht van het Openbaar Ministerie raken. Ik wijs in dit verband op het overgangsrecht van artikel III van de wet van 16 november 2005, Stb. 595 (opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten), volgens hetwelk zware misdrijven die voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van die wet reeds zijn verjaard, niet alsnog kunnen worden vervolgd doordat op die datum de voor deze misdrijven geldende verjaringstermijnen zijn verruimd of afgeschaft. Ook kan worden gewezen op het overgangsrecht van artikel XIII van de wet van 22 december 2005, Stb. 2006, 11 volgens hetwelk in het buitenland begane en aldaar niet strafbare vrouwelijke genitale verminking, begaan door een persoon die pas na het feit een formele band met de Nederlandse rechtsorde heeft verkregen, in Nederland alleen vervolgbaar is geworden in geval deze verminking na de datum van inwerkingtreding van die wet is begaan. Om deze redenen meen ik dat het in artikel II van dit wetsvoorstel voorziene overgangsrecht gerechtvaardigd en wenselijk is.”
7.7
In het regeerakkoord en het gedoogakkoord uit 2010 werd echter een andere koers aangekondigd. Daarin was opgenomen dat herziening ten nadele mogelijk zou worden gemaakt “met terugwerkende kracht”. (Voetnoot 29) In lijn met de strekking van de passage in het regeer- en gedoogakkoord werd artikel II in de tweede nota van wijziging geschrapt. (Voetnoot 30) Daarmee kwam de hoofdregel van overgangsrecht in het strafprocesrecht, te weten onmiddellijke werking, in de plaats van de specifieke regeling van eerbiedigende werking. De onmiddellijke werking van de regeling maakt dat herziening ten nadele ook mogelijk is ten aanzien van einduitspraken die onherroepelijk zijn geworden vóór de inwerkingtreding van de wet, zoals die in de onderhavige zaak. In de literatuur wordt deze vorm van onmiddellijke werking ook wel als (feitelijke) terugwerkende kracht getypeerd. (Voetnoot 31) Overigens betekent de onmiddellijke werking van de wet niet dat elke vrijspraak die onder de reikwijdte van de wettelijke regeling valt, kan worden herzien. Zo is herziening ten nadele niet mogelijk ten aanzien van strafbare feiten die zijn verjaard of als de gewezen verdachte is overleden (art. 482b lid 3 onder b Sv). Deze situaties zijn in de onderhavige zaak niet aan de orde.
7.8
Het schrappen van de afwijkende regel van overgangsrecht werd in de Kamerstukken als volgt toegelicht. (Voetnoot 32) De verwachting van de gewezen verdachte dat een vrijspraak die onherroepelijk is geworden vóór de totstandkoming van een wettelijke regeling van herziening ten nadele niet kan worden herzien, hoeft niet zonder meer te worden gehonoreerd. Het maatschappelijk belang om onterechte vrijspraken te kunnen herzien, kan zwaarder wegen dan het belang van de gewezen verdachte om met rust te worden gelaten. Deze afweging komt tot uitdrukking in de voorwaarde dat herziening ten nadele in het belang van een goede rechtsbedeling moet zijn. Wel houdt de wetgever vast aan het uitgangspunt dat geen herziening ten nadele mogelijk is bij strafbare feiten die zijn verjaard (art. 482 lid 3 Sv). Op grond van de rechtspraak van het EHRM houdt de minister er ernstig rekening mee dat het hernieuwd vervolgen van strafbare feiten die reeds zijn verjaard in strijd zal zijn met art. 7 lid 1 EVRM. Op de vraag in hoeverre dezelfde bezwaren gelden voor het hernieuwd vervolgen van strafbare feiten waarvan een gewezen verdachte onherroepelijk is vrijgesproken, wordt in de nota van wijziging niet ingegaan.
7.9
De Afdeling advisering van de Raad van State toonde zich kritisch over de voorgenomen wijziging. Zij adviseerde om geen onmiddellijke werking toe te kennen aan de wettelijke regeling van de herziening ten nadele. In het advies was daarover het volgende opgenomen: (Voetnoot 33)
“De verwachting voor een onherroepelijk vrijgesprokene is thans dat zijn zaak ook bij een novum niet te zijnen nadele kan worden herzien. Het huidige recht rechtvaardigt die verwachting. De voorgestelde introductie van de herziening ten nadele maakt deze verwachting niet ongerechtvaardigd en leidt er evenmin toe dat deze verwachting niet langer hoeft te worden gerespecteerd. Zoals bij de opheffing van de verjaringstermijn geldt ook hier dat de rechtszekerheid ernstig in het gedrang komt door niet langer rekening te houden met verwachtingen die op grond van het huidige recht gerechtvaardigd zijn. Een novum na een onherroepelijke uitspraak leidt niet tot een andere opvatting. Voorts kan het in de toelichting genoemde criterium van het belang van een goede rechtsbedeling, dat ook al deel uitmaakte van het oorspronkelijke wetsvoorstel en dat de beoordeling of alsnog zal worden vervolgd primair in handen legt van het openbaar ministerie, niet in de plaats treden van de in het oorspronkelijke wetsvoorstel zelf neergelegde overgangsrechtelijke beperking. Terecht is in het oorspronkelijke voorstel dan ook gekozen voor eerbiedigende werking, ook als van een novum is gebleken. De Afdeling adviseert daarom af te zien van de schrapping van artikel II.”
7.10
De Afdeling advisering van de Raad van State baseerde haar advies op de rechtszekerheid en het respecteren van gerechtvaardigde verwachtingen en maakte in dit opzicht nadrukkelijk wel een vergelijking tussen de herziening ten nadele en een wijziging van de verjaringsregeling. Op het Europeesrechtelijk kader werd in het advies niet ingegaan.
7.11
De minister merkte over het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State op dat het rechtszekerheidsbeginsel weliswaar een belangrijk beginsel is, maar niet absoluut geldt: (Voetnoot 34)
“Het kabinet is van mening dat het belang van rechtszekerheid, dat een vrijspraak die op de datum van inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel onherroepelijk is, niet in het nadeel van de gewezen verdachte zal worden herzien, bij afweging tegen het belang om, zeker bij zeer zware misdrijven, onterechte vrijspraken te kunnen herzien, niet zonder meer behoort te prevaleren.”
7.12
Verder wees de minister erop dat de Afdeling advisering van de Raad van State in het advies niet stelt dat de onmiddellijke werking van de wet in strijd zou zijn met de Grondwet of met internationale verdragen. (Voetnoot 35) Ook trok hij een vergelijking met de Wet van 16 november 2005, Stb. 595, die voorzag in de opheffing van verjaringstermijnen van misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld. Verwachtingen aangaande de duur van verjaringstermijnen werden door deze wet niet gerespecteerd. Het belang van rechtszekerheid van de verdachte werd minder zwaar geacht dan het belang van de samenleving dat deze misdrijven ook na langere tijd nog zouden kunnen worden vervolgd. (Voetnoot 36)
7.13
Naar aanleiding van vragen van Tweede Kamerleden ging de minister nader in op de vraag naar de verenigbaarheid van de onmiddellijke werking met het verdragsrecht: (Voetnoot 37)
“Voor de vraag of de onmiddellijke werking van de voorgestelde regeling in overeenstemming is met het EVRM zijn vooral de artikelen 6, eerste lid, en 7, eerste lid, EVRM van belang. In artikel 7, eerste lid, EVRM is opgenomen dat niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Hoewel hierin allereerst het materieelrechtelijk legaliteitsbeginsel is neergelegd, heeft het EHRM deze bepaling in zijn rechtspraak ook in verband gebracht met regelingen van de vervolgingsverjaring. Om redenen die in de toelichting op de tweede nota van wijziging zijn aangegeven, moet op basis van de rechtspraak van het EHRM ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat artikel 7, eerste lid, EVRM in beginsel aan het vervolgen en bestraffen van verjaarde strafbare feiten in de weg staat. Dat zal niet anders zijn in gevallen waarin in een eerder stadium onherroepelijk is vrijgesproken voor het – later verjaarde – strafbaar feit, en de vervolging de vorm zou aannemen van herziening ten nadele. Hier komt een verdragsrechtelijke grens in zicht. Het wetsvoorstel respecteert die grens door bij verjaarde strafbare feiten geen herziening ten nadele mogelijk te maken. De vraag of het toepassen van een regeling van herziening ten nadele op vrijspraken van voor de datum van inwerkingtreding van die regeling, verenigbaar is met artikel 7, eerste lid, EVRM is nog niet aan het EHRM voorgelegd. Het kabinet gaat ervan uit dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord, omdat het volgens het EHRM redelijk is als de verdragsluitende partijen ervan uitgaan dat strafvorderlijke proceshandelingen worden beheerst door het recht dat geldt ten tijde van die handelingen, ook als dit nadelig uitpakt voor de verdachte (zie Scoppola tegen Italië, EHRM 17 september 2009, application no. 10249/03, rechtsoverweging 110, waarin het EHRM ook verwijst naar Coëme tegen België, EHRM 22 juni 2000, application no. 32492/96, rechtsoverwegingen 147–149). Het indienen van een aanvraag tot herziening ten nadele is een strafvorderlijke proceshandeling.
Ook artikel 6, eerste lid, EVRM staat niet aan onmiddellijke werking in de weg. Op basis van dit artikel, dat van toepassing is zodra een strafzaak wordt heropend, beoordeelt het EHRM of de procedure in zijn geheel – dus inclusief de procedure die leidde tot gegrondverklaring van de herzieningsaanvraag – eerlijk was. Er moet sprake zijn van «to the maximum extent possible, a fair balance between the interests of an individual and the need to ensure the effectiveness of the system of criminal justice». In het criterium uit het wetsvoorstel dat herziening «in het belang van een goede rechtsbedeling» moet zijn, werkt de door het EHRM vereiste balans door. Dat herziening ten nadele in het belang van een goede rechtsbedeling dient te zijn, stelt aan het heropenen van in het verleden met een vrijspraak afgesloten strafzaken een grens. Tijdsverloop is een van de factoren die in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling of herziening ten nadele in het belang is van een goede rechtsbedeling. Naarmate de, voor de datum van inwerkingtreding onherroepelijk geworden, vrijspraak uit een recenter verleden stamt, zal herziening ten nadele eerder in het belang van een goede rechtsbedeling zijn. In het criterium van het belang van een goede rechtsbedeling en in de omstandigheid dat tijdsverloop daarbij een van de wegingsfactoren is, kan echter geen argument worden gevonden om vrijspraken die stammen van vóór de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel op voorhand – categorisch – uit te sluiten.” [onderstreping PG]
7.14
Een vergelijkbaar antwoord gaf de regering gegeven op vragen van Eerste Kamerleden. (Voetnoot 38) Naar aanleiding van een artikel van W.F. van Hattum (Voetnoot 39) en de stelling van de auteur dat de terugwerkende kracht van de regeling “geen houdbare optie” is, merkte de minister van Veiligheid en Justitie het volgende op over de onmiddellijke werking van de regeling: (Voetnoot 40)
“Mijn inschatting is een andere. Ik meen dat ervan kan worden uitgegaan dat het Europees Hof herziening van oude vrijspraken niet onverenigbaar zal oordelen met het in artikel 7 EVRM vervatte legaliteitsbeginsel. Zoals in verschillende kamerstukken betreffende dit wetsvoorstel is aangegeven, moet ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat het Europees Hof het met terugwerkende kracht ongedaan maken van een ingetreden verjaring in strijd zal achten met artikel 7 EVRM. Het scheppen van de mogelijkheid om – binnen de grenzen van de regeling van de vervolgingsverjaring – oude vrijspraken te herzien, is mijns inziens echter iets anders dan het laten herleven van het vervolgingsrecht voor strafbare feiten die eerder al waren verjaard. Bij de verjaring heeft de wetgever ten aanzien van groepen strafbare feiten categorisch beslist dat het vervolgingsrecht daarvoor binnen een bepaalde termijn verjaart. Een vrijspraak is echter een door de rechter genomen beslissing ten aanzien van een individueel strafbaar feit waarvan binnen de grenzen van de daarvoor geldende verjaringsregels herziening kan worden aangevraagd.
Daarbij komt dat het rechtszekerheidsbeginsel bij toetsing aan artikel 7 EVRM ook voor het Europees Hof niet absoluut is. Zo kan op basis van zijn rechtspraak worden aangenomen dat het is toegestaan om lopende verjaringstermijnen aan te passen (Coëme e.a. tegen België, EHRM 22 juni 2000, nr. 32492/96, rov. 148–149). Daaraan doet niet af dat de verdachte aan het recht dat gold ten tijde van het begaan van het feit, de verwachting kon ontlenen dat het feit binnen een bepaalde termijn zou verjaren, waarna hij definitief van strafvervolging gevrijwaard zou zijn. De aan het oude recht te ontlenen verwachting wordt in geval van aanpassing van lopende verjaringstermijnen dus niet gehonoreerd. Het rechtszekerheidsbeginsel staat daaraan, ook Europeesrechtelijk, dus niet in de weg.
Met de auteur ben ik eens dat uit het Scoppola-arrest van het Europees Hof voortvloeit dat artikel 7 EVRM ook geschonden kan zijn wanneer een wijziging van het strafprocesrecht materieel zou neerkomen op een wijziging van een onder dat artikel vallend materieel recht (Scoppola tegen Italië, EHRM GK 17 september 2009, nr. 10249/03, rov. 113). Maar van een inbreuk op een onder artikel 7 EVRM vallend materieel recht is bij herziening van oude vrijspraken mijns inziens geen sprake. Daarom geldt in mijn ogen de algemene regel uit de rechtspraak van het Europees Hof, die ook in het Scoppola-arrest (rov. 110) wordt herhaald, dat het redelijk is om bij wijzigingen in het strafprocesrecht uit te gaan van de onmiddellijke werking van deze wijzigingen.
Ik voeg daar nog aan toe dat ik mij moeilijk kan voorstellen dat het Europees Hof aan de bij het EVRM aangesloten staten de mogelijkheid zal willen onthouden wetgeving te introduceren die het mogelijk maakt om ook zaken die een oude vrijspraak betreffen, op grond van bijzondere omstandigheden die ook in artikel 4, tweede lid, van het Zevende Protocol bij het EVRM zijn genoemd, te heropenen.” [onderstreping PG]
7.15
Uiteindelijk werd het wetsvoorstel Herziening ten nadele met de kleinst mogelijke meerderheid – 36 tegen 35 stemmen – door de Eerste Kamer aangenomen. (Voetnoot 41)
Literatuur
7.16
In de literatuur wordt de onmiddellijke werking van de herzieningsregeling ten nadele geduid als een vorm van terugwerkende kracht, omdat herziening ten nadele ook mogelijk is voor vrijspraken die reeds onherroepelijk waren geworden voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet op 1 oktober 2013.
7.17
De onmiddellijke werking werd reeds aan de orde gesteld door Mevis en Kooijmans in hun studie naar de wenselijkheid en mogelijkheid van herziening ten nadele in 2003. (Voetnoot 42) De auteurs stelden dat voor het strafprocesrecht geen strikt verbod op terugwerkende kracht geldt, al vinden zij dat een vorm van terugwerkende kracht ook ten aanzien van regels van strafvordering niet bepaald de voorkeur verdient. De auteurs wijzen op de verwantschap met de verlenging en afschaffing van verjaringstermijnen. Zij merken op dat herziening ten nadele een verandering van de werking van het ‘ne bis in idem’-beginsel als bedoeld in art. 68 Sr inhoudt, welk beginsel zijn plaats heeft gekregen in het materiële strafrecht. Zij vervolgen:
“Maar het gaat bij het ne bis in idembeginsel – anders dan bij het oprekken van de voltooide verjaring – wel eerder om de legitimatie van de inbreuk door de herziening ten nadele op het door onherroepelijke vrijspraak verkregen recht als zodanig, niet alleen op reeds bij de inwerkingtreding afgesloten zaken. Zet men die stap in het algemeen door de introductie van de herziening ten nadele dan is de kernbeslissing van inbreuk genomen en ligt uitsluiting van toepassing op voor de inwerkingtreding afgesloten zaken minder voor de hand.”
7.18
Kooijmans merkt in 2016 op dat over de vraag of herziening ten nadele ‘met terugwerkende kracht’ strijdig is met het EVRM geen kristalheldere Straatsburgse rechtspraak voorhanden is. (Voetnoot 43) Borgers en Kooijmans stellen dat de onmiddellijke werking van de wet erop neerkomt dat herziening ten nadele “in feite met terugwerkende kracht” mag plaatsvinden en noemen de onmiddellijke werking van de Wet herziening ten nadele “opmerkelijk en problematisch”. Zij merken op dat “[d]e Raad van State (…) – terecht – van oordeel [is] dat met deze terugwerkende kracht de rechtszekerheid ernstig in het gedrang is gekomen.” (Voetnoot 44)
7.19
Tak betoogt dat het argument voor eerbiedigende werking in het oorspronkelijke voorstel, te weten het honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen, niet zonder meer geldt voor vrijspraken wegens “falsa of wegens pervertering van de rechtsgang”. (Voetnoot 45) Ook een novum vindt Tak een zwaarwegend argument om herziening ten nadele ook mogelijk te maken bij vrijspraken die onherroepelijk zijn geworden vóór de inwerkingtreding van de wet. Hij meent dat de doelen van de regeling – het dienen van de materiële waarheid, het tegemoetkomen aan gerechtvaardigde wensen van nabestaanden en het stichten van vrede – ernstig in het gedrang zouden komen als de regeling alleen zou gelden voor toekomstige vrijspraken.
7.20
Witteveen schreef dat alleen zwaarwegende belangen een uitzondering op het verbod van terugwerkende kracht – zoals de Wet herziening ten nadele die maakt – zouden kunnen rechtvaardigen. (Voetnoot 46) Hij merkte op dat met de terugwerkende kracht in het wetsvoorstel herziening ten nadele een bres wordt geslagen in het uitgangspunt in het strafrecht dat terugwerkende kracht hooguit wordt toegelaten bij wijzigingen ten voordele van de verdachte. Witteveen concludeerde dat de Eerste Kamer met één stem meerderheid – zonder een grondig debat – een staatsrechtelijk controversieel standpunt had ingenomen.
7.21
Vennix betoogt dat een herziening ten nadele die erop neerkomt dat het met terugwerkende kracht mogelijk wordt om vrijgesproken verdachten opnieuw te berechten op gespannen voet staat met het doel van art. 7 EVRM: het bieden van effectieve waarborgen tegen een willekeurige vervolging, veroordeling en bestraffing. (Voetnoot 47)
7.22
Van Hattum maakt de vergelijking tussen een reeds voltooide verjaring en een onherroepelijke vrijspraak. Zij betoogt dat uit de rechtspraak van het EHRM lijkt te kunnen worden afgeleid dat een reeds ingetreden verjaring niet met terugwerkende kracht ongedaan kan worden gemaakt. Van Hattum schrijft dat zij niet denkt dat het EHRM anders zou oordelen ten aanzien van een onherroepelijke vrijspraak. (Voetnoot 48) Beide zijn immers absolute vervolgingsbeletselen en betreffen opgewekt vertrouwen.
Conclusie en arrest in de Vivaldi-zaak
7.23
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 november 2016 in de Vivaldi-zaak bij de beoordeling van de aanvraag uitdrukkelijk – “mede om redenen van doelmatigheid” – in het midden gelaten “of de toepassing van de op 1 oktober 2013 in werking getreden regels omtrent de herziening ten nadele op vóór die datum onherroepelijk geworden einduitspraken houdende vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, verenigbaar is met het EVRM (…).” (Voetnoot 49) De Hoge Raad wees de herzieningsaanvraag op andere gronden af. De omstandigheid dat de Hoge Raad het antwoord op de vraag uitdrukkelijk in het midden laat, vormt een indicatie dat een bevestigend antwoord op deze vraag geen uitgemaakte zaak is. Daarbij heeft mogelijk ook de verwachting dat het Openbaar Ministerie een dergelijke zaak niet nogmaals aan de Hoge Raad zou voorleggen een rol gespeeld.
7.24
De toenmalig AG Knigge is in zijn conclusie voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad van 8 november 2016 in de Vivaldi-zaak wel nader ingegaan op de door de wetgever voorgestane onmiddellijke werking van de Wet herziening ten nadele. (Voetnoot 50) Knigge trekt, evenals meerdere van de genoemde auteurs, een parallel met jurisprudentie van het EHRM over verjaring in het licht van art. 7 EVRM. Hij leidt uit de (tot dan toe gewezen) jurisprudentie af dat het openbreken van een reeds voltooide verjaring hoogstwaarschijnlijk in strijd met art. 7 EVRM zal worden geacht. Hij voegt daaraan het volgende toe:
“Het verstrijken van de verjaringstermijn verschaft de verdachte een ‘verkregen recht’ dat niet aangetast mag worden. De vraag is of het recht om gevrijwaard te blijven van vervolging en bestraffing dat de gewezen verdachte onder het oude recht aan een onherroepelijke vrijspraak kon ontlenen, van een andere orde is. De Wet herziening ten nadele vormt een “legal provision” die voorziet in het herstel van “the possibility of punishing offenders for acts which were no longer punishable”. Maakt het vanuit een oogpunt van rechtszekerheid verschil of het ontbreken van de mogelijkheid van bestraffing zijn oorzaak vindt in de voltooiing van de verjaring of in de onherroepelijkheid van de vrijspraak?”
7.25
AG Knigge concludeerde dat de onmiddellijke werking van de wet het enige punt betrof waarop de wetgever bewust de grenzen van het EVRM had opgezocht. De definitieve zekerheid van de gewezen verdachte na de onherroepelijke vrijspraak is volgens hem ingeruild tegen oneindige zekerheid zonder dat dit voor hem was te voorzien. Knigge concludeerde dat onzeker is of de onmiddellijke werking genade vindt in de ogen van het EHRM en dat er rekening mee moet worden gehouden dat die onmiddellijke werking niet alleen in strijd is met art. 7 EVRM maar ook, en misschien wel vooral, met art. 6 EVRM. (Voetnoot 51)
7.26
Van Dorst verwachtte dat de kwestie over de onmiddellijke werking na de Vivaldi-zaak geen rol meer zou spelen, omdat het volgens hem “niet goed voorstelbaar [is] dat het openbaar ministerie nog eens herziening zal vragen in een zaak van vóór de inwerkingtreding van de huidige regeling (…), nadat deze kwestie zo scherp in het licht is gesteld door Knigge.” (Voetnoot 52) Die verwachting is niet uitgekomen.
7.27
In het oorspronkelijke wetsvoorstel was de keuze voor een overgangsrechtelijk regime van eerbiedigende werking ingegeven door de gedachte dat algemene beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging meebrengen dat de gerechtvaardigde verwachtingen van personen die onherroepelijk zijn vrijgesproken vóór inwerkingtreding van de Wet herziening ten nadele moeten worden gerespecteerd. Ook de Afdeling advisering van de Raad van State benadrukte dat het toenmalige recht de verwachting rechtvaardigde dat een vrijspraak niet ten nadele van de gewezen verdachte kon worden herzien en dat de rechtszekerheid ernstig in het gedrang zou komen als deze verwachting niet zou worden gerespecteerd. De wetgever heeft uiteindelijk gekozen voor een stelsel van onmiddellijke werking. Daarbij is benadrukt dat het beginsel van rechtszekerheid geen absolute gelding heeft, dat de vraag naar de verenigbaarheid met het EVRM nog niet aan het EHRM is voorgelegd, maar dat ervan wordt uitgegaan dat art. 7 en art. 6 EVRM niet aan de door de wetgever gemaakte keuze in de weg staan. Daarmee staat vast dat de wetgever onmiddellijke werking van de wet heeft beoogd. De wetgever heeft aldus de toepassing van de wet op uitspraken die vóór de inwerkingtreding onherroepelijk zijn geworden mogelijk willen maken.
7.28
De keuze van de wetgever voor onmiddellijke werking is in de literatuur bekritiseerd. In de – veelal wat oudere – literatuur bestaat in dit verband geen eenstemmigheid. Verschillende auteurs benadrukken het ontbreken van Europese rechtspraak over de voorliggende vraag en de onzekerheid die daaruit voortvloeit. De beschouwingen in de literatuur zijn ten aanzien van de verhouding tot het EVRM in het algemeen weinig concreet.
7.29
De Hoge Raad heeft het antwoord op de vraag naar de verenigbaarheid van de toepassing van de wet op zaken die vóór de inwerkingtreding zijn afgerond uitdrukkelijk in het midden gelaten. De voormalig AG Knigge heeft in zijn conclusie in de Vivaldi-zaak wel een concrete analyse van de Europese rechtspraak opgenomen, op basis waarvan hij tot de slotsom komt dat onzeker is of de onmiddellijke werking genade vindt in de ogen van het EHRM en dat er rekening mee moet worden gehouden dat die onmiddellijke werking niet alleen in strijd is met art. 7 EVRM maar ook, en misschien wel vooral, met art. 6 EVRM.
Een blik over de grens: herziening ten nadele en terugwerkende kracht in andere landen
7.30
Lang niet alle landen binnen de Raad van Europa kennen de mogelijkheid van herziening ten nadele. De rechtsfiguur komt in de regel niet voor in landen met een Frans-Romaanse rechtstraditie. (Voetnoot 53) Zo is herziening in België, Frankrijk (Voetnoot 54), Italië en Spanje enkel mogelijk ten voordele. Herziening ten nadele maakt wel onderdeel uit van de herzieningsregeling in onder andere Duitsland, Finland, Tsjechië, Engeland en Wales en Noord-Ierland. Ook Aruba kent een regeling van herziening ten nadele. Hierna wordt ingegaan op de vraag of de regeling van de herziening ten nadele in deze landen ook van toepassing is op vrijspraken die onherroepelijk zijn geworden voordat de wet de mogelijkheid van herziening ten nadele bood.
7.31
In Finland is herziening ten nadele mogelijk sinds 1 juli 1960 (wet van 20 februari 1960, nr. 109/1960). Op grond van de toepasselijke Finse wet (Oikeudenkäymiskaari), hoofdstuk 31, sectie 9, kan een onherroepelijke uitspraak worden herzien in het nadeel van de betrokkene, onder meer wanneer “a circumstance of a piece of evidence which has not been presented previously is invoked and its presentation would probably have led to the conviction of the defendant for the offence or to the application of essentially more severe penal provisions.” (Voetnoot 55)In dat geval dient het herzieningsverzoek te worden gedaan uiterlijk één jaar nadat de verzoekende partij op de hoogte is gekomen van het novum (hoofdstuk 31, sectie 10).
7.32
De herzieningsregeling ten nadele is van toepassing op een herzieningsverzoek dat ziet op een uitspraak die is gedaan vóór de inwerkingtreding van de wet, met dien verstande dat de hiervoor genoemde termijn van een jaar niet eerder aanvangt dan de datum waarop de wet in werking is getreden.
7.33
Herziening ten nadele in Tsjechië is mogelijk sinds 1 januari 1962 (wet van 29 november 1961, nr. 141/1961). Herziening van een onherroepelijke uitspraak is onder meer mogelijk wanneer er sprake is van feiten die de rechter niet bekend waren en welke, op zichzelf of in samenhang met de eerder bekende feiten of het eerder bekende bewijs, een andere beslissing aangaande de schuldvraag rechtvaardigen (art. 278 van het Tsjechische Wetboek van Strafvordering (Zákon o trestním rízení soudním)). Art. 279 van het Wetboek voorziet in aanvullende voorwaarden voor herziening ten nadele. Herziening ten nadele is bijvoorbeeld niet mogelijk indien de betrokkene is overleden of wanneer de helft van de verjaringstermijn van het strafbare feit is verstreken. De laatstgenoemde voorwaarde is ingevoerd op 1 januari 2002. De desbetreffende termijn vangt aan op de dag waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden.
7.34
Op grond van art. 463 van het Wetboek zijn de bepalingen over herziening van een strafrechtelijke uitspraak ook van toepassing op uitspraken die onherroepelijk zijn geworden voordat de wet in werking is getreden. Wat betreft de voorwaarden voor toewijzing van een herzieningsverzoek, dient de voor de betrokkene meest gunstige wet te worden toegepast.
Engeland, Wales en Noord-Ierland
7.35
In Engeland, Wales en Noord-Ierland is herziening ten nadele op grond van falsa mogelijk sinds 1996. (Voetnoot 56) Op 4 april 2005 is herziening ten nadele bijgekomen ook mogelijk op grond van “new and compelling evidence” (art. 78 lid 1 Criminal Justice Act 2003). (Voetnoot 57)
7.36
In tegenstelling tot herziening ten nadele op grond van falsa (art. 54 lid 7 Criminal Procedure and Investigations Act 1996), is de herziening ten nadele op grond van nova mogelijk ten aanzien van vrijspraken “before or after the passing of this Act” (art. 75 lid 6 Criminal Justice Act 2003). Door deze ruime reikwijdte kan het mogelijke voordeel door de toepassing van nieuwe (DNA-)technieken op bewijs uit oude zaken worden benut. Verder werd de wetswijziging gezien als een wijziging van procedurele aard. (Voetnoot 58) De Law Commission was van mening dat de terugwerkende kracht geen strijd met art. 7 EVRM opleverde, omdat art. 7 EVRM enkel ziet op het in het leven roepen van strafrechtelijke aansprakelijkheid en niet op procedurele wetswijzigingen. (Voetnoot 59) De regering nam deze redenering over en besliste dat de herziening ten nadele op grond van nieuw bewijs “will be retrospective. That is, it will apply to acquittals which take place before the law is changed, as well as those that happen after.” (Voetnoot 60)
Duitsland
7.37
De regeling van herziening ten nadele in Duitsland bestaat sinds de inwerkingtreding van het Duitse Wetboek van Strafvordering (Strafprozessordnung, StPO) in 1879 (art. 362). Tot 2021 was herziening ten nadele slechts mogelijk op grond van falsa en op grond van een geloofwaardige bekentenis van de gewezen verdachte. Bij wet van 21 december 2021 heeft de wetgever herziening ten nadele op grond van een (ander) novum geïntroduceerd. Art. 362 aanhef en lid 5 StPO luiden:
“Die Wiederaufnahme eines durch rechtskräftiges Urteil abgeschlossenen Verfahrens zuungunsten des Angeklagten ist zulässig,
(…)
5. wenn neue Tatsachen oder Beweismittel beigebracht werden, die allein oder in Verbindung mit früher erhobenen Beweisen dringende Gründe dafür bilden, dass der freigesprochene Angeklagte wegen Mordes (§ 211 des Strafgesetzbuches), Völkermordes (§ 6 Absatz 1 des Völkerstrafgesetzbuches), des Verbrechens gegen die Menschlichkeit (§ 7 Absatz 1 Nummer 1 und 2 des Völkerstrafgesetzbuches) oder Kriegsverbrechens gegen eine Person (§ 8 Absatz 1 Nummer 1 des Völkerstrafgesetzbuches) verurteilt wird.”
7.38
Op 31 oktober 2023 heeft het Duitse Bundesverfassungsgericht (BVerfG) geoordeeld over de uitbreiding van de gronden voor herziening ten nadele. In de uitspraak was aan de orde of 1) herziening ten nadele op basis van nieuw bewijs verenigbaar was met het ‘ne bis in idem’-beginsel, zoals neergelegd in art. 103 lid 3 van de Duitse Grondwet en 2) of de wetswijziging uit 2021 ook kan worden toegepast op vrijspraken die onherroepelijk waren geworden voorafgaand aan de wetswijziging.
7.39
Het BVerfG oordeelde dat herziening ten nadele op basis van nieuw bewijs in strijd is met het ‘ne bis in idem’-beginsel, omdat de herziening in dat geval primair is gericht op het bereiken van een inhoudelijk juistere beslissing. (Voetnoot 61) De toepassing op zaken die vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging reeds met onherroepelijke vrijspraak zijn geëindigd, achtte het BVerfG in strijd met het grondwettelijk verankerde verbod van terugwerkende kracht. Het BVerfG overwoog onder meer:
142. Zudem verletzt die Anwendung des § 362 Nr. 5 StPO auf Verfahren, die bereits vor Inkrafttreten dieser Bestimmung durch rechtskräftigen Freispruch abgeschlossen waren, das Rückwirkungsverbot aus Art. 103 Abs. 3 in Verbindung mit Art. 20 Abs. 3 GG.
(…)
147. 2. Soweit § 362 Nr. 5 StPO die Wiederaufnahme auch für Verfahren ermöglicht, die bereits zum Zeitpunkt seines Inkrafttretens rechtskräftig abgeschlossen waren (a), liegt darin eine „echte“ Rückwirkung (b), die auch nicht ausnahmsweise zulässig ist (c).
7.40
Het BVerfG was van oordeel dat terugwerkende kracht van art. 362 lid 5 StPO niet is toegestaan. Voor het aanvaarden van een uitzondering zag het BVerfG geen ruimte:
“157. bb) Der Vertrauensschutz tritt hier auch nicht wegen zwingender Gründe des Gemeinwohls, die dem Prinzip der Rechtssicherheit vorgehen und eine rückwirkende Beseitigung erfordern, zurück.
158. Die vom Gesetzgeber mit der Regelung des § 362 Nr. 5 StPO insgesamt beabsichtigte Verwirklichung des Prinzips der materialen Gerechtigkeit verdrängt die zentrale Bedeutung der Rechtssicherheit für den Rechtsstaat nicht. Der Freispruch eines möglicherweise Schuldigen und der Fortbestand dieses Freispruchs trotz abnehmender Zweifel an der Schuld des Freigesprochenen sind unter dem Gesichtspunkt des Gemeinwohls nicht „unerträglich“, sondern vielmehr Folgen einer rechtsstaatlichen Strafrechtsordnung, in der der Zweifelsgrundsatz eine zentrale Rolle spielt.”
7.41
Het BVerfG ging in op zijn eerdere uitspraak over toegestane terugwerkende kracht van een wetswijziging ten aanzien van een vermogenssanctie. In die uitspraak had het overwogen dat terugwerkende kracht mogelijk was om niet-naleving van de wet en negatieve effecten op het vertrouwen in de rechtsorde te voorkomen. Het Hof overweegt dat herziening ten nadele op grond van een novum fundamenteel verschilt van de situatie waarover het eerder oordeelde:
“160. Die Wiederaufnahme eines bereits mit Urteil abgeschlossenen Strafverfahrens unterscheidet sich hiervon grundlegend. Sie ist auf eine dem Schuldgrundsatz unterliegende Strafe gerichtet. Das Vertrauen gründet hier nicht in dem Eintritt der Verjährung, sondern in einem rechtskräftigen Urteil. Im Fall eines Freispruchs ist dies gerade nicht mit einem Unwerturteil verbunden, vielmehr ist das Vertrauen verfassungsrechtlich geschützt. Die Wiederaufnahme ist auf eine erneute Strafverfolgung gerichtet und stützt sich auf einen Verdacht, nicht aber auf die Feststellung einer rechtswidrigen Tat (vgl. § 73a StGB). Es lässt sich auch nicht feststellen, dass es zur gesellschaftlichen Normstabilisierung der Rückwirkung des § 362 Nr. 5 StPO bedarf. Insbesondere ist nicht zu erkennen, wie der Fortbestand eines Freispruchs, dem stets eine Hauptverhandlung vorausgegangen ist, den Eindruck eines Vollzugsdefizits erwecken könnte.”
7.42
De beslissing dat herziening ten nadele op basis van nieuw bewijs in strijd is met het ‘ne bis in idem’-beginsel werd in een dissenting opinion van twee rechters bekritiseerd. Deze rechters hadden echter geen twijfel over de juistheid van de beslissing dat de toepassing van de wet op uitspraken die vóór de inwerkingtreding daarvan onherroepelijk zijn geworden in strijd is met het grondwettelijk verankerde beginsel van rechtszekerheid. (Voetnoot 62)
7.43
Op 1 april 2024 is het nieuwe Wetboek van Strafvordering van Aruba in werking getreden. (Voetnoot 63) In het nieuwe Wetboek is, in navolging van (Europees) Nederland, de herzieningsregeling gewijzigd, in die zin dat herziening ten nadele is ingevoerd (Titel VII Herziening van vonnissen ten nadele, art. 475 t/m 475h). In de wet zijn de delicten ten aanzien waarvan herziening ten nadele mogelijk is uitdrukkelijk beperkt tot moord en doodslag (“het opzettelijk doden van een ander”).
7.44
In de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat de “terugwerkende kracht niet [is] overgenomen van het Nederlandse voorbeeld.” (Voetnoot 64) Daarmee heeft de Arubaanse wetgever, die zich bij de wettelijke regeling van de herziening ten nadele heeft laten inspireren door de (Europees) Nederlandse wet, nadrukkelijk afstand genomen van het scherpste onderdeel van die wet, te weten de onmiddellijke werking.
7.45
De korte rechtsvergelijkende schets laat een divers beeld zien. Lang niet alle lidstaten van de Raad van Europa hebben een regeling van herziening ten nadele. In verschillende landen die wel een dergelijke wettelijke regeling kennen, komt het voor dat de regeling zich ook uitstrekt tot zaken die al vóór de invoering van de herziening ten nadele dan wel de uitbreiding van de gronden daarvoor tot een afronding waren gekomen. Nederland staat in deze keuze dus niet alleen.
7.46
Het tot het Koninkrijk der Nederlanden behorende Aruba is overigens juist op dit onderdeel van de (Europees) Nederlandse regeling afgeweken. Het BVerfG heeft de keuze van de Duitse wetgever voor terugwerkende kracht van de uitbreiding van de gronden voor herziening ten nadele tot nova ongrondwettig bevonden. Hoewel de toetsing door het BVerfG was toegesneden op de Duitse Grondwet, stond daarin het beginsel van rechtszekerheid centraal, dat door het EHRM als “one of the fundamental aspects of the rule of law” wordt beschouwd. (Voetnoot 65) De betekenis daarvan in de Europese rechtspraak komt hieronder aan bod.
Rechtspraak van het EHRM
7.47
In het onderstaande zal de vraag naar de verenigbaarheid van de toepassing van herziening ten nadele op uitspraken die onherroepelijk zijn geworden vóór de datum van inwerkingtreding van de wet met het EVRM uitvoerig aan de orde komen. Omdat de vraag als zodanig nog niet aan het EHRM is voorgelegd, zal de rechtspraak in een breder perspectief worden besproken. Daarbij komen verwante kwesties aan bod, zoals de terugwerkende kracht van regelingen waarbij verjaringstermijnen worden verlengd. De bespreking concentreert zich op de artikelen 7 en 6 EVRM.
Onmiddellijke werking in het licht van art. 7 EVRM
7.48
Art. 7 lid 1 EVRM luidt als volgt:
“1. No one shall be held guilty of any criminal offence on account of any act or omission which did not constitute a criminal offence under national or international law at the time when it was committed. Nor shall a heavier penalty be imposed than the one that was applicable at the time the criminal offence was committed.”
7.49
Art. 7 lid 1 EVRM beoogt te beschermen tegen “arbitrary prosecution, conviction and punishment.” (Voetnoot 66) Art. 7 lid 1 EVRM omvat mede het ‘lex praevia’-beginsel, ofwel het verbod van terugwerkende kracht. (Voetnoot 67) Het verbod van terugwerkende kracht strekt zich uit tot “substantive criminal law”, meer in het bijzonder “provisions defining offences and the penalties for them”. (Voetnoot 68) Ten aanzien van procedurele wetgeving mogen staten het ‘tempus regit actum’-principe toepassen. Het EHRM hanteert in dit verband een autonome definitie. De nationale kwalificatie is niet doorslaggevend. Het verbod van terugwerkende kracht staat verder alleen in de weg aan het met terugwerkende kracht toepassen van bepalingen ten nadele van de verdachte. (Voetnoot 69)
7.50
Zoals opgemerkt, heeft het EHRM zich nog niet uitgelaten in hoeverre de toepassing van een herzieningsregeling ten nadele onder het bereik van art. 7 EVRM valt. De in het Wetboek van Strafvordering opgenomen regels van herziening zijn in de kern procedureel van aard. Daarmee is echter niet alles gezegd. Herziening ten nadele vormt een door de wetgever voorziene uitzondering op de vervolgingsuitsluitingsgrond van art. 68 Sr. De regels betreffen daarom het recht tot strafvervolging en vertonen in dat opzicht verwantschap met regels ten aanzien van verjaring, waarover wel rechtspraak van het EHRM voorhanden is. Gelet op die verwantschap, wordt de rechtspraak ten aanzien van verjaring in het onderstaande besproken. Vervolgens zal nader worden ingegaan op die verwantschap en zal de vraag worden beantwoord of de rechtspraak ten aanzien van verjaring voldoende houvast geeft om de verenigbaarheid van (toepassing van) de onmiddellijke werking van de wettelijke regeling van de herziening ten nadele te kunnen beoordelen.
7.51
Het EHRM heeft in verschillende zaken geoordeeld dat regels ten aanzien van verjaringstermijnen in beginsel procedureel van aard zijn. Art. 7 lid 1 EVRM staat niet in de weg aan het verlengen van termijnen van verjaring van het recht op strafvervolging ter zake van strafbare feiten waarvan de verjaringstermijn op het moment van die verlenging nog niet was verstreken. In het arrest Coëme e.a. tegen België overwoog het EHRM: (Voetnoot 70)
“149. The extension of the limitation period brought about by the Law of 24 December 1993 and the immediate application of that statute by the Court of Cassation did, admittedly, prolong the period of time during which prosecutions could be brought in respect of the offences concerned, and they therefore detrimentally affected the applicants' situation, in particular by frustrating their expectations. However, this does not entail an infringement of the rights guaranteed by Article 7, since that provision cannot be interpreted as prohibiting an extension of limitation periods through the immediate application of a procedural law where the relevant offences have never become subject to limitation.
The question whether Article 7 would be breached if a legal provision were to restore the possibility of punishing offenders for acts which were no longer punishable because they had already become subject to limitation is not pertinent to the present case and the Court is accordingly not required to examine it, (…)”
7.52
In een partly dissenting opinion bij het arrest K.-H.W. tegen Duitsland leidt de Portugese rechter Barreto het volgende af uit de overwegingen in het arrest Coëme e.a. tegen België: (Voetnoot 71)
“Reading between the lines of that judgment, it would seem that Article 7 of the Convention is breached where a law lengthens a limitation period after it has expired. Any other principle would run counter to the principle of legal certainty.”
7.53
In het arrest Orlen Lietuva Ltd tegen Litouwen vat het EHRM zijn jurisprudentie ten aanzien van verjaringstermijnen en art. 7 EVRM als volgt samen: (Voetnoot 72)
“97. The Court notes that it has classified domestic rules on limitation periods as procedural laws, inasmuch as they do not define offences and penalties and can be construed as laying down a simple precondition for the assessment of the case (see Coëme and Others v. Belgium, nos. 32492/96 and 4 others, § 149, ECHR 2000-VII; Previti v. Italy (dec.), no. 1845/08, § 80, 12 February 2013; and Borcea v. Romania (dec.), no. 55959/14, § 64, 22 September 2015).”
7.54
In dit arrest uit 2019 werd een rechtspersoon verdacht van het maken van misbruik van zijn economische machtspositie in de jaren 2002 tot en met 2004. In 2005 werd een boete opgelegd vanwege het overtreden van de mededingingswet. In 2009 werd het onderzoek door de toezichthouder heropend en in 2011 werd een boete opgelegd van 2,3 miljoen euro. De rechtspersoon stelde dat de boete niet had mogen worden opgelegd, omdat de strafbare feiten in 2007 waren verjaard. Het hoogste gerechtshof van Litouwen was van oordeel dat de verjaringstermijn van drie jaren niet was verstreken en dat de rechtspersoon zich schuldig had gemaakt aan het overtreden van de mededingingswet. De rechtspersoon diende een klacht in bij het EHRM en stelde zich onder meer op het standpunt dat sprake was van een schending van art. 7 EVRM. Het EHRM liet in het midden of daadwerkelijk sprake was van een situatie waarin de verjaring al was ingetreden en oordeelde de klacht kennelijk ongegrond:
“97. (…) The applicant company did not show that the limitation period provided by the Law on Competition pertained to the definition of the offence or the penalty; instead, relevant domestic provisions on the statute of limitation defined a precondition for the examination of the case by the domestic authorities. Accordingly, the Court notes that the material in its possession does not disclose any appearance of a violation of Article 7 § 1 of the Convention. This part of the application must therefore be rejected as being manifestly ill-founded, pursuant to Article 35 §§ 3 and 4 of the Convention.”
7.55
Bedacht moet worden dat het in deze zaak niet ging om een klassieke strafzaak, maar om een “competition-related administrative offence”, die naar het oordeel van het EHRM wel een criminal charge inhield, waardoor art. 6 EVRM van toepassing was. In deze context lijkt het EHRM verjaring als een processuele kwestie te beschouwen. Uit het arrest zou kunnen worden afgeleid dat art. 7 EVRM in de geschetste context niet in de weg staat aan het doen herleven van het vervolgingsrecht na een voltooide verjaring. In een andere opvatting had het EHRM het antwoord op de vraag of de verjaringstermijn was verstreken immers niet in het midden kunnen laten.
7.56
Toch kan uit de rechtspraak van het EHRM niet in algemene zin worden geconcludeerd dat in strafzaken een voltooide verjaring niet in de weg staat aan het doen herleven van het vervolgingsrecht. Uit de rechtspraak blijkt dat verjaringstermijnen van belang kunnen zijn bij de beoordeling of sprake is van een schending van art. 7 EVRM. Daarbij wijs ik op het volgende.
7.57
In het arrest Antia en Khupenia tegen Georgië uit 2020 kwam het EHRM tot het oordeel dat art. 7 EVRM was geschonden. (Voetnoot 73) In deze zaak stond vast dat de verjaringstermijn was verstreken. Het nationale recht van Georgië bepaalde dat een strafrechtelijke procedure diende te worden beëindigd wanneer de strafbare feiten waren verjaard, tenzij de verdachte zich tegen een dergelijke beëindiging verzette. De Georgische Hoge Raad had expliciet vastgesteld dat het recht op vervolging van de strafbare feiten was verjaard, maar had niets overwogen over een eventueel verzet tegen beëindiging van de procedure door Antia en Khupenia, terwijl de argumenten die namens de klagers naar voren waren gebracht in de strafzaak juist op het tegendeel wezen. De klagers werden veroordeeld voor de strafbare feiten, maar werden wel vrijgesteld van de tenuitvoerlegging van de opgelegde straffen.
7.58
In het arrest in de zaak Antia en Khupenia definieerde het EHRM verjaring als “(…) a statutory right of an offender not to be prosecuted or tried after the lapse of a certain period of time since the offence was committed,” en overwoog het dat verjaringstermijnen onder meer de rechtszekerheid dienen. (Voetnoot 74) Verder overwoog het EHRM dat het onder art. 7 lid 1 EVRM dient te onderzoeken “whether there was a contemporaneous legal basis for the applicant’s conviction”. (Voetnoot 75) Het EHRM acht van belang dat de nationale rechter niets had overwogen over de vraag of de klagers zich hadden verzet tegen de beëindiging van de strafzaak vanwege verjaring en overweegt:
“42. (…) It is therefore apparent that the applicants were convicted for acts which were no longer punishable owing to the lapse of the statute of limitations under the relevant domestic law (see paragraph 39 above), and the domestic courts offered no explanation for taking such an approach to their case (contrast and compare Coëme and Others, cited above, § 150).
43. The foregoing considerations are sufficient for the Court to proceed with finding a violation of Article 7 (…).”
7.59
Opmerking verdient dat het EHRM in dit arrest niet de voortzetting van de vervolging na het verstrijken van de verjaringstermijn als zodanig al in strijd met art. 7 EVRM achtte. De schending van art. 7 EVRM “in the particular circumstances of the present case” kan niet los worden gezien van de overwegingen van het EHRM die erop neerkomen dat niet was voldaan aan de in de nationale wetgeving neergelegde voorwaarde voor voortzetting van de vervolging na het verstrijken van de verjaringstermijn. Daarbij ging het wel om een voorwaarde die was verbonden aan de houding van klagers ten aanzien van het al dan niet beëindigen van de procedure.
7.60
In de recente beslissing in de zaak Van der Zwan tegen Nederland overwoog het EHRM: (Voetnoot 76)
“ Article 7 also precludes the revival of a prosecution in respect of an offence that has become time-barred (see Advisory opinion on the applicability of statutes of limitation to prosecution, conviction and punishment in respect of an offence constituting, in substance, an act of torture [GC], request no. P16-2021-001, Armenian Court of Cassation, § 77, 26 April 2022). The Court further reiterates that it has classified domestic rules on limitation periods as procedural laws, insofar as they do not define offences and penalties and can be construed as laying down a simple precondition for the assessment of the case (see Orlen Lietuva Ltd. v. Lithuania, no. 45849/13, § 97, 29 January 2019).”
7.61
De in deze beslissing genoemde advisory opinion van het EHRM van 26 april 2022 betreft de toepasselijkheid van verjaringsregels op foltering. (Voetnoot 77) Het Armeense Hof van Cassatie had het EHRM, op grond van art. 1 van het Zestiende Protocol, gevraagd om een advisory opinion over de vraag of het buiten toepassing laten van verjaringstermijnen voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor foltering in overeenstemming is met art. 7 EVRM, indien het nationale recht niet verplicht tot het buiten toepassing laten van die verjaringstermijnen.
7.62
In de advisory opinion wordt het arrest Orlen Lietuva Ltd niet genoemd. Wel gaat het EHRM uitgebreid in op het arrest Antia en Khupenia tegen Georgië:
“76. However, in contrast to those cases, the Court found a violation of Article 7 in a recent case in which the applicants had been convicted of an offence which was time-barred (see Antia and Khupenia v. Georgia, no. 7523/10, §§ 38-43, 18 June 2020). In doing so, the Court, while reiterating the definition and purpose of limitation periods stated at paragraph 72 above, observed that in this context the main question before it, subject to its power of review under Article 7, was whether there was a valid legal basis for the applicants’ conviction in view of the expiry of the statute of limitation in respect of the relevant offence.
77. In other words, as can be deduced from the Court’s findings above, where criminal responsibility has been revived after the expiry of a limitation period, it would be deemed incompatible with the overarching principles of legality (nullum crimen, nulla poena sine lege) and foreseeability enshrined in Article 7 (see paragraphs 67-71 above). It follows that where a criminal offence under domestic law is subject to a statute of limitation, and becomes time-barred so as to exclude criminal responsibility, Article 7 would preclude the revival of a prosecution in respect of such an offence on account of the absence of a valid legal basis. To hold otherwise would be tantamount to accepting “the retrospective application of the criminal law to an accused’s disadvantage” (emphasis added) (see Del Río Prada, cited above, § 78, quoted at paragraph 67 above).” [onderstreping PG]
7.63
Uit deze overwegingen volgt dat het herleven van strafrechtelijke aansprakelijkheid na het verstrijken van de verjaringstermijn “on account of the absence of a valid legal basis” een schending van art. 7 EVRM oplevert.
7.64
Het is echter de vraag of de gewezen verdachte volgens het EHRM na het verstrijken van de verjaringstermijn onder geen enkele omstandigheid alsnog kan worden vervolgd. In het arrest van het EHRM in de zaak Tasdemir e.a. tegen Turkije overweegt het EHRM in dit verband onder verwijzing naar het arrest in de zaak Coëme e.a. tegen België dat “a reopening of criminal proceedings that were terminated on account of the expiry of the statute of limitations may raise issues concerning legal certainty” (onderstreping PG). (Voetnoot 78) Het komt mij voor dat het daarbij verschil maakt of (voortzetting van de) vervolging mogelijk wordt gemaakt door een wettelijke voorziening die al bestond ten tijde van de strafvervolging, zoals in de specifieke context in de zaak Antia en Khupenia, of dat de mogelijkheid om alsnog tot (voortzetting van de) vervolging over te gaan in het leven wordt geroepen door een wet die een voltooide verjaring ‘openbreekt’. Juist het laatste is in het licht van het belang van rechtszekerheid, dat art. 7 EVRM mede beoogt te beschermen, problematisch. (Voetnoot 79)
Verjaring en positieve verdragsverplichtingen
7.65
Bij het voorgaande dient te worden bedacht dat op staten uit art. 2 EVRM voortvloeiende materiële en procedurele positieve verplichtingen rusten om adequate stappen te zetten teneinde burgers te beschermen tegen levensgevaar. Wat de materiële positieve verplichtingen betreft, dienen staten “to put in place a legislative and administrative framework designed to provice effective detterence against threats to life”. (Voetnoot 80) Verder vloeit uit art. 2 EVRM de procedurele positieve verplichting voort “to ensure, by all means at its disposal, an adequate response – judicial or otherwise – so that the legislative and administrative framework set up to protect the right to life is properly implemented and any breaches of that right are repressed and punished.” (Voetnoot 81) De procedurele positieve verplichting betreft een inspanningsverplichting, geen resultaatsverplichting. (Voetnoot 82)
7.66
De verplichting van de staat om effectief onderzoek te doen naar een dodelijk incident is niet beperkt tot de periode direct na het overlijden. Het EHRM beklemtoont dat de verplichting om effectief onderzoek te doen kan herleven ingeval in een later stadium nieuw bewijs aan het licht komt. De beoordeling wat in dit verband redelijkerwijs van de autoriteiten kan worden gevergd, is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het tijdsverloop kan daarbij een obstakel zijn. Een eventueel onderzoek moet bovendien te verenigen zijn met de rechten en vrijheden van burgers, zoals de onschuldpresumptie. (Voetnoot 83) Steeds zal sprake moeten zijn van een fair balance tussen de diverse rechten die uit het Verdrag voortvloeien.
7.67
De vraag rijst hoe de positieve verdragsverplichtingen zich verhouden tot de hiervoor besproken rechtspraak ten aanzien van verjaringstermijnen. In de advisory opinion van 26 april 2022 wijdt het EHRM beschouwingen aan de verhouding tussen de positieve verplichtingen voortvloeiend uit art. 3 EVRM in de context van gedragingen van politieambtenaren enerzijds en verjaringstermijnen en art. 7 EVRM anderzijds:
“65. The Court notes that in Virabyan (cited above), it found a violation of Article 3 on the grounds that the applicant had been subjected to torture and that the authorities had failed to carry out an effective investigation into his allegations of ill-treatment. However, in the Court’s opinion, it would be unacceptable for national authorities to compensate for the failure to discharge their positive obligations under Article 3 of the Convention at the expense of the guarantees of Article 7 of the Convention, one of which is that the criminal law must not be construed extensively to an accused’s detriment (…).
66. In particular, and for the purposes of the present Advisory Opinion, it should be noted that it does not follow from the current state of the Court’s case-law that a Contracting Party is required under the Convention not to apply an applicable limitation period and thereby effectively to revive an expired limitation period. (…)”
7.68
Uit deze overwegingen volgt dat het EHRM uit de positieve verdragsverplichtingen op grond van art. 3 EVRM geen verplichting voor de staat afleidt om een reeds voltooide verjaring ‘open te breken’ en aldus afbreuk te doen aan de waarborgen van art. 7 EVRM. (Voetnoot 84)
7.69
De Armeense rechter zag zich geconfronteerd met de vraag of een verjaringstermijn van tien jaren moest worden toegepast of dat de kwestie onder een uitzonderingsbepaling viel, op grond waarvan ten aanzien van bepaalde soorten strafbare feiten geen verjaringstermijnen werden toegepast. Tegen die achtergrond stelde de Armeense rechter de vraag of het niet toepassen van verjaringstermijnen ten aanzien van het strafbare feit van foltering in strijd was met art. 7 EVRM, in het geval het nationale recht niet verplicht om verjaringstermijnen buiten toepassing te laten. Het EHRM formuleerde het volgende antwoord:
“Where a criminal offence is subject to a statute of limitation pursuant to the domestic law and the applicable limitation period has already expired, Article 7 of the Convention precludes the revival of a prosecution in respect of such an offence. It is first and foremost for the national court to determine whether rules of international law having legal force in the national legal system can provide for a sufficiently clear and foreseeable legal basis within the meaning of Article 7 of the Convention to conclude that the criminal offence in question is not subject to a statute of limitation.”
7.70
Het is aldus primair aan de nationale rechter om te bepalen of de verplichtingen die voortvloeien uit het internationale recht een voldoende voorzienbare grondslag bieden om te kunnen concluderen dat het desbetreffende strafbare feit niet is verjaard. Die uitleg van de verjaringsregeling in het licht van het international recht doet niet af aan het uitgangspunt dat als de toepasselijke verjaringstermijn volgens het nationaal recht reeds is verstreken, “Article 7 of the Convention precludes the revival of a prosecution in respect of such an offence”.
Verjaring en herziening ten nadele
7.71
De vraag is of (voortzetting van de) vervolging na een wijziging van de verjaringsregeling in een zaak waarin de verjaringstermijn al was verstreken op één lijn kan worden gesteld met het herzien van een onherroepelijke vrijspraak in een geval waarin het recht ten tijde van het onherroepelijk worden van de uitspraak daarin niet voorzag.
7.72
In zijn conclusie in de Vivaldi-zaak stelde Knigge de – retorische – vraag of het vanuit een oogpunt van rechtszekerheid verschil maakt of het ontbreken van de mogelijkheid van bestraffing zijn oorzaak vindt in de voltooiing van de verjaring of in de onherroepelijkheid van de vrijspraak. Het BVerfG hechtte in zijn eerder besproken uitspraak van 31 oktober 2023 bijzondere betekenis aan het vertrouwen dat de gewezen verdachte mocht ontlenen aan een vonnis dat in kracht van gewijsde was gegaan.
7.73
In de wetsgeschiedenis is echter het standpunt ingenomen dat het scheppen van de mogelijkheid om – binnen de grenzen van de regeling van de vervolgingsverjaring – oude vrijspraken te herzien, iets anders is dan het laten herleven van het vervolgingsrecht ten aanzien van strafbare feiten die eerder al waren verjaard. De minister beklemtoonde in dat verband dat een herzieningsaanvraag een strafvorderlijke proceshandeling betreft. (Voetnoot 85)
7.74
Een herzieningsaanvraag is inderdaad een strafvorderlijke proceshandeling. Hetzelfde zou op grond van de rechtspraak van het EHRM echter gezegd kunnen worden van de toepassing van een regeling van vervolgingsverjaring. Uit de rechtspraak van het EHRM ten aanzien van de verjaring volgt echter dat daarmee niet het laatste woord is gezegd. Dat ligt ook in de rede, omdat de desbetreffende proceshandelingen nauw zijn verbonden met vervolgingsuitsluitingsgronden. In het Nederlands stelsel van strafvordering heeft de toepasselijkheid van elk van de beide vervolgingsuitsluitingsgronden, verjaring en ne bis in idem, tot gevolg dat het Openbaar Ministerie niet (meer) kan worden ontvangen in de strafvervolging. Beide gronden voor het verval van het recht tot strafvordering zijn geregeld in het Wetboek van Strafrecht. De reden daarvoor was dat “[h]et materieel strafrecht niet alleen [diende] te leeren of de publieke actie is ontstaan, maar ook of zij nog voortbestaat, of zij nog voor uitoefening vatbaar is. Alleen de wijze van uitoefening, niet het bestaan van het regt daartoe, behoort tot het formele regt”. (Voetnoot 86) In de literatuur wordt erop gewezen dat zowel verjaring als het ne bis in idem-beginsel een gemengd karakter heeft. (Voetnoot 87) Beide hangen samen met de rechtszekerheid.
7.75
Deze overeenkomsten tussen verjaring en het ne bis in idem-beginsel laten onverlet dat de ratio en de uitwerking van beide leerstukken verschillen vertonen. Verjaring treedt in door louter tijdsverloop, terwijl bij het ‘ne bis in idem’-beginsel de onherroepelijke rechterlijke beslissing tot uitgangspunt wordt genomen. Daar waar de ratio van het verbod op dubbele vervolging met name kan worden gevonden in de rechtsbescherming van het individu, is de achterliggende gedachte van verjaring dat de strafbehoefte na verloop van tijd in beginsel vermindert en dat problemen bij de bewijslevering door tijdsverloop toenemen. Zowel art. 4 van het Zevende Protocol als art. 68 lid 1 Sr bevat een uitzondering op het verbod van dubbele vervolging voor herzieningszaken.
7.76
Een aanwijzing dat het EHRM vervolging na het verstrijken van de verjaringstermijn en na een onherroepelijke vrijspraak in samenhang met elkaar beziet, kan worden gevonden in de beslissing van 12 maart 2019 in de hiervoor genoemde zaak Tasdemir e.a. tegen Turkije. (Voetnoot 88) In die zaak was het strafrechtelijk onderzoek naar de dood van Tasdemir geëindigd in de fase van hoger beroep vanwege de verjaring van het strafbare feit. De Turkse staat erkende dat er sprake was van een schending van art. 2 EVRM en had schadevergoeding aangeboden, maar het strafrechtelijk onderzoek werd niet heropend. Het EHRM overweegt dat er situaties denkbaar zijn waarin het de jure of de facto onmogelijk is om strafrechtelijke onderzoeken te heropenen. Of een staat verplicht is een strafzaak te heropenen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waartoe de reden voor beëindiging van het strafrechtelijk onderzoek behoort:
“16. Thus, whether a member State is under an obligation to reopen criminal proceedings, and consequently whether a unilateral declaration should contain such an undertaking, will depend on the specific circumstances of the case, including the nature and seriousness of the alleged violation, the identity of the alleged perpetrator, whether other persons not involved in the proceedings may have been implicated, the reason why the criminal proceedings were terminated, any shortcomings and defects in the proceedings prior to the decision to bring them to an end, and whether the alleged perpetrator contributed to the shortcomings and defects that led to the criminal proceedings being brought to an end.” [onderstreping PG]
7.77
In deze beslissing noemt het EHRM het verbod op vervolging ter zake van hetzelfde feit als dat waarvan een persoon onherroepelijk is vrijgesproken samen met het voorbeeld van verjaring:
“14. The Court accepts that there may be situations where it is de jure or de facto impossible to reopen criminal investigations into the incidents giving rise to the applications being examined by the Court. Such situations may arise, for example, in cases in which the alleged perpetrators were acquitted and cannot be put on trial for the same offence, or in cases in which the criminal proceedings became time-barred on account of the statute of limitations set out in the national legislation. Indeed, a reopening of criminal proceedings that were terminated on account of the expiry of the statute of limitations may raise issues concerning legal certainty (see Coëme and Others v. Belgium, nos. 32492/96 and 4 others, § 145, ECHR 2000-VII) and may thus have a bearing on a defendant’s rights under Article 7 of the Convention (see, mutatis mutandis, Kononov v. Latvia [GC], no. 36376/04, §§ 228-33, ECHR 2010). In a similar vein, putting the same defendant on trial for an offence for which he or she has already been finally acquitted or convicted may raise issues concerning that defendant’s right not to be tried or punished twice within the meaning of Article 4 of Protocol No. 7 to the Convention (see Marguš v. Croatia [GC], no. 4455/10, § 114, ECHR 2014 (extracts)).” [onderstreping PG]
7.78
Zowel vervolging na het verstrijken van een verjaringstermijn als vervolging na een onherroepelijke vrijspraak kan worden gezet in de sleutel van een “revival of criminal responsibility” dan wel “revival of a prosecution”. (Voetnoot 89) Hieraan kunnen nog geen stellige conclusies worden verbonden over de (on)verenigbaarheid van de toepassing van de onmiddellijke werking van de Wet herziening ten nadele met art. 7 EVRM, al was het maar omdat het EHRM de situatie waarin een gewezen verdachte die na een onherroepelijke vrijspraak wordt vervolgd in dit verband slechts noemt in de context van art. 4 Protocol 7 EVRM. De rechtspraak van het EHRM ten aanzien van de verschillende verdragsrechten staat echter niet geheel los van elkaar. Daarbij moet worden bedacht dat het beginsel van rechtszekerheid doorklinkt in de rechtspraak over art. 7 EVRM maar ook in die over art. 6 EVRM en art. 4 Protocol 7 EVRM. Zo zal de mogelijke onverenigbaarheid van de facto terugwerkende kracht van een regeling van herziening ten nadele met het in art. 4 Protocol 7 EVRM verankerde ‘ne bis in idem’-beginsel gevolgen kunnen hebben voor de eerlijkheid van de berechting als bedoeld in art. 6 EVRM. Bij de beoordeling of een proces waarin een verlenging van verjaringstermijnen aan de orde is, kan gelden als eerlijk in de zin van art. 6 lid 1 EVRM, hanteert het EHRM een toetsingskader toe dat mede is ontleend aan de rechtspraak inzake art. 7 EVRM. Op deze wisselwerking wordt hieronder nog ingegaan.
7.79
Het EHRM heeft zich nog niet uitgelaten over de vraag of art. 7 EVRM van toepassing is op herziening ten nadele van een uitspraak in een strafzaak waarin de verdachte is vrijgesproken. In verschillende opzichten dringt de verwantschap tussen herziening ten nadele en verjaring zich op. Over de verenigbaarheid van het met terugwerkende kracht verlengen van verjaringstermijnen en art. 7 EVRM is wel rechtspraak voorhanden. Hoewel het EHRM nationale regels van verjaringstermijnen primair beschouwt als procedurele regels, levert het herleven van “criminal responsibility”/ “prosecution” na het verstrijken van de verjaringstermijn “on account of the absence of a valid legal basis” een schending van art. 7 EVRM op. Daarbij verwijst het EHRM naar de in art. 7 EVRM verankerde beginselen van legaliteit en voorzienbaarheid. Positieve verdragsverplichtingen lijken niet zo ver te reiken dat voltooide verjaringen moeten worden ‘opengebroken’.
7.80
Geconcludeerd moet worden dat de rechtspraak onvoldoende houvast biedt om de vraag te beantwoorden of en, zo ja, in hoeverre de gewezen verdachte die onherroepelijk is vrijgesproken, terwijl ten tijde van het einde van de zaak herziening ten nadele niet mogelijk was, aan art. 7 EVRM bescherming kan ontlenen die vergelijkbaar is met die van een gewezen verdachte van een feit dat is verjaard.
7.81
Art. 7 EVRM is evenwel niet de enige bepaling die waarborgen bevat met het oog op de rechtszekerheid. Ook art. 6 lid 1 EVRM is in dit verband van belang. Voordat ik overga op de bespreking van de rechtspraak van het EHRM over art. 6 EVRM, wordt kort ingegaan op de rechtspraak van het Hof van Justitie EU ten aanzien van het beginsel van rechtszekerheid in relatie tot terugwerkende kracht van wetgeving.
Rechtspraak van het Hof van Justitie EU
7.82
Op het eerste gezicht bestaan geen aanknopingspunten dat het EU-Grondrechtenhandvest van toepassing is op de onderhavige herzieningsprocedure als zodanig. Niet uitgesloten is echter dat de vraag naar de verenigbaarheid van de toepassing van de onmiddellijke werking van de Wet herziening ten nadele met het Unierecht in toekomstige zaken aan de orde wordt gesteld. (Voetnoot 90) In het onderstaande zal daarbij daarom kort worden stilgestaan.
7.83
Reeds in het arrest Racke uit 1979 heeft het Hof van Justitie EU (HvJ-EU) bepaald dat het beginsel van de rechtszekerheid zich in het algemeen ertegen verzet dat een gemeenschapsbesluit terugwerkende kracht heeft. (Voetnoot 91) Het HvJ-EU maakt echter onderscheid tussen materieelrechtelijke voorschriften enerzijds en procesrechtelijke voorschriften anderzijds. (Voetnoot 92) Procedureregels worden geacht te gelden vanaf de dag waarop zij in werking treden. (Voetnoot 93) Materiële voorschriften kunnen worden onderverdeeld in enerzijds strafrechtelijke materiële voorschriften en niet-strafrechtelijke materiële voorschriften. (Voetnoot 94)
7.84
Ten aanzien van strafrechtelijke materiële voorschriften is het verbod van terugwerkende kracht strikt. Ruim vóór de inwerkingtreding van het Handvest heeft het HvJ-EU “[h]et beginsel dat strafbepalingen geen terugwerkende kracht mogen hebben”, met verwijzing naar art. 7 EVRM, aangeduid als “een van de algemene rechtsbeginselen waarvan het Hof de eerbiediging verzekert.” (Voetnoot 95) In 2009 is het legaliteitsbeginsel gecodificeerd in art. 49 Handvest. De uit art. 49 Handvest voortvloeiende rechten hebben dezelfde inhoud en reikwijdte als art. 7 EVRM. (Voetnoot 96) Het betreft onder meer het beginsel van niet-terugwerkende kracht van de strafwet. (Voetnoot 97)
7.85
Uit jurisprudentie van het HvJ-EU van zowel vóór als na de inwerkingtreding van het Handvest, lijkt te kunnen worden afgeleid dat het toepassingsbereik van het verbod van terugwerkende kracht beperkt is tot bepalingen die de reikwijdte van strafrechtelijke aansprakelijkheid beïnvloeden. (Voetnoot 98) Zo wordt in de arresten in de zaken Fedesa (1990) en Pupino (2005) het verbod van terugwerkende kracht door het HvJ-EU in verband gebracht met bepalingen die “bepalend zijn voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid” of “deze aansprakelijkheid verzwaren”. (Voetnoot 99)
7.86
Uit jurisprudentie over de reikwijdte van art. 49 Handvest volgt dat het daarin bepaalde enkel van toepassing is op het materiële strafrecht, waaronder begrepen de op het feit gestelde straffen. In het arrest Tarrico oordeelde dat regels over verjaring in strafzaken niet binnen de werkingssfeer van art. 49 Handvest vallen, omdat verjaringsregels als regels van procesrechtelijke aard moeten worden beschouwd. (Voetnoot 100) Daarbij verwees het HvJ-EU naar de hiervoor besproken rechtspraak van het EHRM over verjaringsregelingen en art. 7 EVRM. (Voetnoot 101)
7.87
A-G Kokott merkte in haar conclusie voorafgaand aan het arrest in de zaak Taricco het volgende op: (Voetnoot 102)
“115. Anders dan Anakiev en de Italiaanse regering stellen, behoeft in een geval als het onderhavige niet te worden gevreesd voor een conflict met het beginsel van de legaliteit van sancties. Dit beginsel vereist immers alleen in materieelrechtelijk opzicht dat de wet een duidelijke omschrijving geeft van de strafbare feiten en de daarop gestelde straffen. Verjaringsregels zeggen echter niets over de strafbaarheid van een gedraging of over de hoogte van de straf, maar alleen iets over de mate waarin een strafbaar feit kan worden vervolgd. Ze vallen derhalve helemaal niet binnen de werkingssfeer van de regel nullum crimen, nulla poena sine lege. (…)”
7.88
Ten aanzien van niet-strafrechtelijke materiële voorschriften kan van het rechtszekerheidsbeginsel bij wijze van uitzondering worden afgeweken voor zover uit hun bewoordingen, doelstelling of opzet blijkt dat dergelijke terugwerkende kracht aan dienen te worden toegekend. (Voetnoot 103) Bij de beoordeling spelen de publieke belangen en de gerechtvaardigde verwachtingen van burgers een rol. (Voetnoot 104)
7.89
Bij de toetsing aan art. 49 Handvest van regels van terugwerkende kracht is de hiervoor besproken rechtspraak van het EHRM over art. 7 EVRM van belang. Van afzonderlijke toetsing aan het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in art. 47 Handvest lijkt in dit verband geen sprake. (Voetnoot 105) Het EHRM toetst in dergelijke gevallen wel uitdrukkelijk aan art. 6 EVRM. Daarop wordt hierna ingegaan.
De toepasselijkheid van art. 6 EVRM op de procedure tot herziening ten nadele
7.90
Art. 6 EVRM is van toepassing zodra een persoon is “charged with a criminal offence”. In beginsel eindigt een charge wanneer de uitspraak in de desbetreffende zaak onherroepelijk is geworden. In de memorie van toelichting bij de Wet herziening ten nadele is uit het arrest Nikitin tegen Rusland uit 2004 afgeleid dat art. 6 EVRM eerst van toepassing is op de procedure nádat de herzieningsaanvraag is toegewezen. (Voetnoot 106) De zaak Nikitin betrof een verzoek om herziening ten nadele van de procureur-generaal gericht aan ‘the presidium of the Supreme Court’. De aanvraag tot herziening ten nadele werd afgewezen. Nikitin klaagde over een schending van art. 4 van het Zevende Protocol en art. 6 EVRM. Het EHRM overwoog als volgt in het kader van het beroep op art. 6 EVRM: (Voetnoot 107)
“60. (…) Moreover, according to the established case-law of the Convention organs, Article 6 does not apply to proceedings concerning a failed request to reopen a case. Only the new proceedings, after the reopening has been granted, can be regarded as concerning the determination of a criminal charge (…).”
7.91
Knigge wees in zijn conclusie in de Vivaldi-zaak op het arrest Vanyan tegen Rusland. (Voetnoot 108) In die zaak had de ‘Deputy President of the Supreme Court’ van de Russische Federatie een verzoek tot herziening gedaan aan ‘the Presidium of the Moscow City Court’, met het verzoek de eerdere veroordeling van Vanyan voor een drugsdelict te kwalificeren als een minder ernstig drugsdelict. De rechter wees het verzoek toe en paste de kwalificatie en de straf aan. Vanyan was niet op de hoogte gesteld van het herzieningsverzoek en evenmin van de zitting waarop het verzoek zou worden behandeld. Hij stelde dat zijn verdedigingsrechten als bedoeld in art. 6 EVRM waren geschonden.
7.92
Het EHRM oordeelde dat art. 6 EVRM was geschonden:
“56. The Court points out that Article 6 of the Convention applies to proceedings where a person is charged with a criminal offence until that charge is finally determined (…). It further reiterates that Article 6 does not apply to proceedings concerning a failed request to reopen a case. Only the new proceedings, after the reopening has been granted, can be regarded as concerning the determination of a criminal charge (…).
57. The Court observes that the Presidium of the Moscow City Court examined the application for supervisory review by the Deputy President of the Supreme Court of Russia, reviewed the case and amended the firstinstance judgment and the appeal decision on the grounds put forward in that application. It reclassified the applicant’s actions under Article 228 § 1 of the Criminal Code rather than Article 228 § 4, sentenced him to two years’ imprisonment and, in application of an amnesty law, ordered his release. It upheld the first-instance judgment and the appeal decision in the remaining part.
58. On the above facts, the Court is of the view that, in so far as the Presidium of the Moscow City Court amended the firstinstance judgment and the appeal decision, the proceedings before it concerned the determination of a criminal charge against the applicant. It finds, and this was not disputed between the parties, that Article 6 § 1 of the Convention under its criminal head applies to those proceedings.”
7.93
Knigge stelde onder verwijzing naar het arrest in de zaak Vanyan dat de conclusie die in de memorie van toelichting aan het arrest Nikitin wordt verbonden niet juist is. Hierbij moet wel worden aangetekend dat de herzieningsprocedure in de zaak Vanyan mede de aanpassing van de kwalificatie en de straf omvatte. Anders dan in de zaak Nikitin, konden de beoordeling van het herzieningsverzoek enerzijds en de procedure na toewijzing van het verzoek anderzijds, waarin de charge werd vastgesteld, in de zaak Vanyan aldus niet goed worden gescheiden.
7.94
In latere arresten herhaalt het EHRM de overweging dat art. 6 EVRM in beginsel niet van toepassing is op de procedure waarin (slechts) het verzoek tot heropening van een strafzaak wordt afgewezen. In het arrest Dicle en Sadak (2015) overweegt het EHRM:
“55. (…) It reiterates that, in principle, Article 6 of the Convention does not apply to proceedings concerning a failed request to reopen a case under domestic law. However, if the applicant’s request for reopening has been granted, the new proceedings can then be regarded as concerning the determination of a criminal charge against him (see Nikitin v. Russia, no. 50178/99, § 60, ECHR 2004-VIII, and Vanyan v. Russia, no. 53203/99, § 56, 15 December 2005). Consequently, the guarantees set out in Article 6 of the Convention, including the safeguard on the presumption of innocence, apply to the proceedings conducted in the present case.”
7.95
Uit rechtspraak die dateert van na het arrest Dicle en Sadak volgt dat de aard en het karakter van de specifieke herzieningsprocedure beslissend zijn voor de vraag of art. 6 EVRM van toepassing is. Zo achtte het EHRM in een arrest uit 2021 art. 6 EVRM van toepassing op een herzieningsprocedure ten voordele, waarin de rechter het herzieningsverzoek ten dele toewees en de veroordelende uitspraak gedeeltelijk vernietigde als gevolg van een herbeoordeling van het bewijs. (Voetnoot 109) Deze vorm van “scrutiny” vormde naar het oordeel van het EHRM “an extension of the criminal proceedings against the applicant. The Supreme Court once again focused on the determination, within the meaning of Article 6 § 1 of the Convention, of the criminal charge against the applicant.” (Voetnoot 110)
7.96
In het arrest Moreira Ferreira tegen Portugal uit 2017, gewezen door de Grote Kamer, oordeelde het EHRM over een herzieningsverzoek ten voordele naar aanleiding van een arrest van het EHRM. (Voetnoot 111) Het EHRM overwoog:
“61. As regards criminal proceedings, the Court has found that Article 6 is not applicable to applications for their reopening, given that a person who, having been convicted with final effect, submits such an application is not “charged with a criminal offence” within the meaning of that Article. (…)”
7.97
Deze overweging lijkt specifiek te zien op herzieningsprocedures ten voordele, omdat het EHRM spreekt over onherroepelijke veroordelingen. In het arrest gaat het EHRM ook in op herziening ten nadele:
“63. (…) On the other hand, the arbitrary reopening of criminal proceedings, in particular to the detriment of a convicted person, infringes the right to a fair trial (see Savinskiy v. Ukraine, no. 6965/02, § 25, 28 February 2006; Radchikov v. Russia, no. 65582/01, § 48, 24 May 2007; and Stefan v. Romania, no. 28319/03, § 18, 6 April 2010).”
7.98
Het EHRM concludeert:
“65. It transpires from the general principles expounded above that Article 6 of the Convention is applicable, in its criminal aspect, to criminal proceedings concerning remedies classified as extraordinary in domestic law where the domestic court is called upon to determine the charge. The Court therefore examines the issue of the applicability of Article 6 to extraordinary remedies by seeking to establish whether, during the consideration of the remedy in question, the domestic court was required to determine the criminal charge.”
7.99
Vervolgens past het EHRM deze algemene uitgangspunten toe op de zaak Moreira Ferreira. Het EHRM leidt uit de specifieke aard van de herzieningsprocedure af dat de beoordeling door de rechter is aan te merken als een “extension” van de procedure die geëindigd is in de onherroepelijke veroordeling, waarbij de rechter “once again focused on the determination, within the meaning of Article 6 § 1 of the Convention, of the criminal charge”:
“69. (…)
In particular, in the context of the examination provided for in Article 449 § 1 (g) of the Code of Criminal Procedure, the Supreme Court’s task is to consider the conduct and the outcome of the terminated domestic proceedings in relation to the findings of the Court or of another international authority and, where appropriate, order the re-examination of the case with a view to securing a fresh determination of the criminal charge against the injured party. Furthermore, under Article 457 of the Code of Criminal Procedure, the Supreme Court may, if it decides to grant a review, suspend the execution of the sentence or security measure should it deem this necessary.
The Court therefore notes that the legislative framework requires the Supreme Court to compare the conviction in question with the grounds on which the Court based its finding of a violation of the Convention. The examination on the basis of Article 449 § 1 (g) of the Code of Criminal Procedure is therefore likely to be decisive for the determination of a criminal charge, and in that respect has some features in common with an appeal on points of law (compare Maresti v. Croatia, no. 55759/07, §§ 25 and 28, 25 June 2009).
70. As regards the scrutiny performed by the Supreme Court in the present case, the Court notes that although that court’s task was to adjudicate on the application for the granting of a review, it nonetheless carried out a re-examination on the merits of a number of aspects of the disputed issue of the applicant’s absence from the hearing on her appeal and the consequences of her absence for the validity of her conviction and sentence.
(…)
72. Given the scope of the Supreme Court’s scrutiny, the Court considers that that scrutiny should be regarded as an extension of the proceedings concluded by the judgment of 19 December 2007. The Supreme Court once again focused on the determination, within the meaning of Article 6 § 1 of the Convention, of the criminal charge against the applicant. Consequently, the safeguards of Article 6 § 1 of the Convention were applicable to the proceedings before the Supreme Court.”
7.100 In een viertal zaken die een vorm van herziening ten nadele behelzen, gaat het EHRM over tot een inhoudelijke toetsing van de procedure aan art. 6 lid 1 EVRM. Het betreft de zaken Savinskiy tegen Oekraïne (2006), (Voetnoot 112) Radchikov tegen Rusland (2007) (Voetnoot 113) en Fedorov tegen Rusland (2009) (Voetnoot 114) en, meer recent, Zakrzewski tegen Polen (2024). (Voetnoot 115) Al deze zaken hebben betrekking op verzoeken tot ‘supervisory review’, die gelijkenis vertonen met verzoeken tot herziening ten nadele. De toetsing van het EHRM ziet in deze gevallen op de procedure waarin het herzieningsverzoek als zodanig is beoordeeld. Het EHRM overweegt in de zaak Radchikov tegen Rusland dat:
“proceedings before the supervisory review court should afford all the procedural safeguards of Article 6 § 1 and must ensure the overall fairness of the entire proceedings (see Vanyan v. Russia, no. 53203/99, §§ 63-68, 15 December 2005).”
7.101 In tegenstelling tot de zaak Vanyan viel de toetsing van het verzoek in deze vier zaken niet samen met de inhoudelijke herbeoordeling van de zaak. De beoordeling van het herzieningsverzoek leidde tot vernietiging van de eerdere uitspraak en verwijzing van de zaak voor een “fresh examination”. (Voetnoot 116) In alle zaken werd een schending van art. 6 lid 1 EVRM aangenomen, vanwege een gebrek in het kader van de toetsing van het herzieningsverzoek als zodanig. In de kern ging het er daarbij om dat het herzieningsverzoek niet was toegewezen vanwege “fundamental defects”, maar slechts om een nieuwe beoordeling van het bewijs te krijgen.
7.102 De hiervoor besproken jurisprudentie wijst erop dat art. 6 EVRM van toepassing is op de behandeling van een aanvraag tot herziening ten nadele als bedoeld in art. 482a e.v. Sv. Een andere opvatting lijkt mij ook moeilijk verdedigbaar. Voor de gewezen verdachte staat veel op het spel. De inzet van de herzieningsprocedure is het al dan niet in stand blijven van een onherroepelijke vrijspraak. Met een vordering tot nader onderzoek als bedoeld in art. 482c lid 2 Sv geeft de officier van justitie te kennen dat hij of zij van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de Hoge Raad een herzieningsaanvraag gegrond zal achten. De rechter-commissaris geeft, zoals in de onderhavige zaak, met toewijzing van het verzoek eveneens te kennen dat hij of zij oordeelt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de Hoge Raad een herzieningsaanvraag gegrond zal achten. In het kader van de herzieningsprocedure kunnen onderzoekshandelingen plaatsvinden en hangende de procedure kan de Hoge Raad op schriftelijke vordering van het College dan wel ambtshalve zelfs een bevel tot gevangenhouding of gevangenneming tegen de gewezen verdachte uitvaardigen (art. 482f lid 1 Sv). Aan de hand van criteria uit het arrest Moreira Ferreira tegen Portugal, is de herzieningsprocedure ten nadele zoals neergelegd in art. 482a e.v. Sv., naar haar aard als het ware “an extension” van de strafrechtelijke procedure. Daarbij moet worden bedacht dat de Hoge Raad zich bij de behandeling van het herzieningsverzoek in zekere zin dient uit te laten over de waarde van het nieuwe bewijs, door te beoordelen of het ernstige vermoeden ontstaat dat, indien het als novum gepresenteerde gegeven bekend zou zijn geweest, de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte. (Voetnoot 117)
7.103 In het licht van het voorgaande, kan worden aangenomen dat art. 6 EVRM van toepassing is op de (huidige fase van de) procedure tot herziening ten nadele.
Onmiddellijke werking en art. 6 EVRM
7.104 Het gezag van gewijsde van een rechterlijke uitspraak, de rechtszekerheid en het recht op een eerlijk proces staan nauw met elkaar in verbinding. De justitiabele zal in de regel gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen aan een rechterlijke uitspraak die onherroepelijk is geworden en die daarmee het einde van het geschil markeert. Het recht op een eerlijk proces zou sterk aan betekenis inboeten als een onherroepelijke uitspraak niet in de regel zou worden gerespecteerd.
7.104 In zijn arrest in de zaak Brumarescu tegen Roemenië (Voetnoot 118) overwoog het EHRM in het kader van de beoordeling of een heropening van een civiele zaak in overeenstemming was met art. 6 lid 1 EVRM het volgende:
“The right to a fair hearing before a tribunal as guaranteed by Article 6 § 1 of the Convention must be interpreted in the light of the Preamble to the Convention, which declares, among other things, the rule of law to be part of the common heritage of the Contracting States. One of the fundamental aspects of the rule of law is the principle of legal certainty, which requires, inter alia, that where the courts have finally determined an issue, their ruling should not be called into question.”
7.106 Het EHRM nam een schending van art. 6 EVRM aan. Daarbij nam het in aanmerking dat de bevoegdheid van de procureur-generaal om heropening te verzoeken “was not subject to any time-limit, so that judgments were liable to challenge indefinitely”.
7.106 In de vergelijkbare zaak Ryabykh tegen Rusland (Voetnoot 119) overwoog het EHRM ten aanzien van de ‘supervisory review procedure’:
“52. Legal certainty presupposes respect for the principle of res judicata (ibid., § 62), that is the principle of the finality of judgments. This principle underlines that no party is entitled to seek a review of a final and binding judgment merely for the purpose of obtaining a rehearing and a fresh determination of the case. Higher courts' power of review should be exercised to correct judicial errors and miscarriages of justice, but not to carry out a fresh examination. The review should not be treated as an appeal in disguise, and the mere possibility of there being two views on the subject is not a ground for re-examination. A departure from that principle is justified only when made necessary by circumstances of a substantial and compelling character. (…)
“57. By using the supervisory review procedure to set aside the judgment of 8 June 1998, the Presidium of the Belgorod Regional Court infringed the principle of legal certainty and the applicant's “right to a court” under Article 6 § 1 of the Convention.”
7.108 Deze rechtspraak beklemtoont de nauwe samenhang tussen de rechtszekerheid, het gezag van gewijsde en het recht op een eerlijk proces. Die samenhang geldt onverkort in strafzaken. Ook in die context benadrukt het EHRM in verband met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM dat “one of the fundamental aspects of the rule of law is the principle of legal certainty, which requires, among other things, that where the courts have finally determined an issue, their ruling should not be called into question.” (Voetnoot 120)
7.109 In zijn arrest in de zaak Scoppola tegen Italië overweegt het EHRM: (Voetnoot 121)
“132. The Court observes first of all that, in the context of civil disputes, it has repeatedly ruled that although, in principle, the legislature is not prevented from regulating, through new retrospective provisions, rights derived from the laws in force, the principle of the rule of law and the notion of fair trial enshrined in Article 6 preclude, except for compelling public-interest reasons, interference by the legislature with the administration of justice designed to influence the judicial determination of a dispute (…). The Court considers that those principles, which are essential elements of the concepts of legal certainty and protection of litigants' legitimate trust (see Unedic v. France, no. 20153/04, § 74, 18 December 2008), are applicable, mutatis mutandis, to criminal proceedings. [onderstreping PG]
7.110 Wetgeving die hangende een procedure tot stand komt en die door het toekennen van terugwerkende kracht de uitkomst van het aanhangig geding zou kunnen beïnvloeden, is in strijd met art. 6 lid 1 EVRM, tenzij sprake is van “compelling grounds of general interest”. Deze toets heeft het EVRM aangelegd in het arrest Chim en Przywieczerski tegen Polen en het arrest Vegotex International S.A. tegen België ten aanzien van wetgeving met terugwerkende kracht aangaande verjaringstermijnen. Daarbij ging het om legislatieve wijzigingen hangende procedures en zodoende om “interference in procedures”.
7.110 In het arrest Chim en Przywieczerski tegen Polen was sprake van een veroordeling voor diefstal. Hangende de strafrechtelijke procedure had de wetgever de verjaringstermijnen van onder meer diefstal verlengd. (Voetnoot 122) De wet was ook van toepassing verklaard op strafbare feiten die waren begaan voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet, met uitzondering van reeds verjaarde strafbare feiten. Het EHRM paste het jurisprudentiële kader toe zoals het dat had ontwikkeld ten aanzien van de onmiddellijke werking van veranderde verjaringsregels onder art. 7 EVRM. Daarbij nam het EHRM in aanmerking dat geen sprake was van het ‘openbreken’ van reeds voltooide verjaringen, maar slechts van de verlenging van (lopende) termijnen. Het EHRM achtte art. 6 lid 1 EVRM niet geschonden.
7.112 Deze benadering onderstreept dat de toetsing aan art. 6 EVRM en aan art. 7 EVRM in dergelijke gevallen deels verweven zijn. In zoverre is geen sprake van een geïsoleerde, artikelsgewijze toetsing, maar veeleer van een samenhangend toetsingskader.
7.112 In de zaak Vegotex International S.A. tegen België had de onmiddellijke werking van de wetswijziging ten aanzien van verjaring wel het effect dat voltooide verjaringen werden ‘opengebroken’. Het EHRM overwoog:
“92. In the context of civil disputes, the Court has repeatedly ruled that although, in principle, the legislature is not prevented from regulating, through new retrospective provisions, rights derived from the laws in force, the principle of the rule of law and the concept of a fair trial enshrined in Article 6 preclude any interference by the legislature with the administration of justice designed to influence the judicial determination of a dispute, save on compelling grounds of general interest (…)
93. There are dangers inherent in the use of retrospective legislation which has the effect of influencing the judicial determination of a dispute to which the State is a party, including where the effect is to make pending litigation unwinnable (…)
94. The Court has found that these principles, which are essential elements of the concepts of legal certainty and protection of litigants’ legitimate trust, are also applicable to criminal proceedings (…)”
7.114 In de zaak Vegotex International S.A. achtte het EHRM van belang dat de zaak art. 6 EVRM en niet art. 7 EVRM betrof en dat fiscale boetes niet tot de “hard core of criminal law” behoren, zodat de waarborgen van art. 6 EVRM niet in volle omvang gelden. Het EHRM concludeerde dat in de specifieke omstandigheden van het geval de terugwerkende kracht van de wetgeving gerechtvaardigd was om grootschalige fiscale fraude aan te pakken en willekeur te voorkomen en omdat het voorzienbaar was dat de wetgever op enig moment zou ingrijpen. (Voetnoot 123)
Procedure van herziening ten nadele en art. 6 EVRM
7.115 Het voorgaande biedt slechts in beperkte mate houvast bij de beantwoording van de voorliggende vraag of de toepassing van de wettelijke regeling van herziening ten nadele in een geval als dit, waarin de onherroepelijke vrijspraak dateert van vóór de inwerkingtreding van de wettelijke regeling van herziening ten nadele, te verenigen is met art. 6 EVRM. Wel kan ervan worden uitgegaan dat art. 6 EVRM van toepassing is op de onderhavige procedure tot herziening ten nadele in de fase waarin deze thans verkeert. De hiervoor besproken zaken waarin het EHRM heeft geoordeeld over de verenigbaarheid van het overgangsrecht met art. 6 EVRM verschillen van de onderhavige zaak. Van ingrijpen van de wetgever hangende een procedure is geen sprake. Het gaat bovendien, anders dan in de zaak Vegotex International S.A., om een strafzaak die behoort tot de “hard core of criminal law”.
7.115 Zoals opgemerkt, heeft het EHRM zich nog niet uitgelaten over de vraag of de toepassing van herziening ten nadele op zaken die tot een einde zijn gekomen vóór de invoering van dit buitengewone rechtsmiddel verenigbaar kan zijn met art. 6 EVRM. Uit de rechtspraak die betrekking heeft op herzieningsprocedures kunnen niettemin wel factoren worden afgeleid die bij de beoordeling van de voorliggende vraag relevant kunnen zijn. Voordat ik daarop inga, bespreek ik kort hoe de rechtspraak van het EHRM ten aanzien van art. 6 EVRM zich verhoudt tot art. 4 van het Zevende Protocol en beantwoord ik de vraag in hoeverre de omstandigheid dat Nederland het Zevende Protocol niet heeft geratificeerd gevolgen heeft voor de toetsing aan art. 6 EVRM.
7.115 Het EHRM beoordeelt de verenigbaarheid van een heropening van een zaak met het Verdrag, met inbegrip van de waarborgen van art. 6 EVRM, onder meer in het licht van art. 4 van het Zevende Protocol. (Voetnoot 124) Het enkele feit dat een herziening in lijn is met art. 4 lid 2 van het Zevende Protocol betekent niet dat de herzieningsprocedure verenigbaar is met art. 6 lid 1 EVRM. (Voetnoot 125) In zijn arrest in de Bratyakinzaak (Voetnoot 126) overweegt het EHRM in dit verband dat de bescherming tegen een dubbele vervolging slechts een van de specifieke waarborgen is die wordt geassocieerd met het recht op een eerlijk proces in strafzaken. Hieruit volgt enerzijds de samenhang tussen beide artikelen, terwijl het EHRM anderzijds door het gebruik van de term “associated” tot uitdrukking lijkt te brengen dat die samenhang niet betekent dat art. 4 Zevende Protocol naast art. 6 EVRM geen zelfstandige betekenis toekomt. Knigge merkt onder 6.5.9 van zijn conclusie in de Vivaldi-zaak op dat de toetsing van het EHRM in de Bratyakinzaak aan art. 6 EVRM aanmerkelijk verder ging dan de toets waartoe art. 4 van het Zevende Protocol aanleiding gaf. Uit de rechtspraak wordt aldus in elk geval duidelijk dat de omstandigheid dat Nederland het Zevende Protocol niet heeft geratificeerd, niet betekent dat bij de toetsing van de toepassing van de herzieningsregeling aan art. 6 EVRM de bescherming tegen een dubbele vervolging minder intensief is dan ingeval wel rechtstreeks zou worden getoetst aan art. 4 Protocol 7 EVRM.
7.118 Het EHRM stelt voorop dat de mogelijkheid tot herziening van een strafzaak, zowel ten voordele als ten nadele, in beginsel verenigbaar is met het verdragsrecht, waaronder art. 6 EVRM. Wel dient de herzieningsbevoegdheid op een dusdanige wijze te worden aangewend “so as to strike, to the maximum extent possible, a fair balance between the interests of the individual and the need to ensure the effectiveness of the system of criminal justice.” (Voetnoot 127)
7.119 Het EHRM heeft de uitgangspunten voor de toetsing aan art. 6 lid 1 EVRM in geval van een procedure tot herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak als volgt samengevat: (Voetnoot 128)
“- The right to a fair hearing before a tribunal as guaranteed by Article 6 § 1 of the Convention must be interpreted in the light of the Preamble to the Convention, which declares, in its relevant part, the rule of law to be part of the common heritage of the Contracting States. One of the fundamental aspects of the rule of law is the principle of legal certainty, which requires, among other things, that where the courts have finally determined an issue, their ruling should not be called into question.
- That principle does not allow a party to seek the reopening of proceedings merely for the purpose of a rehearing and a fresh decision on the case. The mere possibility of there being two views on the subject is not a ground for re-examination.
- Departures from that principle are justified only when made necessary by circumstances of a substantial and compelling character. Higher courts’ powers to quash or alter binding and enforceable judicial decisions should be exercised for the purpose of correcting fundamental defects. That power must be exercised so as to strike, to the maximum extent possible, a fair balance between the interest of an individual and the need to ensure the effectiveness of the system of justice.
- The relevant considerations to be taken into account in this connection include, in particular, the effect of the reopening and any subsequent proceedings on the applicant’s individual situation, whether the reopening resulted from the applicant’s individual situation, and whether the reopening resulted from the applicant’s own request; the grounds on which the domestic authorities overturned the judgment in the applicant’s case; the compliance of the procedure at issue with the requirements of domestic law; the existence and operation of procedural safeguards in the domestic legal system capable of preventing abuses of that procedure by the domestic authorities; and other pertinent circumstances of the case.
- In a number of cases the Court, while addressing the notion of “a fundamental defect”, has stressed that merely considering that the investigation in the applicant’s case was “incomplete and one-sided” or led to an “erroneous” acquittal cannot itself, in the absence of jurisdictional errors or serious breaches of court procedure, abuses of power, manifest errors in the application of substantive law or any other weighty reasons stemming from the interests of justice, indicate the presence of a fundamental defect in the previous proceedings.”
7.120 Afwijking van het met het rechtszekerheidsbeginsel samenhangende uitgangspunt dat uitspraken die in kracht van gewijsde zijn gegaan moeten worden gerespecteerd, zijn alleen gerechtvaardigd “when made necessary by circumstances of a substantial and compelling character”.” (Voetnoot 129)
7.121 In zijn arrest in de zaak Xheraj tegen Albanië had het EHRM de gronden voor afwijking van het genoemde uitgangspunt in twee categorieën onderscheiden: (Voetnoot 130)
“Moreover, the Court observes that the requirements of legal certainty are not absolute. A departure from that principle is justified only when made necessary by circumstances of a substantial and compelling character (Ryabykh v. Russia, no. 52854/99) or if serious legitimate considerations outweigh the principle of legal certainty (Bratyakin v. Russia, no. 72776/01)”
7.122 In beide benaderingen zal de toepassing moeten voldoen aan het criterium dat “so as to strike, to the maximum extent possible, a fair balance between the interests of the individual and the need to ensure the effectiveness of the system of criminal justice.”
7.122 Relevante factoren ter beoordeling of sprake is van een zodanige fair balance zijn in het bijzonder: (Voetnoot 131)
- Het effect van de heropening van de zaak en alle daaropvolgende procedures op de individuele situatie van de klager en of de heropening plaatsvond na een verzoek van de betrokkene.
- De gronden waarop de herziening is bevolen. In dat kader is relevant dat herziening niet is bedoeld om slechts een nieuwe beoordeling van de zaak te verkrijgen.
- Of de herzieningsprocedure in overeenstemming is met de vereisten van het nationale recht.
- Of het nationale recht voorziet in procedurele waarborgen die misbruik van de herzieningsprocedure door de nationale autoriteiten kunnen voorkomen.
7.124 De herzieningsprocedure moet voorzien in alle procedurele waarborgen van art. 6 lid 1 en moet erop zijn gericht de overall fairness of the proceedings te waarborgen.
7.124 Aan de hand van de door het EHRM geformuleerde factoren zal moeten worden beoordeeld of de procedure in de concrete zaak als ‘fair’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM is aan te merken. Het ligt in de lijn van deze rechtspraak om de omstandigheid dat de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd onherroepelijk is geworden vóór de inwerkingtreding van de wet als relevante factor in de afweging of sprake is van een ‘fair balance’ te betrekken. Daarbij zal ten aanzien van het “effect of the reopening and any subsequent proceedings on the applicant’s individual situation” in het bijzonder acht moet worden geslagen op de verstrekkende inbreuk op de rechtszekerheid die het gevolg is van ‘onmiddellijke werking’, een inbreuk die overeenkomsten vertoont met die in geval van het openbreken van een voltooide verjaring.
Resumé
7.126 Op grond van de rechtspraak van het EHRM kan worden aangenomen dat art. 6 EVRM van toepassing is op de (huidige fase van de) procedure tot herziening ten nadele. Bij de beoordeling of de herzieningsprocedure in een concreet geval voldoet aan de eisen van art. 6 EVRM zal acht moeten worden geslagen op de omstandigheden van het geval, met inachtneming van een aantal door het EHRM benoemde factoren. Daartoe behoren de gevolgen van de heropening van de zaak en daaropvolgende procedures voor de individuele situatie van de gewezen verdachte.
7.126 De zekerheid die de gewezen verdachte na de onherroepelijke vrijspraak ontleende aan het toen geldende recht, is door de wetswijziging ingewisseld voor een levenslange onzekerheid. In de onderhavige zaak is die onzekerheid uiteindelijk, ruim dertien jaar na het einde van de zaak, uitgemond in een herzieningsaanvraag. Aangenomen kan worden dat die omstandigheid in de beoordeling van de ‘fairness’ van de procedure als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM zal moeten worden betrokken. De rechtspraak biedt echter weinig houvast voor de beantwoording van de wijze waarop en de mate waarin dit zal moeten gebeuren.
8
Een verzoek om een advisory opinionaan het EHRM
8.1
Het voorgaande leidt tot de volgende conclusie.
8.2
Het EHRM heeft zich nog niet uitgesproken over de vraag of de toepassing van een wettelijke regeling van herziening ten nadele op uitspraken die vóór de inwerkingtreding van de wet in kracht van gewijsde zijn gegaan in overeenstemming kan zijn met het EVRM en, zo ja, welke factoren in dit verband van belang zijn. Het antwoord op die vraag, die door de Hoge Raad in de Vivaldi-zaak mede om redenen van doelmatigheid in het midden is gelaten, kan ook niet zonder meer uit de rechtspraak van het EHRM worden afgeleid. Toenmalig AG Knigge benadrukte in zijn conclusie in deze zaak dat het onzeker is of de onmiddellijke werking genade zal vinden in de ogen van het EHRM. Tien jaar later onderschrijf ik die conclusie.
8.3
In het bijzonder wordt uit de rechtspraak van het EHRM niet duidelijk of de enkele omstandigheid dat de uitspraak in een strafzaak als de onderhavige waarvan herziening wordt gevraagd onherroepelijk is geworden voordat de wettelijke regeling van de herziening ten nadele in werking is getreden, meebrengt dat de herzieningsprocedure, al dan niet in samenhang met de mogelijke vervolgprocedure, in strijd is met art. 6 lid 1 EVRM en welke betekenis in dit verband toekomt aan de rechtspraak van het EHRM ten aanzien van hernieuwde vervolging na een voltooide verjaring (in verband met art. 7 EVRM). De rechtspraak biedt onvoldoende houvast om de vraag te beantwoorden of en, zo ja, in hoeverre de gewezen verdachte die onherroepelijk is vrijgesproken, terwijl ten tijde van het einde van de zaak herziening ten nadele niet mogelijk was, aan art. 7 EVRM bescherming kan ontlenen die vergelijkbaar is met die van een gewezen verdachte van een feit dat is verjaard.
8.4
Het komt vaker voor dat de rechtspraak van het EHRM op onderdelen niet is uitgekristalliseerd. De Hoge Raad kan in dergelijke gevallen doorgaans invulling geven aan zijn primaire rol in het kader van de rechtsbescherming die voortvloeit uit het EVRM. Het EHRM kan vervolgens zijn subsidiaire rol vervullen als een klacht wordt ingediend. Ik meen dat aan deze route in de onderhavige zaak zwaarwegende bezwaren kleven. Ik roep in herinnering dat de gewezen verdachte veertien jaar geleden onherroepelijk is vrijgesproken en dat het recht in die tijd niet voorzag in een mogelijkheid om de vrijspraak te herzien. Het lijdt aan de andere kant evenmin twijfel dat de strafzaak tegen de gewezen verdachte betrekking had op de verdenking van een zeer ernstig feit.
8.5
In het licht van het voorgaande, geef ik de Hoge Raad in overweging een advisory opinion aan het EHRM te vragen. Ik licht dit als volgt toe.
8.6
Art. 1 van het Zestiende Protocol bij het EVRM (hierna: Zestiende Protocol) luidt:
“1. Highest courts and tribunals of a High Contracting Party, as specified in accordance with Article 10, may request the Court to give advisory opinions on questions of principle relating to the interpretation or application of the rights and freedoms defined in the Convention or the protocols thereto.
2. The requesting court or tribunal may seek an advisory opinion only in the context of a case pending before it.
3. The requesting court or tribunal shall give reasons for its request and shall provide the relevant legal and factual background of the pending case.”
8.7
Op grond van art. 1 van het Zestiende Protocol kan de Hoge Raad als hoogste rechter in (onder meer) strafzaken een advisory opinion verzoeken. (Voetnoot 132) Het Zestiende Protocol is in Nederland op 1 juli 2019 in werking getreden. (Voetnoot 133) Tot op heden heeft de Hoge Raad nog geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid een advisory opinion aan het EHRM te vragen.
8.8
Het doel van een ‘advisory opinion procedure’ is “to further enhance the interaction between the Court and national authorities and thereby reinforce the implementation of the Convention (…).” (Voetnoot 134)
8.9
Uit art. 1 lid 2 Zestiende Protocol volgt dat een verzoek om een advisory opinion geen verplichting behelst. Verder blijkt uit art. 1 lid 1 en lid 2 Zestiende Protocol dat een verzoek een “question of principle” moet betreffen en dat de vraag aan de orde moet zijn in een concrete zaak die aanhangig is bij het desbetreffende gerecht. Het verzoek wordt beoordeeld door een college (“panel”) van vijf rechters van de Grote Kamer van het EHRM (art. 2 lid 1 Zestiende Protocol). Indien het verzoek in behandeling wordt genomen, brengt de Grote Kamer de advisory opinion uit.
8.10
Het eerste lid van art. 1 Zestiende Protocol bepaalt dat het bij een verzoek om een advisory opinion dient te gaan om “questions of principle” betreffende de interpretatie of toepassing van de rechten uit het EVRM en de protocollen. In de Guidelines on the implementation of the advisory-opinion procedure introduced by Protocol No. 16 to the Convention wordt vermeld: (Voetnoot 135)
“5. It is for the designated court or tribunal to apply the Convention and the Court’s case-law to the dispute before it, having regard as appropriate to the parties’ arguments on the matter. It may be that the court or tribunal in question concludes that the case before it, in its view, raises a novel point of Convention law, or that the facts of the case do not seem to lend themselves to a straightforward application of the Court’s case-law, or that there appears to be an inconsistency in the case-law. In such circumstances, the court or tribunal concerned may avail itself of the possibility of submitting a request for an advisory opinion.
7. (…) The panel may reject a request where it considers that it does not concern an issue on which the requesting court would need the Court’s guidance by way of an advisory opinion to be able to ensure respect for Convention rights when determining the case before it.
9. The decision to request an advisory opinion is optional (Article 1 § 1 of the Protocol and Rule 92 § 1 of Chapter X of the Rules of Court). Bearing in mind the aim of the Protocol (see paragraph 2 above), a designated court or tribunal may avail itself of the advisory-opinion procedure whenever it considers that a case before it raises a question or questions of principle relating to the interpretation or application of the rights and freedoms defined in the Convention or the Protocols thereto, and, in its view, it is necessary to request an advisory opinion in order to resolve the dispute brought before it.”
8.11
Tot op heden heeft het EHRM zeven advisory opinions uitgebracht. (Voetnoot 136) Vier verzoeken om het uitbrengen van een advisory opinion zijn afgewezen en twee verzoeken zijn in afwachting van behandeling. In de advisory opinions wordt niet gemotiveerd op welke grond het EHRM in die gevallen oordeelde dat sprake was van een “question of principle”. Uit de beslissingen tot afwijzing van verzoeken om een advisory opinion kan wel worden afgeleid waarom het EHRM geen grond afwezig achtte voor het uitbrengen van een advisory opinion.
8.12
Een Slowaaks verzoek om een advisoy opinion over de interpretatie van art. 2, 3 en 6 EVRM werd afgewezen. Uit de verstrekte informatie bleek niet dat in de nationale procedure een beroep werd gedaan op art. 2 en 3 EVRM. Daarbij kwam dat uit een “unifying opinion” van de Slowaakse hoogste rechter in een andere zaak bleek dat de rechter zelf de relevante uitgangspunten had uiteengezet voor de beantwoording van de vraag over art. 6 EVRM. (Voetnoot 137) In de beslissing concludeerde het EHRM “that the questions raised in the present request for an advisory opinion, on account of their nature, degree of novelty and/or complexity or otherwise, do not concern an issue on which the requesting court would need the Court’s guidance (…). (Voetnoot 138)
8.13
In de beslissing naar aanleiding van een verzoek van de strafkamer van de Hoge Raad van Estland heeft het EHRM, onder verwijzing naar de voorgaande overweging in de Slowaakse zaak, overwogen dat “questions of principle” die vragen zijn die vanwege “their nature, degree of novelty and/or complexity or otherwise” een kwestie betreffen ten aanzien waarvan de nationale rechter behoefte heeft aan “guidance”. Naar aanleiding van het verzoek van de Hoge Raad van Estland overwoog het EHRM dat de gestelde vraag, te weten of een sepotbeslissing van de openbare aanklager kwalificeerde als een “acquittal” als bedoeld in art. 4 van het Zevende Protocol, onderdeel uitmaakt van de vaste jurisprudentie van het EHRM en daarom geen “question of principle” is. (Voetnoot 139) Ook in een beslissing van 28 juni 2024 naar aanleiding van het Hof van Cassatie van Roemenië over de uitleg van art. 6 EVRM en art. 1 Protocol 1 oordeelde het EHRM dat geen sprake was van “une question de principe”, omdat de bestaande jurisprudentie voldoende handvatten bood voor het beantwoorden van de vragen: (Voetnoot 140)
“45. Au vu de ce qui précède, la Cour relève que sur les deux questions qui lui sont posées, sa jurisprudence existante contient un certain nombre d’éléments utiles permettant à la juridiction demanderesse de trancher adéquatement le litige au regard des articles 6 de la Convention et 1 du Protocole no 1 (…).”
8.14
Eenzelfde oordeel is neergelegd in een beslissing van 20 december 2024 naar aanleiding van een ander Roemeens verzoek over de uitleg van art. 8 EVRM. (Voetnoot 141)
8.15
Uit de vier afwijzende beslissingen van het EHRM kan worden afgeleid dat de vraag of de jurisprudentie van het EHRM voldoende is uitgekristalliseerd althans voldoende handvatten biedt voor de beantwoording van de voorliggende vraag, van groot belang is voor de vraag of sprake is van een “question of principle”. (Voetnoot 142)
Een “question of principle” in deze zaak?
8.16
De vraag of de toepassing van een wettelijke regeling van herziening ten nadele op een uitspraak die onherroepelijk is geworden vóór de inwerkingtreding van die wet in overeenstemming is met art. 6 EVRM en/of art. art. 7 EVRM is nog niet door het EHRM beantwoord. Dat antwoord kan ook niet eenduidig uit de rechtspraak van het EHRM worden gedestilleerd, zoals hiervoor is toegelicht.
8.17
Door de verdediging is in het verweerschrift, en in eerdere fases van het geding, aangevoerd dat de onmiddellijke werking van de herzieningsregeling in strijd is met art. 6 en/of art. 7 EVRM.
8.18
Het antwoord op de vraag of de toepassing van een wettelijke regeling van herziening ten nadele op een uitspraak die onherroepelijk is geworden vóór de inwerkingtreding van die wet in overeenstemming is met art. 6 EVRM en/of art. art. 7 EVRM is bepalend voor de uitkomst van de beslissing op de herzieningsaanvraag, in die zin dat in geval van ontkennende beantwoording toewijzing van de aanvraag niet mogelijk is. Daarbij stel ik voorop dat zich hier niet de situatie voordoet waarin sprake is van een voltooide verjaring (vgl. art. 70 lid 2 Sr). In elk geval staat de nationale verjaringsregeling aldus niet aan de ontvankelijkheid van de herzieningsaanvraag in de weg (art. 482b lid 3, aanhef en onder b, Sv).
8.19
Het belang van een antwoord op de vraag naar de verenigbaarheid van de toepassing van herziening ten nadele op uitspraken die vóór de invoering van de wet onherroepelijk zijn geworden, is bovendien niet beperkt tot de onderhavige zaak.
8.20
Daar staat tegenover dat het verzoeken om een advisory opinion niet verplicht is en als nadeel kent dat de behandeling van het herzieningsverzoek wordt aangehouden tot het moment van de beslissing van het EHRM. (Voetnoot 143) Dat nadeel moet wel in perspectief worden bezien. De herzieningsaanvraag betreft een levensdelict uit 2006, een vrijspraak die in 2012 onherroepelijk is geworden en een vordering tot het verrichten van onderzoekshandelingen die in 2021 door de rechter-commissaris is toegewezen. Ik meen dat het nadeel van het tijdsverloop dat gepaard gaat met het vragen en krijgen van een advisory opinion niet opweegt tegen de argumenten die pleiten voor het vragen van een advisory opinion.
8.21
Bij het verzoeken van een advisory opinion zal de privacy van betrokkenen moeten worden gerespecteerd. De advisory opinions worden gepubliceerd (art. 4 lid 4 Zestiende Protocol). In onderdeel VII van de Guidelines betreffende het Zestiende Protocol wordt gewezen op de mogelijkheid van het anonimiseren van de betrokken personen. Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor het nationale gerecht, dat namen kan anonimiseren in het verzoek. Van de zeven uitgebrachte adviezen, zijn de betrokkenen in vier adviezen geanonimiseerd, door de betrokkenen ofwel aan te duiden met initialen, (Voetnoot 144) of aan te duiden met een letter. (Voetnoot 145)
De vragen
8.22
Ik geef de Hoge Raad in overweging het EHRM in het verzoek om een advisory opinion vragen voor te leggen over de verenigbaarheid van toepassing van de regeling van de herziening ten nadele op uitspraken die vóór de inwerkingtreding van de wettelijke regeling onherroepelijk zijn geworden met de artikelen 7 en 6 EVRM.
8.23
Aan het EHRM zou de vraag kunnen worden voorgelegd of de toepassing van een regeling van herziening ten nadele, zoals de Wet herziening ten nadele, op grond waarvan het mogelijk is een onherroepelijke vrijspraak te herzien, onder het toepassingsbereik van art. 7 EVRM valt. Indien de toepassing van de regeling van herziening ten nadele wordt bestreken door art. 7 EVRM, rijst de vraag of art. 7 EVRM zich ertegen verzet dat herziening ten nadele plaatsvindt van een vrijspraak van een levensdelict ingeval de wet ten tijde van het onherroepelijk worden van de vrijspraak nog niet in herziening ten nadele voorzag.
8.24
Verder kan aan het EHRM de vraag worden voorgelegd of art. 6 EVRM zich ertegen verzet dat een regeling van herziening ten nadele, zoals de Wet herziening ten nadele, van toepassing is op een uitspraak waarbij de verdachte van een levensdelict is vrijgesproken en die onherroepelijk is geworden voordat de desbetreffende regeling in werking is getreden. Indien art. 6 EVRM zich daar niet (zonder meer) tegen verzet, rijst de vraag welke betekenis bij de beoordeling van de verenigbaarheid met art. 6 EVRM toekomt aan de omstandigheid dat de wet ten tijde van de desbetreffende vrijspraak nog niet in herziening ten nadele voorzag.
Beslissing
9.1
De vraag of de toepassing van onmiddellijke werking van de Wet herziening ten nadele (onder omstandigheden) verenigbaar is met art. 6 en 7 van het EVRM betreft een principiële vraag inzake de uitleg van voornoemde verdragsrechten, die van cruciaal belang is in de onderhavige procedure. Alvorens de overige aspecten van de herzieningsaanvraag te beoordelen, dient deze vraag te worden beantwoord.
9.2
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de behandeling van het herzieningsverzoek zal schorsen teneinde het EHRM op grond van art. 1 lid 1 van het Zestiende Protocol bij het EVRM te verzoeken een advisory opinion uit te brengen over de hiervoor onder 8.22 tot en met 8.24 opgeworpen vragen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoot
Voetnoot 1
Hof ’s-Gravenhage 27 oktober 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BO1756.
Voetnoot 2
HR 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6250.
Voetnoot 3
Besluit van 17 juli 2013 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet herziening ten nadele, Stb. 2013, 313.
Voetnoot 4
Hof ’s-Gravenhage 27 oktober 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BO1756.
Voetnoot 5
HR 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6250.
Voetnoot 6
Aldus blijkt uit het ter terechtzitting voorgedragen requisitoir.
Voetnoot 7
Conclusie A-G Machielse voorafgaand aan HR 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6250.
Voetnoot 8
HR 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6250. Het eerste middel miste volgens A-G Machielse feitelijke grondslag en werd door de Hoge Raad met een aan art. 81 RO ontleende overweging verworpen.
Voetnoot 9
Brief NFI van 15 juni 2012 aan ressortsparket Den Haag, met als onderwerp ‘Opdracht tot vernietiging DNA-profiel en celmateriaal’.
Voetnoot 10
Daarnaast is een memo van 30 juni 2016 door het NFI opgesteld over de bruikbaarheid van dactyloscopische sporen op de plastic tas die over het hoofd van het slachtoffer was getrokken. In het memo wordt geconcludeerd dat een vingerafdruk die was veiliggesteld (LM1) niet geschikt is bevonden voor een probalistische interpretatie van bewijskracht en dat er geen nieuwe mogelijkheden zijn om nader dactyloscopisch onderzoek aan de plastic tas te doen.
Voetnoot 11
Het rapport van 18 augustus 2016 bevatte een drietal verschrijvingen dan wel onvolkomenheden (de zegelnummers AHH372 waren aangeduid met AHH372, de nieuw veiliggestelde bemonsteringen AHH376#02 tot en met #05 waren abusievelijk onder de kop ‘Bij eerder onderzoek veiliggestelde bemonsteringen’ geplaatst en in de paragraaf ‘resultaten, interpretatie en conclusie’ waren de bemonsteringen waarvan geen DNA-profiel niet vermeld). Deze onvolkomenheden werden in het rapport van 2 september 2016, dat het rapport van 18 augustus 2016 verving, hersteld.
Voetnoot 12
Ten aanzien van bemonsteringen #07 en #09 werd in het NFI-rapport opgemerkt dat “[i]n de verkregen DNA-profielen van het celmateriaal in deze bemonsteringen (…) naast DNA-kenmerken die matchen met het DNA-profiel van het [slachtoffer] (…) nog additionele DNA-kenmerken zichtbaar [zijn] die kunnen duiden op de aanwezigheid van een relatief geringe hoeveelheid celmateriaal van minimaal één andere persoon. Deze additionele DNA-kenmerken zijn ongeschikt om te betrekken bij een vergelijkend DNA-onderzoek.”
Voetnoot 13
In het NFI-rapport is ten aanzien van deze bemonsteringen opgemerkt: “Vanwege de match met het DNA-profiel van [slachtoffer] (…), en omdat het bemonsteringen betreffen van het lichaam van slachtoffer, of in en om het slachtoffer zijn aangetroffen, wordt aangenomen dat deze bemonsteringen DNA bevatten dat afkomstig is van [slachtoffer] zelf.”
Voetnoot 14
Als mag worden aangenomen dat [betrokkene 1] een van de donoren is van het DNA in de bemonstering AHH373#01, dan is de bewijskracht ten aanzien van de gewezen verdachte meer dan 1 miljard.
Voetnoot 15
Zie in deze zin ook de memorie van toelichting bij de Wet herziening ten nadele, Kamerstukken II 2008/09, 32 044, nr. 3, p. 5. Daarbij sloot ik mij aan in: ‘De introductie van de herziening ten nadele in het Nederlands strafprocesrecht’, in: F.W. Bleichrodt (red.), Herziening in strafzaken, BJU 2011, p. 55-65, m.n. p. 57-58.
Voetnoot 16
Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3, p. 156.
Voetnoot 17
Zie ook conclusie van AG Knigge in de Vivaldi-zaak, voorafgaand aan HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2520, onder 6.2.3.
Voetnoot 18
A.J.A. van Dorst, Herziening in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 185; G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 1082.
Voetnoot 19
A.J.A. van Dorst, Herziening in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 185.
Voetnoot 20
Kamerstukken II 2008/09, 32 044, nr. 3, p. 2-5.
Voetnoot 21
EHRM 8 juli 2019, nr. 54012/10 (Mihalache t. Roemenië), par. 127-133.
Voetnoot 22
Zie recent ook S. van Overbeke, ‘Het novum in de Belgische herzieningsprocedure’, en G.J. Knoops, ‘Waarom herziening van onherroepelijk veroordeelden?’, in: Preadviezen 2025 Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 209 resp. p. 251.
Voetnoot 23
Besluit van 17 juli 2013 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet herziening ten nadele, Stb. 2013, 313.
Voetnoot 24
Zie over de verschillende verschijningsvormen van overgangsrecht P.J. Boon, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Regelgeving in Nederland (Mastermonografieën staats- en bestuursrecht), Deventer: Kluwer 2005, p. 22-24; G. Knigge, Verandering van wetgeving, Arnhem 1984; T. Vancoppernolle, Intertemporeel recht, Antwerpen/Cambrigde: Intersentia 2019 en M. Pauwels, Terugwerkende kracht van belastingwetgeving: gewikt en gewogen. Een rechtstheoretisch onderzoek naar een methode voor vorming van wettelijk overgangsrecht in het belastingrecht, Amersfoort: SDU-uitgevers 2009, p. 27-37.
Voetnoot 25
Conclusie A-G Knigge voorafgaand aan HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241 m.nt. F.W. Bleichrodt.
Voetnoot 26
Zie hierover nader de conclusie van AG Knigge voorafgaand aan HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241 m.nt. F.W. Bleichrodt, par. 5.2.4. Zie verder bijvoorbeeld HR 9 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:4, NJ 2024/44.
Voetnoot 27
Kamerstukken II 2008/09, 32 044, nr. 2, p. 6.
Voetnoot 28
Kamerstukken II 2008/09, 32 044, nr. 3, p. 28. Over deze keuze en de aansluiting op bepalingen van overgangsrecht in de gewijzigde verjaringsregeling schreef ik eerder in ‘Herziening ten nadele’, Strafblad 2008, p. 513-522, m.n. p. 518-519.
Voetnoot 29
Regeerakkoord VVD-CDA en gedoogakkoord VVD-PVV-CDA: Kamerstukken II 2010/11, 32 417, nr. 15, p. 37 en 73.
Voetnoot 30
Kamerstukken II 2010/11, 32 044, nr. 8, p. 2-3.
Voetnoot 31
G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 1082; W. van Hattum, ‘Hoeveel rechtsonzekerheid voor allen is de bestraffing van een enkeling ons waard? Kanttekeningen bij het wetsvoorstel ‘Herziening ten nadele’’, NJB 2012/398.
Voetnoot 32
Kamerstukken II 2010/11, 32 044, nr. 8, p. 3-4.
Voetnoot 33
Kamerstukken II 2010/11, 32 044, nr. 9, p. 3.
Voetnoot 34
Kamerstukken II 2010/11, 32 044, nr. 9, p. 4.
Voetnoot 35
Kamerstukken II 2010/11, 32 044, nr. 9, p. 5.
Voetnoot 36
Kamerstukken II 2010/11, 32 044, nr. 11, p. 6.
Voetnoot 37
Kamerstukken II 2010/11, 32 044, nr. 11, p. 9-10.
Voetnoot 38
Kamerstukken I 2012/13, 32 044, C, p. 34-35.
Voetnoot 39
W.F. van Hattum, ‘Vrijgesproken maar niet vrij. De bewaarregeling DNA voor vrijgesproken verdachten bij het wetsvoorstel herziening ten nadele’, NJB 2013/435.
Voetnoot 40
Kamerstukken I 2012/13, 32 044, E, p. 5-6.
Voetnoot 41
Handelingen I 2012/13, 32 044, nr. 23, item 3, voortzetting van de behandeling van het wetsvoorstel op 9 april 2013, p. 10.
Voetnoot 42
P.A.M. Mevis en T. Kooijmans, Herziening ten nadele. Een studie naar de wenselijkheid en mogelijkheid van herziening ten nadele in het Nederlandse strafprocesrecht, Erasmus Universiteit Rotterdam 2003, p. 120-122.
Voetnoot 43
Noot onder HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2520, NJ 2017/69.
Voetnoot 44
G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 1082.
Voetnoot 45
P.J.P. Tak, Herziening na vrijspraak, (afscheidsrede Nijmegen) 2008, p. 35-36.
Voetnoot 46
W.J. Witteveen, ‘Radbruch over afweging van belangen en terugwerkende kracht’, RegelMaat 2013/3.
Voetnoot 47
R.M. Vennix, ‘Herziening ten nadele van de verdachte?’, DD 2001, afl. 7, p. 719.
Voetnoot 48
W.F van Hattum, ‘Vrijgesproken maar niet vrij. De bewaarregeling DNA voor vrijgesproken verdachten bij het wetsvoorstel herziening ten nadele’, NJB 2013/435; W.F. van Hattum, ‘Herziening ten nadele: een oude gewoonte hervat, RMThemis 2012/3. Zie ook W.F. van Hattum, Non bis in idem, De ontwikkeling van een beginsel (diss.), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2012.
Voetnoot 49
HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2520, NJ 2017/69 m.nt. T. Kooijmans, ro. 4.1.
Voetnoot 50
Conclusie A-G Knigge voorafgaand aan HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2520, NJ 2017/69 m.nt. T. Kooijmans, onder 6.7.
Voetnoot 51
Conclusie A-G Knigge voorafgaand aan HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2520, NJ 2017/69 m.nt. T. Kooijmans, onder 6.7.3, 6.7.4 en 6.8.3.
Voetnoot 52
A.J.A. van Dorst, Herziening in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 188. In vergelijkbare zin Kooijmans in zijn noot onder HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2520, NJ 2017/69.
Voetnoot 53
P.A.M. Mevis en T. Kooijmans, Herziening ten nadele. Een studie naar de wenselijkheid en mogelijkheid van herziening ten nadele in het Nederlandse strafprocesrecht, Erasmus Universiteit Rotterdam: 2003, p. 56.
Voetnoot 54
In 2014 is door Franse parlementsleden een voorstel gedaan om herziening ten nadele mogelijk te maken. Amendement 5 werd ingediend tot wijziging van de wet die leidde tot de wet van 20 juni 2014, nummer 2014-640 (Loi n° 2014-640 du 20 juin 2014 relative à la réforme des procédures de révision et de réexamen d'une condamnation pénale définitive), te raadplegen via de website van de Assemblée Nationale. Het amendement haalde het niet.
Voetnoot 55
Vertaling beschikbaar via www.finlex.fi/.
Voetnoot 56
P.A.M. Mevis en T. Kooijmans, Herziening ten nadele. Een studie naar de wenselijkheid en mogelijkheid van herziening ten nadele in het Nederlandse strafprocesrecht, Erasmus Universiteit Rotterdam: 2003, p. 67; H.F. Morre, Herziening ten nadele. Een afweging in het licht van nova, falsa, ne bis in idem en lites finiri oportet, Tilburg: Celsus juridische uitgeverij 2010, p. 49.
Voetnoot 57
Deze wetgeving heeft ook model gestaan voor de herzieningsregelingen ten nadele in de staten van Australië. Alle staten, behalve Queensland, hebben aan de herzieningsregeling, ingevoerd tussen 2006 en 2012, onmiddellijke werking toegekend. Zie bijvoorbeeld art. 99 lid 3 van de Crimes (Appeal and Review) Act 2001 van New South Wales: “This section extends to a person acquitted before the commencement of this Division.”
Voetnoot 58
Research Paper, The Criminal Justice Bill: Double jeopardy and prosecution appeals, 2 december 2002, p. 37; The Law Commission (Law Com No 267), Double Jeopardy and Prosecution Appeals - Report on Two References under Section 3(1)(e) of the Law Commissions Act 1965, 21 January 2001 (England & Wales), p. 45-48.
Voetnoot 59
The Law Commission (Law Com No 267), Double Jeopardy and Prosecution Appeals - Report on Two References under Section 3(1)(e) of the Law Commissions Act 1965, 21 January 2001 (England & Wales), p. 47; zie ook P.A.M. Mevis en T. Kooijmans, Herziening ten nadele. Een studie naar de wenselijkheid en mogelijkheid van herziening ten nadele in het Nederlandse strafprocesrecht, Erasmus Universiteit Rotterdam: 2003, p. 71.
Voetnoot 60
Home Office, ‘Justice for All’, CM 5563, July 2002, p. 83.
Voetnoot 61
Bundesverfassungsgericht 31 oktober 2023, 2 BvR 900/22, par. 123, 141. Zie ook P.A.M. Mevis, ‘Het strafrecht waarborgt de grondrechten en de democratische rechtsstaat. Over de betekenis van enige recente en komende grondwetswijzigingen voor het strafrecht’, DD 2023/60.
Voetnoot 62
Abweichende Meinung des Richters Müller und der Richterin Langenfeld zum Urteil des Zweiten Senats vom 31. Oktober 2023, 2 BvR 900/22, par. 38.
Voetnoot 63
Landsverordening van 22 oktober 2020 houdende vaststelling van een nieuwe tekst van het Wetboek van Strafvordering (Wetboek van Strafvordering), AB 2020 nr. 163; Landsverordening van 22 maart 2024 houdende bepalingen in verband met de invoering van een nieuw Wetboek van Strafvordering, alsmede tot het aanbrengen van correcties en verduidelijkingen (Invoeringsverordening Wetboek van Strafvordering), AB 2024 nr. 8, Artikel LXVIII.
Voetnoot 64
H. de Doelder e.a. (red.), Caribisch Wetboek van Strafvordering. Tweede, aangevuld concept, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2021, p. 347. Deze keuze is niet nader toegelicht. Zie ook H. de Doelder en J.H.J. Verbaan, ‘Strafrechtelijke stand van zaken’, CJB 2020/4.
Voetnoot 65
Vgl. onder meer EHRM 14 november 2024, nr. 63277/19 (Zakrzewski t. Polen).
Voetnoot 66
EHRM 21 oktober 2012, nr. 42750/09 (Del Rio Prada t. Spanje), par. 77.
Voetnoot 67
M. Timmerman, Legality in Europe. On the principle nullum crimen, nulla poena sine lege in EU law and under the ECHR, Cambridge: Intersentia 2018, p. 70.
Voetnoot 68
EHRM 17 september 2009, nr. 10249/03 (Scoppola t. Italië, nr. 2), par. 110; M. Timmerman, Legality in Europe. On the principle nullum crimen, nulla poena sine lege in EU law and under the ECHR, Cambridge: Intersentia 2018, p. 58-59.
Voetnoot 69
Het EHRM heeft geoordeeld dat art. 7 lid 1 EVRM het ‘lex mitior’-beginsel omvat. Zie EHRM 17 september 2009, nr. 10249/03 (Scoppola t. Italie, nr. 2), par. 108-109.
Voetnoot 70
EHRM 22 juni 2000, nrs. 32492/96, 32547/96, 32548/96, 33209/96 en 33210/96 (Coëme e.a. t. België). Zie ook EHRM 12 februari 2013, nr. 1845/08 (Previti t. Italië), par. 80 en EHRM 22 september 2015, nr. 55959/14 (Borcea t. Roemenië), par. 64.
Voetnoot 71
Partly dissenting opinion of judge Cabral Barreto bij EHRM 22 maart 2001, nr. 37201/97 (K.-H.W. t. Duitsland).
Voetnoot 72
EHRM 29 januari 2019, nr. 45849/13 (Orlen Lietuva Ltd. t. Litouwen), par. 97.
Voetnoot 73
EHRM 18 juni 2020, nr. 7523/10 (Antia en Khupenia t. Georgië).
Voetnoot 74
EHRM 18 juni 2020, nr. 7523/10 (Antia en Khupenia t. Georgië), par. 39.
Voetnoot 75
EHRM 18 juni 2020, nr. 7523/10 (Antia en Khupenia t. Georgië), par. 37.
Voetnoot 76
EHRM 15 mei 2025, nr. 27231/19 (Van der Zwan t. Nederland), par. 10. In dezelfde zin EHRM 15 mei 2025, nr. 23106/19 (De Jong t. Nederland), par. 12.
Voetnoot 77
EHRM (grand chamber), Advisory opinion on the applicability of statutes of limitation to prosecution, conviction and punishment in respect of an offence constituting, in substance, an act of torture, verzoeknr. P16-2021-001, 26 april 2022. Zie ook de reactie van de minister van Justitie en Veiligheid op de Advisory Opinion in de context van het overgangsrecht van de Wet van 15 november 2012, waarmee de verjaringsregeling van nog lopende verjaringstermijnen werd aangepast (Kamerstukken I, 2022/23, 32 890, E).
Voetnoot 78
EHRM 12 maart 2019, nr. 52538/09 (Tasdemir e.a. t. Turkije).
Voetnoot 79
Vgl. in dit verband ook EHRM (GK), Advisory opinion on the applicability of statutes of limitation to prosecution, conviction and punishment in respect of an offence constituting, in substance, an act of torture, 26 april 2022, verzoeknr. P16-2021-001, par. 77-78.
Voetnoot 80
Zie o.m. EHRM 30 november 2004, nr. 48939/99 (Öneryildiz t. Turkije), par. 89.
Voetnoot 81
Zie o.m. EHRM 30 november 2004, nr. 48939/99 (Öneryildiz t. Turkije), par. 91.
Voetnoot 82
Zie o.m. EHRM 14 april 2015, nr. 24014/05 (Mustafa Tunç and Fecire Tunç t. Turkije), par. 171-173.
Voetnoot 83
EHRM 27 november 2007, nr. 32457/04 (Brecknell t. het Verenigd Koninkrijk), par. 71.
Voetnoot 84
Zie echter specifiek ten aanzien van verjaring in gevallen van zaken betreffende schendingen van art. 3 EVRM veroorzaakt door statelijke actoren EHRM 17 september 2014, nrs. 10865/09, 45886/07 en 32431/08 (Mocanu e.a. t. Roemenië).
Voetnoot 85
Kamerstukken II 2010/11, 32 044, nr. 11, p. 9-10.
Voetnoot 86
A.J.A. van Dorst e.a. (red.), Notulen Staatscommissie voor de Zamenstelling van een Wetboek van Strafrecht, 1870/1876 (voorzitter J. de Wal), Deel I, Tilburg: Katholieke Hogeschool 1976, p. 7 (Tweede vergadering, 10 oktober 1870).
Voetnoot 87
J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 154 en 584.
Voetnoot 88
EHRM 12 maart 2019, nr. 52538/09 (Tasdemir e.a. t. Turkije).
Voetnoot 89
Vgl. ten aanzien van vervolging na verjaring EHRM (GK), Advisory opinion on the applicability of statutes of limitation to prosecution, conviction and punishment in respect of an offence constituting, in substance, an act of torture, 26 april 2022, verzoeknr. P16-2021-001, par. 77.
Voetnoot 90
Zie over het toepassingsbereik van het Handvest o.m. J.H. Gerards, ‘Het EU-Grondrechtenhandvest: een crashcourse’, in: J.H. Gerards e.a., Waarde, werking en potentie van het EU-Grondrechtenhandvest in de Nederlandse rechtsorde. Preadviezen (Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging 153e jaargang), Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 27-31. Een mogelijk verband met het EU-recht zou kunnen worden gevonden in Richtlijn (EU) 2016/680 aangaande bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de opsporing en vervolging, bijvoorbeeld in samenhang met DNA-onderzoek.
Voetnoot 91
HvJ-EU 25 januari 1979, C-98/78 (Racke), par. 20, ook voor de uitzondering op deze regel.
Voetnoot 92
D. Weber, ‘Tax Rules with Retroactive Effect Versus Legal Certainty and Legitimate Expectations’, in: Time and Tax. Issues in International, EU, and Constitutional Law, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 172-175; J.L. van Verseveld, ‘With the Wisdom of Hindsight’, Ec Tax Review 2021/4.
Voetnoot 93
HvJ-EU 3 juni 2021, C-39/20 (Jumbocarry Trading), par. 28; HvJ-EU 7 november 2018, C-432/17 (O’Brien), par. 26, met de daarin genoemde rechtspraak.
Voetnoot 94
T. Tridimas, The General Principles of EU Law, Oxford: Oxford University Press 2009, p. 252-255.
Voetnoot 95
HvJ-EU 10 juli 1983, C-63/83 (Kirk), par. 22; HvJ-EU 13 november 1990 (Fedesa), par. 42.
Voetnoot 96
Toelichtingen bij het Handvest van de Grondrechten, 2007/C 303/02. Zie ook art. 52 lid 3 Handvest, en HvJ-EU 8 september 2015, C105/14, ECLI:EU:C:2015:555 (Taricco), par. 57.
Voetnoot 97
HvJ-EU 5 december 2017, C-42/17, ECLI:EU:C:2017:936 (M.A.S. & M.B.), par. 51 en 55-57.
Voetnoot 98
M. Timmerman, Legality in Europe. On the principle nullum crimen, nulla poena sine lege in EU law and under the ECHR, Cambridge: Intersentia 2018, p. 175-180, 189-192; J.G.H. Altena-Davidsen, Het legaliteitsbeginsel en de doorwerking van Europees recht in het Nederlandse materiële strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 295-297; C. Peristeridou, The Principle of Legality in European Criminal Law, Cambridge: Intersentia 2015, p. 194-195.
Voetnoot 99
HvJ-EU 13 november 1990, C-331/88 (Fedesa), par. 43; HvJ-EU 16 juni 2005, C-105/03 (Pupino), par. 45.
Voetnoot 100
Dat wil echter niet zeggen dat het nationale legaliteitsbeginsel geen rol kan spelen in verjaringskwesties. Indien het gaat om strafbare feiten die zijn gepleegd vóórafgaand aan de harmonisering van de verjaringsregeling voor btw-fraude door de Uniewetgever, mag de nationale rechter belang toekennen aan het legaliteitsbeginsel zoals dat voortvloeit uit nationale wet- en regelgeving. Zie HvJ-EU 5 december 2017, C-42/17, ECLI:EU:C:2017:936 (M.A.S. & M.B.) en HvJ-EU 24 juli 2023, C-107/23 PPU, ECLI:EU:C:2023:606 (C.I. e.a.).
Voetnoot 101
HvJ-EU 8 september 2015, C105/14, ECLI:EU:C:2015:555 (Taricco), par. 55-57. Zie ook HvJ-EU 24 juli 2023, C-107/23 PPU, ECLI:EU:C:2023:606 (C.I. e.a.), par. 108.
Voetnoot 102
Conclusie A-G J. Kokott 30 april 2015, C-105/14. Met weglating van voetnoten.
Voetnoot 103
HvJ-EU 3 juni 2021, C-39/20 (Jumbocarry Trading), par. 28.
Voetnoot 104
HvJ-EU 30 april 2019, C611/17 (Italië t. Raad van de EU), par. 106; HvJ-EU 4 mei 2023, C-99/22 (Kapniki A. Michailidis), par. 23. Zie ook HvJ-EU 13 februari 2019, C-434/17 (Human Operator) en HvJ-EU 26 april 2005, C-376/02 (Goed Wonen).
Voetnoot 105
Zie ook HvJ-EU 11 juni 2015, C-98/14 (Berlington).
Voetnoot 106
Kamerstukken II 2008/09, 32 044, nr. 3, p. 10.
Voetnoot 107
EHRM 20 juli 2004, nr. 50178/99 (Nikitin t. Rusland), par. 60.
Voetnoot 108
EHRM 15 maart 2006, nr. 53203/99 (Vanyan t. Rusland).
Voetnoot 109
EHRM 26 oktober 2021, nr. 2236/19 (Serrano Conreras t. Spanje (nr. 2)).
Voetnoot 110
EHRM 26 oktober 2021, nr. 2236/19 (Serrano Conreras t. Spanje (nr. 2)), par. 28.
Voetnoot 111
EHRM 11 juli 2017, nr. 19867/12 (Moreira Ferreira t. Portugal (nr. 2)).
Voetnoot 112
EHRM 28 februari 2006, nr. 6965/02 (Savinskiy t. Oekraïne).
Voetnoot 113
EHRM 24 mei 2007, nr. 65582/01 (Radchikov t. Rusland).
Voetnoot 114
EHRM 26 februari 2009, nr. 63997/00 (Fedorov t. Rusland).
Voetnoot 115
EHRM 14 november 2024, nr. 63277/19 (Zakrzewski t. Polen).
Voetnoot 116
Of woorden van gelijke strekking: “fresh consideration” (Savinskiy t. Oekraine); “fresh investigation” (Radchikov t. Rusland); en “re-examination” (Zakrzewski t. Polen).
Voetnoot 117
Zie in dit verband ook F. Scheltinga, Herziening ten nadele en een eerlijk proces. De verenigbaarheid van de Wet herziening ten nadele met het ne bis in idem0beginsel en het recht op een eerlijk proces, Weert: Celsus juridische uitgeverij 2021, p. 17, die ervan uitgaat dat art. 6 EVRM geen toepassing vindt als alleen een afwijzing van een herzieningsverzoek aan de orde is. Art. 6 EVRM is volgens de auteur wel van toepassing op de herzieningsprocedure als de rechter een bredere bevoegdheid toekomt dan het enkel toe- of afwijzen van de aanvraag, ongeacht de uitkomst van de procedure.
Voetnoot 118
EHRM 28 oktober 1999, nr. 28342/95 (Brumarescu tegen Roemenië).
Voetnoot 119
EHRM 24 juli 2003, nr. 52854/99 (Ryabykh tegen Rusland). Zie ook EHRM 1 december 2020, nr. 26374/18 (Guðmundur Andri Ástráðsson t. IJsland), par. 238.
Voetnoot 120
EHRM 14 november 2024, nr. 63277/19 (Zakrzewski t. Polen), par. 38, met de daarin genoemde verwijzingen naar eerdere rechtspraak.
Voetnoot 121
EHRM 17 september 2009, nr. 10249/03 (Scoppola t. Italië (nr. 2).
Voetnoot 122
EHRM 12 april 2018, nrs. 36661/07 en 38433/07 (Chim en Przywieczerski t. Polen).
Voetnoot 123
EHRM 3 november 2022, nr. 49812/09 (Vegotex International S.A. t. België), par. 101-124.
Voetnoot 124
Vgl. onder meer EHRM 29 juli 2008, nr. 37959/02 (Xheraj t. Albania), par. 53.
Voetnoot 125
EHRM 20 juli 2004, nr. 50178/99 (Nikitin t. Rusland), par. 56.
Voetnoot 126
EHRM 9 maart 2006, nr. 72776/01 (Bratyakin t. Rusland).
Voetnoot 127
EHRM 20 juli 2004, nr. 50178/99 (Nikitin t. Rusland), par. 57.
Voetnoot 128
EHRM 14 november 2024, nr. 63277/19 (Zakrzewski t. Polen), par. 38, met de daarin genoemde verwijzingen naar eerdere rechtspraak.
Voetnoot 129
EHRM 6 juli 2021, nr. 70306/10, (Tigrak t. Turkije), par. 48, EHRM 14 november 2024, nr. 63277/19 (Zakrzewski t. Polen), par. 38; EHRM 9 juni 2015, nr. 25132/13 (COMPCAR, s.r.o. t. Slowakije), par. 63-64.
Voetnoot 130
EHRM 29 juli 2008, nr. 37959/02 (Xheraj t. Albania), par. 52.
Voetnoot 131
EHRM 14 november 2024, nr. 63277/19 (Zakrzewski t. Polen), par. 38; EHRM 9 juni 2015, nr. 25132/13 (COMPCAR, s.r.o. t. Slowakije), par. 63-64; EHRM 24 mei 2007, nr. 65582/01 (Radchikov t. Rusland), par. 44; EHRM 26 februari 2009, nr. 63997/00 (Fedorov t. Rusland), par. 30-34; EHRM 27 juli 2006, nr. 58079/00 (Fadin t. Rusland), par. 34-37.
Voetnoot 132
Reservations and Declarations for Treaty No.214 - Protocol No. 16 to the Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms (CETS No. 214), Declaration contained in a letter from the Minister of Foreign Affairs of the Netherlands, dated 30 January 2019, deposited with the instrument of acceptance 12 February 2019; Appendix II van Guidelines on the implementation of the advisory-opinion procedure introduced by Protocol No. 16 to the Convention. Zie ook Kamerstukken II 2014/15, 34 235, nr. 3, p. 5-6. Zie over deze procedure ook Th.O.M. Dieben, ‘Internationale mensenrechtenprocedures’, in: R.G.A. Beaujean e.a. (red.), Handboek Strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer (online, bijgewerkt 19 september 2023); J.H. Gerards en C.M.S. Loven, Protocol 16 EVRM. Achtergronden, betekenis, effecten en ervaringen, Utrecht: Universiteit Utrecht, juli 2023.
Voetnoot 133
Protocol nr. 16 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; Straatsburg, 2 oktober 2013, Tractatenblad 2019, 38.
Voetnoot 134
Preambule bij Zestiende Protocol; EHRM (GK), Advisory opinion as to whether an individual may be denied authorisation to work as a security guard or officer on account of being close to or belonging to a religious movement, 14 december 2023, verzoeknr. P16-2023-001, par. 61.
Voetnoot 135
Goedgekeurd door het EHRM op 18 september 2017 en laatst gewijzigd op 25 september 2023.
Voetnoot 136
Te vinden op de website van het EHRM.
Voetnoot 137
EHRM (college GK), Decision on a request for an advisory opinion, 14 december 2020, verzoeknr. P16-2020-001, par. 18-22.
Voetnoot 138
EHRM (college GK), Decision on a request for an advisory opinion, 14 december 2020, verzoeknr. P16-2020-001, par. 23.
Voetnoot 139
EHRM (college GK), Decision on a request for an advisory opinion, 19 februari 2024, verzoeknr. P16-2023-002, par. 30-31.
Voetnoot 140
EHRM (college GK), Decision on a request for an advisory opinion, 28 juni 2024, verzoeknr. P16-2024-001.
Voetnoot 141
EHRM (college GK), Decision on a request for an advisory opinion, 20 december 2024, verzoeknr. P16-2024-002, par. 17, 32-33.
Voetnoot 142
Zie ook conclusie A-G Keulen voorafgaand aan HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1519, onderdeel 67.
Voetnoot 143
Het tijdsverloop tussen het verzoeken om een advisory opinion en het uitbrengen van het advies in de zeven zaken waarin een advies is uitgebracht, varieerde van circa zes maanden tot negentien maanden.
Voetnoot 144
EHRM (GK), Advisory Opinion as to whether an individual may be denied authorisation to work as a security guard or officer on account of being close to or belonging to a religious movement, 14 december 2023, verzocht door de Belgische Conseil d’État, verzoeknr. P16-2023-001; EHRM (GK), Advisory Opinion on the applicability of statutes of limitation to prosecution, conviction and punishment in respect of an offence constituting, in substance, an act of torture, 26 april 2022, verzocht door het Armeense Court of Cassation, verzoeknr. P16-2021-001; EHRM (GK), Advisory Opinion on the assessment, under Article 3 of Protocol No. 1 to the Convention, of the proportionality of a general prohibition on standing for election after removal from office in impeachment proceedings, 8 april 2022, verzocht door het Litouwse Supreme Administrative Court, verzoeknr. P16-2020-002.
Voetnoot 145
EHRM (GK), Advisory Opinion on the procedural status and rights of a biological parent in proceedings for the adoption of an adult, 13 april 2023, verzocht door het Finse Supreme Court, verzoeknr. P16-2022-001.