Op 10 March 2026 heeft de Parket bij de Hoge Raad een procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 24/02407, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:PHR:2026:228.
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02407 P
Zitting 10 maart 2026
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
hierna: de betrokkene
1.1
Het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-002213-21) heeft bij arrest van 14 juni 2024 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op € 1.992.982,00 en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 1.987.982,00. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. L.E.G. van der Hut, advocaat in Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
2
Waar het in cassatie om gaat
2.1
In de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak is de betrokkene door het hof onherroepelijk veroordeeld voor – kort gezegd – het meermalen feitelijk leidinggeven aan (het medeplegen van) valsheid in geschrift meermalen begaan door een rechtspersoon, het meermalen feitelijk leidinggeven aan gewoontewitwassen meermalen begaan door een rechtspersoon en het als leider deelnemen aan een criminele organisatie. (Voetnoot 1) Het hof heeft in het bestreden ontnemingsarrest geoordeeld dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de baten van de bewezenverklaarde valsheid in geschrift en witwassen (Voetnoot 2) en uit soortgelijke feiten (art. 36e lid 2 (oud) Sr). In cassatie wordt in het eerste middel geklaagd over het oordeel van het hof dat het door de rechtspersonen wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene als natuurlijke persoon kan worden toegerekend. Het tweede middel betreft het oordeel van het hof over de overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van de ontnemingszaak in eerste aanleg en in hoger beroep.
2.2
Deze conclusie houdt in dat het eerste middel slaagt en strekt tot verwerping van het tweede middel.
3
De aan de ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak
3.1
Ten behoeve van het begrip van het bestreden arrest en deze conclusie zal ik eerst kort stilstaan bij de feiten waarover het ging in de strafzaak die in deze ontnemingszaak heeft geresulteerd.
3.2
A-G Paridaens heeft in haar conclusie voor HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:981, randnr. 3 en 4 de aan deze ontnemingszaak ten grondslag liggende strafzaak tegen de betrokkene als volgt omschreven:
“3. De verdachte in deze zaak is lange tijd werkzaam is geweest in de trustsector. Hij heeft leiding gegeven aan verschillende trustkantoren die grote (EU-)bedrijven als klant hadden en voor hen bepaalde fiscale structuren uitvoerden. Uit het arrest van het hof kan worden afgeleid dat het hof is uitgegaan van de volgende werkwijze. Het trustkantoor liet geldbedragen van klanten via een door het trustkantoor beheerde Nederlandse vennootschap (de zogenaamde “inhouse vennootschap”) doorstromen naar een ten behoeve van de klant opgerichte vennootschap in een land met een mild belastingklimaat (de zogenaamde “offshore vennootschap”). Deze geldstroom vond plaats op basis van een in overeenkomsten gegronde economische relatie tussen enerzijds de klant en de inhouse vennootschap en anderzijds de inhouse vennootschap en de offshore vennootschap. Op grond van de facturen die voortvloeiden uit deze overeenkomsten werden door de klant betalingen verricht aan de inhouse vennootschap en verrichtte de inhouse vennootschap vervolgens weer betalingen aan de offshore vennootschap. In de administratie van de klant waren vervolgens alleen de betalingen aan de inhouse vennootschap zichtbaar en bleek niet dat de geldbedragen naar een offshore vennootschap waren gevloeid. Zo werd ervoor gezorgd dat de klanten van het trustkantoor minder belasting hoefden te betalen.
4. Het hof heeft de overeenkomsten en facturen die in de tenlastelegging onder de feiten 2 tot en met 11 worden genoemd als vals aangemerkt. In de meeste gevallen heeft het hof daartoe – kort gezegd – geoordeeld dat de economische relatie tussen de klanten, de inhouse vennootschappen en de offshore vennootschappen waaruit deze overeenkomsten en facturen voortvloeiden in werkelijkheid niet bestond. Volgens het hof hebben de overeengekomen activiteiten waarvoor betalingen werden verricht door de klanten aan de inhouse vennootschappen, niet daadwerkelijk plaatsgevonden. Er was dus slechts sprake van een papieren werkelijkheid die de verrichte betalingen tussen de klanten, de inhouse vennootschappen en de offshore vennootschappen moest legitimeren zodat belastingontduiking kon worden gefaciliteerd. Ook heeft het hof in de meeste gevallen vastgesteld dat de overeenkomsten en facturen zijn geantedateerd, wat wil zeggen dat de documenten zijn voorzien van een eerdere datum van ondertekening dan dat het document in werkelijkheid werd ondertekend. Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor het feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van valsheid in geschrift en aan het voorhanden hebben van die geschriften. Daarnaast is de verdachte veroordeeld voor het leidinggeven aan een criminele organisatie en het feitelijk leidinggeven aan gewoontewitwassen.”
4.1
Het middel klaagt in de kern dat het oordeel van het hof dat het door de rechtspersonen verkregen voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans ontoereikend is gemotiveerd.
4.2
Het middel valt uiteen in twee deelklachten.
4.3
De eerste deelklacht houdt in dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat “[v]oor de vaststelling of een natuurlijk persoon wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit het handelen van een rechtspersoon dient te worden bezien of die natuurlijke persoon volledige dan wel in belangrijke mate zeggenschap heeft over die rechtspersoon, of hij over het vermogen van de rechtspersoon kon beschikken en of het verkregen voordeel heeft kunnen strekken tot voordeel van de natuurlijke persoon”. In de toelichting op het middel worden ter onderbouwing van deze klacht de randnummers 9 t/m 16 van de conclusie van A-G Aben voor HR 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1410 (HR: 81 RO) geciteerd. Vervolgens betoogd dat het hof “zowel de hoofdregel dat er terughoudendheid moet worden betracht bij het optillen van de vennootschappelijke sluier en bij het vereenzelvigen van (het vermogen van) de rechtspersoon met (dat van) de natuurlijke persoon die achter die rechtspersoon schuilgaat en die deze rechtspersoon bestuurt en/of bezit, als de drie door AG Aben besproken ‘uitzonderingssituaties’ [heeft] miskend.”
4.4
De tweede deelklacht bestrijdt de motivering van het oordeel van het hof dat “het in de inhouse I en II vennootschappen genoten voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend”. Daartoe voert de steller van het middel aan dat het hof is afgeweken van de hoofdregel, maar dat het onduidelijk is welke lijn het hof heeft gekozen. Vervolgens wordt in de toelichting van het middel uiteengezet dat voor geen van de drie uitzonderingssituaties aan de daarvoor geldende vereisten is voldaan.
4.5
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In verband met de reparatoire aard van de ontnemingsmaatregel geldt als uitgangspunt dat alleen voordeel kan worden ontnomen dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft verkregen. (Voetnoot 3) Dit heeft ook gevolgen voor het toerekenen van door een rechtspersoon wederrechtelijk verkregen voordeel aan een natuurlijke persoon. Het enkele feit dat een natuurlijke persoon enig aandeelhouder en/of bestuurder is van een rechtspersoon brengt niet mee dat het door die rechtspersoon verkregen voordeel ook door die natuurlijke persoon is verkregen. (Voetnoot 4) Het vermogen van de rechtspersoon kan niet steeds worden vereenzelvigd met het vermogen van haar bestuurder en/of enig aandeelhouder. (Voetnoot 5) Een rechtspersoon is immers zelfstandig drager van rechten en plichten en heeft een eigen vermogen dat is afgescheiden van dat van de natuurlijke personen die het beleid van de rechtspersoon kunnen vaststellen en gerechtigd zijn tot het vermogen van die rechtspersoon. (Voetnoot 6) Tegelijkertijd betekent de enkele omstandigheid dat wederrechtelijk voordeel door de rechtspersoon is verkregen niet dat die bedragen nooit kunnen gelden als voordeel dat door de natuurlijke persoon is verkregen. (Voetnoot 7) A-G Aben onderscheidt – in zijn in de schriftuur aangehaalde conclusie (Voetnoot 8) – drie categorieën van situaties waarin door een rechtspersoon wederrechtelijk verkregen voordeel aan een natuurlijke persoon kan worden toegerekend. Bij deze indeling sluit ik voor het navolgende aan.
4.6
De eerste categorie (“indirecte toerekening”) bestaat uit de gevallen waarin de natuurlijke persoon het wederrechtelijk verkregen voordeel van een rechtspersoon indirect heeft verkregen. Hiervan kan sprake zijn als (i) het voordeel van de rechtspersoon naar de natuurlijke persoon is toegevloeid door loonsverhogingen of dividenduitkeringen, (ii) de rechtspersoon aan de natuurlijke persoon leningen verstrekt die in de praktijk niet of nauwelijks worden terugbetaald (Voetnoot 9) of (iii) de aandelen van de natuurlijke persoon in de rechtspersoon meer waard worden door het wederrechtelijk verkregen voordeel van de rechtspersoon. Bij de onder (iii) genoemde verkrijging geldt de kanttekening dat er niet automatisch van mag worden uitgegaan dat de waardestijging van de aandelen hetzelfde is als de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de rechtspersoon; dat is in elk geval niet zo als het eigen vermogen van de rechtspersoon niet met datzelfde bedrag is gestegen. (Voetnoot 10)
4.7
Bij de tweede categorie (“vereenzelviging”) gaat het om de gevallen waarin de natuurlijke persoon moet worden vereenzelvigd met de rechtspersoon. Daarmee wordt bedoeld dat het identiteitsverschil tussen die beide (rechts)personen volledig moet worden weggedacht, (Voetnoot 11) zodat voordeel van de rechtspersoon wordt geacht direct te zijn toegekomen aan de natuurlijke persoon waarmee de rechtspersoon wordt gelijkgesteld. (Voetnoot 12) Van vereenzelviging kan slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Om vereenzelviging te kunnen aannemen moeten uitzonderlijke omstandigheden worden vastgesteld, (Voetnoot 13) zoals misbruik van rechtspersonenrecht. (Voetnoot 14) Het enkele feit dat de natuurlijke persoon alle aandelen in een rechtspersoon bezit, biedt voor vereenzelviging onvoldoende grondslag. (Voetnoot 15)
4.8
De derde categorie (“schijnhandelingen”) heeft betrekking op situaties waarin het vermogen van de rechtspersoon weliswaar niet wordt vereenzelvigd met dat van de natuurlijke persoon, maar wel op feitelijke gronden kan worden aangenomen dat het voordeel, dat naar het zich laat aanzien de rechtspersoon heeft verrijkt, in werkelijkheid rechtstreeks is toegekomen aan de natuurlijke persoon. (Voetnoot 16) Er is bij deze categorie – anders dan bij de eerste categorie – geen sprake van indirecte voordeelsverkrijging, aangezien de tussenkomst van de rechtspersoon puur een schijnhandeling is. Verder wordt – anders dan bij de tweede categorie – de rol van de rechtspersoon bij het verkrijgen van het voordeel weggedacht omdat de rechtspersoon slechts de werkelijkheid verhulde. Het verschil in identiteit tussen van de rechtspersoon en de natuurlijke persoon wordt niet weggedacht. (Voetnoot 17) Van de derde categorie is sprake als is vastgesteld dat de natuurlijke persoon zonder meer en volledig heeft kunnen beschikken over het wederrechtelijk verkregen voordeel (Voetnoot 18) en/of als de natuurlijke persoon feitelijk degene is die is bevoordeeld doordat hij het aan de rechtspersoon toegekomen voordeel te eigen bate heeft kunnen aanwenden. (Voetnoot 19)
4.9
Het hof heeft inzake de toerekening van het voordeel aan de betrokkene in het bestreden (promis)arrest het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
Grondslag
Het hof stelt voorop dat in de onderhavige zaak artikel 36e (oud) Sr van toepassing is, nu de bewezenverklaarde feiten deels vóór de wetswijziging van 1 juli 2011 hebben plaatsgevonden, te weten in de periode van 1 januari 2002 tot en met 29 september 2013. Het hof zal het wederrechtelijk verkregen voordeel schatten op grond van artikel 36e tweede lid (oud) Sr. Hierin is bepaald dat de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk voordeel verkregen uit soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, worden ontnomen.
Het hof is van oordeel dat de betrokkene uit de baten van de bewezenverklaarde feiten - te weten valsheid in geschrift en witwassen (wat dit laatste strafbare feit betreft met uitzondering van zaaksdossier 66 (Righini) gelet op hetgeen dit hof ter zake heeft overwogen en beslist op pagina 71 van het strafarrest) - en uit soortgelijke feiten wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. De schatting van het voordeel is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van de (in de voetnoot vermelde) wettige bewijsmiddelen.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, neemt het hof als uitgangspunt de berekening zoals deze is vermeld in het ontnemingsrapport. Het ontnemingsrapport onderscheidt drie bronnen van wederrechtelijk verkregen voordeel:
- component 1: verwervingen van de handelstak binnen categorie 1 zaken, categorie II zaken en voortzettingszaken, waarvan de bruto-fees na aftrek van kosten resulteren in de netto-fees die de betrokkene heeft verkregen;
- component 2: zaaksspecifiek toe-eigenen door de betrokkene van gelden uit de handelstak anders dan fees die betrekking hebben op categorie I zaken, met behulp van valse facturen;
- component 3: toe-eigenen van gelden door de betrokkene die hij op andere wijze uit de handelstak op zijn bankrekening heeft doen (laten) bijschrijven.
Opbrengsten
De betrokkene heeft geen verklaring afgelegd over het voordeel dat hij heeft behaald met de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld. In het ontnemingsrapport is daarom voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de ‘inhouse I’ vennootschappen aangesloten bij het verschil tussen de van de EU-debiteuren ontvangen betalingen en de geldbedragen die zijn overgedragen naar de offshores. In de meer recente zaken is een extra inhouse vennootschap (een ‘inhouse II’ vennootschap) tussengeschoven die eveneens een vergoeding ontving. In dat geval wordt een geldbedrag van een inhouse I vennootschap overgedragen naar een inhouse II vennootschap, waarna de inhouse II vennootschap geld overdraagt aan de offshore. In die gevallen is de vergoeding voor de inhouse II vennootschap eveneens (gedeeltelijk) aangemerkt als opbrengst.
Kosten
[…]
Omdat de betrokkene voor 100 procent aandeelhouder van [A] was en voor 50 procent aandeelhouder van [B] , is er in het rapport vanuit gegaan dat hij wat betreft de inhouse II vennootschappen ten aanzien van [A] 100 procent en ten aanzien van [B] 50 procent van het winstdeel heeft ontvangen. Het hof zal hierbij aansluiten. Gelet op de tussengeschoven rol van deze inhouse II vennootschappen zijn voor de verkrijging van fees ten aanzien van [A] geen kosten in aanmerking genomen. Voor de verkrijging van de fees ten aanzien van [B] is 50 procent van de fees als kosten in aanmerking genomen
Toerekening van het voordeel aan de betrokkene
Voor de vaststelling of een natuurlijk persoon wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit het handelen van een rechtspersoon dient te worden bezien of die natuurlijke persoon volledige dan wel in belangrijke mate zeggenschap heeft over die rechtspersoon, of hij over het vermogen van de rechtspersoon kon beschikken en of het verkregen voordeel heeft kunnen strekken tot voordeel van de natuurlijke persoon.
In de strafzaak is in het arrest het volgende overwogen: “Uit een overzicht van de bedrijfsstructuren van [C] en de betrokkenheid daarbij van de verdachte blijkt dat de verdachte bij ieder afzonderlijk deel van [C] , met uitzondering van [D] BV, op enig moment als middellijk of onmiddellijk aandeelhouder of bestuurder formeel betrokken is geweest. Hetzelfde geldt voor [E] en [B] . Wat [A] betreft is hij 100% DGA vanaf de oprichting in 2007, en via [A] voor 50% in [B] . Aldus had hij steeds formele zeggenschap over en/of financieel belang bij de activiteiten van de handelstak en de daarbij ingeschakelde vennootschappen.”, en “Ook nadat de verdachte was vertrokken naar Monaco en vervolgens naar Dubai en formeel geen bestuurder meer was, verrichtte de verdachte werkzaamheden ten behoeve van de betreffende rechtspersonen en behield hij materieel de zeggenschap in deze vennootschappen.”
Dat de betrokkene de beschikking had over het vermogen van alle rechtspersonen waarvoor in het ontnemingsrapport fees in aanmerking zijn genomen en dat het verkregen voordeel daarom aan hem kan worden toegerekend, blijkt ook uit een e-mailbericht van de betrokkene aan [betrokkene 1] van 8 mei 2007: “Kun je 20 k naar mijn rekening overboeken, eender welke vennootsch.” In de strafzaak heeft de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep verklaard: “U houdt mij een e-mail voor van 8 mei 2017 waaruit blijkt dat ik verzoek aan [betrokkene 1] om € 20.000,00 over te maken naar mijn rekening en dat het niet uitmaakt bij welke vennootschap dat vandaan komt. Ik kon van elke vennootschap waarvan ik aandeelhouder was geld opnemen, dat is heel normaal. Uit welk potje ook, kon dat bedrag overgemaakt worden.”
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het in de inhouse I en II vennootschappen genoten voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend. Daarbij is geen gebruik gemaakt van de uit Monaco verkregen geschriften in verband met het daarvoor door Monaco gemaakte fiscale voorbehoud.”
4.10
Het hof heeft overwogen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel uit drie componenten bestaat.
(i) De eerste component heeft betrekking op de (door klanten betaalde) netto-fees die het resultaat waren van de verwervingen door de inhouse I en II vennootschappen, oftewel de marges van de geldbedragen die de inhouse I en II vennootschappen van de EU-debiteuren hebben ontvangen minus de kosten. Het hof gaat er kennelijk van uit dat de betrokkene deze door de inhouse I en II vennootschappen ontvangen netto-fees volledig heeft verkregen, aangezien het hof het heeft over de “verwervingen van de handelstak […] waarvan de bruto-fees na aftrek van kosten resulteren in de netto-fees die de betrokkene heeft verkregen”.
(ii) De tweede component bestaat uit gelden uit de handelstak anders dan fees die betrekking hebben op categorie I zaken met behulp van valse facturen, die de betrokkene zich zaaksspecifiek heeft toegeëigend.
(iii) Bij de derde component gaat het om het hebben toegeëigend door de betrokkene van gelden die hij op andere wijze uit de handelstak op zijn bankrekening heeft doen (laten) bijschrijven.
Uit deze verschillende componenten blijkt dat het hof heeft geoordeeld dat de betrokkene zelf daadwerkelijk voordeel heeft verkregen uit de strafbare feiten die zijn begaan door de rechtspersonen. Het hof heeft het “in de inhouse I en II vennootschappen genoten voordeel” volledig aan de betrokkene toegerekend.
4.11
Het hof heeft daartoe allereerst de rechtsregel vooropgesteld dat “[v]oor de vaststelling of een natuurlijk persoon wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit het handelen van een rechtspersoon dient te worden bezien of die natuurlijke persoon volledige dan wel in belangrijke mate zeggenschap heeft over die rechtspersoon, of hij over het vermogen van de rechtspersoon kon beschikken en of het verkregen voordeel heeft kunnen strekken tot voordeel van de natuurlijke persoon.” Deze vooropstelling – die vaker wordt gebruikt in de feitenrechtspraak (Voetnoot 20) – is niet zonder meer onverenigbaar met het hiervoor onder 4.5 t/m 4.8 geschetste kader. Of de natuurlijke persoon zeggenschap had over de rechtspersoon, beschikkingsmacht had over het vermogen van de rechtspersoon en of het vermogen tot de natuurlijke persoon kon strekken, kunnen relevante factoren zijn bij de beantwoording van de vraag of een van de categorieën van toepassing is, zelfs als deze factoren op zichzelf nog niet beslissend kunnen zijn voor die beantwoording. Deze overweging van het hof geeft op zichzelf dan ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zodat de eerste deelklacht faalt.
4.12
Dat het door de inhouse I en II vennootschappen wederrechtelijk verkregen voordeel ook volledig door de betrokkene is verkregen heeft het hof naar mijn oordeel echter niet toereikend gemotiveerd. Het hof heeft aan dit oordeel in de kern ten grondslag gelegd dat de betrokkene steeds formele zeggenschap had over de vennootschappen en over het vermogen van deze vennootschappen kon beschikken.
4.13
Voor zover het hof hiermee heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat de betrokkene het door de inhouse I en II vennootschappen wederrechtelijk verkregen voordeel indirect heeft verkregen (categorie I), is dat oordeel zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Het hof heeft immers niet vastgesteld dat het voordeel van de inhouse I en II vennootschappen de betrokkene is toegekomen in de vorm van bijvoorbeeld loonsverhogingen, uitkeringen van dividend, als (nagenoeg) niet terugbetaalde lening of als stijging van de waarde van zijn aandelen. Bovendien heeft het hof in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak vastgesteld dat de betrokkene – met uitzondering van [A] – niet in de gehele periode waarop de berekening van het voordeel is gebaseerd bestuurder en aandeelhouder van de inhouse I en II vennootschappen was en de betrokkene ook niet de enige aandeelhouder van die vennootschappen was. Het arrest in de strafzaak houdt in dit verband in:
“Gedurende de tenlastegelegde periode zijn diverse rechtspersonen opgericht die op verschillende tijdstippen en voor verschillende geldstromen onderdeel hebben uitgemaakt van de fraudestructuur. De verdachte was bij alle vennootschappen direct of indirect betrokken doordat hij gedurende een periode directeur was en/of (middellijk) aandelen bezat. Er hebben zich gedurende de jaren vele bestuurswisselingen voorgedaan bij de betrokken rechtspersonen. Naast de verdachte waren andere natuurlijke personen (middellijk) aandeelhouder van inhouse vennootschappen en was gedurende een bepaalde periode [betrokkene 2] mede aandeelhouder van [E] en [B] .”
Dat het hof heeft opgemerkt dat de betrokkene heeft verklaard dat hij van elke vennootschap waarvan hij aandeelhouder was geld kon opnemen kan de conclusie dat het in de inhouse I en II vennootschappen genoten voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend ook niet dragen, omdat hieruit niet blijkt dat de betrokkene in de gehele periode en voor het volledige bedrag kon beschikken over het voordeel van de rechtspersonen.
4.14
Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het vermogen van de rechtspersonen kan worden vereenzelvigd met dat van de betrokkene (categorie II) is dat oordeel zonder nadere motivering ook niet begrijpelijk, alleen al omdat dat het hof in zijn arrest in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak als volgt heeft overwogen:
“Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het handelen van en door de in de tenlastelegging genoemde rechtspersonen zodanig onderdeel was van de fraudestructuren dat dit niet kan worden vereenzelvigd met het handelen van de verdachte.”
4.15
Ook voor zover het hof heeft geoordeeld dat op feitelijke gronden kan worden aangenomen dat het voordeel dat ogenschijnlijk de rechtspersonen heeft verrijkt in werkelijkheid rechtstreeks is toegekomen aan de betrokkene (categorie III), is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Het hof heeft in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak namelijk vastgesteld dat naast de betrokkene andere natuurlijke personen (middellijk) aandeelhouder van de rechtspersonen waren.
4.16
Ook overigens doet zich hier niet een situatie voor waarin wederrechtelijk verkregen voordeel uit de rechtspersoon is verdwenen en waarin dit voor een representatief deel kan worden verklaard doordat de betrokkene structureel wederrechtelijk verkregen voordeel uit de rechtspersoon heeft onttrokken, terwijl niet is gebleken of zelfs maar enigszins aannemelijk is geworden dat een deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de rechtspersoon aan een of meer andere personen is of kan zijn toegevallen. (Voetnoot 21)
5.1
Het middel gaat over het oordeel van het hof over de overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van de ontnemingszaak in eerste aanleg en in hoger beroep. Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste daarvan bestrijdt het oordeel van het hof over de aanvangsdatum van de redelijke termijn. De tweede deelklacht houdt in dat de toegepaste matiging van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting onjuist is althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd.
5.2
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 mei 2024 blijkt dat de raadsman van de betrokkene het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt inzake de redelijke termijn het volgende in:
“Argumenten voor matiging
De duur van de ontnemingszaak is ongekend. Anders dan de Advocaat-Generaal stelt de verdediging zich op het standpunt dat juist een forse matiging moet plaatsvinden, nu de overschrijding van de redelijke termijn als zodanig gecompenseerd behoort te worden. Daarbij geldt bovendien dat de zaak werkelijk stokoude feiten betreft: meer dan 20 jaar oud!
Om al deze redenen verzoekt de verdediging dan ook om matiging.”
5.3
Het hof heeft over de overschrijding van de redelijke termijn overwogen:
“Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht - zo begrijpt het hof - de betalingsverplichting fors te matigen, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn. Het gaat om oude feiten. […]
Het oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Deze termijn is aangevangen op de datum waarop de officier van justitie de ontnemingsvordering heeft aangekondigd, te weten 24 september 2018. De rechtbank heeft op 21 juli 2021 vonnis gewezen. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie is deze termijn in eerste aanleg met bijna tien maanden overschreden. Het hoger beroep is ingesteld op 3 augustus 2021. Nu de ontnemingszaak in hoger beroep is afgerond bij arrest van 14 juni 2024, is de redelijke termijn ook in hoger beroep overschreden met ruim tien maanden. Het hof ziet daarin aanleiding het te betalen bedrag te matigen met een bedrag van € 5.000,00.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.987.982,00.”
De eerste deelklacht
5.4
Ter onderbouwing van de eerste deelklacht wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat het hof had moeten uitgaan van 18 oktober 2013 als aanvangsdatum van de redelijke termijn omdat de betrokkene in elk geval op die datum op de hoogte is geraakt van de conservatoire beslaglegging die was gericht op de voordeelsontneming.
5.5
Vooropgesteld dient te worden dat het oordeel van de feitenrechter over de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden onderzocht. (Voetnoot 22) De Hoge Raad kan alleen beoordelen of dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is. Onbegrijpelijkheid is niet snel aan de orde, nu het oordeel van het hof nauw samenhangt met waarderingen van feitelijke aard die buiten het domein van de cassatierechter vallen. Verder kan in cassatie niet worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn door de feitenrechter, wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg is behandeld in aanwezigheid van de betrokkene en/of zijn raadsman en tijdens die terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd. (Voetnoot 23) In een dergelijk geval moet worden aangenomen dat de verdachte niet langer dan redelijk onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd.
5.6
Hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd haalt wat mij betreft niet de drempel van een responsieplichtig verweer over de overschrijding van de redelijke termijn. (Voetnoot 24) Niettemin heeft het hof dit kennelijk wel als zodanig opgevat. Het hof heeft immers overwogen dat “[d]e raadsman heeft verzocht – zo begrijpt het hof – de betalingsverplichting fors te matigen, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn”. Dit betekent dat in deze zaak in cassatie kan worden geklaagd over de (motivering omtrent de) overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg.
5.7
Verder is van belang dat de Hoge Raad in zijn arrest van 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:167, het volgende heeft vooropgesteld:
“2.3 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 enkele algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op het recht van de betrokkene op behandeling van zijn ontnemingszaak binnen een redelijke termijn, zoals gewaarborgd in artikel 6 lid 1 EVRM. Dit arrest houdt onder meer in:
“3.7. Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad het oordeel van de feitenrechter inzake het tijdsverloop vòòr de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. Dat onderzoek wordt als volgt begrensd:
a. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter.
(...)
3.12.2.
Ook in ontnemingszaken kan op het recht op een beslissing op de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Dat moment zal in de regel niet samenvallen met dat waarop de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in de met de ontnemingsvordering samenhangende strafzaak begint. Het is aan de feitenrechter om, gelet op de omstandigheden van het geval, dit moment vast te stellen.
Hoewel een meer specifieke regel daaromtrent niet valt te geven, zal in het algemeen als aanvangsdatum voor de redelijke termijn aangenomen kunnen worden:
a. het in art. 311, eerste lid, Sv bedoelde moment waarop de officier van justitie uiterlijk bij gelegenheid van zijn requisitoir in de hoofdzaak in eerste aanleg zijn voornemen kenbaar maakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, of
b. het moment waarop de betrokkene ervan op de hoogte geraakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in art. 126 Sv is ingesteld, of
c. het moment waarop de in art. 511b Sv bedoelde vordering aan de betrokkene is betekend.
Onder omstandigheden zijn ook andere aanvangsmomenten aan te wijzen, bijvoorbeeld in het geval dat de positie van de betrokkene in belangrijke mate wordt beïnvloed door een specifiek op voordeelsontneming gerichte beslaglegging op grond van art. 94a Sv.””
5.8
Het hof heeft het moment waarop de officier van justitie in deze zaak het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken als bedoeld in art. 311 lid 1 Sv als aanvangsmoment genomen bij zijn oordeel over de redelijke termijn in eerste aanleg. Mede gelet op het onder 5.7 vooropgestelde juridisch kader getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is ook toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik ook in aanmerking dat door of namens de betrokkene in hoger beroep niet is aangevoerd dat de betrokkene al eerder ervan op de hoogte was geraakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek was of werd ingesteld als bedoeld in art. 126 Sv. (Voetnoot 25)
5.9
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
5.10
Ten aanzien van de tweede deelklacht wordt in de toelichting op het middel naar voren gebracht dat door het hof “slechts een matiging van € 5.000 is toegepast terwijl de redelijke termijn in beide instanties met (ten minste) telkens circa tien maanden is overschreden”. De steller van het middel vergelijkt de onderhavige zaak met HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1764 en suggereert voorts dat het hof “hier evident aansluiting [lijkt] te hebben gezocht bij HR:ECLI:NL:HR:2008:BD2578 waarin is overwogen dat de vermindering in beginsel niet meer bedraagt dan € 5000,-”.
5.11
Voor wat betreft de rechtsgevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn heeft de Hoge Raad bepaald dat de mate van vermindering van – in dit geval – het ontnemingsbedrag afhangt van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Er bestaan geen algemene regels over de manier waarop het ontnemingsbedrag moet worden verminderd. (Voetnoot 26) De rechter kan, na alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden te hebben afgewogen, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn, ook volstaan met de enkele constatering van de overschrijding van de redelijke termijn. (Voetnoot 27)
5.12
In tegenstelling tot de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep, bestaan voor de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase richtlijnen. Zo is bepaald dat de vermindering van het ontnemingsbedrag maximaal € 5.000,- is en dat de Hoge Raad bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden “naar bevind van zaken handelt”. (Voetnoot 28) De feitenrechter is niet aan deze richtlijnen gebonden. (Voetnoot 29)
5.13
Het rechtsgevolg dat de feitenrechter aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn heeft verbonden kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. (Voetnoot 30) Van onbegrijpelijkheid is niet snel sprake aangezien een dergelijk oordeel sterk verweven is met waarderingen van feitelijke aard die zich niet lenen voor een beoordeling door de cassatierechter. (Voetnoot 31)
5.14
Het hof heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in eerste aanleg met bijna tien maanden en in hoger beroep met ruim tien maanden is overschreden. Het hof heeft hierin aanleiding gezien de betalingsverplichting van de betrokkene te matigen met € 5.000,-. Dit oordeel is wat mij betreft niet onbegrijpelijk in het licht van de beperkte controle in cassatie en de omstandigheid dat van onbegrijpelijkheid niet licht sprake is. Dat het rechtsgevolg de begrijpelijkheidstoets doorstaat kan ook worden geïllustreerd aan de hand van HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3025, NJ 2015/445. De Hoge Raad achtte het rechtsgevolg dat het hof in die zaak aan de overschrijding van de redelijke termijn had verbonden niet onbegrijpelijk. Het hof had het ontnemingsbedrag met 0,2% verminderd, terwijl de mate van overschrijding van de redelijke termijn in die zaak aanzienlijk ernstiger was dan in de onderhavige zaak en het ontnemingsbedrag in de onderhavige zaak met 0,25% is verminderd.
5.15
De vergelijking van de steller van het middel met HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1764 gaat mijns inziens niet op, aangezien de redelijke termijn in feitelijke aanleg in die zaak veel ernstiger was – namelijk in totaal dertien jaren en zeven maanden – en in de door de Hoge Raad toegepaste vermindering van de betalingsverplichting bovendien de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase was verdisconteerd.
5.16
Tot slot kan, anders dan lijkt te worden gesuggereerd in de schriftuur, uit de overwegingen van het hof niet worden opgemaakt dat het hof ervan is uitgegaan dat € 5.000,- het maximale verminderingsbedrag betrof. De klacht mist in dit opzicht feitelijke grondslag.
5.17
De tweede deelklacht faalt. Daarmee faalt het middel.
6.1
Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoot
Voetnoot 1
Gerechtshof Amsterdam 18 november 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3584 (parketnr. 23-004617-18). De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen deze einduitspraak verworpen in zijn arrest van 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:981.
Voetnoot 2
Met uitzondering van zaaksdossier 66 (Raghini).
Voetnoot 3
HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3364, NJ 2016/10, r.o. 2.3, HR 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:763, r.o. 2.3, HR 14 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:840, NJ 2022/280 m.nt. Reijntjes, r.o. 2.4.2 en HR, ECLI:NL:HR:2025:1818, r.o. 3.3.
Voetnoot 4
HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1522, NJ 2001/507 m.nt. Buruma, r.o. 3.5, HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5645, NJ 2012/348, r.o. 2.5 en HR 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:763, r.o. 2.4.1.
Voetnoot 5
HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5645, NJ 2012/348, r.o. 2.5.
Voetnoot 6
Vgl. M.J. Borgers, De ontnemingsmaatregel (diss. Tilburg), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2001, p. 201.
Voetnoot 7
HR 21 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3658, r.o. 5.3.
Voetnoot 8
A-G Aben, conclusie voor HR 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1410 (HR: 81 RO), randnrs. 9 t/m 16. A-G Aben verwijst naar dit kader in zijn conclusies voor HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:300 (HR: 81 RO), randnr. 37 en HR 2 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1818, NJ 2026/19, randnr. 12, alsmede in zijn conclusie van 2 december 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1320 (arrest op moment van schrijven nog niet gewezen).
Voetnoot 9
Vgl. HR 21 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP8074, NJ 2005/17, r.o. 3.4.
Voetnoot 10
A-G Aben, conclusie voor HR 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1410 (HR: 81 RO), randnr. 11.
Voetnoot 11
HR 2 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1818, NJ 2026/19, r.o. 3.5.
Voetnoot 12
A-G Aben, conclusie voor HR 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1410 (HR: 81 RO), randnr. 12.
Voetnoot 13
Vgl. HR 2 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1818, NJ 2025/19, r.o. 3.5.
Voetnoot 14
Vgl. Y. Buruma, annotatie in NJ 2001/507 bij HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1522, randnr. 10: “De vereenzelviging — de vermogensrechtelijke gelijkschakeling — is alleen toelaatbaar in gevallen waarin van een rechtspersoon gebruik is gemaakt met geen ander doel dan het ontgaan van de beperkingen waarmee degene die de rechtspersoon kon beheersen zelf werd geconfronteerd. Het gaat dan dus om misbruik van een rechtspersoon: het gebruik van rechtspersoonlijkheid met geen ander kennelijk doel dan het eigen vermogen onaantastbaar te laten zijn voor de aansprakelijkheid die rechtstreeks op de misbruiker zou rusten als hij de gedragingen niet door de rechtspersoon zou laten verrichten.”
Voetnoot 15
A-G Aben, conclusie voor HR 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1410 (HR: 81 RO), randnr. 12, met verwijzing naar HR 15 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2823, NJ 1999/573 (civiele kamer).
Voetnoot 16
A-G Aben, conclusie voor HR 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1410 (HR: 81 RO), randnr. 13.
Voetnoot 17
A-G Aben, conclusie voor HR 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1410 (HR: 81 RO), randnrs. 13, 15 en 16.
Voetnoot 18
Vgl. HR 14 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:840, NJ 2022/280 m.nt. Reijntjes, r.o. 2.4.3.
Voetnoot 19
Vgl. HR 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:763, r.o. 2.4.1 en HR 24 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:764, r.o. 2.4.1.
Voetnoot 20
Zie W. de Zanger, De ontnemingsmaatregel toegepast, Den Haag: Boom juridisch 2018, p. 132, waarbij onder verwijzing naar HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4672 (HR: 81 RO) wordt opgemerkt dat dergelijke oordelen in cassatie stand lijken te kunnen houden. M.i. kan dit echter niet uit dat arrest worden afgeleid, nu geen van de middelen in die zaak daarover klaagt (dat geldt dus ook voor het derde middel, waarbij die vooropstelling overigens wel in beeld komt blijkens de conclusie van A-G Knigge).
Voetnoot 21
Vgl. HR 25 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1776 (81 lid 1 RO). Zie voor een beschrijving van de feiten en omstandigheden in deze zaak mijn aan het arrest voorafgaande conclusie, randnr. 4.22-4.35 (i.h.b. 4.28-4.30).
Voetnoot 22
Vgl. HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW0254, r.o. 3.4.
Voetnoot 23
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.9 en HR 1 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:47, r.o. 3.2, HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1443, r.o. 2.2.
Voetnoot 24
Vgl. mijn conclusie voor HR 16 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1920, randnr. 5.4-5.6.
Voetnoot 25
Vgl. HR 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:167, r.o. 2.4.
Voetnoot 26
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.22 en HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, NJ 2024/133, r.o. 3.4.
Voetnoot 27
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.23 en HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, NJ 2024/133, r.o. 3.4, dat specifiek betrekking heeft op de vraag wanneer kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is geschonden in een straf- of ontnemingsprocedure.
Voetnoot 28
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.6.3 en 3.6.4.
Voetnoot 29
Vgl. HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6254, r.o. 4.4.
Voetnoot 30
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.7 en HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1159, r.o. 3.3.
Voetnoot 31
HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3025, NJ 2015/445, r.o. 2.3.