[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
is niet ter terechtzitting verschenen.
Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. P.M. Langereis, advocaat te Zoetermeer, die mededeelt door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.
De raadsvrouw deelt mede:
Volgens een SKDB-overzicht met gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) van 20 september 2024 staat de [a-straat 1] te [postcode 1] [plaats] als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats vermeld. De dagvaarding om op de terechtzitting van heden te verschijnen is niet betekend aan dat adres. Ik stel mij daarom op het standpunt dat de oproeping in hoger beroep nietig moet worden verklaard.
De advocaat-generaal deelt hierop mede:
In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van 25 oktober 2024, waaruit volgt dat er wel degelijk een poging is gedaan om de dagvaarding om ter terechtzitting van heden te verschijnen uit te reiken aan de [a-straat 1] te [plaats] , maar dit adres bleek voor de verbalisanten onvindbaar. Er is geen ander adres van de verdachte bekend in Nederland en ik stel mij dan ook op het standpunt dat de dagvaarding om ter terechtzitting van heden te verschijnen rechtsgeldig aan de verdachte is betekend.
De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mee:
Volgens een SKDB-overzicht met gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) van 20 september 2024 stond de verdachte op deze datum ingeschreven op een adres in Polen, te weten: [b-straat 1] , [postcode 2] [plaats] . De dagvaarding om op de terechtzitting van heden te verschijnen is op 20 september 2024 uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie en diezelfde dag verzonden naar het BRP-adres in Polen. Verder is er op 2 oktober 2024 – klaarblijkelijk gevoegd als bijlage achter de Nederlandstalige versie – een vertaling van de dagvaarding naar het BRP-adres in Polen verzonden. Naar het oordeel van het hof heeft de betekening van de dagvaarding aan de verdachte om ter terechtzitting van heden te verschijnen, daarmee plaatsgevonden overeenkomstig de voorschriften van artikel 36e van het Wetboek van Strafvordering.
De blijkens het SKDB-overzicht met gegevens uit de BRP van 20 september 2024 door de verdachte laatst opgegeven woon- of verblijfplaats, te weten: [a-straat 1] te [postcode 1] [plaats] , is naar het oordeel van het hof een afschriftadres in de zin van artikel 36g van het Wetboek van Strafvordering. Uit het dossier volgt dat er op 19 september 2024 een afschrift van de dagvaarding om ter terechtzitting van heden te verschijnen naar dit adres is gezonden, waardoor ook is voldaan aan de voorschriften van artikel 36g van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof merkt hierbij op dat – anders dan de raadsvrouw met haar standpunt lijkt te impliceren – uit het dossier volgt dat het door de verdachte laatst opgegeven adres in [plaats] inmiddels een kennelijk achterhaald adres is, dat om die reden redelijkerwijs niet (langer) kan worden beschouwd als het woon- of verblijfadres van de verdachte. Immers, nadat de verdachte genoemd adres als verblijfadres heeft opgegeven heeft de verdachte (bij monde van zijn toenmalige advocaat) bij het instellen van hoger beroep het BRP-adres in Polen opgegeven.
Ten overvloede merkt het hof nog op dat, nu het adres in [plaats] niet (langer) kan worden beschouwd als actuele woon- of verblijfplaats, dit niet alleen betekent dat betekening aan dat adres op grond van de betekeningsvoorschriften niet was vereist en dat door dat na te laten de verdachte niet in zijn aanwezigheidsrecht wordt geschaad, maar dat dat voorts ook maakt dat een aanhouding van de behandeling van de zaak om de oproeping voor de zitting in appel alsnog op dat adres te laten betekenen zinloos is.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de oproeping om ter terechtzitting van heden te verschijnen op rechtsgeldige wijze aan de verdachte is betekend en dat ook de afschriftverplichting is nageleefd. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.’
5. Bij de stukken van het geding bevindt zich een ‘Akte van uitreiking’ waarop als adres is vermeld ‘ [b-straat 1] , [postcode 2] [plaats] (Polen)’. Het hokje ‘Ja’ bij ‘De geadresseerde stond in de BRP ingeschreven op het bovenvermelde adres op de dag van de eerste aanbieding en 5 dagen daarna’ is aangekruist. De akte vermeldt als invuldatum 20 september 2024 en als datum van verzending 19 september 2024. De hokjes voor ‘Ik heb de gerechtelijke brief verzonden naar het op deze akte vermelde adres in het buitenland’ en ‘Ik heb de gerechtelijke brief uitgereikt aan het Openbaar Ministerie’ zijn aangekruist. Bij de stukken van het geding bevindt zich ook een ‘Akte van uitreiking’ waarop het adres ‘ [a-straat 1] , [postcode 1] [plaats] ’ is vermeld, en de mededeling: ‘Verdachte verblijft niet (meer) op het vermelde adres’.
6. Bij de stukken van het geding bevindt zich voorts een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , dat onder meer het volgende inhoudt:
‘Op vrijdag 25-10-2024 omstreeks 12:00 uur waren wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , belast met uitreiking van een dagvaarding/oproeping. Deze dagvaarding moesten wij uitreiken aan:
- [verdachte] geboren op [geboortedatum] -1980
Op de dagvaarding stond dat [verdachte] op de [a-straat 1] te [plaats] woont. Ik, [verbalisant 1] , zocht in de politiesystemen op dit adres. Ik zag in de systemen geen basisregistratiepersonen. Ook het operationeel centrum van de politie kon het adres niet vinden op de kaart. Ik zag in de politiesystemen dat er van [verdachte] geen telefoonnummer bekend is bij de politie. Ook zag ik dat [verdachte] geen vaste woon of verblijfplaats heeft.
7. In een ‘Informatiestaat SKDB-persoon’ die ‘Gegevens uit SKDB op 20-09-2024 09:39’ bevat, is als ‘Huidig BRP-adres’, met ingang van 15 mei 2023, vermeld: ‘ [b-straat 1] , [postcode 2] [plaats] ’, in Polen. Als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats is, met datum registratie 22 september 2023, vermeld het adres ‘ [a-straat 1] , [postcode 1] [plaats] ’.
8. De ‘Akte instellen hoger beroep’ houdt onder meer het volgende in:
‘Op 04 oktober 2023 kwam ter griffie van deze rechtbank, locatie 's-Gravenhage,
mr. J.S. Dobosz advocaat te Zoetermeer die verklaarde door na te noemen persoon bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd tot het afleggen van de volgende verklaring en verklaarde namens
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats]
wonende te [b-straat 1] , [postcode 2] [plaats] , Polen
hoger beroep in te stellen tegen het eindvonnis, door de politierechter in deze rechtbank, locatie ‘s-Gravenhage, op 25 september 2023 gewezen.’
9. Art. 36e Sv luidt als volgt:
‘1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;
b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.
3. De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan worden volstaan met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat dit nog uit een afzonderlijke akte hoeft te blijken.
4. In het belang van een goede uitvoering van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.’
10. Het overzichtsarrest inzake het aanwezigheidsrecht en betekening van 12 maart 2002 houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten): (Voetnoot 1)
‘C. De verdachte heeft een bekend adres in het buitenland
3.19.
Indien op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet is ingeschreven in een GBA en niet in Nederland is gedetineerd, en ook niet een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland, maar wel een adres in het buitenland bekend is, geschiedt de betekening van de dagvaarding door toezending van de dagvaarding door het openbaar ministerie hetzij rechtstreeks aan het laatstbekende adres van de verdachte in het buitenland, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie (art. 588 lid 2). Door die toezending is de dagvaarding rechtsgeldig betekend. Als datum waarop die betekening plaatsvindt, geldt de datum van de verzending van de dagvaarding, waarvan aantekening dient te geschieden in de akte van uitreiking.
Opmerking verdient allereerst dat de enkele omstandigheid dat - zoals althans tot voor kort in enkele arrondissementen gebruikelijk was - de dagvaarding eerst aan de griffier is uitgereikt en door deze - en dus niet rechtstreeks door het openbaar ministerie - aan de verdachte is toegezonden, niet meebrengt dat de betekening nietig is.
Voorts verdient opmerking dat in een aantal gevallen waarin de tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie is ingeroepen, de verplichting bestaat tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting. Deze gevallen worden hierna onder 3.34 sub c behandeld.
3.24.
Bij het vorenstaande dient te worden aangetekend dat de onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats niet kan worden aangenomen:
a. indien niet is onderzocht of de verdachte in Nederland is gedetineerd. Is dat het geval, dan moet immers de penitentiaire inrichting waarin de verdachte verblijft worden aangemerkt als diens bekende verblijfplaats. Daarbij past de volgende kanttekening. Tot op heden is met betrekking tot een verdachte zonder bekende woon- of verblijfplaats in de vrije samenleving de eis gesteld dat bij de betekening van de dagvaarding moet worden nagegaan of en zo ja, waar hij als afgestrafte - dus in het kader van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak - verblijft in een penitentiaire inrichting. Het is de Hoge Raad echter bekend dat inmiddels een geautomatiseerd informatiesysteem in gebruik is waardoor het mogelijk is na te gaan of de verdachte - ongeacht de titel van de vrijheidsbeneming - in een Nederlandse gevangenis of een huis van bewaring verblijft. Het onderzoek zal zich dus daartoe moeten uitstrekken.
b. indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een uit de stukken van het geding blijkend - voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald - adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden. Of van dat laatste sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Een algemene regel daaromtrent laat zich dus bezwaarlijk formuleren. Daarom zal de Hoge Raad volstaan met het noemen van enige voorbeelden.
Wat betreft de dagvaarding in eerste aanleg zou in aanmerking kunnen komen een door de verdachte bij zijn verhoor door de politie of de rechter-commissaris opgegeven adres en voorts een adres dat door of namens de verdachte aan het openbaar ministerie is medegedeeld met het oog op de betekening van gerechtelijke mededelingen. Wat betreft een oproeping voor een nadere terechtzitting kan worden gedacht aan het adres dat de verdachte heeft opgegeven op de eerdere terechtzitting, waar het onderzoek voor onbepaalde tijd is geschorst.
Wat betreft de appèldagvaarding kunnen worden genoemd het adres dat de verdachte in de appèlakte heeft doen opnemen en - indien daarin geen woon- of verblijfplaats is vermeld - het adres dat hij bij de betekening van de uitspraak in eerste aanleg dan wel op de (laatste) terechtzitting in eerste aanleg heeft opgegeven.
c. indien ten aanzien van de verdachte het ernstige vermoeden bestaat dat hij behoort tot de categorie van personen als bedoeld in art. 33 Wet GBA in verbinding met art. 55 Besluit GBA, en in dat geval niet door middel van een voor het openbaar ministerie toegankelijk registratiesysteem is onderzocht of hij verblijft in een opvangcentrum als bedoeld in lid 3 van genoemd art. 55 (een door het Rijk beschikbaar gestelde accommodatie die uitsluitend bestemd is voor het bieden van tijdelijke opvang aan vreemdelingen). Opmerking verdient in dit verband dat uit genoemde voorschriften volgt dat vreemdelingen die geen toelating hebben tot Nederland en verblijven in een dergelijk opvangcentrum, gedurende de eerste zes maanden van hun verblijf in Nederland niet in aanmerking komen voor inschrijving in de GBA.
Indien bij dat onderzoek een verblijfplaats in een opvangcentrum aan het licht komt, moet die worden aangemerkt als de feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte.’
11. Uit de stukken van het geding blijkt dat onderzoek is gedaan naar het adres ‘ [a-straat 1] , [postcode 1] [plaats] ’. Daarbij is vastgesteld dat de verdachte niet (meer) op het vermelde adres verblijft. Het hof heeft overwogen dat ‘uit het dossier volgt’ dat dit adres ‘inmiddels een kennelijk achterhaald adres is’ en er daarbij op gewezen dat de verdachte ‘(bij monde van zijn toenmalige advocaat) bij het instellen van hoger beroep het BRP-adres in Polen’ heeft opgegeven. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Ik merk daarbij op dat Uw Raad in het overzichtsarrest in de overweging die gewijd is aan het vaststellen van de feitelijke woon- of verblijfplaats expliciet de aandacht vestigt op het adres dat de verdachte in de appelakte heeft doen opnemen. (Voetnoot 2)
12. Uit de vaststellingen van het hof, gebaseerd op het SKDB-overzicht van 20 september 2024 en de appelakte volgt dat van de verdachte, op het moment waarop de dagvaarding om op de terechtzitting in hoger beroep te verschijnen betekend werd, een BRP-adres en een feitelijke woon- of verblijfplaats in Polen bekend was, te weten [b-straat 1] , [postcode 2] [plaats] . Het oordeel van het hof dat de oproeping (op dat adres) ‘op rechtsgeldige wijze aan de verdachte is betekend’ getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
12. Het middel faalt.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden