Raad van State, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursrecht overig

ECLI:NL:RVS:2026:2750

Op 13 May 2026 heeft de Raad van State een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 202504407/1/R4, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RVS:2026:2750.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
202504407/1/R4
Datum uitspraak:
13 May 2026
Datum publicatie:
13 May 2026

Indicatie

Bij besluit van 17 april 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden heeft het college zijn beslissing om op 4 april 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 6 sub c van de Afvalstoffenverordening Vijfheerenlanden 2023 in combinatie met het daarbij horende Uitvoeringsbesluit aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 206,50 voor rekening van [appellante] komen. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van twee kartonnen dozen, die op 4 april 2025 zijn aangetroffen op de openbare weg ter hoogte van de Kerkstraat […] in Vianen. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de twee kartonnen dozen verkeerd heeft aangeboden, omdat haar adresgegevens op ieder van de twee dozen staan.

Uitspraak

202504407/1/R4.

Datum uitspraak: 13 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb )in het geding tussen:

[appellante], wonend in Vianen, gemeente Vijfheerenlanden,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2025 heeft het college heeft het college zijn beslissing om op 4 april 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 6 sub c van de Afvalstoffenverordening Vijfheerenlanden 2023 in combinatie met het daarbij horende Uitvoeringsbesluit aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 206,50 voor rekening van [appellante] komen.

Bij besluit van 10 juli 2025 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] beroep ingesteld.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

1.       De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van twee kartonnen dozen, die op 4 april 2025 zijn aangetroffen op de openbare weg ter hoogte van de Kerkstraat […] in Vianen. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de twee kartonnen dozen verkeerd heeft aangeboden, omdat haar adresgegevens op ieder van de twee dozen staan.

2.       [appellante] betoogt dat het college is uitgegaan van een onjuist tijdstip waarop de kartonnen dozen door de gemeente zouden zijn opgehaald en zij daarom niet gehouden is de opgelegde kosten van bestuursdwang te betalen. Zij voert aan dat zij om 15.43 uur haar nieuwe bank heeft opgehaald in Nieuwegein en uiterlijk om 16.00 uur thuis is aangekomen. Bij thuiskomst waren de oude bank die zij buiten had gezet en de kartonnen dozen al weg. Volgens haar is de stelling van het college dat de goederen om 16.30 uur zijn opgehaald, daarom onjuist. Verder voert [appellante] aan dat het voor de hand ligt dat, als zij haar oude bank naar de stort zou brengen, zij de kartonnen dozen meteen zou meenemen. Ook geeft zij aan dat de gemeentelijke ambtenaren foto’s van de situatie hebben gemaakt, maar niet bij haar hebben aangebeld om haar erop te wijzen dat zij met het neerzetten van de dozen op de openbare weg een overtreding beging.

3.       Artikel 6 sub c van de Afvalstoffenverordening Vijfheerenlanden 2023 houdt in dat het verboden is om buiten een daarvoor door het college bestemde plaats een afvalstof, stof of voorwerp achter te laten of anderszins te plaatsen dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening.

4.       Een toezichthouder van de Reinigingsdienst Waardlanden heeft omstreeks 13.57 uur twee kartonnen dozen op de openbare weg aangetroffen. Op deze dozen zijn persoonsgegevens van [appellante] aangetroffen. Volgens vaste rechtspraak mag in zo’n geval worden aangenomen dat degene tot wie het afval is te herleiden, dit afval op onjuiste wijze ter inzameling heeft aangeboden en dus de overtreder is, tenzij zij het tegendeel aannemelijk maakt. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.

[appellante] heeft dat niet aannemelijk gemaakt. Haar betoog over het tijdstip waarop haar bank is opgehaald, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals het college in de beslissing op bezwaar heeft toegelicht, is spoedeisende bestuursdwang toegepast wegens de kartonnen dozen en niet wegens de bank. De omstandigheid dat de bank volgens het college rond 16.30 uur door de gemeente is weggehaald, zegt daarom niets over de constatering van de toezichthouder dat de kartonnen dozen al omstreeks 13.57 uur op de openbare weg waren geplaatst. Ook de stelling van [appellante] dat zij de dozen meteen mee zou hebben meegenomen als zij haar oude bank naar de stort had gebracht, is onvoldoende. Daarmee heeft zij geen concrete verklaring gegeven op grond waarvan aannemelijk is dat zij niet degene is geweest die de dozen op die plaats heeft neergezet. Het college heeft haar daarom als overtreder mogen aanmerken. Verder bestaat er geen wettelijke verplichting op grond waarvan de gemeentelijke ambtenaren die de overtreding hebben geconstateerd, zich met de vermoedelijke overtreder in verbinding moesten stellen alvorens de dozen te verwijderen en stappen te ondernemen tot formele besluitvorming.

Het betoog slaagt niet.

5.       Het beroep is ongegrond.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Van Veldhuizen

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Sparreboom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026

195