Raad van State, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursrecht overig

ECLI:NL:RVS:2026:3338

Op 10 June 2026 heeft de Raad van State een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 202601623/1/A3, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RVS:2026:3338.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
202601623/1/A3
Datum uitspraak:
10 June 2026
Datum publicatie:
10 June 2026

Indicatie

[verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 november 2024 in zaak nr. 22/4991 en 23/5988. De Afdeling heeft op 29 april 2026 uitspraak gedaan op dat hoger beroep (ECLI:NL:RVS:2026:2417). [verzoeker] heeft de Afdeling erop gewezen dat zij ten onrechte heeft nagelaten ook te beslissen op zijn verzoek om een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk.

Uitspraak

202601623/1/A3.

Datum uitspraak: 10 juni 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op een verzoek om schadevergoeding van:

[verzoeker], wonend in [woonplaats],

verzoeker,

Procesverloop

[verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 november 2024 in zaak nr. 22/4991 en 23/5988. De Afdeling heeft op 29 april 2026 uitspraak gedaan op dat hoger beroep (ECLI:NL:RVS:2026:2417). [verzoeker] heeft de Afdeling erop gewezen dat zij ten onrechte heeft nagelaten ook te beslissen op zijn verzoek om een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn. De Afdeling doet dat in deze uitspraak alsnog.

Overwegingen

1.       [verzoeker] heeft een verzoek gedaan om schadevergoeding omdat volgens hem de redelijke termijn is overschreden.

2.       De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. In dit geval is het bezwaarschrift van [verzoeker] tegen een aan [vergunninghouder] verleende exploitatievergunning alcoholverstrekkend horecabedrijf met terras verzonden op 14 januari 2022. Omdat een ontvangststempel van de burgemeester van Amsterdam ontbreekt en de burgemeester in haar besluitvorming geen ontvangstdatum noemt gaat de Afdeling ervan uit dat de burgemeester het bezwaarschrift op 15 januari 2022 heeft ontvangen. Het bezwaarschrift van [verzoeker] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om niet handhavend op te treden is op 11 mei 2023 verzonden. Omdat van dit bezwaarschrift om dezelfde redenen als hiervoor beschreven niet duidelijk is wanneer het is ontvangen gaat de Afdeling ervan uit dat het college het bezwaarschrift op 12 mei 2023 heeft ontvangen.

3.       De in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure over het geschil dat de belanghebbende en het bestuursorgaan verdeeld houdt. In dit geval is zowel de procedure over de exploitatievergunning als de procedure over het verzoek om handhaving geëindigd met de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2026. Dat betekent dat de procedure over de exploitatievergunning iets meer dan drie maanden te lang heeft geduurd. De procedure over het handhavingsverzoek is binnen de redelijke termijn tot een einde gekomen.

4.       Uit het voorgaande volgt dat [verzoeker] aanspraak heeft op een vergoeding van € 500,00. De Afdeling zal bepalen dat de burgemeester hiervan € 125,00 en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) € 375,00 moet betalen.

5.       De burgemeester en de Staat hoeven geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

veroordeelt de burgemeester van Amsterdam om aan [verzoeker] een vergoeding van € 125,00 te betalen en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) om aan [verzoeker] een vergoeding van € 375,00 te betalen.

Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Meijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Dijkshoorn

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026