202600747/1/A2.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van bestuur van Fontys Hogeschool (CvB),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 21 november 2025 heeft de directeur Fontys Sociale Studies het verzoek van [appellant] om schadevergoeding als gevolg van onrechtmatige beslissingen afgewezen.
Bij beslissing van 12 februari 2026 heeft het CvB het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek opnieuw afgewezen.
[appellant] heeft bij de Afdeling beroep ingesteld tegen deze beslissing van het CvB.
[appellant] heeft tevens bij de Afdeling een zelfstandig verzoek ingediend om de examencommissie Fontys Sociale Studies te veroordelen tot vergoeding van schade die hij heeft geleden als gevolg van onrechtmatige beslissingen.
Het CvB heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.R.P. Bakker, advocaat in Amsterdam, is verschenen en waaraan het CvB, vertegenwoordigd door mr. M.E.C. Hesseling-Hertsenberg en mr. M. Middendorp, digitaal heeft deelgenomen.
Overwegingen
Voorgeschiedenis
1. [appellant] volgt sinds het studiejaar 2015-2016 een lerarenopleiding Godsdienst aan de Fontys Hogeschool. Hij stelt zich op het standpunt dat hij studievertraging heeft opgelopen als gevolg van onrechtmatige beslissingen van de examencommissie. Hij wil dat het CvB de studievertraging vergoedt. Daartoe heeft hij gewezen op het volgende.
2. In studiejaar 2020-2021 heeft hij administratief beroep ingesteld tegen de beëindiging van een stage. [appellant] en de examencommissie zijn in die procedure op 15 juli 2021 tot een schikking gekomen, waarin is opgenomen dat [appellant] een andere stagecoördinator krijgt. Verder heeft [appellant] in studiejaar 2024-2025 twee procedures gevoerd. De examencommissie heeft bij beslissing van 4 december 2024 het verzoek van [appellant] om concrete feedback en een duidelijke beoordeling van opdrachten voor het vak ‘Werken in de praktijk’ afgewezen. Het college van beroep voor de examens van de Fontys Hogeschool (CBE) heeft bij beslissing van 20 februari 2025 het administratief beroep van [appellant] tegen de beslissing van de examencommissie gegrond verklaard en de examencommissie opgedragen om een nieuwe beslissing te nemen. Het CBE heeft daarin overwogen dat het begrip heeft voor de frustratie van [appellant] en dat het van belang is dat hij bij het opstellen van nieuwe producten begeleid wordt door een onafhankelijk docent. Verder heeft [appellant] administratief beroep ingesteld tegen de beoordeling van het vak ‘Filosofie’ en tegen de beslissing van de examencommissie van 7 mei 2025 om hem geen (extra) herkansing toe te kennen. Het CBE heeft bij beslissing van 8 september 2025 het administratief beroep gegrond verklaard, de beslissing van de examencommissie vernietigd en bepaald dat de examencommissie een nieuwe beslissing moet nemen. Het CBE heeft daarin geconcludeerd dat de begeleiding bij en beoordeling van een werkstuk van [appellant] niet conform de zorgvuldigheidsvereisten hebben plaatsgevonden. De examinator heeft afwijkende interpretaties en beoordelingscriteria gehanteerd, waarbij de nakijktermijn is overschreden.
Schadeprocedure
3. [appellant] heeft de directeur van de opleiding verzocht om schadevergoeding. De directeur heeft het verzoek bij beslissing van 21 november 2025 afgewezen en bij wijze van coulance een bedrag van € 1.301,00, het bedrag van een halfjaar collegegeld, aangeboden. Het CvB heeft daartegen een bezwaarprocedure opengesteld en het bezwaar ongegrond verklaard in zijn beslissing op bezwaar van 12 februari 2026. Volgens het CvB heeft [appellant] niet onderbouwd dat de beslissingen van de examencommissie onrechtmatig zijn, heeft hij het causaal verband tussen die beslissingen en de gestelde schade niet aangetoond en heeft hij de omvang van de gestelde schade niet onderbouwd. Het CvB heeft opnieuw uit coulance een bedrag van € 1.301,00 aangeboden, omdat het overschrijden van de nakijktermijn niet positief heeft bijgedragen aan het studieverloop.
4. [appellant] heeft het aanbod afgewezen en vervolgens de Afdeling verzocht om het CvB te veroordelen tot schadevergoeding, als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast heeft hij beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het CvB van 12 februari 2026.
Beoordeling van het beroep tegen het besluit van 12 februari 2026
5. De beslissing van de directeur van de opleiding van 21 november 2025, waartegen het bezwaar van [appellant] is gericht, is een beslissing op een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb, waartegen geen beroep openstaat. Op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken. Omdat er op grond van artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb geen beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van 21 november 2025, kon [appellant] daartegen, gelet op artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, geen bezwaar maken. Dat betekent dat het CvB het bezwaar van [appellant] tegen de beslissing van 21 november 2025 niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De beslissing op bezwaar van 12 februari 2025 komt daarom voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal daarom het beroep van [appellant] gegrond verklaren.
6. De Afdeling zal hierna op grond van artikel 8:88 van de Awb ingaan op het zelfstandige verzoek om schadevergoeding van [appellant].
Verzoek om schadevergoeding
7. [appellant] heeft aan zijn verzoek om schadevergoeding ten grondslag gelegd dat hij studievertraging heeft opgelopen als gevolg van onrechtmatige handelingen van het CvB en de examencommissie. Hij wijst erop dat het CBE de beslissingen van de examencommissie van 4 december 2024 en 7 mei 2025 heeft vernietigd en de examencommissie heeft opgedragen om een nieuwe beslissing te nemen. Daarmee is de onrechtmatigheid van die beslissingen gegeven. In de aanloop naar deze beslissingen is ook onrechtmatig gehandeld door examinatoren en de examencommissie. Hij wijst erop dat in de schikking van 15 juli 2021 al afspraken zijn gemaakt over de begeleiding en beoordeling door examinatoren. Uit de beslissingen van het CBE blijkt echter dat dezelfde fouten structureel gemaakt blijven worden. Ook in het vak ‘Systematische theologie’ zijn er problemen met de feedback van docenten.
8. [appellant] stelt dat hij sinds de schikking van 15 juli 2021 hierdoor materiële schade in de vorm van studievertraging van vijf jaar heeft geleden. De geleden schade bedraagt grofweg de hoogte van het wettelijk collegegeld over studiejaar 2021-2022 tot en met studiejaar 2025-2026, namelijk € 11.823,00. Voor zover de schade niet is aangevangen op 15 juli 2021, is die aangevangen op (ten minste) 26 maart 2024 bij de ontvangst van de beoordelingscriteria voor het vak ‘Filosofie’. [appellant] heeft in dat geval vijf maanden studievertraging opgelopen in studiejaar 2023-2024 en drie maanden studievertraging in studiejaar 2025-2026. [appellant] verzoekt daarom subsidiair om de vergoeding van het betaalde collegegeld in die periodes, ten bedrage van € 4.144,41.
9. Verder verzoekt [appellant] om schadevergoeding als gevolg van de bezwaarprocedure die heeft geleid tot de beslissing van 12 februari 2026. [appellant] wijst erop dat er geen bezwaar openstaat tegen een beslissing op een verzoek om schadevergoeding. Het CvB heeft met het openstellen en laten doorlopen van een bezwaarprocedure de afhandeling van de schadevergoeding verder vertraagd, wat invloed heeft gehad op de studieprestaties van [appellant].
Beoordeling van het verzoek om schadevergoeding
Kader
10. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2957) volgt dat in het bestuursrecht voor de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en zo ja, in welke omvang, zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht.
11. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het aan de verzoeker van schadevergoeding om de gestelde schade op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk te maken. De bewijslast van het bestaan van de schade en de omvang daarvan ligt in beginsel bij degene die stelt dat hij schade heeft geleden. Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1166, onder 8.3.
Schikking van 15 juli 2021
12. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft [appellant] gewezen op een document met als titel ‘Voorstel voor schikking in verband met klacht Pieter [appellant], na gesprek met COBEX dd 15-7-2021’. Daarin is onder meer opgenomen dat [appellant] een nieuwe stagecoördinator krijgt en dat de feedback specifiek moet worden gegeven. Verder staat daarin dat zowel de student als de stagecoördinator er verantwoordelijk voor is dat de communicatie op deze manier verloopt. Uit de toelichtingen van partijen ter zitting begrijpt de Afdeling dat het schikkingsvoorstel als zodanig is aanvaard en dat [appellant] vervolgens een stage mocht volgen. In het document is echter niet opgenomen over welke beslissing een schikking is bereikt noch is er enige andere informatie opgenomen over de stage. [appellant] heeft de beslissing over de beëindiging van de stage ook niet overgelegd. Hij heeft ook niet uiteengezet welke invloed de beslissing heeft gehad op zijn studievoortgang. [appellant] is er daarmee niet in geslaagd om te onderbouwen dat de beëindiging van de stage moet worden aangemerkt als een onrechtmatige handeling van de examencommissie die studievertraging heeft veroorzaakt. Er is alleen al daarom geen aanleiding om het CvB te veroordelen in de vergoeding van studievertraging vanaf 15 juli 2021.
Beslissingen van 4 december 2024 en 7 mei 2025
13. [appellant] heeft verder gewezen op de beslissingen van de examencommissie van 4 december 2024 en 7 mei 2025 in de vakken ‘Werken in de praktijk’ en ‘Filosofie’. De Afdeling is het met [appellant] eens dat deze beslissingen voor onrechtmatig moeten worden gehouden. Het CBE heeft in zijn beslissingen van 20 februari 2025 en 8 september 2025 de tegen de beslissingen van de examencommissie ingestelde administratieve beroepen namelijk gegrond verklaard en haar opgedragen om nieuwe beslissingen te nemen. Hoewel de beslissingen van de examencommissie onrechtmatig zijn, heeft [appellant] de geleden schade en het causaal verband daarvan met de beslissingen echter onvoldoende onderbouwd. De Afdeling overweegt daartoe als volgt.
14. Uit artikel 6:162, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek vloeit voort dat voor vergoeding van de door [appellant] gestelde schade onder meer is vereist dat er een causaal verband is tussen de als schadeoorzaak gestelde onrechtmatige beslissingen en de gestelde schade. Dit oorzakelijk verband moet in dit geval worden vastgesteld door het maken van een vergelijking tussen de situatie waarin [appellant] in werkelijkheid na de beslissingen van 4 december 2024 en 7 mei 2025 verkeerde en de hypothetische situatie waarin hij zich zou hebben bevonden, als de beslissingen niet waren genomen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1669, onder 33.1 en 33.2, en het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1334, onder 3.2).
15. De hoofdregel is dat de belanghebbende die in een verzoek om toepassing van artikel 8:88 van de Awb stelt dat hij voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleden als gevolg van een onrechtmatige gedraging van een bestuursorgaan, bij gemotiveerde betwisting daarvan door het bestuursorgaan, het oorzakelijk verband moet bewijzen. Op de belanghebbende rusten de stelplicht en bewijslast van het oorzakelijk verband. Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1510, onder 3.4, en de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2023, onder 68. Dat betekent dat ook het bewijsrisico voor het ontbreken van het oorzakelijk verband bij de belanghebbende ligt als hij er niet in slaagt te bewijzen dat de gestelde schade het gevolg is van de gestelde oorzaak van de schade.
16. Het CvB heeft het causaal verband gemotiveerd betwist.
17. [appellant] heeft in zijn verzoek uiteengezet dat hij de vakken pas later kon behalen als gevolg van de (onrechtmatige) beslissingen van de examencommissie. Dat betekent echter nog niet dat sprake is van studievertraging. Als [appellant] ook andere vakken moest behalen, dan kon hij, ook als de beslissingen van de examencommissie in de twee vakken waren uitgebleven, zijn studie nog niet afronden en had hij opnieuw kosten voor inschrijving moeten maken. Ter beoordeling van de studievertraging ligt het op de weg van [appellant] om inzicht te geven in zijn studieverloop en welke vakken hij nog moest behalen om zijn studie af te ronden. [appellant] heeft geen schriftelijk inzicht gegeven in zijn studieverloop. Voor zover hij zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat hij sinds de eerste beslissing van de examencommissie van 4 december 2024 nog drie vakken zou moeten behalen, namelijk de vakken ‘Filosofie’, ‘Werken in de praktijk’ en ‘Systematische theologie’, blijkt daaruit dat [appellant] ook nog een ander vak moest behalen. Ook als de examencommissie de beslissingen van 4 december 2024 en 7 mei 2025 in de vakken ‘Filosofie’ en ‘Werken in de praktijk’ niet had genomen, had [appellant] in die periode dus nog het vak ‘Systematische theologie’ moeten behalen om zijn studie af te ronden.
18. [appellant] heeft verder onvoldoende onderbouwd dat ook in het vak ‘Systematische theologie’ sprake is van een onrechtmatige handeling van de examencommissie die tot studievertraging heeft geleid. [appellant] heeft uit een e-mailwisseling met zijn docent over zijn werkstuk in het vak ‘Systematische theologie’ geconcludeerd dat de beoordeling te lang heeft geduurd. Zonder verdere toelichting is deze e-mailwisseling echter onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een onrechtmatige handeling als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. [appellant] heeft in zijn verzoek verder niet gewezen op een (onrechtmatige) beslissing van de examencommissie in het vak ‘Systematische theologie’ als oorzaak van studievertraging. Dat betekent dat [appellant] niet heeft onderbouwd dat hij het betaalde collegegeld niet had moeten betalen als de examencommissie de beslissingen van 4 december 2024 en 7 mei 2025 niet had genomen. Er is daarom geen aanleiding om het CvB te veroordelen tot de vergoeding van het betaalde collegegeld.
Andere gestelde schadeoorzaken
19. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om te oordelen dat de beslissing op bezwaar van het CvB van 12 februari 2026 een onrechtmatige handeling is als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb die heeft geleid tot studievertraging. Het door het CvB openstellen van die bezwaarprocedure en dus de vertraging van de afhandeling van het schadeverzoek betekent nog niet dat [appellant] daardoor studievertraging heeft opgelopen. Hij heeft dat ook niet onderbouwd.
20. Voor zover [appellant] ook nog heeft gewezen op andere handelingen van examinatoren en de examencommissie in andere vakken, dan wel op handelingen van andere instellingen van de Hogeschool, heeft hij op geen enkele wijze onderbouwd dat die handelingen onrechtmatige handelingen zijn als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. Ook in zoverre bestaat alleen al daarom geen aanleiding voor de veroordeling van het CvB tot schadevergoeding.
21. Ten overvloede wijst de Afdeling erop dat deze uitspraak geen gevolgen heeft voor het nog steeds bestaande aanbod van het CvB om uit coulance een halfjaar collegegeld te vergoeden.
Conclusie
22. Het beroep is gegrond. De beslissing op bezwaar van 12 februari 2026 wordt vernietigd. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van [appellant] tegen de beslissing van 21 november 2025 niet-ontvankelijk te verklaren. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
23. Het CvB moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt de beslissing op bezwaar van het college van bestuur van Fontys Hogeschool van 12 februari 2026;
III. verklaart het bezwaar van [appellant] tegen de beslissing van de directeur van Fontys Sociale Studies van 21 november 2025 niet-ontvankelijk;
IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing;
V. veroordeelt het college van bestuur van Fontys Hogeschool in de door [appellant] in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat het college van bestuur van Fontys Hogeschool aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 54,00 vergoedt;
VII. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Schuurman, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
1100