Raad van State, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursrecht overig

ECLI:NL:RVS:2026:767

Op 11 February 2026 heeft de Raad van State een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 202505922/1/A2, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RVS:2026:767.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
202505922/1/A2
Datum uitspraak:
11 February 2026
Datum publicatie:
11 February 2026

Indicatie

Bij beslissing van 26 mei 2025 heeft de examencommissie Erasmus MC het verzoek van [appellant] om de geldigheidsduur van de vervallen resultaten van zijn masteropleiding Geneeskunde te verlengen afgewezen. [appellant] volgt sinds het studiejaar 2015-2016 de masteropleiding geneeskunde aan de Erasmus Universiteit. Op 11 april 2025 heeft [appellant] de examencommissie verzocht om de geldigheidsduur van zijn vervallen studieresultaten te verlengen. In zijn verzoek heeft [appellant] toegelicht dat hij na een voorspoedige start van zijn opleiding geconfronteerd werd met verschillende persoonlijke omstandigheden die zijn studieverloop aanzienlijk hebben beïnvloed. In dit kader wijst hij op de echtscheiding van zijn ouders en de coronapandemie. De examencommissie heeft dit verzoek afgewezen. Aan deze beslissing heeft de examencommissie ten grondslag gelegd dat meerdere resultaten de geldigheidstermijn van vijf jaar ruimschoots hebben overschreden, waardoor de kennis en vaardigheden van [appellant] niet op niveau zijn.

Uitspraak

202505922/1/A2.

Datum uitspraak: 11 februari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

en

het college van beroep voor de examens van de Erasmus Universiteit Rotterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 26 mei 2025 heeft de examencommissie Erasmus MC het verzoek van [appellant] om de geldigheidsduur van de vervallen resultaten van zijn masteropleiding Geneeskunde te verlengen afgewezen.

Bij beslissing van 25 september 2025 heeft het college het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 februari 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. G.J. Spaans en S.J.C.M.M. Neggers, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] volgt sinds het studiejaar 2015-2016 de masteropleiding geneeskunde aan de Erasmus Universiteit. Op 11 april 2025 heeft [appellant] de examencommissie verzocht om de geldigheidsduur van zijn vervallen studieresultaten te verlengen. In zijn verzoek heeft [appellant] toegelicht dat hij na een voorspoedige start van zijn opleiding geconfronteerd werd met verschillende persoonlijke omstandigheden die zijn studieverloop aanzienlijk hebben beïnvloed. In dit kader wijst hij op de echtscheiding van zijn ouders en de coronapandemie. De examencommissie heeft dit verzoek afgewezen. Aan deze beslissing heeft de examencommissie ten grondslag gelegd dat meerdere resultaten de geldigheidstermijn van vijf jaar ruimschoots hebben overschreden, waardoor de kennis en vaardigheden van [appellant] niet op niveau zijn.

Ontvankelijkheid

2.       Voordat de Afdeling kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep moet zij beoordelen of het beroep van [appellant] ontvankelijk is. De beslissing van het college is op 16 oktober 2025 per e-mail naar [appellant] toegezonden. Dit betekent dat [appellant] tot uiterlijk 27 november 2025 de tijd had om tegen deze beslissing beroep in te stellen. De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellant] op 30 november 2025 ontvangen. Dit betekent dat het beroepschrift te laat is ingediend. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep van [appellant] daarom niet ontvankelijk moet worden verklaard.

3.       Een beroep dat te laat is ingediend is niet-ontvankelijk, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd.

4.       Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. Bijzondere omstandigheden bij de indiener kunnen persoonlijke omstandigheden of externe omstandigheden zijn.

5.       [appellant] heeft over de termijnoverschrijding toegelicht dat het vinden van een geschikte advocaat met voldoende kennis en ervaring op het gebied van geschillen met een examencommissie meer tijd in beslag heeft genomen dan gedacht. Maar als voornaamste reden benoemt hij de (medische) zorgen voor zijn in juli 2025 geboren kind.

6.       De Afdeling overweegt hierover als volgt. Dat [appellant] als gevolg van zijn persoonlijke omstandigheden de beroepstermijn uit het oog is verloren, is invoelbaar. Uit de door hem gegeven toelichting maakt de Afdeling echter op dat [appellant] gedurende de beroepstermijn handelingen heeft verricht met als doel het instellen van beroep, zoals het zoeken naar een advocaat. In die periode had hij pro forma beroep kunnen indienen zoals is vermeld in de rechtsmiddelenclausule onder de beslissing van het college, of anderen om hulp kunnen vragen om zo de beroepstermijn veilig te stellen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de termijnoverschrijding voor het indienen van het beroep niet verschoonbaar is. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is en de Afdeling niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

Conclusie

7.       Het beroep is niet ontvankelijk.

8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.

w.g. Jurgens

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Rietveld

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026

1064