202500946/1/R1 en 202500948/1/R1.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellanten sub 1], beiden wonend in Amstelveen (hierna samen in enkelvoud: [appellant sub 1]),
2. [appellanten sub 2], beiden wonend in Amstelveen (hierna samen in enkelvoud: [appellant sub 2]),
3. [appellanten sub 3], beiden wonend in Amstelveen (hierna samen in enkelvoud: [appellant sub 3]),
4. [appellant sub 4], wonend in Amstelveen,
5. [appellanten sub 5], beiden wonend in Amstelveen (hierna samen in enkelvoud: [appellant sub 5]),
6. [appellanten sub 6], beiden wonend in Amstelveen (hierna samen in enkelvoud: [appellant sub 6]),
7. [appellanten sub 7], beiden wonend in Amstelveen (hierna samen in enkelvoud: [appellant sub 7]),
appellanten,
en
1. de raad van de gemeente Amstelveen,
2. het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen,
verweerders.
Procesverloop
Bij besluit van 15 oktober 2024 heeft het college hogere waarden vastgesteld voor onder meer een aantal bestaande woningen vanwege wegverkeerslawaai van een nieuwe ontsluitingsweg (hierna: het Wgh-besluit).
Bij besluit van 27 november 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "De Scheg Midden" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.
Tegen een of meer van deze besluiten hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] beroep ingesteld.
De raad en het college hebben ieder een verweerschrift ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: STAB) heeft op verzoek van de Afdeling een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] hebben hun zienswijzen daarover naar voren gebracht.
De raad en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaken gevoegd op een zitting behandeld op 16 januari 2026, waar zijn verschenen:
- [appellant sub 1], bijgestaan door P.J.M. Gouw, rechtsbijstandverlener,
- [appellant sub 2], vertegenwoordigd door P.J.M. Gouw, voornoemd,
- [appellante sub 3], bijgestaan door P.J.M. Gouw, voornoemd,
- [appellant sub 4], bijgestaan door mr. B.J.P.M. Zwinkels, advocaat te Honselersdijk,
- [appellant sub 5],
- [appellant sub 6], vertegenwoordigd door P.J.M. Gouw, voornoemd,
- [appellant sub 7],
- de raad en het college, beide vertegenwoordigd door mr. N.J. Cuperus en J.J. Koch,
- Van Wijnen Projectontwikkeling West B.V., vertegenwoordigd door mr. B. Oudenaarden, advocaat in Arnhem, [gemachtigden].
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet (hierna: de Iw Ow) in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Iw Ow blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan en een exploitatieplan waarvan de ontwerpen vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage zijn gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Op 1 januari 2024 is ook de Aanvullingswet geluid Omgevingswet in werking getreden. Zoals in de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5198, is overwogen, blijft op een besluit tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones langs wegen - behoudens provinciale wegen - het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk is. Maar dan moet die hogere waarde wel zijn vastgesteld ten behoeve van een besluit waarvoor een aanvraag is ingediend of waarvan een ontwerp ter inzage is gelegd vóór het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
De hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting zijn vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan "De Scheg Midden". De ontwerpen van dit bestemmingsplan en het bijbehorende exploitatieplan zijn op 20 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat zowel op de beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan en het exploitatieplan als op het Wgh-besluit het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), de Crisis- en herstelwet en de Wet geluidhinder (Wgh), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. De nieuwe woonwijk De Scheg in Amstelveen bestaat uit drie deelgebieden. De bestemmingsplannen voor het deelgebied De Scheg West met 800 woningen en het deelgebied De Scheg Oost met 172 woningen zijn inmiddels onherroepelijk. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de bouw van 457 woningen in deelgebied De Scheg Midden mogelijk. Ook maakt het plan een nieuwe ontsluitingsweg mogelijk, de Verlengde Hammarskjöldsingel.
2.1. De nieuwe ontsluitingsweg is voorzien aan de achterzijde van de woningen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7]. Zij verzetten zich niet tegen de bouw van de nieuwe woningen, maar wel tegen de aanleg van deze nieuwe ontsluitingsweg. De nieuwe ontsluitingsweg is voorzien op zo’n 21 meter achter het perceel van [appellant sub 2] en zo’n 33 m achter de percelen van de anderen. Zij vrezen hiervan vooral geluidhinder. Ook heeft de raad volgens hen onvoldoende betekenis toegekend aan de ter plaatse aanwezige groenhoofdstructuur en gasleiding. Deze nadelen van de voorgenomen nieuwe ontsluitingsweg heeft de raad volgens hen ook onvoldoende betrokken in zijn afweging van alternatieven voor de ontsluiting van de nieuwe woonwijk.
3. Ten behoeve van het bestemmingsplan heeft het college een besluit hogere waarden genomen. In het Wgh-besluit is vanwege de nieuwe ontsluitingsweg een hogere waarde van 49 dB vastgesteld voor de woning van [appellant sub 5] aan de Anne de Vrieslaan 47 en van 51 dB voor de woning van [appellant sub 2] aan de [locatie A].
3.1. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] verzetten zich tegen het Wgh-besluit omdat het college volgens hen geen juiste afweging heeft gemaakt over de cumulatieve geluidsbelasting en het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen.
4. De raad heeft met het oog op de financiële uitvoerbaarheid van het plan een exploitatieplan vastgesteld. Het omvat ook een perceel van [appellant sub 4] waarop het bestemmingsplan de bouw van een vrijstaande woning mogelijk maakt. In het exploitatieplan is een netto exploitatiebijdrage van € 442.324,00 opgenomen voor het perceel van [appellant sub 4], wat hij een onevenredig hoog bedrag vindt.
Het Wgh-besluit
Bron- en overdrachtsmaatregelen
5. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid van bron- en overdrachtsmaatregelen om de hinder van wegverkeerslawaai te beperken. Volgens hen heeft het college niet deugdelijk gemotiveerd waarom niet tot een verlaagde rijsnelheid, stil asfalt of geluidschermen is besloten.
5.1. Het verlagen van de rijsnelheid, het toepassen van stiller wegdek en/of het plaatsen van geluidschermen is volgens het bestreden besluit niet doelmatig en stuit op overwegende bezwaren van verkeerskundige, stedenbouwkundige en/of financiële aard. In het deskundigenbericht van de STAB wordt geconcludeerd dat navolgbaar is dat een verlaging van de rijsnelheid niet wenselijk is vanwege de intensiteiten en de ontsluitende functie van de weg. Over de toepassing van een geluidsarme asfaltlaag wordt in het deskundigenbericht geconcludeerd dat dit financieel niet doelmatig is vanwege de hoge onderhoudskosten. Over het plaatsen van geluidschermen wordt in het deskundigenbericht geconcludeerd dat voorstelbaar is dat geluidschermen niet inpasbaar dan wel akoestisch en/of financieel niet doelmatig zijn. Hierbij wordt wel opgemerkt dat de STAB dit niet kan bevestigen aan de hand van de aangeleverde informatie. In zijn reactie op het deskundigenbericht heeft het college daarom nader gemotiveerd hoe deze afweging is gemaakt op basis van de door Sweco Nederland B.V. opgestelde notitie "geluid - aanvullende informatie: afweging geluidschermen Verlengde Hammarskjöldsingel" van 16 september 2025. Hierin wordt de conclusie bevestigd dat het benodigde scherm van 275 m lang en 3 m hoog waarschijnlijk niet inpasbaar is door ruimtegebrek en een scherm in ieder geval financieel niet doelmatig is voor een reductie tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB bij 11 woningen.
Mede gelet op wat in het deskundigenbericht over de bedoelde maatregelen staat en nadien nog door het college nader is gemotiveerd, komen de Afdeling de door het college genoemde bezwaren tegen de genoemde maatregelen niet onaannemelijk voor. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] hebben aangevoerd ziet de Afdeling daarom geen grond voor het oordeel dat het college zich met het oog op artikel 110a, vijfde lid, van de Wgh niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat toepassing van één of meer van de bovengenoemde maatregelen op overwegende bezwaren van verkeerskundige, stedenbouwkundige en/of financiële aard stuit.
De betogen slagen niet.
Gecumuleerde geluidsbelasting
6. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat de gecumuleerde geluidbelasting bij hun woningen te hoog wordt als gevolg van de aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] voeren aan dat aan dit deel van het uitgevoerde akoestisch onderzoek gedateerde gegevens uit 2015 ten grondslag liggen. Volgens hen rijdt de Amsteltram vanaf juli 2024, waardoor de intensiteit op de trambaan is toegenomen. Verder is de geluidhinder van luchtverkeerslawaai niet in de beoordeling van de gecumuleerde geluidbelasting betrokken, terwijl die wel al jaren toeneemt.
6.1. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat wat betreft de trambaan in het door Sweco opgestelde rapport "Plan De Scheg Midden in Amstelveen; Akoestisch onderzoek" van 17 juli 2024 (hierna: het akoestisch onderzoek) voor de berekening van de gecumuleerde geluidsbelasting is uitgegaan van gegevens die niet nadelig zijn voor appellanten. Wat [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] hebben aangevoerd, geeft geen reden om hieraan te twijfelen. Gelet hierop geeft het aangevoerde de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.
6.2. Uit artikel 110a, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 110f, eerste lid, van de Wgh, volgt dat indien een geluidgevoelige bestemming waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld in de zone van meerdere geluidbronnen ligt, inzichtelijk dient te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. Omdat de woningen waarvoor een hogere grenswaarde is vastgesteld, in de zones van één of meer wegen en een spoorweg staan, bestond slechts in zoverre op grond van de Wgh de verplichting de gecumuleerde geluidbelasting te bepalen. De woningen staan buiten een met het oog op de geluidsbelasting vastgesteld beperkingengebied als bedoeld in de Wet luchtvaart, zodat op grond van de Wgh geen verplichting bestond de te verwachten geluidbelasting vanwege luchtverkeerslawaai in de omgeving te betrekken bij het onderzoek naar de gecumuleerde geluidbelasting. Het betoog dat de geluidhinder vanwege luchtverkeerslawaai niet in de berekening van de gecumuleerde geluidbelasting is betrokken kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het Wgh-besluit (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3103, onder 2.3).
6.3. In het akoestisch onderzoek is berekend dat de gecumuleerde geluidsbelasting van omliggende wegen en de trambaan bij de woningen van appellanten tot 57 dB bedraagt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college op basis van de uitkomsten van het akoestisch onderzoek deugdelijk gemotiveerd waarom het deze berekende gecumuleerde geluidsbelasting van 57 dB niet onaanvaardbaar vindt. Deze geluidbelasting is getoetst aan de Deelnota Hogere Waarden van de Beleidsnota geluid van maart 2007, dat het beleid van het college bevat. In de Beleidsnota wordt als de ten hoogste toelaatbare gecumuleerde geluidsbelasting een ruimschoots hogere waarde geaccepteerd. Daar voldoet de berekende gecumuleerde geluidsbelasting aan. Daarbij heeft het college verder van belang geacht dat de woningen van appellanten een geluidluwe gevel hebben en dat de geluidbelasting op maaiveldniveau 2 dB lager ligt dan deze berekende geluidbelasting op 7,5 m hoogte.
De betogen slagen niet.
Reconstructie
7. [appellant sub 5] en [appellant sub 7] betogen dat het college ten onrechte hogere waarden vanwege de nieuwe ontsluitingsweg heeft vastgesteld. Volgens hen staat in het akoestisch onderzoek dat wat betreft de nieuwe ontsluitingsweg sprake is van een reconstructie als bedoeld in de Wet geluidhinder. In strijd met artikel 100a, eerste lid, van de Wgh wordt de geluidbelasting meer dan 5 dB hoger.
7.1. De Afdeling stelt vast dat de wijzigingen op of aan de Loethoelilaan en de Hammarskjöldsingel wijzigingen op of aan aanwezige wegen betreffen en daarom terecht als reconstructies in de zin van de Wgh zijn onderzocht en beoordeeld. De aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg betreft de aanleg van een nieuwe weg en daarom heeft het college de nieuwe ontsluitingsweg terecht niet als reconstructie beoordeeld. Daarom heeft het college de aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg terecht niet aan artikel 100a van de Wgh getoetst. Het betoog van [appellant sub 5] en [appellant sub 7] berust op een onjuiste lezing van het akoestisch onderzoek.
De betogen slagen niet.
Conclusie over het Wgh-besluit
8. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] tegen het Wgh-besluit zijn ongegrond.
Het bestemmingsplan
Geluid
9. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat na aanleg van de verlengde ontsluitingsweg de gecumuleerde geluidbelasting bij hun woningen te hoog is. Volgens hen mocht de raad in zijn afweging de geluidhinder van luchtverkeerslawaai niet buiten beschouwing laten.
9.1. De Afdeling stelt vast dat in het akoestisch onderzoek het geluid van vliegverkeer niet is betrokken bij het onderzoek naar de gecumuleerde geluidbelasting. Zoals de Afdeling hiervoor onder 6.2 heeft overwogen, bestaat in dit geval op grond van de Wgh geen verplichting tot het verrichten van een onderzoek naar de cumulatieve effecten van het geluid van het vliegverkeer. Niettemin kunnen zich ook buiten de gevallen waarin de Wgh voorschrijft onderzoek te verrichten naar de cumulatieve geluidbelasting, gevallen voordoen waarin rekening moet worden gehouden met een negatieve invloed van cumulatieve geluidbelasting op het woon- en leefklimaat ter plaatse van bepaalde woningen. Ten einde een goede afweging te maken in het kader van een goede ruimtelijke ordening bestond in het onderhavige geval aanleiding daartoe. In het deskundigenbericht staat over het luchtverkeerslawaai bij de woningen van appellanten dat volgens informatie van het RIVM hiervoor een geluidniveau van 49 dB geldt. Wanneer dit geluidniveau van 49 dB wordt omgerekend naar wegverkeerslawaai dan komt het geluidniveau uit op 55 dB. Naar het oordeel van de Afdeling is dit een geluidniveau dat de raad niet zonder meer buiten beschouwing mocht laten bij de beoordeling van de gecumuleerde geluidsbelasting. Gelet op het vorenstaande is de cumulatie ten onrechte niet onderzocht en afgewogen. Het besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen.
De betogen slagen. De Afdeling zal hierna onder de conclusie bezien tot welke gevolgen dit moet leiden.
9.2. In reactie op het deskundigenbericht heeft de raad de door Sweco opgestelde notitie "Geluid — aanvullende informatie: gecumuleerd geluid bestaande woningen langs Verlengde Hammarskjöldsingel" van 18 december 2025 overgelegd. In aanvulling op het eerdere onderzoek, wordt in deze notitie het gecumuleerde geluid van wegverkeer en luchtverkeer inzichtelijk gemaakt voor de bestaande woningen binnen de zone van de nieuwe ontsluitingsweg, in de huidige situatie en in de toekomstige plansituatie. Uit deze notitie volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting, inclusief luchtverkeerslawaai, met maximaal 3 dB toeneemt bij de bestaande woningen tot maximaal 60 dB ten opzichte van de bestaande situatie zonder nieuwe ontsluitingsweg.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad aan de hand van deze notitie alsnog deugdelijk gemotiveerd waarom hij de berekende gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar vindt. De raad heeft daarover gemotiveerd dat een berekende toename van 2 à 3 dB ten opzichte van de bestaande situatie een waarneembaar effect is, maar geen sterke verslechtering van het akoestisch woon- en leefklimaat. Uit tabel 5 uit het akoestisch onderzoek volgt dat de cumulatieve geluidbelasting in zowel de bestaande situatie als de nieuwe situatie als matig - met de perceptie rumoerig, druk - kan worden geclassificeerd. De raad heeft daarnaast aansluiting gezocht bij de Beleidsnota geluid van maart 2007. De berekende gecumuleerde geluidsbelasting is ruimschoots lager dan de geluidbelasting die volgens dit beleid nog maximaal aanvaardbaar is. Hierbij neemt de Afdeling verder in aanmerking dat de raad van belang heeft mogen achten dat de woningen over een geluidluwe gevel beschikken.
Gelet hierop heeft de raad het geconstateerde gebrek inmiddels hersteld. De Afdeling zal hierna onder de conclusie bezien tot welke gevolgen dit moet leiden.
Gasleiding
10. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] voeren aan dat de nieuwe ontsluitingsweg is voorzien boven een bestaande aardgasleiding. Zij hebben zorgen over de gevolgen hiervan voor hun veiligheid. Zij zijn niet overtuigd door de motivering van de raad dat Gasunie geen bezwaar heeft. Ook zijn de financiële gevolgen van een eventueel noodzakelijke alternatieve uitvoering van de nieuwe ontsluitingsweg niet inzichtelijk, zodat zij twijfelen aan de financiële uitvoerbaarheid daarvan.
10.1. Op de verbeelding van het bestemmingsplan is de bestemming "leiding - Gas" toegekend aan de gronden waarin de gasleiding ligt en 4 m aan weerszijden daarvan.
Ingevolge artikel 13 van de planregels zijn deze gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, instandhouding en/of bescherming van een al dan niet ondergronds gelegen hogedruk gastransportleiding, en de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Deze bestemming is primair ten opzichte van de andere aan deze gronden toegekende bestemmingen.
10.2. Aan het plan liggen twee door Prevent Adviesgroep opgestelde rapporten van 29 juli 2024 over de gevolgen van het bestemmingsplan voor de externe veiligheid ten grondslag (bijlage 10 bij de plantoelichting). Aan de hand van deze onderzoeken wordt in het deskundigenbericht geconcludeerd dat de veiligheidsnormen voor de buisleiding geen belemmering vormen voor de uitvoering van het bestemmingsplan. Het aangevoerde geeft geen aanleiding om hieraan te twijfelen. De Afdeling stelt verder vast dat in artikel 13 van de planregels het behoud van de veilige ligging van de leiding is gewaarborgd bij de vergunningverlening voor de nieuwe weg. Op grond van deze regeling is voor de aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg een omgevingsvergunning nodig en moet hiervoor advies worden ingewonnen bij de leidingbeheerder. In de door de leidingbeheerder naar voren gebrachte zienswijze over het ontwerpplan heeft de raad redelijkerwijs op voorhand geen reden hoeven zien om aan te nemen dat de veilige ligging van de leiding niet kan worden gewaarborgd bij aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg. De gasleiding kruist al bestaande wegen en de nieuwe ontsluitingsweg zal blijkens de verbeelding ook grotendeels naast de gronden waarin de gasleiding ligt worden aangelegd. Voor zover de aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg zou leiden tot extra kosten vanwege de aanwezige gasleiding, bevat het aangevoerde geen aanknopingspunten voor de verwachting dat de gemeente financieel niet in staat is om deze kosten te dragen.
De betogen slagen niet
Groen
11. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat het plan leidt tot een aantasting van de hoofdgroenstructuur uit het Groenstructuurplan 2008. In zijn afweging heeft de raad volgens hen onvoldoende betekenis toegekend aan het belang bij behoud van het aanwezige groen langs de watergang. Het verdwijnen van een deel van deze hoofdgroenstructuur leidt tot onder meer hittestress.
11.1. Het Groenstructuurplan 2008 bevat geen voorgeschreven breedte voor het bovenwijks groen achter de woningen van appellanten. In het deskundigenbericht staat dat aannemelijk is dat de functie van de hoofdgroenstructuur niet in het geding is als gevolg van de aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg. Wat [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] hebben aangevoerd, geeft geen reden om hieraan te twijfelen. Gelet hierop is het bestemmingsplan niet in strijd met het toepasselijke groenbeleid van de gemeente vastgesteld.
11.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad verder deugdelijk gemotiveerd waarom hij een groter gewicht heeft toegekend aan het belang bij de aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg dan aan het belang bij behoud van de feitelijk aanwezige groenstrook aan de oostzijde van de watergang. Aan de oostzijde van de watergang blijft namelijk een groenstrook over. In het vorige plan was aan deze groenstrook een groenbestemming met een breedte van ongeveer 10,5 m toegekend. In het bestreden plan is een groenbestemming met een breedte van ongeveer 8,5 m toegekend. De bestemming "Groen", die de raad aan deze groenstrook heeft toegekend, is dus maar beperkt smaller dan de groenbestemming die in het vorige bestemmingsplan was toegekend. Ten westen van deze groenstrook blijven de watergang en de groenstrook ten westen van de watergang goeddeels aanwezig. De beperkte versmalling leidt daarom niet tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7].
De betogen slagen niet.
Alternatieven en belangenafweging
12. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] betogen dat de raad mogelijke alternatieve ontsluitingen van de nieuwe woonwijk niet voldoende heeft onderzocht en afgewogen. Zij voeren aan dat de raad onjuiste conclusies heeft getrokken uit het uitgevoerde verkeersonderzoek. Dat de nieuwe ontsluitingsweg leidt tot een meer gelijkmatige ontsluiting van de woonwijk De Scheg vinden zij geen overtuigende motivering. Een ontsluiting via de Legmeerdijk heeft slechts beperkte effecten op die weg. Bij de afweging van deze alternatieven heeft de raad volgens hen onvoldoende gewicht toegekend aan de nadelen van de nieuwe ontsluitingsweg voor hun woon- en leefklimaat. Zij ervaren reeds de gevolgen van een trambaan en zullen nu ook worden geconfronteerd met 4.700 mvt/etm achter hun woningen. Daarnaast vrezen zij sluipverkeer over de nieuwe ontsluitingsweg. Daarbij voeren [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] verder aan dat nog onduidelijk is hoe de kruising van de Loethoelilaan, de Hammarskjöldsingel en de nieuwe ontsluitingsweg zal worden uitgevoerd, zodat de verkeersveiligheid niet gewaarborgd is.
12.1. De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen.
Aan het bestemmingsplan ligt een door Goudappel opgesteld rapport "Verkeersonderzoek naar effecten van ontwikkeling De Scheg in Amstelveen" van 21 november 2023 ten grondslag (bijlage 6 bij de plantoelichting). Hierin zijn de gevolgen van vier planvarianten onderzocht, waarbij zowel de verkeerseffecten van De Scheg West als De Scheg Midden zijn betrokken. De door appellanten bedoelde ontsluiting op de Legmeerdijk is ook onderzocht in twee varianten. Een nieuwe directe aansluiting op de Legmeerdijk heeft tot gevolg dat de Legmeerdijk moet worden aangepast en gaat ten koste van groen en woningen. Een ontsluiting via bestaande wegen naar de Legmeerdijk leidt op deze bestaande wegen tot een hogere verkeersdruk op korte afstand van bestaande woningen. In het verkeersonderzoek wordt aanbevolen om te kiezen voor het aanleggen van de Verlengde Hammarskjöldsingel voor een meer gelijkmatige verdeling van het verkeer. De door appellanten geschetste mogelijkheid van sluipverkeer over de Burgemeester Wiegelweg, de nieuwe ontsluitingsweg en de Meerlandenweg na realisatie van de nieuwe ontsluitingsweg hebben zij niet aannemelijk gemaakt. Hierbij betrekt de Afdeling dat in hoofdstuk 4 van het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat de in het verkeersonderzoek berekende verkeersintensiteit van 4.700 mvt/werkdag op de nieuwe ontsluitingsweg waarschijnlijk is en deze verkeersintensiteit niet als hoog wordt gekwalificeerd voor een ontsluitingsweg. De Afdeling ziet geen reden om hieraan te twijfelen. Hoe de nieuwe ontsluitingsweg verder verkeerstechnisch exact wordt ingericht, hoeft niet in een bestemmingsplan te worden geregeld (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:654). De raad heeft zich er voldoende van vergewist dat een aanvaardbare verkeerssituatie kan worden gerealiseerd. Dit uitvoeringsaspect kan in deze procedure verder niet aan de orde komen.
Gelet hierop heeft de raad de door appellanten voorgestelde alternatieven afgewogen bij de vaststelling van het plan en toereikend gemotiveerd waarom niet voor een van die alternatieven is gekozen.
De betogen slagen niet.
Participatie
13. Het betoog van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] dat de raad gebruik had moeten maken van hun aanbod om mee te denken over andere oplossingen, gaat over de gevolgde procedure. De Afdeling stelt vast dat de wettelijk voorgeschreven procedure is gevolgd. In deze procedure is eenieder namelijk in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het ontwerpplan naar voren te brengen en de raad heeft deze zienswijzen betrokken bij zijn besluitvorming.
Hun betoog dat er in gesprekken met het gemeentebestuur over het plan uitspraken of beloftes zijn gedaan, die uiteindelijk niet tot aanpassing van het plan hebben geleid, hebben zij verder niet geconcretiseerd.
De betogen slagen niet.
Conclusie over het bestemmingsplan
14. Het betoog over de cumulatie van geluid slaagt, maar de raad heeft dit gebrek inmiddels hersteld. De Afdeling zal hierna onder de eindconclusie bezien tot welke gevolgen dit moet leiden.
Het exploitatieplan
De begrenzing van het exploitatieplangebied
15. [appellant sub 4] betoogt dat zijn perceel niet in het exploitatieplan had mogen worden opgenomen, omdat hij geen profijt heeft van de voorzieningen in de nieuwe woonwijk. Ook hoeven er voor zijn perceel geen bijzondere kosten te worden gemaakt, omdat het perceel al goed ontsloten is.
15.1. De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan op het perceel van [appellant sub 4] een nieuwe vrijstaande woning mogelijk maakt. Ook voor zijn perceel is daarom sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de Wro in samenhang met artikel 6.2.1, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het verhaal van kosten van de grondexploitatie is niet anderszins verzekerd in de zin van artikel 6.12, tweede lid, onder a, van de Wro. Daarom heeft de raad terecht het exploitatieplan tevens voor het perceel van [appellant sub 4] vastgesteld. Overigens neemt de Afdeling het volgende in aanmerking. Voor [appellant sub 4] was in het ontwerpbestemmingsplan nog geen bouwmogelijkheid voor zijn perceel opgenomen. In zijn zienswijze over dit ontwerpbestemmingsplan heeft hij verzocht om een bouwmogelijkheid op zijn perceel. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat naar aanleiding van deze zienswijze aan [appellant sub 4] is meegedeeld dat het opnemen van een bouwmogelijkheid in het bestemmingsplan betekent dat zijn perceel ook opgenomen zal worden in het exploitatieplan en hij dus een exploitatiebijdrage verschuldigd zal worden voor de bouw van deze woning. Daarbij is aan hem ook de orde van grootte van zo’n exploitatiebijdrage meegedeeld. Op de zitting heeft [appellant sub 4] dit bevestigd en verklaard dat hij niettemin een bouwmogelijkheid op zijn perceel wil hebben, maar voor de bouw van een woning geen hoge exploitatiebijdrage wil betalen. Of de berekende exploitatiebijdrage inderdaad te hoog is, zoals [appellant sub 4] betoogt, wordt hierna bij de bespreking van zijn andere beroepsgronden beoordeeld.
Het betoog slaagt niet.
De criteria profijt, toerekenbaarheid en evenredigheid
16. [appellant sub 4] betoogt dat het exploitatieplan is vastgesteld in strijd met de criteria profijt, toerekenbaarheid en evenredigheid uit artikel 6:13, zesde lid, van de Wro. De kosten van exploitatie van de woonwijk kunnen volgens hem niet aan zijn perceel worden toegerekend, omdat hij daarvan geen profijt heeft. Voor zijn perceel hoeven immers geen voorzieningen te worden aangelegd. Hij vindt de exploitatiebijdrage daarom niet evenredig.
16.1. Met toepassing van de criteria profijt, toerekenbaarheid en evenredigheid uit artikel 6.13, zesde lid, van de Wro komt vast te staan in welke mate kosten aan het exploitatieplangebied als geheel worden toegerekend. Deze criteria spelen geen rol bij de toedeling van de totale kosten aan de individuele gronden binnen het exploitatieplangebied. Op grond van artikel 6.13, zesde lid, van de Wro kunnen dus niet alleen kosten in verband met werken, werkzaamheden en maatregelen waarvan het gehele exploitatiegebied profijt heeft worden opgenomen in de exploitatieopzet, maar ook de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen waarvan slechts een gedeelte van het exploitatiegebied profijt heeft (zie de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1744, onder 14). Het aangevoerde geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 6.13 van de Wro is vastgesteld.
Het betoog slaagt niet.
De raming van de inbrengwaarde en de andere kosten
17. [appellant sub 4] betoogt dat de inbrengwaarde van zijn perceel te laag is getaxeerd, omdat het een goed ontsloten perceel betreft, waarop zonder bijzondere investeringen in infrastructuur een woning gebouwd kan worden.
[appellant sub 4] betoogt voorts dat de raming van de kosten niet transparant is. Hij betwist dat alle kostenposten noodzakelijk zijn.
17.1. De raad heeft zich gebaseerd op de taxatie die is opgenomen in het rapport "Taxatierapport - de Scheg Midden, Amstelveen" van Fakton Consultancy B.V. van 27 september 2024 (hierna: het taxatierapport) dat als bijlage 7 bij het exploitatieplan is gevoegd. Daarin wordt gekomen tot een complexwaarde van de gronden in het exploitatieplangebied van € 339,00 per m2. Bij de waardering van de onroerende zaak is in het taxatierapport toepassing gegeven aan de residuele waardebepalingsmethode en ter toetsing van de uitkomsten daarvan de vergelijkingsmethode.
17.2. Een bestuursorgaan mag op de taxatie van een onafhankelijke deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of deze taxatie op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de gevolgde methode en gehanteerde redenering begrijpelijk en consistent zijn en de daaruit getrokken conclusies daarop aansluiten, en de taxatie inzicht verschaft in de gegevens die bij de taxatie zijn betrokken. Deze verplichting volgt uit artikel 3:2 van de Awb.
Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de taxatie, de begrijpelijkheid van de in de taxatie gevolgde methode en gehanteerde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, dan mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op de taxatie afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de taxateur een reactie op wat over de taxatie is aangevoerd.
Wanneer het betoog van een appellant de specifieke deskundigheid van de taxateur raakt, kan het betreffende onderdeel van het taxatierapport in beginsel slechts gemotiveerd bestreden worden met een tegenrapport van een onafhankelijke taxateur, waaruit blijkt dat het taxatierapport op het bedoelde onderdeel onjuist is. Ter onderbouwing van een betoog dat een taxatierapport onjuist is, is het niet voldoende dat het tegenrapport uitsluitend een andere zelfstandige taxatie tegenover de taxatie stelt die is vervat in het aan het exploitatieplan ten grondslag gelegde taxatierapport. Uit zo’n in een tegenrapport vervatte zelfstandige taxatie blijkt namelijk nog niet waarom de in het taxatierapport vervatte taxatie onjuist is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:494, onder 16.2 en 16.3).
17.3. Uit het taxatierapport blijkt niet of rekening is gehouden met een eventuele bijzondere geschiktheid van het perceel van [appellant sub 4] voor woningbouw. De vraag of het perceel deze bijzondere geschiktheid heeft en welke gevolgen dit heeft voor de taxatie van het perceel, raakt evenwel de specifieke deskundigheid van de taxateur. [appellant sub 4] heeft geen tegenrapport van een onafhankelijke taxateur overgelegd. Gelet hierop geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet op het taxatierapport mocht afgaan.
De kosten in verband met de exploitatie zijn beschreven in paragraaf 5.5 van het exploitatieplan en de daarbij behorende bijlagen, waaronder het taxatierapport. [appellant sub 4] heeft zijn algemene betoog over de transparantie van de raming en noodzaak van de kosten verder niet geconcretiseerd. Daarom ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen.
Het betoog slaagt niet.
Financiële uitvoerbaarheid
18. [appellant sub 4] betoogt dat de exploitatiebijdrage zo hoog is dat woningbouw financieel niet meer haalbaar is. Hij voert daarbij aan dat het zijn bedoeling is om een kleinere woning te bouwen.
18.1. De Afdeling stelt voorop dat het beroep van [appellant sub 4] nadrukkelijk niet is gericht tegen het bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe bouwmogelijkheid op zijn perceel. Dit plan maakt een vrijstaande woning mogelijk met een groter bruto vloeroppervlak dan waarvan in het exploitatieplan is uitgegaan. In het taxatierapport is voor een vrijstaande woning met een bruto vloeroppervlakte van 257 m2 gerekend met € 1.608 per m2, dus totaal € 413.899,00 aan bouwkosten. Als dit wordt vermeerderd met de getaxeerde gebruikswaarde van het perceel en de exploitatiebijdrage dan bedragen de totale kosten ongeveer € 900.000,00. In het taxatierapport staat daarnaast dat de v.o.n.-prijs van een eenmaal gerealiseerde woning wordt getaxeerd op € 1.227.628,00. Dat de exploitatiebijdrage zo hoog is dat woningbouw financieel niet meer haalbaar is, vindt in deze gegevens geen bevestiging. De eventuele bedoeling van [appellant sub 4] om een kleinere vrijstaande woning te bouwen, laat de voorziene planologische mogelijkheden onverlet.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
19. Het beroep van [appellant sub 4] tegen het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan is ongegrond.
Eindconclusie
20. Gelet op wat hiervoor onder 9.1 is overwogen, zijn de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan gegrond. Dit besluit moet daarom worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Omdat de raad, gelet op wat hiervoor onder 9.2 is overwogen, het geconstateerde gebrek inmiddels heeft hersteld, zal de Afdeling de rechtsgevolgen van dit besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb geheel in stand laten. Dit betekent dat het bestemmingsplan kan worden uitgevoerd.
21. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] tegen het Wgh-besluit zijn ongegrond.
22. Het beroep van [appellant sub 4] tegen het besluit tot vaststelling van het exploitatieplan is ongegrond.
Proceskosten
23. De raad moet de proceskosten van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 7] vergoeden.
Hierbij betrekt de Afdeling dat [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 6] door dezelfde gemachtigde zijn bijgestaan, dat de door deze gemachtigde namens hen ingediende beroepschriften en zienswijzen over het deskundigenbericht (nagenoeg) identiek zijn en de beroepen gelijktijdig op zitting zijn behandeld. Voor de toekenning van een vergoeding voor kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden de beroepen daarom beschouwd als één zaak in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarom zal de veroordeling van de proceskosten op dit punt ten behoeve van deze partijen, ieder voor een kwart, worden uitgesproken.
Verder betrekt de Afdeling hierbij dat de beroepschriften van [appellant sub 5] en [appellant sub 7] door dezelfde gemachtigde zijn ingediend en (nagenoeg) identiek zijn. Voor de toekenning van een vergoeding voor kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden deze beroepen daarom beschouwd als één zaak in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarom zal de veroordeling van de proceskosten wat betreft de beroepschriften ten behoeve van deze partijen, ieder voor de helft, worden uitgesproken.
Voor het overige hoeven de raad en het college geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellanten sub 5], [appellanten sub 6], en [appellanten sub 7] tegen het besluit van de raad van de gemeente Amstelveen van 15 oktober 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Scheg Midden" gegrond;
II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Amstelveen van 15 oktober 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Scheg Midden";
III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit geheel in stand blijven;
IV. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
V. veroordeelt de raad van de gemeente Amstelveen tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van:
a. € 583,75 aan [appellanten sub 1], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
b. € 583,75 aan [appellanten sub 2], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
c. € 583,75 aan [appellanten sub 3], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
d. € 467,00 aan [appellanten sub 5], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
e. € 583,75 aan [appellanten sub 6], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
f. € 934,00 aan [appellanten sub 7], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VI. gelast dat de raad van de gemeente Amstelveen aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:
a. € 194,00 aan [appellanten sub 1], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
b. € 194,00 aan [appellanten sub 2], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
c. € 194,00 aan [appellanten sub 3], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
d. € 194,00 aan [appellanten sub 5], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
e. € 194,00 aan [appellanten sub 6], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
f. € 194,00 aan [appellanten sub 7], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.
w.g. Besselink
voorzitter
w.g. Boer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
745