202501892/1/V6.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 februari 2025 in zaak nr. 24/7724 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 27 oktober 2023 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om haar het Nederlanderschap te verlenen (het verzoek), afgewezen.
Bij besluit van 1 juli 2024 (het besluit) heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 november 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. Manawi, advocaat in Delft, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J. Laros, zijn verschenen. Als tolk trad op D.K. Ehigiene.
Na het sluiten van het onderzoek heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heropend om de staatssecretaris in de gelegenheid te stellen te reageren op een kort voor de zitting ingediend stuk van [appellant]. De staatssecretaris heeft van die gelegenheid gebruikgemaakt, waarna [appellant] daarop heeft gereageerd.
Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] stelt afkomstig te zijn uit Sierra Leone en geboren te zijn op [geboortedatum] 1985. Zij verblijft meer dan twintig jaar in Nederland en heeft sinds 15 juni 2007 een verblijfsvergunning op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (Ranov).
1.1. De staatssecretaris heeft het verzoek afwezen, omdat hij twijfelt aan de identiteit en nationaliteit van [appellant]. De staatssecretaris baseert dit op een door Bureau Land en Taal (nu: Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT)) opgesteld rapport taalanalyse van 2 augustus 2006 (de taalanalyse). Uit de taalanalyse volgt dat [appellant] eenduidig niet herleidbaar is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Sierra Leone. [appellant] heeft de taalanalyse niet weerlegd met een contra-expertise. Zij heeft ter onderbouwing van haar identiteit en nationaliteit nog wel een ‘certified true copy’ van een geboorteakte overgelegd, afgegeven op 12 april 2017 (de geboorteakte) en twee verklaringen van de Sierra Leoonse ambassade, maar volgens de staatssecretaris kunnen deze stukken de gerezen twijfel niet wegnemen. Volgens de staatssecretaris is niet gebleken dat bij de aanvraag of afgifte van de geboorteakte een deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden. Daarom heeft hij het niet opportuun geacht om de geboorteakte ter onderzoek voor te leggen aan Bureau Documenten. In beroep heeft [appellant] gesteld dat zij niet in Freetown is geboren, zoals vermeld in de taalanalyse, maar in Waterloo, Sierra Leone. De staatssecretaris heeft dit voorgelegd aan TOELT, wat heeft geleid tot een reactie van TOELT van 14 januari 2025. Hierin staat dat TOELT geen aanleiding ziet om zijn conclusie in de taalanalyse te herzien.
Uitspraak rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] geen concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd voor twijfel aan de taalanalyse. Hiervoor heeft de rechtbank van belang geacht dat zij geen nader onderzoek of contra-expertise heeft laten verrichten om de conclusie uit de taalanalyse te weerleggen. De rechtbank heeft in wat [appellant] heeft aangevoerd over de foutieve geslachtsaanduiding in de taalanalyse, het gebrek aan scholing, mogelijk taalverlies en de culturele en linguïstische diversiteit van Sierra Leone, evenmin concrete aanknopingspunten gezien voor twijfel aan de taalanalyse. De rechtbank heeft verder overwogen dat [appellant] voor het eerst in beroep stelt in Waterloo te zijn geboren, terwijl uit de opnames van de taalanalysegesprekken blijkt dat zij eerder zei uit Freetown te komen. Over de geboorteakte heeft de rechtbank geoordeeld dat die onvoldoende is om de twijfel van de staatssecretaris weg te nemen. Volgens de rechtbank is het in beginsel noodzakelijk dat [appellant] ook een geldig paspoort overlegt. De rechtbank heeft tot slot geoordeeld dat [appellant] geen geslaagd beroep kan doen op bewijsnood en evenmin op de hardheidsclausule in artikel 10 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (de RWN).
Nadere bewijsstukken
3. Op 11 november 2025, zeven dagen voor de zitting bij de Afdeling, heeft [appellant] een nationaliteitsverklaring van 17 januari 2025 overgelegd, opgesteld door de Sierra Leoonse ambassade. [appellant] heeft toegelicht dat zij dit stuk op 20 januari 2025 digitaal bij de rechtbank heeft ingediend, maar dat de rechtbank dit in haar uitspraak onbesproken heeft gelaten. Een door haar overgelegde schermafbeelding van het digitaal portaal van de rechtbank bevestigt de indiening van de nationaliteitsverklaring. De staatssecretaris heeft op de zitting bij de Afdeling vastgesteld dat het stuk in zijn dossier aanwezig was, maar abusievelijk in een onjuiste map was opgenomen waardoor hij hierover geen standpunt heeft ingenomen. De Afdeling heeft daarin aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en de staatssecretaris alsnog in de gelegenheid gesteld om te reageren op de nationaliteitsverklaring, zodat zij dit stuk bij de beoordeling kan betrekken. Dit heeft de staatssecretaris gedaan in een brief van 11 december 2025. [appellant] heeft hier vervolgens op gereageerd in een brief van 9 januari 2026, waarbij zij ook een contra-expertise van 6 januari 2026 heeft overgelegd en een brief van gemeente Delft van 1 december 2025. Zoals de Afdeling partijen ook per brief heeft laten weten, zal zij de contra-expertise en de brief van de gemeente Delft buiten beschouwing laten wegens strijd met de goede procesorde. Hiervoor heeft de Afdeling van belang geacht dat [appellant] deze stukken pas na de zitting, tijdens de heropening van het onderzoek, heeft ingebracht en geen omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat zij deze stukken niet eerder in de procedure had kunnen inbrengen. Bovendien heeft de staatssecretaris niet op die stukken kunnen reageren en zou sluiting van het onderzoek verder moeten worden uitgesteld om hem daartoe de gelegenheid te geven met verdere vertraging van de procedure tot gevolg.
Heeft [appellant] concrete aanknopingspunten aangevoerd voor twijfel aan de taalanalyse?
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd voor twijfel over de totstandkoming, redenering en conclusies van de taalanalyse. Zij voert aan dat de omstandigheid dat zij in eerdere verklaringen heeft gesteld uit Freetown te komen, niet maakt dat de staatssecretaris haar huidige verklaring zonder nader onderzoek terzijde mag schuiven. [appellant] voert ook aan dat zij veertien jaar oud en ongeschoold was toen zij in Nederland aankwam, zodat aannemelijk is dat haar taalgebruik ten tijde van de taalanalyse was beïnvloed door haar lage opleidingsniveau en jarenlange verblijf in een Nederlandstalige omgeving. TOELT heeft hier ten onrechte geen rekening mee gehouden. [appellant] is daarnaast in de taalanalyse aangeduid als man. Door dit te kwalificeren als een verschrijving, heeft de rechtbank volgens [appellant] niet onderkend dat het hier gaat om een slordigheid in de totstandkoming van de taalanalyse. Dat zij verder het Pidgin-Engels spreekt, sluit volgens haar niet uit dat zij uit Sierra Leone afkomstig is. [appellant] wijst hierbij op de linguïstische diversiteit binnen Sierra Leone.
4.1. De Afdeling stelt vast dat de gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd over de taalanalyse zo goed als een herhaling zijn van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5 tot en met 5.4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling benadrukt daarbij dat de staatssecretaris, anders dan [appellant] betoogt, haar stelling dat zij in Waterloo is geboren niet zonder nader onderzoek terzijde heeft geschoven. De staatssecretaris heeft TOELT namelijk gevraagd om een reactie op deze stelling en heeft dus nader onderzoek verricht. Uit de reactie van TOELT van 14 januari 2025 volgt echter dat [appellant] in de eerdere asielprocedure meerdere keren heeft verklaard geboren te zijn in Freetown. De verklaringen van [appellant] in de naturalisatieprocedure over haar geboorteplaats zijn daarmee tegenstrijdig. Verder is het ongelukkig dat TOELT [appellant] op de eerste pagina van de taalanalyse heeft aangeduid als ‘man’, maar in het vervolg van de taalanalyse is [appellant] steeds aangeduid als ‘vreemdelinge’ en ‘zij’. Het gaat hier dus niet om een onzorgvuldigheid in de totstandkoming, maar om een kennelijke verschrijving. Van belang is dat voor partijen direct duidelijk is dat sprake is van een vergissing.
4.2. Het betoog slaagt niet.
Heeft [appellant] de gerezen twijfel weggenomen met de door haar overgelegde documenten?
5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij de gerezen twijfels niet heeft weggenomen met de door haar overgelegde documenten. Zij wijst op de geboorteakte en de nationaliteitsverklaring van de Sierra Leoonse ambassade. Volgens [appellant] heeft de rechtbank niet gemotiveerd waarom aan deze documenten geen bewijswaarde toekomt. [appellant] vindt dat zij met de documenten een begin van bewijs heeft geleverd van haar stelling dat zij afkomstig is uit Waterloo, Sierra Leone. Zij wijst hierbij op de uitspraken van de Afdeling van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:923, en 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1257, waaruit volgens haar volgt dat aan ter staving van de identiteit en nationaliteit overgelegde documenten niet zonder deugdelijke motivering bewijswaarde kan worden ontzegd. Volgens [appellant] heeft de staatssecretaris in strijd gehandeld met deze rechtspraak door de authenticiteit van de door haar overgelegde documenten niet te betwisten, maar wel zonder motivering aan deze stukken voorbij te gaan. [appellant] voert verder aan dat zij niet beschikt over een geldig Sierra Leoons paspoort, omdat dit paspoort in persoon moet worden aangevraagd en zij met haar vreemdelingenpaspoort niet haar land van herkomst mag bezoeken.
Toetsingskader
5.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4302, onder 5.7, moet de staatssecretaris, als er twijfel bestaat over de identiteit en nationaliteit van een verzoeker, nagaan of die verzoeker de gerezen twijfel met de door hem overgelegde documenten heeft weggenomen. In dat kader zal de staatssecretaris moeten beoordelen of buiten twijfel uit die documenten volgt dat de daarin vermelde identiteit en nationaliteit juist zijn. De staatssecretaris mag daarbij niet zonder deugdelijke motivering voorbijgaan aan die documenten. De motivering die de staatssecretaris moet geven voor het niet accepteren van de documenten is afhankelijk van de bewijswaarde daarvan. De Afdeling heeft onder 5.3 tot en met 5.6 van deze uitspraak uiteengezet hoe de staatssecretaris hieraan invulling moet geven.
5.2. In de door [appellant] genoemde uitspraken van 6 maart 2024 en 27 maart 2024 heeft de Afdeling het hierboven geschetste kader toegepast. [appellant] wijst er terecht op dat uit deze uitspraken volgt dat de staatssecretaris aan authentieke documenten niet zonder meer bewijswaarde mag ontzeggen. De Afdeling stelt vast dat [appellant] een geboorteakte heeft overgelegd en twee verklaringen van de Sierra Leoonse ambassade van 11 juli 2016 en 14 oktober 2019, waarin de ambassade [appellant] voor de aanvraag van een paspoort heeft doorverwezen naar ‘the Immigration Office’ in Freetown. [appellant] heeft daarnaast een nationaliteitsverklaring overgelegd die op 17 januari 2025 is opgesteld door de Sierra Leoonse ambassade.
Motivering over geboorteakte niet deugdelijk
5.3. De staatssecretaris heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat hij de geboorteakte niet kan accepteren, omdat er geen deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden bij de aanvraag of afgifte van dit document. De staatssecretaris heeft er onder meer op gewezen dat [appellant] niet in persoon aanwezig was bij de aanvraag of afgifte van de geboorteakte. [appellant] wijst er echter terecht op dat uit het Algemeen Ambtsbericht Sierra Leone van mei 2011, paragraaf 3.3.4.1, volgt dat iemand anders namens de verzoeker een geboorteakte kan aanvragen. Het is dus niet vereist dat de verzoeker in persoon aanwezig was bij de aanvraag van de geboorteakte. De staatssecretaris heeft dit op zitting bij de Afdeling erkend, maar heeft daarbij toegelicht dat sprake is van een tardieve registratie en dat hij daarom wil weten hoe deze tot stand is gekomen. Tijdens de hoorzitting van 16 april 2024 heeft de staatssecretaris aan [appellant] gevraagd hoe zij aan de geboorteakte is gekomen. [appellant] heeft daarop verklaard dat haar familie deze heeft aangevraagd. De staatssecretaris heeft vervolgens niet doorgevraagd naar de wijze waarop haar familie de geboorteakte heeft verkregen en welke documenten zij daarvoor hebben overgelegd, terwijl dat wel van hem verwacht mocht worden. De Afdeling is daarom van oordeel dat het standpunt van de staatssecretaris dat er geen deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden, niet zonder meer gevolgd kan worden. Dit betekent dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in het kader van de vaststelling van de identiteit geen bewijswaarde toekomt aan de geboorteakte. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit kan echter niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, gelet op het volgende.
Geldig paspoort of andere identificerende documenten ontbreken
5.4. Uit paragraaf 3.5.6 van de Handleiding RWN, met het beleid voor artikel 7 van de RWN, zoals deze luidde ten tijde van het besluit, volgt dat een verzoeker verplicht is om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen. Dit moet hij doen met een gelegaliseerde of van een apostillestempel voorziene geboorteakte en met een geldig buitenlands paspoort. Uit de brief van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer van 7 juli 2021 volgt dat Ranov-vergunninghouders zoals [appellant] zijn vrijgesteld van dit documentvereiste. Afgezien van het documentvereiste blijven de overige naturalisatievereisten echter onverminderd gelden, waaronder de regel dat de staatssecretaris een verzoek afwijst wanneer hij twijfelt aan de gestelde identiteit en nationaliteit (Kamerstukken II, 2020/21, 19 637, nr. 2757, blz. 6 en 7). Het is in dat geval aan de verzoeker om deze twijfel weg te nemen, bijvoorbeeld door een paspoort of andere identificerende documenten over te leggen.
5.5. De staatssecretaris twijfelt niet alleen aan de identiteit van [appellant], maar ook aan haar nationaliteit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1268, onder 3, geeft een geboorteakte geen uitsluitsel over de nationaliteit van een persoon. De rechtbank is daarom terecht tot de conclusie gekomen dat de geboorteakte onvoldoende is om de twijfels van de staatssecretaris weg te nemen. De rechtbank heeft er ook terecht op gewezen dat [appellant] geen geldig paspoort heeft overgelegd. Dit maakt haar situatie anders dan de situaties die aan de orde waren in de door haar genoemde uitspraken van de Afdeling van 6 maart 2024 en 27 maart 2024. In die zaken hadden de betrokkenen namelijk zowel een geboorteakte als een paspoort overgelegd. De Afdeling oordeelde dat de betrokkenen met de door hen overgelegde stukken een begin van bewijs hadden geleverd dat zij in Sierra Leone in persoon een paspoort hadden aangevraagd en afgehaald. Het had daarom op de weg van de staatssecretaris gelegen om nader onderzoek te doen naar de bewijswaarde van de in die zaken overgelegde geboorteakten en paspoorten. In het geval van [appellant] is dit niet aan de orde. Aan de door [appellant] overgelegde nationaliteitsverklaring kan evenmin de door haar gewenste waarde worden toegekend. De staatssecretaris heeft er in zijn reactie van 11 december 2025 terecht op gewezen dat uit deze verklaring niet blijkt op basis van welke documenten de Sierra Leoonse ambassade deze heeft afgegeven. [appellant] heeft hierover geen duidelijkheid verschaft. De nationaliteitsverklaring biedt daarom onvoldoende tegengewicht aan de gerezen twijfels.
Bewijsnood
5.6. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de verzoeker die betoogt dat hij in bewijsnood verkeert, dit moet aantonen. Het gaat er hierbij om dat de verzoeker alles heeft gedaan wat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mogelijk is om in het bezit te komen van de gevraagde documenten. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2844, onder 6.1.
5.7. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] niet aan deze bewijslast heeft voldaan. [appellant] stelt dat zij met haar vreemdelingenpaspoort niet naar Sierra Leone kan reizen. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt echter dat de exceptieclausule in het vreemdelingenpaspoort voor het land van herkomst geen verbod inhoudt van de Nederlandse autoriteiten om naar dat land af te reizen. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1597, onder 6.3. [appellant] stelt weliswaar dat zij een vluchtelingenstatus heeft en dat zij om die reden niet naar Sierra Leone mag reizen, maar de staatssecretaris heeft er terecht op gewezen dat dit onjuist is. [appellant] was in de periode van 1 juni 2001 tot 1 juni 2004 in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar zij heeft niet opnieuw een asielvergunning gekregen. Dit had te maken met het aflopen van het categoriaal beschermingsbeleid voor Sierra Leone en de uitkomst van de taalanalyse. [appellant] is sinds 15 juni 2007 in het bezit van een Ranov-vergunning, zodat de staatssecretaris, gelet op de gerezen twijfels, in beginsel wel van haar mag verlangen dat zij identiteitsdocumenten overlegt en zo nodig daarvoor afreist naar Sierra Leone. De Afdeling is het ook met de rechtbank eens dat [appellant] niet heeft aangetoond dat zij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs mogelijk is om in het bezit te komen van de gevraagde documenten. Zo heeft zij geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij een poging heeft gedaan om af te reizen naar Sierra Leone voor de aanvraag van een paspoort. [appellant] heeft evenmin met stukken onderbouwd dat het voor haar onmogelijk is om naar Sierra Leone te reizen.
5.8. De Afdeling overweegt concluderend dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in het kader van de vaststelling van de identiteit geen bewijswaarde toekomt aan de geboorteakte. Dit kan echter niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, omdat er ook twijfels zijn gerezen over de nationaliteit van [appellant] en het aan haar is om die twijfels weg te nemen met bijvoorbeeld een geldig paspoort of andere identificerende documenten. [appellant] heeft hier niet aan voldaan en heeft ook niet aangetoond dat zij in bewijsnood verkeert.
5.9. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden waarop deze rust, gelet op wat zij onder 5.3 heeft overwogen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Overeem, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Overeem
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
899