202501906/1/A2.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Delft,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 februari 2025 in zaak nr. 24/977 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Delft.
Procesverloop
Bij besluit van 14 juli 2023 heeft het college [partij] een woningvormingsvergunning voor het pand aan de [locatie 1] in Delft (hierna: het pand) verleend.
Bij besluit van 18 december 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 18 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3083, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 januari 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. L van der Windt en mr. L. van Broekhoven, zijn verschenen. Verder is [partij], bijgestaan door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Rotterdam, als partij gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. Het college heeft aan [partij] - eigenaar van het pand - een woningvormingsvergunning verleend om het pand om te vormen van twee naar vier appartementen. [appellant], die aan de [locatie 2] woont, is het niet eens met de opdeling van het pand in appartementen en heeft daarom bezwaar gemaakt tegen het verlenen van de vergunning.
2. Aan het besluit van 18 december 2023 heeft het college ten grondslag gelegd dat [appellant] geen belanghebbende bij het besluit van 14 juli 2023 is, omdat hij op een afstand van meer dan 150 m van het pand woont.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft zich beperkt tot de vraag of het college het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij heeft onder meer het volgende overwogen.
4. Voor de beoordeling of [appellant] belanghebbende is bij het besluit van 14 juli 2023, heeft het college terecht aansluiting gezocht bij de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3175, waarin in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning criteria zijn benoemd aan de hand waarvan bepaald kan worden of iemand belanghebbende is. Bij het verlenen van een vergunning in het kader van huisvesting, zoals een woningvormingsvergunning, gaat het om een goede woon- en leefomgeving. Aan dat criterium wordt ook getoetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning. Het college heeft [appellant] terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant] geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bij het besluit van 14 juli 2023. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] geen persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij dit besluit, omdat hij op een afstand van ruim 150 m van het pand woont, hij vanuit zijn woning geen zicht op het pand heeft en verder niet is gebleken van gevolgen van enige betekenis voor zijn woon- of leefsituatie, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
5. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Een belang dat zich onvoldoende onderscheidt van de belangen van willekeurige anderen, is geen persoonlijk belang.
6. De gronden die [appellant] in hoger beroep aanvoert, zijn zo goed als een herhaling van de gronden die hij heeft aangevoerd in beroep. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.1 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat [appellant] ook anderszins geen persoonlijk belang heeft bij het besluit van 14 juli 2023. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn belang zich in voldoende mate onderscheidt van de belangen van willekeurige anderen.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
452-1112