202407252/1/A2.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 oktober 2024 in zaak nr. 24/2756 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond (SUWR).
Procesverloop
Bij besluit van 5 oktober 2023 heeft de SUWR een aanvraag van [appellante] voor een urgentieverklaring ingewilligd.
Bij besluit van 19 februari 2024 heeft de SUWR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De SUWR heeft een verweerschrift ingediend.
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (het college) heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 oktober 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. A. el Idrissi, advocaat in Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Inleiding
2. [appellante] woont aan de [locatie] D in Rotterdam. Zij heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring, omdat haar huidige woning niet langer voldoet vanwege haar medische problemen. Een arts van het team Sociaal Medische Advisering van de gemeente Rotterdam (de arts) heeft op verzoek van de SUWR advies uitgebracht over de situatie van [appellante]. De conclusie van de arts was dat [appellante] medische beperkingen in traplopen ondervindt en op zeer korte termijn (binnen drie maanden) zou moeten verhuizen.
Besluitvorming
3. De SUWR heeft bij besluit van 5 oktober 2023 de urgentieverklaring toegewezen op basis van 'medische noodzaak' met als zoekprofiel: gelijkvloerse flatwoning met lift met een maximale kale huurprijs van € 647,19. De urgentieregio is Hart van Rotterdam. Met het besluit van 19 februari 2024 heeft de SUWR haar besluit van 5 oktober 2023 gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft overwogen dat uit artikel 3.3, vierde lid, van bijlage I bij de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 (Verordening) volgt dat in het zoekprofiel het standaard woonruimtetype wordt gekozen. Een benedenwoning behoort niet tot de standaard woonruimtetypen. Bij bijzondere omstandigheden kan daarvan worden afgeweken. De arts heeft in zijn advies aangegeven dat een benedenwoning niet noodzakelijk is. De SUWR heeft zich volgens de rechtbank daarom op het standpunt kunnen stellen dat een medische noodzaak voor een benedenwoning niet is gebleken. De SUWR heeft bovendien, gelet op het inkomen van [appellante], kunnen komen tot het maximale huurbedrag van €
647,19. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt, omdat die clausule kan worden toegepast in de gevallen waarin strikte toepassing van de Verordening zou leiden tot weigering van de urgentieverklaring. Van weigering is in dit geval geen sprake.
De bevoegdheid van de SUWR
5. De bevoegdheid om te beslissen op een aanvraag om een urgentieverklaring en een verleende urgentieverklaring in te trekken is op grond van artikel 13, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 toegekend aan burgemeester en wethouders. Zij kunnen op grond van die bepaling aan een ander orgaan mandaat verlenen om namens hen die besluiten te nemen. In artikel 2.1 en 2.4 van de Bijlage I van de Verordening is echter aan de SUWR de bevoegdheid verleend om onder eigen verantwoordelijkheid te beslissen op een aanvraag om een urgentieverklaring en om een door haar verleende urgentieverklaring in te trekken. Een wettelijke grondslag voor deze delegatie van de bevoegdheid om te beslissen over urgentie ontbreekt. Artikel 2.1 en 2.4 van Bijlage I van de Verordening zijn daarom onverbindend wegens strijd met artikel 10:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De SUWR was dus niet bevoegd om de besluiten van 5 oktober 2023 en 19 februari 2024 te nemen. De rechtbank heeft dat niet onderkend.
6. Bij brief van 3 oktober 2025 heeft de SUWR een besluit van het college van 30 september 2025 overgelegd. Bij dat besluit heeft het college de besluiten van de SUWR van 5 oktober 2023 en 19 februari 2024 bekrachtigd.
7. Omdat uit het besluit van 30 september 2025 blijkt dat het college instemt met de besluiten van de SUWR, is het niet aannemelijk dat het college, als het nu opnieuw een besluit zou nemen, een besluit met een andere inhoud zou nemen. Het is daarom ook niet aannemelijk dat [appellante] door het bevoegdheidsgebrek is benadeeld. Gelet daarop ziet de Afdeling aanleiding om het bevoegdheidsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Het hoger beroep
8. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd over het zoekprofiel (een gelijkvloerse flatwoning met lift) en de hardheidsclausule zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in zoverre in de onder 6.2 en 7.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
9. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de SUWR in redelijkheid tot het maximale huurbedrag van € 647,19 heeft kunnen komen. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellante] nader toegelicht dat zij het zoekprofiel wil uitbreiden wat betreft de huurprijs, waarbij zij een beroep heeft gedaan op de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4175. In deze uitspraak heeft de Afdeling volgens [appellante] geoordeeld dat het opnemen van een maximumhuurprijs niet de bevoegdheid is van het bestuursorgaan, maar is voorbehouden aan de woningcorporatie.
9.1. Daargelaten of uit de uitspraak van 16 oktober 2024 volgt dat een bepaling in de Huisvestingsverordening die een grondslag biedt om een maximumhuurprijs aan een urgentieverklaring te verbinden in strijd is met hoger recht, overweegt de Afdeling dat het college op de zitting heeft aangegeven dat de SUWR in het besluit van 19 februari 2024 geen maximumhuurprijs heeft mogen opnemen. Reeds daarom slaagt het betoog.
Conclusie
10. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de SUWR in redelijkheid tot het maximale huurbedrag van € 647,19 heeft kunnen komen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellante] tegen het besluit op bezwaar van 19 februari 2024 gegrond verklaren en dat besluit, voor zover daarin een maximale huurprijs is gehandhaafd, vernietigen. De Afdeling ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Zij zal het besluit van 5 oktober 2023 herroepen voor zover in het zoekprofiel een maximale huurprijs is opgenomen.
11. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 oktober 2024 in zaak nr. 24/2756, voor zover daarin is geoordeeld dat de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond in redelijkheid tot het maximale huurbedrag van € 647,19 heeft kunnen komen;
III. verklaart het beroep van [appellante] gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 19 februari 2024, kenmerk 20232140, voor zover de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond in het zoekprofiel een maximale huurprijs heeft gehandhaafd;
V. herroept het besluit van 5 oktober 2023, kenmerk 20232140, voor zover de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond in het zoekprofiel een maximale huurprijs heeft opgenomen;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van de bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.068,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 466,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
284/705-1175
Bijlage - WETTELIJK KADER
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Artikel 10:15
Delegatie geschiedt slechts indien in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien.
Huisvestingswet 2014
Artikel 13
1. Burgemeester en wethouders beslissen over de indeling van woningzoekenden in de urgentiecategorieën, bedoeld in artikel 12, tweede lid. Burgemeester en wethouders kunnen van deze bevoegdheid mandaat verlenen.
(…)
Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020
Bijlage I: Urgentie- en herhuisvestingssysteem
Paragraaf 3. Inhoud van een urgentieverklaring
Artikel 3.3
1. In het zoekprofiel wordt het woonruimtetype opgenomen dat nodig is voor de oplossing van het huisvestingsprobleem.
2. Het woonruimtetype bevat in ieder geval de volgende elementen:
a. het slaapkamertal van de woonruimte
b. de typering van de woonruimte;
c. de huurprijs waarbij woonruimte passend wordt geacht voor het huishoudinkomen van aanvrager.
(…)
4. De typering van de woonruimte wordt dusdanig gekozen dat sprake is van een standaard woonruimtetype. Dit betekent: alle woonruimtetypen met uitzondering van eengezinswoningen en benedenwoningen. Hiervan kan door het bestuursorgaan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden daarvoor aanleiding zijn.
(…)