202302704/1/R1.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant] en andere, alle wonend dan wel gevestigd in Loosdrecht, gemeente Wijdemeren,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 maart 2023 in zaak nr. 22/4155 in het geding tussen:
[appellant] en andere
en
het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren.
Procesverloop
Bij besluit van 24 september 2021 heeft het college aan [partij A] een omgevingsvergunning verleend voor een periode van tien jaar voor het gebruik van een woonboot en de aanleg van een daarbij behorende drijvende steiger, golfbreker en twee parkeerplaatsen, ter hoogte van de [locatie] in Loosdrecht.
Bij besluit van 5 juli 2022 heeft het college het door [appellant] en andere daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 maart 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] en andere daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en andere hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en andere hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 december 2025, waar [appellant] en andere en het college, vertegenwoordigd door mr. M.E. van Velzen-de Boer en mr. M.P.K. Ahsmann, beiden advocaat te Utrecht, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [partij A] en [partij B] als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 13 november 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [partij A] is eigenaar van een woonboot. Die woonboot lag voorheen aan de Spinaker in Loosdrecht, maar moest daar weg vanwege ontwikkeling van dat gebied. In overleg met het college heeft [partij A] een aanvraag om omgevingsvergunning gedaan om de woonboot te mogen afmeren aan de Boegspriet in Loosdrecht, ter hoogte van [locatie], in afwijking van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Dorpscentrum Oud-Loosdrecht". Het gaat bij die aanvraag mede om het realiseren van een bijbehorende steiger, golfbreker en twee parkeerplaatsen.
3. [appellant] en andere wonen alle in de omgeving, of zijn daar gevestigd. Zij zijn tegen de komst van de woonboot, met name omdat die in hun uitzicht komt te liggen.
De uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van [appellant] en andere ongegrond is. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat de omgevingsvergunning uitvoerbaar is, dat het college [partij A] niet ongeoorloofd heeft bevoordeeld, dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom de omgevingsvergunning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat [appellant] en andere niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij door de verlening van de vergunning zodanig in hun belangen worden geschaad dat het college daarin aanleiding had moeten zien de vergunning te weigeren.
De gronden van het hoger beroep
5. [appellant] en andere hebben hun betoog over het belang van [partij A] bij de verlening van de omgevingsvergunning, op de zitting ingetrokken.
Uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning
6. [appellant] en andere betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de omgevingsvergunning niet uitvoerbaar is. Zij voeren hiertoe aan dat de koopovereenkomst voor het perceel met groenbestemming, waaraan de woonboot wordt afgemeerd, nietig is. Zij stellen, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1778, het Didam-arrest) dat de koop van deze grond een privaatrechtelijke overeenkomst is tussen de gemeente en [partij A], waarbij het gelijkheidsbeginsel niet in acht is genomen. Omdat de koop nietig is, kan de woonboot niet aan dat perceel worden afgemeerd, aldus [appellant] en andere.
6.1. Deze beroepsgrond kan niet tot vernietiging leiden gelet op het relativiteitsvereiste in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Afdeling laat dit betoog dan ook buiten beschouwing. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.
Het Didam-arrest bevestigt de rechtsnorm dat de overheid ook bij privaatrechtelijke rechtshandelingen is gebonden aan het gelijkheidsbeginsel en daarom gelijke kansen moet bieden. [appellant] en andere hebben niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat één of meerdere van hen reële interesse heeft getoond in de aankoop van het perceel waaraan de woonboot is afgemeerd. Dat betekent dat deze ongeschreven rechtsnorm kennelijk niet strekt tot bescherming van hun belangen. Het relativiteitsvereiste dat is neergelegd in artikel 8:69a van de Awb brengt met zich dat [appellant] en andere een schending van deze ongeschreven rechtsnorm daarom ook niet ten grondslag kunnen leggen aan hun betoog dat de omgevingsvergunning niet uitvoerbaar is.
Omgevingsvergunning voor bouwen
7. [appellant] en andere betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat de woonboot voor de nieuwe locatie een omgevingsvergunning voor bouwen nodig heeft, maar die niet heeft gekregen en op grond van de aanvraag niet kan krijgen. [appellant] en andere stellen in dit verband dat de woonboot op de oude plek wellicht onder de overgangsregeling van 8.2a, tweede lid, van de Wabo viel, maar dat die regeling niet doorloopt op een nieuwe locatie. Daarom is volgens hen een omgevingsvergunning voor bouwen van een woning nodig. Die wordt in de aanvraag ook genoemd, maar niet in de omgevingsvergunning, zodat die impliciet geacht moet worden te zijn geweigerd, aldus [appellant] en andere. Een omgevingsvergunning voor bouwen van een woning kan volgens [appellant] en andere ook niet worden verleend op grond van de aanvraag, omdat daarin niet duidelijk is met welke zijde de woonboot aan de wal komt te liggen. [appellant] en andere wijzen erop dat de woonboot aan de ene zijde veel meer ramen heeft dan aan de andere, zodat de richting van de boot relevant is voor de ruimtelijke uitstraling daarvan.
7.1. De Afdeling stelt vast dat de aanvraag mede ziet op het bouwen van een woning (de woonboot), maar dat de omgevingsvergunning hier niet voor is verleend. In het besluit van 24 september 2021 staat dat op grond van artikel 8.2a van de Wabo geen omgevingsvergunning is vereist voor het bouwen van bestaande woonboten, die in het verleden niet aan het Bouwbesluit hoefden te voldoen. Dat is echter alleen het geval voor zover die woonboten op dezelfde locatie blijven liggen of na kortdurend verblijf elders, zoals een werf ter reparatie, weer op die oude locatie worden teruggelegd. Voor woonboten die daadwerkelijk worden verplaatst, zoals deze woonboot die van de Spinaker naar de Boegspriet is gegaan, is wel (opnieuw) een omgevingsvergunning voor bouwen vereist (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:822, onder 4.5). De rechtbank heeft dat niet onderkend.
Het betoog slaagt.
Goede ruimtelijke ordening
8. [appellant] en andere betogen ook dat de rechtbank heeft miskend dat de omgevingsvergunning voor het gebruik van de woonboot niet had mogen worden verleend, wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening.
Zij voeren hiertoe ten eerste aan dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zij stellen dat het college geen stedenbouwkundige toets ten grondslag heeft gelegd aan de verlening van de omgevingsvergunning, maar alleen heeft verwezen naar de bestemmingen die rondom de locatie aan de Boegspriet liggen. Die bestemmingen sluiten het gebruik voor woonboten expliciet uit, aldus [appellant] en andere, zodat de aanwezigheid van die bestemmingen niet kan worden gebruikt als argument om de aanwezigheid van een woonboot te rechtvaardigen. Verder is ook het gemeentelijk ruimtelijk beleid, zoals neergelegd in de Nota Woonschepen 2009, volgens [appellant] en andere erop gericht om het aantal woonboten te verminderen, of in elk geval de ligplaatsen te beperken tot jachthavens. Dat betekent dat afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de woonboot in dit geval onwenselijk is en daarom in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, aldus [appellant] en andere.
Ten tweede menen [appellant] en andere dat zij onevenredig in hun belangen worden geschaad. Zij stellen in dit kader dat de woonboot in hun zicht is komen te liggen. Bovendien vrezen zij voor inkijk vanaf de woonboot als die ooit 180 graden zou draaien.
8.1. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
8.2. De rechtbank is onder overweging 24 en 25 van haar uitspraak gemotiveerd ingegaan op het betoog over de goede ruimtelijke ordening van de verleende omgevingsvergunning. De rechtbank heeft daarbij uiteengezet welke motivering het college heeft gegeven voor zijn beoordeling en zij heeft geoordeeld dat die motivering voldoende is. De Afdeling ziet geen aanleiding daar anders over te oordelen. De rechtbank is verder onder overweging 27 en 28 uitgebreid ingegaan op de inhoudelijke bezwaren van [appellant] en andere over hun uitzicht en privacy en is tot de conclusie gekomen dat het college de belangen van [partij A] zwaarder heeft kunnen laten wegen dan die van [appellant] en andere. De Afdeling ziet in wat [appellant] en andere nu hebben aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank al heeft gedaan.
Het betoog slaagt niet.
Alternatieve locaties
9. [appellant] en andere betogen tot slot dat de rechtbank heeft miskend dat er verschillende alternatieve locaties zijn waar de woonboot kan worden afgemeerd. Het college heeft volgens hen enkel de voorkeur gegeven aan de locatie aan de Boegspriet, omdat [partij A] daar de voorkeur voor heeft uit financieel oogpunt.
9.1. Het college moet beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project waarvoor vergunning is aangevraagd. Als dat project op zichzelf aanvaardbaar is, dan kan het college in beginsel niet vanwege alternatieven voor dat project weigeren daaraan mee te werken. Het college kan dat alleen weigeren als op voorhand duidelijk is dat met één of meer alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.
9.2. De rechtbank heeft gemotiveerd uiteengezet dat [appellant] en andere er niet in zijn geslaagd om alternatieven aan te dragen waarvan op voorhand duidelijk is dat daarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De Afdeling verwijst kortheidshalve naar overweging 34 van de aangevallen uitspraak. Zij kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank hierover.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
10. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 5 juli 2022 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Dat betekent dat het college opnieuw en met inachtneming van deze uitspraak op het bezwaar van [appellant] en andere moet beslissen.
11. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.
12. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 maart 2023 in zaak nr. 22/4155;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren van 5 juli 2022 met kenmerk Z.68824/D.370523;
V. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren tot vergoeding van bij [appellant], [appellant A], [appellant B], [appellant C], Vereniging van Eigenaren Splitsing Gebouw C5 en Vereniging van Eigenaren Jachthaven Het Kompas in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;
VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren aan [appellant], [appellant A], [appellant B], [appellant C], Vereniging van Eigenaren Splitsing Gebouw C5 en Vereniging van Eigenaren Jachthaven Het Kompas het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 548,00 vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.C. Hoekstra, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hoekstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
776-860