202404555/1/R3.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Hazerswoude-Dorp, gemeente Alphen aan den Rijn,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 juni 2024 in zaak nr. 23/126 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.
Procesverloop
Bij besluit van 28 juni 2022 heeft het college aan [appellant] een last onder bestuursdwang opgelegd om de overtredingen op de percelen naast [locatie] in Hazerswoude-Dorp te beëindigen en beëindigd te houden.
Bij besluit van 23 november 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 4 juli 2025 heeft het college de kosten voor toepassing van bestuursdwang gesteld op € 28.497,60 en deze kosten bij [appellant] in rekening gebracht.
[appellant] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 4 juli 2025.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 januari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. S. van der Eijk, en het college, via een videoverbinding vertegenwoordigd door R. Klerks en M. van der Houwen, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden en vóór dat tijdstip een last onder bestuursdwang is opgelegd voor die overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder bestuursdwang het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd en de kosten zijn verhaald, of de last is opgeheven.
Bij besluit van 28 juni 2022 heeft het college aan [appellant] een last onder bestuursdwang opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
1. [appellant] is eigenaar van percelen naast het adres [locatie], Hazerswoude-Dorp. Hij woont daar in een tot woning verbouwde boogkas. Op de percelen staat ook een zeecontainer en zijn bedrijfsmaterialen voor een stratenmakersbedrijf opgeslagen. Omdat er geen omgevingsvergunning voor het verbouwen van de boogkas is verleend en het gebruik van de percelen plaatsvindt in strijd met de beheersverordening "Buitengebied Rijnwoude 2015" heeft het college bij besluit van 28 juni 2022 een last onder bestuursdwang opgelegd tot het beëindigen van het strijdige gebruik en het verwijderen van de woonruimte, de zeecontainer en de opgeslagen bedrijfsmaterialen. Daarbij heeft het college bepaald dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang op [appellant] zullen worden verhaald. [appellant] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en daarna beroep ingesteld tegen het besluit van 23 november 2022 waarin het bezwaar ongegrond is verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat is gebouwd zonder de vereiste vergunning en dat het perceel in strijd met de beheersverordening wordt gebruikt. Ook is niet in geschil dat concreet zich op legalisering ontbreekt. De rechtbank heeft geoordeeld dat het handhavend optreden niet onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. De overtredingen kunnen niet als gering worden aangemerkt en dat volgens [appellant] derden geen last hebben van het gebruik dat hij van de percelen maakt, is niet bepalend voor de ernst van de overtredingen. Het college heeft rekening gehouden met de ingrijpende gevolgen van het moeten verlaten van de woning door bij een woningbouwvereniging te bemiddelen. Naar aanleiding daarvan is aan [appellant] woonruimte aangeboden, maar die heeft hij afgewezen omdat hij alleen in de woning op de percelen wil wonen. Het college heeft ook onderzocht of het woongebruik gelegaliseerd kan worden, maar dat is niet mogelijk gebleken. Over het betoog van [appellant] dat het gedogen van zijn woonsituatie geen precedent zal scheppen, heeft de rechtbank overwogen dat handhaving van wettelijke regels een zwaarwegend algemeen belang is. Ook is het tijdsverloop naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheid die hier aan handhavend optreden in de weg staat. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het college al eerder een last onder dwangsom wegens deze overtredingen heeft opgelegd.
Bespreking hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet tot het oordeel is gekomen dat het evenredigheidsbeginsel, gelet op alle omstandigheden, aan het handhaven van het bestreden besluit in de weg staat. Wat hij daartoe aanvoert is zo goed als een herhaling van wat [appellant] in beroep heeft aangevoerd. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5.4 tot en met 5.6 opgenomen overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
De kostenverhaalsbeschikking
4. Op 20 en 21 maart 2025 is het college tot toepassing van bestuursdwang overgegaan omdat [appellant] geen gehoor heeft gegeven aan de last. Vervolgens heeft het college op 4 juli 2025 aan [appellant] een kostenverhaalsbeschikking gestuurd waarmee het de kosten van bestuursdwang bij [appellant] in rekening brengt. Op grond van artikel 5:31c, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het hoger beroep tegen de last onder bestuursdwang mede betrekking op een beschikking die strekt tot vaststelling van de kosten van bestuursdwang voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. [appellant] heeft aangegeven zich niet met de kostenverhaalsbeschikking te kunnen verenigen.
5. [appellant] betoogt dat hij nagenoeg alles al is kwijtgeraakt als gevolg van de besluitvorming van het college. Hij stelt dat het college met dit besluit onvoldoende oog heeft gehad voor de impact van het bestreden besluit op zijn leven en daarmee voor de menselijke maat. Verder stelt hij dat het college voor de toepassing van bestuursdwang niet zorgvuldig heeft gehandeld door niet meerdere offertes te vragen voor de uitvoering van de werkzaamheden die de toepassing van de bestuursdwang behelst. Ook stelt hij dat het niet nodig was om de hele huisraad op te slaan, want die had gewoon aan hem kunnen worden teruggegeven. En het college had het sloopmateriaal ook op het perceel kunnen opslaan. Ten slotte stelt [appellant] dat de personeelskosten die in de kostenverhaalsbeschikking zijn opgenomen erg hoog zijn en gematigd hadden moeten worden.
6. Het college stelt dat het verschillende bedrijven heeft gevraagd om op basis van een luchtfoto en een filmpje een offerte uit te brengen voor het ontruimen van het perceel. De bedrijven die het daarvoor heeft benaderd, gaven aan zo niet te kunnen offreren omdat de opbouw van de constructie van de boogkas onduidelijk was en niet bekend was wat de aard van de materialen (mogelijk ook asbest) was die zouden moeten worden verwijderd. Het college heeft er daarop voor gekozen om het dichtstbijzijnde bedrijf de opdracht te geven, maar dat bedrijf trok zich twee weken voor de datum van de tenuitvoerlegging terug waardoor het college op het laatste moment een ander bedrijf moest zoeken. In verband met mogelijke discussies die zouden kunnen ontstaan over de wijze waarop de bestuursdwang is toegepast, heeft het college de feitelijke werkzaamheden uitvoerig in een proces-verbaal gedocumenteerd. In de kostenverhaalsbeschikking zijn 102 ambtelijke uren tegen een tarief van € 51,84 opgenomen. Het college heeft [appellant] na de toepassing van bestuursdwang ter voorkoming van het verder oplopen van de kosten gevraagd afstand te doen van de goederen. Omdat [appellant] daarop niet heeft gereageerd, achtte het college zich gehouden om alle goederen veilig te stellen.
7. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen grond om te oordelen dat het college de in de kostenverhaalsbeschikking opgenomen posten niet in deze omvang bij [appellant] in rekening heeft kunnen brengen. De enkele stelling van [appellant] dat de kosten voor het ontruimen van het perceel te hoog waren omdat niet bij verschillende bedrijven om een offerte is gevraagd, is, mede in het licht van wat het college daarover heeft toegelicht, onvoldoende. [appellant] heeft het aantal ambtelijke uren en het gehanteerde tarief als zodanig niet bestreden. De enkele stelling dat de kosten volgens [appellant] erg hoog zijn, vormt gelet op de omvang van de operatie geen grond om het kostenverhaal onrechtmatig te achten. Ook is het college gelet op artikel 5:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht terecht overgegaan tot het opslaan van de meegevoerde materialen die in het kader van de bestuursdwang van het terrein zijn verwijderd waardoor daarvoor ook kosten zijn gemaakt die het college op [appellant] mocht verhalen.
Het betoog slaagt niet.
8. [appellant] stelt dat het college onvoldoende oog heeft gehad voor de impact van het bestreden besluit op zijn leven. Vaste rechtspraak van de Afdeling is dat de uitoefening van bestuursdwang in de regel gepaard gaat met verhaal van de kosten daarvan. De stelling dat het kostenverhaal ingrijpend is en dat de kosten in de moeilijke situatie van [appellant] moeten drukken op de algemene middelen, is op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat het college niet tot kostenverhaal had mogen overgaan. Het college heeft op de zitting toegelicht dat de schuld van [appellant] met een betalingsregeling wordt geïncasseerd. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:437 heeft overwogen, hoeft het bestuursorgaan bij een besluit omtrent kostenverhaal in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan namelijk meestal pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie om hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat alleen aanleiding, als evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de te verhalen kosten van bestuursdwang (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daarvoor zulke informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verhaalde kosten zou hebben. Nu [appellant] zijn betoog over zijn financiële situatie niet met stukken heeft onderbouwd, is deze uitzondering hier niet aan de orde.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep tegen de kostenverhaalsbeschikking is ongegrond.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het beroep tegen de kostenverhaalsbeschikking van 4 juli 2025 ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van J.M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Jurgens
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026