Raad van State, hoger beroep bestuursrecht overig

ECLI:NL:RVS:2026:1751

Op 25 March 2026 heeft de Raad van State een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 202207121/1/V6, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RVS:2026:1751.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
202207121/1/V6
Datum uitspraak:
25 March 2026
Datum publicatie:
25 March 2026

Indicatie

Bij besluit van 3 januari 2020 (het overschrijdingsbesluit) heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellant] een boete opgelegd van € 500,00 wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht en bepaald dat hij de lening voor het volgen van een inburgeringscursus moet terugbetalen. Bij brief van 20 mei 2016 heeft de minister [appellant] meegedeeld dat hij inburgeringsplichtig is en dat zijn inburgeringstermijn start op 4 maart 2016. [appellant] had tot en met 15 september 2019 de tijd om te voldoen aan zijn inburgeringsplicht. In het overschrijdingsbesluit heeft de minister [appellant] meegedeeld dat hij niet op tijd is ingeburgerd en hij daarom een boete krijgt van € 500,00. De minister heeft daarnaast bepaald dat hij de lening die [appellant] bij de Dienst Uitvoering Onderwijs heeft afgesloten niet zal kwijtschelden en [appellant] het geleende geld dus zal moeten terugbetalen. In het terugbetalingsbesluit heeft de minister [appellant] vervolgens meegedeeld dat zijn schuld € 6.590,00 bedraagt en hij maandelijks € 54,92 moet betalen.

Uitspraak

202207121/1/V6.

Datum uitspraak: 25 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 november 2022 in zaak nr. 21/4516 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Werk en Participatie (de minister).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2020 (het overschrijdingsbesluit) heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellant] een boete opgelegd van € 500,00 wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht en bepaald dat hij de lening voor het volgen van een inburgeringscursus moet terugbetalen.

Bij besluit van 19 november 2020 (het terugbetalingsbesluit) heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bepaald dat [appellant] vanaf 1 mei 2021 moet beginnen met het terugbetalen van de lening voor het volgen van een inburgeringscursus. De schuld bedraagt € 6.590,00 en hij moet maandelijks € 54,92 betalen.

Bij besluit van 9 juni 2021 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het door [appellant] tegen het overschrijdingsbesluit gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft hij het tegen het terugbetalingsbesluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 november 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 oktober 2023, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Naber, zijn verschenen.

Na de sluiting van het onderzoek op de zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en de zaak aangehouden.

[appellant] en de minister hebben nadere stukken ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de Afdeling een nadere zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.       Bij brief van 20 mei 2016 heeft de minister [appellant] meegedeeld dat hij inburgeringsplichtig is en dat zijn inburgeringstermijn start op 4 maart 2016. [appellant] had tot en met 15 september 2019 de tijd om te voldoen aan zijn inburgeringsplicht. In het overschrijdingsbesluit heeft de minister [appellant] meegedeeld dat hij niet op tijd is ingeburgerd en hij daarom een boete krijgt van € 500,00. De minister heeft daarnaast bepaald dat hij de lening die [appellant] bij de Dienst Uitvoering Onderwijs heeft afgesloten niet zal kwijtschelden en [appellant] het geleende geld dus zal moeten terugbetalen. In het terugbetalingsbesluit heeft de minister [appellant] vervolgens meegedeeld dat zijn schuld € 6.590,00 bedraagt en hij maandelijks € 54,92 moet betalen.

2.       Het hoger beroep is door de Afdeling op 19 oktober 2023 op een zitting behandeld. De Afdeling heeft na het sluiten van dit onderzoek op zitting, het onderzoek heropend en de verdere behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van de beantwoording door het Hof van Justitie van de prejudiciële vragen die de Afdeling op 15 maart 2023 in een andere zaak (ECLI:NL:RVS:2023:975) heeft gesteld. Het Hof heeft deze vragen in het arrest van 4 februari 2025, Keren, ECLI:EU:C:2025:52, beantwoord.

3.       Op dit geding is de Wet inburgering (Wi) van toepassing zoals die wet luidde tot 1 januari 2022.

Overschrijdingsbesluit

4.       De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] niet tijdig een rechtsmiddel heeft aangewend tegen het overschrijdingsbesluit en dat dit besluit daardoor in rechte is vast komen te staan. [appellant] is in hoger beroep niet opgekomen tegen dit oordeel van de rechtbank, zoals ook op de zitting bij de Afdeling naar voren is gekomen. Dit betekent dat het overschrijdingsbesluit buiten de omvang van dit geding valt en de Afdeling hier verder niet op in zal gaan. De boete die de minister aan [appellant] heeft opgelegd, staat daarmee in rechte vast. In zijn nadere stuk van 23 juli 2025 doet [appellant] een beroep op het arrest van het Hof van 13 januari 2004, Kühne & Heitz, ECLI:EU:C:2004:17, en de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3087. De Afdeling overweegt dat [appellant] een eventueel verzoek om herziening van het overschrijdingsbesluit aan de minister kan richten.

Terugbetalingsbesluit

5.       [appellant] heeft op 30 november 2020 bezwaar gemaakt tegen het terugbetalingsbesluit. De minister heeft dit bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de minister het bezwaar tegen dit besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen.

5.1.    De Afdeling stelt vast dat het oordeel van de rechtbank over het terugbetalingsbesluit berust op een vergissing. De minister heeft het bezwaar tegen het terugbetalingsbesluit namelijk ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat de minister het bezwaar tegen dit besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Omdat de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd op deze vergissing, komt de uitspraak van de rechtbank alleen al hierom voor vernietiging in aanmerking.

5.2.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover het gaat over het terugbetalingsbesluit. Het is niet nodig wat [appellant] verder heeft aangevoerd te bespreken. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

Terugbetalingsbesluit in beroep

6.       [appellant] heeft in beroep aangevoerd dat de minister ten onrechte heeft bepaald dat hij de lening volledig moet terugbetalen. Hij is het niet eens met de termijn waarbinnen hij de lening moet terugbetalen en het bedrag dat hij moet betalen.

6.1.    In artikel 16, vierde lid, van de Wi is geregeld dat inburgeringsplichtigen de lening die zij hebben afgesloten, moeten terugbetalen. De Afdeling stelt ambtshalve vast dat dat artikel onverbindend is. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3087, onder 10.5. Zoals in die uitspraak is overwogen, volgt uit het arrest Keren dat het Nederlandse systeem waarbij asielstatushouders al dan niet via een lening zelf de volledige kosten van inburgeringscursussen en -examens dragen, in strijd is met artikel 34 van de Kwalificatierichtlijn.

6.2.    Omdat artikel 16, vierde lid, van de Wi onverbindend is, is de grondslag van de terugbetalingsverplichting van de lening komen te vervallen. De minister heeft het terugbetalingsbesluit in strijd met artikel 34 van de Kwalificatierichtlijn genomen en heeft het bezwaar tegen dit besluit ten onrechte ongegrond verklaard.

6.3.    De beroepsgrond slaagt.

Conclusie

7.       Het beroep is gegrond. Het gedeelte van het besluit van 9 juni 2021 dat gaat over het terugbetalingsbesluit wordt vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door het terugbetalingsbesluit te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 9 juni 2021.

8.       Deze uitspraak gaat niet over het overschrijdingsbesluit, zodat dit blijft bestaan. Deze uitspraak betekent verder dat het terugbetalingsbesluit vervalt. Zoals uit de uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2401, onder 4.2, volgt, ontstaat pas na een terugbetalingsbesluit waarin de minister heeft vastgesteld hoe hoog de uiteindelijke schuld precies is en de termijn waarbinnen de betaling daarvan moet plaatsvinden, de verplichting om de schuld terug te betalen. Voor [appellant] betekent dit concreet dat er geen verplichting voor hem bestaat om de lening terug te betalen.

9.       De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 november 2022 in zaak nr. 21/4516;

III.      verklaart het beroep gegrond, voor zover het gaat over het terugbetalingsbesluit;

IV.      verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V.       vernietigt het besluit van 9 juni 2021, I-NO062/004456178, voor zover de minister het bezwaar tegen het besluit van 19 november 2020 ongegrond heeft verklaard;

VI.      herroept het besluit van 19 november 2020, LV18/309048606;

VII.     bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 9 juni 2021;

VIII.    veroordeelt de minister van Werk en Participatie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;

IX.      gelast dat de minister van Werk en Participatie aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 185,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D.J.D. van der Heijden, griffier.

w.g. Lange

voorzitter

w.g. Van der Heijden

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026

954-887