Raad van State, hoger beroep bestuursrecht overig

ECLI:NL:RVS:2026:2577

Op 6 May 2026 heeft de Raad van State een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 202402602/1/R2, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RVS:2026:2577.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
202402602/1/R2
Datum uitspraak:
6 May 2026
Datum publicatie:
6 May 2026

Indicatie

Bij besluit van 26 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk de door [appellanten] aangevraagde omgevingsvergunning voor de legalisering van de Bed & Breakfast (B&B) in de woning aan de [locatie] in Cuijk geweigerd. [appellanten] zijn eigenaar van de woning aan de [locatie] in Cuijk en exploiteren een B&B in de woning. Op dat perceel is op grond van het bestemmingsplan het huisvesten van één huishouden toegestaan. [appellanten] hebben een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor de legalisering van de B&B voor vier personen in de woning op het perceel met uitbreiding van één parkeerplaats in afwijking van het geldende bestemmingsplan. Het college is van oordeel dat de aangevraagde B&B in de woning op het perceel vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk is vanwege het gebruik van de buitenfaciliteiten en het gebrek aan voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. [appellanten] zijn het niet eens met de geweigerde omgevingsvergunning en hebben beroep ingesteld bij de rechtbank.

Uitspraak

202402602/1/R2.

Datum uitspraak: 6 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Cuijk, gemeente Land van Cuijk,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­Brabant van 11 maart 2024 in zaak nr. 23/1880 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk.

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2023 heeft het college de door [appellanten] aangevraagde omgevingsvergunning voor de legalisering van de Bed & Breakfast (B&B) in de woning aan de [locatie] in Cuijk geweigerd.

Bij besluit van 19 juni 2023 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten] en het college hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 maart 2026, waar [appellanten], bijgestaan door mr. N.M.C.H. Crooijmans, advocaat in Helmond, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.A.A. Lucas-Jasperse, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingsrecht

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 26 oktober 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

2.       De relevante beleidsregels zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

3.       [appellanten] zijn eigenaar van de woning aan de [locatie] in Cuijk en exploiteren een B&B in de woning. Op dat perceel is op grond van het bestemmingsplan het huisvesten van één huishouden toegestaan. [appellanten] hebben een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor de legalisering van de B&B voor vier personen in de woning op het perceel met uitbreiding van één parkeerplaats in afwijking van het geldende bestemmingsplan.

Met het besluit van 26 januari 2023 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Het college is van oordeel dat de aangevraagde B&B in de woning op het perceel vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk is vanwege het gebruik van de buitenfaciliteiten en het gebrek aan voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. [appellanten] zijn het niet eens met de geweigerde omgevingsvergunning en hebben beroep ingesteld bij de rechtbank.

De uitspraak van de rechtbank

4.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de aanvraag om een omgevingsvergunning heeft mogen weigeren. Daarover heeft de rechtbank overwogen dat het college met het oog op een goede ruimtelijke ordening, zoals in artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo is vereist, voorwaarden mag stellen aan een mogelijke vergunningverlening. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het door gasten laten gebruiken van de buitenfaciliteiten, zoals een barbecue, een zwembad en/of jacuzzi, op het perceel van de B&B leidt tot een intensiever gebruik van het perceel met een grotere ruimtelijke impact voor de omgeving. Daarom heeft het college de voorwaarde mogen stellen dat de B&B enkel voorziet in logies en ontbijt. Volgens de rechtbank voldoet de aanvraag niet aan deze voorwaarde waardoor het college de aanvraag terecht heeft geweigerd en behoeft de vraag of is voldaan aan de voorwaarde dat op eigen terrein moet worden geparkeerd conform de Parkeernota geen verdere bespreking.

Hoger beroep

Ingetrokken beroepsgrond

5.       Op de zitting hebben [appellanten] hun beroepsgrond over het onbesproken laten van het onderdeel parkeren door de rechtbank en de onvolledige heroverweging van dat onderdeel in bezwaar, ingetrokken. De twee resterende beroepsgronden gaan over het gebruik van de buitenfaciliteiten en over parkeren.

Buitenfaciliteiten

6.       [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de voorwaarde heeft mogen stellen dat de B&B enkel voorziet in logies en ontbijt en dat de buitenfaciliteiten daarom niet mogen worden gebruikt door de gasten van de B&B. Daarover voeren [appellanten] aan dat het college deze voorwaarde heeft gesteld vanwege de overlastmeldingen tijdens privégebruik van de buitenfaciliteiten in het verleden, terwijl dat los staat van het gebruik door de gasten van de B&B. Volgens [appellanten] ziet de vergunningaanvraag slechts op een B&B voor vier personen en staat het gebruik van de buitenfaciliteiten door de gasten van de B&B in geen verhouding tot het privégebruik daarvan, omdat [appellanten] en hun zes kinderen regelmatig sociale samenkomsten organiseren in de tuin bij hun woning. Het additionele gebruik van de buitenfaciliteiten door de gasten van de B&B leidt volgens [appellanten] daarom niet tot een grotere ruimtelijke impact op de omgeving.

6.1.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de voorwaarde heeft mogen stellen dat de buitenfaciliteiten, zoals een barbecue, een zwembad en/of jacuzzi, sauna, picknicktafel en loungehoek met gashaard, niet mogen worden gebruikt door gasten van de B&B vanwege de ruimtelijke uitstraling op de omgeving en dat het college mede daarom de vergunning heeft mogen weigeren. 

De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht tot dit oordeel is gekomen. Daarbij heeft de rechtbank onder 6.2 terecht overwogen dat het college, bij de beslissing om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. De rechtbank heeft, gelet op deze beleidsruimte, terecht geoordeeld dat volgens het college de ruimtelijke uitstraling van het gebruik van de buitenfaciliteiten gelet op de woonomgeving en de omvang van het perceel te groot is en dat het college in deze omgeving alleen een B&B met logies en ontbijt ruimtelijk wenselijk vindt.

6.2.    Anders dan [appellanten] veronderstellen, zijn de overlastmeldingen, of deze nu zagen op het privégebruik of het gebruik door gasten van de B&B, voor het college niet doorslaggevend geweest voor het hanteren van de voorwaarde in dit geval. Het college heeft op de zitting toegelicht dat de overlastmeldingen alleen het standpunt van het college, dat de extra ruimtelijke uitstraling van de B&B te groot is voor de omgeving, hebben bevestigd.

6.3.    Het bovenstaande betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college de voorwaarde heeft mogen stellen dat de B&B enkel voorziet in logies en ontbijt en dat de aanvraag daar niet aan voldoet, waardoor het college de omgevingsvergunning heeft mogen afwijzen.

Het betoog slaagt niet.

7.       Gelet op het bovenstaande oordeel van de Afdeling dient de uitspraak van de rechtbank te worden bevestigd, omdat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren vanwege de gestelde voorwaarde dat de buitenfaciliteiten niet mogen worden gebruikt. [appellanten] hebben op de zitting aan de Afdeling verzocht om in het kader van finale geschilbeslechting ook in te gaan op hun hoger beroepsgrond over de vraag of de aanvraag voldoet aan de Parkeernota. De Afdeling zal deze hoger beroepsgrond hieronder inhoudelijk behandelen.

Parkeren

8.       [appellanten] betogen dat de vergunningaanvraag voldoet aan de voorwaarde dat op eigen terrein moet worden geparkeerd conform de "Nota Parkeernomen auto en fiets Gemeente Cuijk" (de Parkeernota) door het realiseren van een extra parkeerplaats bij de buren. Daarvoor voeren [appellanten] aan dat het terrein van de buren privéterrein is en moet worden aangemerkt als eigen terrein. Als het begrip ‘eigen terrein’ niet is gedefinieerd in de Parkeernota, kan het begrip volgens de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2401) namelijk ook betekenen dat grond van een derde in gebruik wordt genomen als parkeerplaats. Volgens [appellanten] wordt de parkeerbehoefte op deze manier niet afgewenteld op de openbare ruimte, wat de kern is van deze gestelde voorwaarde door het college. [appellanten] voeren verder aan dat, als het privéterrein niet kan worden aangemerkt als eigen terrein, parkeren op eigen terrein niet mogelijk is vanwege kapitaalvernietiging van de voortuin. Dan kan volgens de Parkeernota naar alternatieven gekeken worden, zoals de parkeerplek bij de buren. Ook dan is volgens [appellanten] voldaan aan de Parkeernota.

8.1.    De Afdeling overweegt dat in paragraaf 4.2.2 van de Parkeernota is opgenomen dat de aanvrager van een omgevingsvergunning moet aantonen dat er voldoende inzet is geleverd om de benodigde parkeerplaatsen te realiseren en dat die op eigen terrein niet te realiseren zijn, voordat de aanvrager op zoek mag naar alternatieve openbare parkeerruimte. Het college acht het parkeren op het terrein van een derde niet gelijk aan het parkeren op eigen terrein, omdat het eigen terrein het terrein is waar de ontwikkeling wordt voorzien. Het college verleent geen medewerking aan een alternatieve parkeerruimte, omdat [appellanten] zich niet voldoende hebben ingezet om een vierde parkeerplaats op eigen terrein te realiseren. De enkele stelling van [appellanten] dat een vierde parkeerplaats in de voortuin onwenselijk is omdat de voortuin recentelijk is gerenoveerd, is hiertoe onvoldoende volgens het college. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de eis in de Parkeernota dat voldoende inzet moet zijn geleverd om de parkeerbehoefte op eigen terrein te realiseren. De verwijzing van [appellanten] naar de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2023, waarin op het terrein van een derde geparkeerd kan worden als zijnde ‘eigen terrein’, doet hier niet aan af, omdat in bovenstaande uitspraak het betreffende bevoegd gezag onder de definitie van eigen terrein wel het terrein van een derde verstond. In dit geval valt onder ‘eigen terrein’ zoals bedoeld in de Parkeernota niet het terrein van een derde. Dit blijkt uit het feit dat onder 4.2 van de Parkeernota is aangegeven dat er een inspanningsverplichting is om de parkeervraag in de planontwikkeling op eigen terrein op te lossen en pas daarna de mogelijkheid bestaat om voor alternatieve parkeerlocaties te kiezen die niet op eigen terrein zijn gelegen. Indien ook dat niet mogelijk is, kan de parkeervraag worden opgevangen door het gebruik van gemeentelijke openbare parkeerplaatsen.

Gelet op het feit dat onvoldoende inzet is geleverd om de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren, behoeft de hoger beroepsgrond over alternatieve parkeerruimte geen bespreking.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

9.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

10.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Pistoor, griffier.

w.g. Kaajan

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Pistoor

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026

932-1186

 

BIJLAGE

 

Nota Parkeernormen auto en fiets Gemeente Cuijk

4.2 Procedure

De parkeerbehoefte als gevolg van nieuwe ontwikkelingen komt tot stand via aantal stappen:

1. Bepalen van de parkeerbehoefte voor auto’s en/of fietsen.

2. Inspanningsverplichting van de ontwikkelaar/initiatiefnemer: de parkeervraag dient in de planontwikkeling op eigen terrein te worden opgelost.

3. Ontheffing en afkoopregeling:

a. Alternatieven: inzet van alternatieve parkeerlocaties als aantoonbaar niet in de parkeerbehoefte op eigen terrein is te voorzien.

b. Gebruik van openbare parkeerplaatsen: het opvangen van de parkeerbehoefte door het gebruik van gemeentelijke, openbare parkeerplaatsen via de afkoopregeling

c. Ontheffing op basis van belangenafweging

4.2.2 Inspanningsverplichting en afkoopregeling

Inspanningsverplichting

(…)

De aanvrager van een omgevingsvergunning moet aantonen dat er voldoende inzet geleverd is om benodigde plaatsen te realiseren en dat die op eigen terrein niet te realiseren zijn. Pas dan kan de aanvrager op zoek naar alternatieve openbare parkeerruimte. Daarbij mag de alternatieve parkeervoorziening niet in gebruik zijn voor een andere ontwikkeling en gelden de loopafstanden tot de ontwikkeling (§2.5.3). Dit alternatief kan alleen als er voldoende parkeerruimte is. Als grens geldt een bezetting van 85% in 2023.