Raad van State, hoger beroep bestuursrecht overig

ECLI:NL:RVS:2026:2727

Op 13 May 2026 heeft de Raad van State een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 202404801/1/A3, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RVS:2026:2727.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
202404801/1/A3
Datum uitspraak:
13 May 2026
Datum publicatie:
13 May 2026

Indicatie

Bij besluit van 12 mei 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen geluidshinder veroorzaakt door het gebruik van de voetbalkooi aan de Valreep in Groningen, afgewezen. [appellant] woont in de buurt van een voetbalkooi op de Valreep in Groningen. [appellant] heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen geluidshinder van de voetbalkooi. Bij besluit van 12 mei 2022 heeft het college dat verzoek afgewezen omdat geen sprake was van geluidshinder als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Groningen 2021 (APVG 2021). Daartegen heeft [appellant] bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 december 2022 heeft het college het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard. Het college heeft de besluitvorming gebaseerd op metingen die zijn vastgelegd in het rapport ‘Geluidmetingen [locatie] Groningen’ (het rapport).

Uitspraak

202404801/1/A3.

Datum uitspraak: 13 mei 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Groningen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Nederland van 21 juni 2024 in zaak nr. 23/705 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2022 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen geluidshinder veroorzaakt door het gebruik van de voetbalkooi aan de Valreep in Groningen, afgewezen.

Bij besluit van 22 december 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. E.Tj. van Dalen, advocaat in Groningen, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. I. Simonides en I. Beemsteboer, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] woont in de buurt van een voetbalkooi op de Valreep in Groningen. [appellant] heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen geluidshinder van de voetbalkooi. Bij besluit van 12 mei 2022 heeft het college dat verzoek afgewezen omdat geen sprake was van geluidshinder als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Groningen 2021 (APVG 2021). Daartegen heeft [appellant] bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 december 2022 heeft het college het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard. Het college heeft de besluitvorming gebaseerd op metingen die zijn vastgelegd in het rapport ‘Geluidmetingen [locatie] Groningen’ (het rapport).

Uitspraak van de rechtbank

2.       De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep aan de orde, geoordeeld dat het college het besluit heeft mogen baseren op het rapport en mocht uitgaan van de juistheid van het rapport. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat uit het rapport blijkt dat de geluidmeter tijdens de gehele meetperiode, van 8 tot en met 13 april 2022, aan de achtergevel van de woning is bevestigd, en dat daarbij continue metingen zijn verricht. Verder blijkt uit het rapport dat aan [appellant] is gevraagd te noteren op welke tijdstippen hij overlast ervaarde, en dat die tijdstippen in het rapport extra zijn belicht. Ook is het rapport aangevuld met andere momenten waarop piekgeluiden vanuit de voetbalkooi plaatsvonden. Volgens de rechtbank is het rapport daarmee op zorgvuldige wijze tot stand gekomen.

Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college terecht heeft geconcludeerd dat er geen sprake is geweest van een overtreding van artikel 4:5 van de APVG 2021, omdat er slechts twee geringe overschrijdingen van de grenswaarden zijn geweest in een periode van zes dagen. Dat waren kortdurende piekgeluiden als gevolg van schreeuwende kinderen. Daarbij heeft zij betrokken dat er negen fysieke controles zijn uitgevoerd in de avond en nachtelijke uren waarbij slechts éénmaal jongeren in de voetbalkooi zijn aangetroffen.

Hoger beroep

3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college mocht uitgaan van de juistheid van het rapport. Daarover voert hij aan dat het rapport niet is gebaseerd op metingen die over zes dagen zijn uitgevoerd, maar beperkt is gebleven tot geluidsfragmenten. Daardoor is slechts op twee momenten een overschrijding van de grenswaarden geconstateerd, en kan niet worden uitgesloten dat er op veel meer momenten de grenswaarden worden overschreden. Volgens [appellant] is de rechtbank er verder aan voorbijgegaan dat er een langere meetperiode had moeten worden gehanteerd om tot een zorgvuldig rapport te komen, en dat daarbij ook rekening had moeten worden gehouden met andere factoren, zoals de tijd van het jaar en het weer. In de schoolvakanties wordt het geluidsniveau namelijk vaker overschreden dan in de zes dagen in april waarin de metingen hebben plaatsgevonden, en als het tijdens de meetperiode regent, wordt minder gebruik gemaakt van de voetbalkooi. Ook had het college rekening moeten houden met perioden waarin voetbaltoernooien op de televisie plaatsvinden waardoor kinderen geïnspireerd raken om meer te voetballen. In dit kader voert [appellant] verder aan dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om een onafhankelijke deskundige aan te wijzen heeft afgewezen. Volgens [appellant] is het huidige onderzoek namelijk te mager voor de conclusie dat geen sprake is van een structurele overschrijding van de maximale geluidsniveaus te dragen, en moet er een nieuw actueel rapport worden opgesteld over de huidige situatie. Het rapport is al meer dan twee jaar oud, en kan volgens [appellant] alleen al daarom niet meer als basis dienen voor de besluitvorming.

Verder betoogt [appellant] dat het college zich ten onrechte heeft beperkt tot de vraag of sprake is van een overtreding van artikel 4:5, eerste lid van de APVG 2021. Volgens [appellant] had het college daarnaast naar alternatieven moeten zoeken om de door hem ondervonden geluidshinder te voorkomen.

Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de afwijzing van het handhavingsverzoek niet evenredig is. Hij heeft namelijk te maken met ernstige medische en psychische problemen, die worden verergerd door de geluidsoverlast van de voetbalkooi.

Zitting

3.1.    Op de zitting bij de Afdeling zijn kaarten en foto’s van de situatie ter plaatse getoond. [appellant] heeft op de zitting aangegeven dat hij de geluidsbestanden waar het onderzoek op is gebaseerd, graag wil ontvangen. Daarop heeft het college laten weten zich te zullen inspannen om de geluidsbestanden alsnog aan hem te verstrekken. Verder heeft [appellant] gesteld dat hij al lange tijd op zoek is naar contact met de gemeente over de overlast die hij ervaart door de voetbalkooi. Het college heeft daarop toegezegd om contact te zullen opnemen met de wijkagent over de mogelijkheden om als contactpersoon op te treden voor [appellant].

Beoordeling hoger beroep

3.2.    De Afdeling stelt voorop dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, niet in geschil is dat het college het juiste beoordelingskader heeft toegepast. [appellant] heeft de grenswaarden die het college heeft gehanteerd om te bepalen of sprake is van geluidshinder in de zin van artikel 4:5, eerste lid van de APVG 2021, ook in hoger beroep niet bestreden.

3.3.    [appellant] verwijt de rechtbank ten onrechte dat zij eraan voorbij is gegaan dat bij het onderzoek rekening had moeten worden gehouden met factoren als het weer en de schoolvakanties. Hij heeft dit in beroep immers niet aangevoerd. Dat het college met de keuze van het moment van de geluidsmetingen volgens [appellant] geen rekening heeft gehouden met het weer, de schoolvakanties of voetbaltoernooien, leidt ook niet tot het oordeel dat het college de geluidsmetingen niet heeft mogen uitvoeren in april. Zoals het college namelijk in de schriftelijke uiteenzetting heeft toegelicht, is het moment waarop de metingen zijn uitgevoerd met [appellant] afgestemd. De juridisch medewerker van het college heeft hem daarbij gevraagd of hij een voorkeur had voor een bepaalde periode. [appellant] heeft toen aangegeven dat hij wilde dat de geluidsmeter zo snel mogelijk zou worden geplaatst. Als hij had gewild dat het college ook rekening zou houden met omstandigheden zoals het weer, de schoolvakanties of voetbaltoernooien, had hij daar op dat moment om kunnen vragen. Dat heeft hij echter niet gedaan, ook niet nadat de juridisch medewerker van het college had voorgesteld om de metingen in de zomermaanden uit te voeren vanwege de geluidshinder bij mooi weer. Daarnaast blijkt uit het door [appellant] in de bezwaarprocedure ingediende overzicht van zijn meldingen dat hij gedurende het grootste deel van het jaar, waaronder in april, overlast ervaart van de voetbalkooi. Ook heeft hij aangegeven dat hij tijdens de meetperiode overlast heeft ervaren. Anders dan [appellant] betoogt, geeft wat hij hierover heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de metingen in april geen representatief beeld geven van de overlast die hij gedurende het gehele jaar ervaart. Het enkele feit dat kinderen in andere perioden van het jaar, bijvoorbeeld tijdens grote internationale voetbaltoernooien, meer geïnspireerd zijn om te voetballen, is onvoldoende voor het oordeel dat metingen in april geen representatief beeld opleveren. Het college mocht daarom de geluidsmeting in april uitvoeren om de door [appellant] gestelde overlast te onderzoeken.

Het betoog slaagt niet.

3.4.    De gronden die [appellant] voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 10 tot en met 12 en 15.1 tot en met 16.4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daar nog het volgende aan toe. Zoals de rechtbank gelet op het vorenstaande terecht heeft overwogen, is het college niet bevoegd om handhavend op te treden omdat geen sprake is van een overtreding van artikel 4:5, eerste lid van de APVG 2021. De vraag of het college alternatieven had moeten zoeken kan geen onderdeel uitmaken van dit geding, omdat de procedure zijn ingang heeft gevonden met een handhavingsverzoek. Daarom ligt alleen de vraag voor of het college handhavend had moeten optreden. Omdat het college niet bevoegd is om handhavend op te treden, komt de Afdeling ook niet toe aan een beoordeling van de evenredigheid van de afwijzing van het handhavingsverzoek. Tot slot hoefde de rechtbank geen onafhankelijke deskundige aan te wijzen, omdat het niet nodig is om een nieuw rapport op te stellen, gelet op het oordeel van de rechtbank dat het rapport zorgvuldig tot stand is gekomen en de conclusies begrijpelijk zijn, en het college zich dus daarop mocht baseren. Het rapport dateert weliswaar uit 2022, maar was op het moment van het besluit van het college actueel. Daarbij is relevant dat een nader onderzoek naar de huidige situatie niet zou bijdragen aan de toetsing van het genomen besluit van het college op het bezwaar, omdat deze toetsing plaatsvindt op grond van de situatie zoals die zich ten tijde van het besluit voordeed.

Slotsom

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzitter, en mr. J. Luijendijk en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.

w.g. De Moor-van Vugt

voorzitter

w.g. Van de Sluis

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026

802-1114