Raad van State, hoger beroep bestuursrecht overig

ECLI:NL:RVS:2026:4409

Op 29 July 2026 heeft de Raad van State een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 202504805/1/A2, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RVS:2026:4409.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
202504805/1/A2
Datum uitspraak:
29 July 2026
Datum publicatie:
29 July 2026

Indicatie

Bij besluit van 19 oktober 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw besloten tot invordering van een verbeurde dwangsom van € 28.000,00. [appellant] is sinds 16 mei 2003 eigenaar van de recreatiewoning op het adres [locatie] in Heel. Bij besluit van 12 maart 2018 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd met een begunstigingstermijn van twee jaar, omdat hij de recreatiewoning in strijd met het bestemmingsplan Heel-Panheel gebruikt. [appellant] gebruikt de recreatiewoning als hoofdverblijf. Het college heeft aan het niet beëindigen en beëindigd houden van de overtreding een dwangsom verbonden van € 4.000,00 per kalendermaand, met een maximum van € 48.000,00. Dit besluit staat in rechte vast. Het college heeft na afloop van de begunstigingstermijn geconstateerd dat het gebruik van de recreatiewoning als hoofdverblijf niet is beëindigd. Bij besluit van 19 oktober 2020 heeft het college de verbeurde dwangsommen ingevorderd. Dit gaat om een bedrag van € 28.000,00.

Uitspraak

202504805/1/A2.

Datum uitspraak: 29 juli 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Heel, gemeente Maasgouw,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 juli 2025 in zaak nr. 23/667 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw.

Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2020 heeft het college besloten tot invordering van een verbeurde dwangsom van € 28.000,00.

Bij besluit van 13 februari 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 juni 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door E. Stroeken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] is sinds 16 mei 2003 eigenaar van de recreatiewoning op het adres [locatie] in Heel (de recreatiewoning).

2.       Bij besluit van 12 maart 2018 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd met een begunstigingstermijn van twee jaar, omdat hij de recreatiewoning in strijd met het bestemmingsplan Heel-Panheel gebruikt. [appellant] gebruikt de recreatiewoning als hoofdverblijf. Het college heeft aan het niet beëindigen en beëindigd houden van de overtreding een dwangsom verbonden van € 4.000,00 per kalendermaand, met een maximum van € 48.000,00. Dit besluit staat in rechte vast.

3.       Het college heeft na afloop van de begunstigingstermijn geconstateerd dat het gebruik van de recreatiewoning als hoofdverblijf niet is beëindigd. Bij besluit van 19 oktober 2020 heeft het college de verbeurde dwangsommen ingevorderd. Dit gaat om een bedrag van € 28.000,00.

4.       Naar aanleiding van het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar heeft het college advies gevraagd aan de commissie bezwaarschriften van de gemeente Maasgouw (de commissie). De commissie heeft, samengevat weergegeven, geadviseerd om het bezwaar gegrond te verklaren, omdat het invorderingsbesluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het college had nader onderzoek moeten doen naar de financiële en psychische gevolgen van de invordering voor [appellant]. Het college moet daarom een nieuw besluit nemen, nadat het aan [appellant] heeft laten weten welke stukken hij verder nodig heeft om zijn financiële en psychische situatie te beoordelen. Verder moet het college hierin motiveren waarom hij denkt dat [appellant] in staat is de invordering van de verbeurde dwangsom te betalen, aldus de commissie.

5.       Het college heeft het advies van de commissie niet gevolgd en het bezwaar van [appellant] bij besluit van 13 februari 2023 ongegrond verklaard. Het college heeft naar aanleiding van het advies van de commissie wel nader onderzoek verricht naar de financiële en psychische situatie van [appellant]. Op 12 januari 2022 en 8 februari 2022 heeft [appellant] desgevraagd gegevens naar het college gestuurd. Ook heeft het college door Flanderijn Incasso B.V. (Flanderijn) onderzoek laten doen naar de financiële positie van [appellant]. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat hij een aflossingscapaciteit heeft van € 72,21 per maand. De dwangsom van € 28.000,00 hoeft niet in één keer betaald te worden, maar er kan een betalingsregeling worden getroffen. Daarom heeft het college in de financiële situatie van [appellant] geen aanleiding gezien om van invordering af te zien. Het college heeft verder op 1 november 2021 en 6 januari 2022 bij [appellant] documentatie opgevraagd met betrekking tot zijn psychische gesteldheid. [appellant] heeft daarop een overzicht overgelegd van de medicatie die hij gebruikt, maar dit overzicht heeft betrekking op het jaar 2012. [appellant] is weliswaar bekend bij het college en heeft vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning een begeleider, maar ook hierin heeft het college geen aanleiding gezien geheel of gedeeltelijk van de invordering af te zien.

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

6.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.

Bij besluit van 12 maart 2018 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Uitspraak van de rechtbank

7.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het college mocht afwijken van het advies van de commissie. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat hij het advies van de commissie om onderzoek te doen naar de financiële positie en psychische gesteldheid van [appellant] heeft gevolgd en dat hij tot een andere conclusie is gekomen dan de commissie. De invordering is niet onevenredig. Hoewel het voorstelbaar is dat [appellant] in een slechte financiële positie verkeerd, staat niet vast dat hij daardoor niet in staat zal zijn om de verbeurde dwangsommen volledig te betalen. Het college heeft de financiële positie van [appellant] voldoende onderzocht en rekening gehouden met zijn financiële draagkracht. Het college heeft in het kader van het verweer bij de rechtbank opnieuw onderzoek laten doen door Flanderijn. Uit dit onderzoek volgt dat [appellant] een aflossingscapaciteit van € 200,00 per maand. Dit heeft [appellant] niet betwist. Ook heeft het college meermaals aan [appellant] voorgesteld om een betalingsregeling te treffen. Het college heeft voldoende rekening gehouden met hem bekende en door [appellant] aangevoerde omstandigheden op grond waarvan de invordering zou moeten worden gematigd of van invordering zou moeten worden afgezien. Weliswaar is gebleken dat [appellant] in 2012 medicatie gebruikte en in 2015-2016 medische problemen heeft gehad, maar dit zijn geen zodanig bijzondere omstandigheden dat het college van invordering had moeten afzien. De hoogte van de dwangsommen had [appellant] kunnen betwisten in een procedure over de last onder dwangsom. Dat heeft hij niet gedaan. Er is geen uitzonderlijke situatie om in deze procedure alsnog de opgelegde last onder dwangsom te toetsen.

Hoger beroep

8.       [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college het invorderingsbesluit niet voldoende heeft gemotiveerd. Het college heeft alleen maar onderzoek gedaan naar zijn financiële situatie, maar niet naar zijn psychische gesteldheid. Het college wist in 2016 al van zijn psychische problematiek, maar heeft nauwelijks tot geen inspanningen verricht om hem te hulp te schieten. Het invorderingsbesluit is daarom in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel genomen. [appellant] betoogt verder dat de invordering onevenredig is. Het college wist al in 2016 dat hij in een recreatiewoning woonde en hij woont daar nu nog steeds. De last is dus niet geschikt geweest om te bereiken dat hij de recreatiewoning niet meer als hoofdverblijf gebruikt. Door de invordering van de dwangsom is hij niet meer in staat om de overtreding te beëindigen.

8.1.    De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 14 tot en met 24 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

8.2.    De last onder dwangsom om de permanente bewoning van de recreatiewoning te beëindigen en beëindigd te houden, is onherroepelijk geworden. Het betoog van [appellant] dat het opleggen van de last niet geschikt is om te bereiken dat hij niet meer in de recreatiewoning zal wonen, had hij naar voren kunnen brengen in de procedure over de oplegging van de last onder dwangsom. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466), kan een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking of de kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom of last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. In het geval van [appellant] is er geen sprake van een uitzonderlijk geval.

Conclusie

9.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

10.     [appellant] heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

10.1.  De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.

10.2.  Het college heeft het bezwaarschrift van [appellant] ontvangen op 24 november 2020. De redelijke termijn is met één jaar en acht maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan het college en de rechtbank worden toegerekend.

10.3.  De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 2.000,00.

10.4.  Het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt dus toegewezen.

Proceskosten

11.     Het college en de Staat moeten de proceskosten vergoeden die [appellant] heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

II.       wijst het verzoek om schadevergoeding toe;

III.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van € 1.226,00;

IV.     veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van € 774,00;

V.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.     veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J.Q. Oskam, griffier.

w.g. Lange

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Oskam

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026

1067