202502069/1/A2.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 februari 2025 in zaak nr. 24/2283 in het geding tussen:
[appellante]
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).
Procesverloop
Bij besluit van 4 oktober 2023, verzonden op 6 oktober 2023, heeft de raad de aanvraag van [appellante] om een toevoeging afgewezen.
Bij op 9 april 2024 verzonden besluit heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De raad heeft hierbij het advies van de Commissie voor Bezwaar gevolgd.
Bij mondelinge uitspraak van 18 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. [appellante] heeft aanvullende gronden ingediend.
De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. [appellante] heeft een toevoeging aangevraagd voor rechtsbijstand in een hoger beroepsprocedure strekkende tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De raad heeft deze aanvraag afgewezen, omdat deze betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan aanspraak kan worden gemaakt op rechtsbijstand op grond van een eerder verleende toevoeging, met kenmerk 1JT4965. Deze toevoeging zag op het hoger beroep in de procedure over het niet-tijdig beslissen op de aanvraag voor de verblijfsvergunning.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat beide procedures om hetzelfde rechtsbelang gaan. In beide procedures is het doel en het beoogde eindresultaat het verkrijgen van een asielvergunning. Dat geen toepassing is gegeven aan artikel 6:20, derde lid, Awb maakt niet dat sprake is van een ander rechtsbelang.
3. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich, gelet op haar uitspraak van 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2319, vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 11 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan toe dat overweging 12 van de uitspraak van de rechtbank, die in hoger beroep ook wordt bestreden, een ten overvloede gegeven overweging is.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Yildiz
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
594