Raad van State, hoger beroep bestuursrecht overig

ECLI:NL:RVS:2026:761

Op 11 February 2026 heeft de Raad van State een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 202501970/1/A2, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RVS:2026:761.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
202501970/1/A2
Datum uitspraak:
11 February 2026
Datum publicatie:
11 February 2026

Indicatie

Bij besluit van 22 november 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [appellante] om compensatie van een afgeloste private schuld afgewezen. [appellante] is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft de minister van Financiën verzocht om compensatie van een afgeloste schuld op grond van artikel 4.3 van de Wet hersteloperatie toeslagen. Het gaat om een lening van Defam B.V. van € 22.000,00. [appellante] heeft die lening afgelost met de compensatie die zij op grond van de Catshuisregeling heeft ontvangen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de schuld van [appellante] aan Defam van € 22.000,00 terecht niet heeft overgenomen op grond van artikel 4.3 van de Wht, omdat de schuld niet opeisbaar is geworden vóór 1 juni 2021. [appellante] heeft geen betalingsachterstand laten ontstaan vóór die datum, zodat geen sprake is van een opeisbare schuld. De rechtbank heeft overwogen dat het begrijpelijk is dat [appellante] dit niet als rechtvaardig ervaart, omdat zij de lening bij Defam te goeder trouw heeft afgesloten om daarmee bestaande schulden af te lossen en deze schulden mogelijk wel voor overname in aanmerking zouden zijn gekomen.

Uitspraak

202501970/1/A2.

Datum uitspraak: 11 februari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2025 in zaak nr. 24/5334 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Financiën.

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [appellante] om compensatie van een afgeloste private schuld afgewezen.

Bij besluit van 23 april 2024 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 januari 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. M. Shaaban, advocaat in Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door gemachtigden], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellante] is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft de minister verzocht om compensatie van een afgeloste schuld op grond van artikel 4.3 van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). Het gaat om een lening van Defam B.V. van € 22.000,00. [appellante] heeft die lening afgelost met de compensatie die zij op grond van de Catshuisregeling heeft ontvangen.

2.       In hoofdstuk 4 van de Wht is vastgelegd onder welke voorwaarden een gedupeerde van de toeslagenaffaire in aanmerking kan komen voor het overnemen en betalen van private schulden. In artikel 4.3 van de Wht is een regeling opgenomen voor compensatie van al afgeloste private schulden. Deze bepaling houdt in dat, kort gezegd en voor zover hier van belang, een private schuld die is betaald na ontvangst van een bedrag op grond van een herstelmaatregel (zoals bedoeld in artikel 2.7 van de Wht, bijvoorbeeld de toekenning van een geldbedrag als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht) in aanmerking komt voor vergoeding, als deze afgeloste schuld, wanneer deze niet was voldaan, op grond van de Wht zou zijn overgenomen. Aan de voorwaarden in artikel 4.1 van de Wht moet dus ook zijn voldaan.

3.       Artikel 4.1 van de Wht bepaalt welke private schulden op grond van de Wht worden overgenomen. Deze bepaling houdt kort gezegd in dat een private schuld wordt overgenomen als deze schuld:

a. is ontstaan na 31 december 2005;

b. vóór 1 juni 2021 opeisbaar was; en

c. niet is voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.

4.       De minister heeft de aanvraag van [appellante] om compensatie van de private schuld afgewezen, omdat de schuld niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden door betalingsachterstanden. De minister heeft geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen.

Uitspraak van de rechtbank

5.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de schuld van [appellante] aan Defam van € 22.000,00 terecht niet heeft overgenomen op grond van artikel 4.3 van de Wht, omdat de schuld niet opeisbaar is geworden vóór 1 juni 2021. [appellante] heeft geen betalingsachterstand laten ontstaan vóór die datum, zodat geen sprake is van een opeisbare schuld. De rechtbank heeft overwogen dat het begrijpelijk is dat [appellante] dit niet als rechtvaardig ervaart, omdat zij de lening bij Defam te goeder trouw heeft afgesloten om daarmee bestaande schulden af te lossen en deze schulden mogelijk wel voor overname in aanmerking zouden zijn gekomen. De voorwaarden zijn echter neergelegd in een bepaling die dwingend is geformuleerd en is opgenomen in een wet in formele zin. Dit betekent dat de rechtbank dit vereiste in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht niet aan het evenredigheidsbeginsel of aan andere algemene rechtsbeginselen mag toetsen. Dit kan anders zijn als zich bijzondere omstandigheden voordoen waarmee de wetgever bij het opstellen van de regels geen rekening heeft gehouden. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden zich hier niet voor doen. Uit de memorie van toelichting bij de Wht volgt dat de regeling voor het overnemen van private schulden niet is bedoeld om onrecht in het verleden te herstellen, maar om gedupeerde ouders zo veel mogelijk kans te bieden op een nieuwe start, door hen in bepaalde gevallen te vrijwaren van incassomaatregelen. Doordat alleen de opeisbare betalingsachterstanden en hoofdsommen worden overgenomen, wordt beoogd te voorkomen dat een gedupeerde in de problemen komt door incassomaatregelen. Dit betekent dat het mogelijk is dat gedupeerde ouders na de hersteloperatie met schulden achterblijven. De wetgever heeft daarbij onder ogen gezien dat dit tot situaties kan leiden die onrechtvaardig kunnen aanvoelen.

Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister de hardheidsclausule niet heeft hoeven toepassen. Het tegenwerpen van het wettelijk vereiste dat de schuld opeisbaar is geworden vóór 1 juni 2021, leidt niet tot een onbillijkheid van overwegende aard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat het afwijzen van het verzoek om compensatie van de afgeloste schuld aan Defam niet leidt tot een schrijnende situatie.

Hoger beroep

- gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel

6.       [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de eis dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar moet zijn, in strijd met het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel is en in haar geval buiten toepassing moet worden gelaten. [appellante] voert aan dat zij in zware financiële problemen is gekomen doordat de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte kinderopvangtoeslag van haar heeft teruggevorderd en een betalingsregeling heeft geweigerd. De enige uitweg was het aangaan van een lening bij Defam. Als zij geen verantwoordelijkheid had genomen voor de ontstane schulden en deze niet middels herfinanciering had voldaan, waren de schulden overgenomen. Het vasthouden aan de eis van opeisbaarheid is volgens [appellante] in strijd met het doel en de strekking van de Wht.

6.1.    De gronden die [appellante] aanvoert gaan over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045, onder 10 e.v.). Wat [appellante] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.

- hardheidsclausule

7.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister de hardheidsclausule niet heeft hoeven toepassen. Het doel van de Wht is gedupeerde ouders zoveel mogelijk een kans op een nieuwe start te bieden en dat gebeurt in dit geval niet.

7.1.    In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.3, voor zover de toepassing daarvan gelet op het belang dat die bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

7.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, kan de hardheidsclausule niet alleen in onbillijke situaties worden toegepast, maar ook in situaties waarin sprake is van schrijnende omstandigheden. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend is geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaat om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat de degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen (zie de uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456).

7.3.    [appellante] heeft op de zitting toegelicht dat zij alles heeft gedaan om de schulden te voldoen. Zij is een aantal keren verhuisd naar een goedkopere woning, heeft vele uren gewerkt waardoor zij weinig tijd voor haar kinderen had en is een krediet aangegaan om de schulden te herfinancieren. Ook had zij in die periode gezondheidsproblemen. [appellante] heeft haar zaken, ondanks alles, weer op orde gekregen en ervaart het als oneerlijk dat haar afgeloste schuld niet wordt gecompenseerd. De Afdeling begrijpt dat de situatie waarin [appellante] verkeerde toen zij schulden had erg moeilijk is geweest, dat blijkt ook uit de overgelegde nadere stukken. De door [appellante] aangevoerde omstandigheden brengen echter niet met zich de hardheidsclausule moet worden toegepast. Het zijn namelijk geen actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) de weigering om de schuld over te nemen, zoals bedoeld in 7.2. Voor het herstel van onrecht in het verleden zijn de compensatieregeling en de O/G-tegemoetkoming de forfaitaire regeling en de aanvullende vergoeding van werkelijke schade bedoeld.

7.4.    De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

8.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

9.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.

w.g. Bangma

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Jansen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026

609