202406452/1/R3.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend in Oud-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard,
2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend in Oud-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard,
appellanten,
en
1. het college van burgemeester en wethouders van Hoeksche Waard,
2. de raad van de gemeente Hoeksche Waard,
verweerders.
Procesverloop
Bij besluit van 28 mei 2024 heeft het college hogere waarden als bedoeld in de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld voor de toekomstige woningen binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Margrietstraat 2-Graaf Van Egmondstraat 46-48 Oud-Beijerland". Dit bestemmingsplan is bij besluit van 17 september 2024 door de raad vastgesteld.
Tegen deze besluiten hebben [appellanten] en anderen beroep ingesteld.
Het college en de raad hebben een gezamenlijk verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting op 25 november 2025, waar het college en de raad, beide vertegenwoordigd door L. Bos, A. van Bokkem en M. Wierink, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting Stichting HW Wonen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en Assink Vastgoed Projectontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partijen gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Op 1 januari 2024 is ook de Aanvullingswet geluid Omgevingswet in werking getreden. Zoals in de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5198, is overwogen, blijft op een besluit tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones langs wegen — behoudens provinciale wegen — het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk is. Maar dan moet die hogere waarde wel zijn vastgesteld ten behoeve van een besluit waarvoor een aanvraag is ingediend of waarvan een ontwerp ter inzage is gelegd vóór het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
De hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting zijn vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan "Margrietstraat 2-Graaf Van Egmondstraat 46-48 Oud-Beijerland" waarvan het ontwerp op 21 december 2023 ter inzage is gelegd. Dat betekent dat zowel op de beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan als op het besluit tot vaststelling van de hogere waarden het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) en de Wgh, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan maakt de bouw mogelijk van 50 appartementen in drie bouwlagen met een ontmoetingsplek op de locatie van een voormalige kerk en school aan de Margrietstraat en de Graaf van Egmondstraat in Oud-Beijerland. Aan de noord- en zuidkant van het plangebied zijn parkeerplaatsen voorzien. Initiatiefnemer van het plan is Assink Vastgoed Projectontwikkeling B.V. De woningen zullen worden geëxploiteerd door Stichting HW Wonen.
3. [appellant sub 1] woont aan de Margrietstraat. Zij is het niet eens met de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt.
4. [appellant sub 2] en anderen zijn bewoners van de wijk. Ook zij kunnen zich niet vinden in het plan vanwege de bouwmogelijkheden en vrezen voornamelijk voor parkeeroverlast.
Besluit hogere waarden
5. [appellanten] en anderen richten hun beroepen mede tegen het besluit van het college van 28 mei 2024, waarbij hogere grenswaarden voor geluid op de gevels van de nieuwe woningen zijn vastgesteld. Zij voeren aan dat dit besluit ook voor hen gevolgen heeft omdat dit ertoe leidt dat zij ook te maken kunnen krijgen met meer geluidhinder.
5.1. Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."
5.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
5.3. Het besluit hogere waarden gaat over de vaststelling van hogere waarden voor de geluidbelasting voor de te realiseren woningen op grond van de Wgh. De regeling in de Wgh strekt ertoe dat bij besluit wordt vastgesteld welke geluidbelasting - na het zo mogelijk treffen van maatregelen - bij de te bouwen woningen vanwege een weg maximaal mag optreden. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.93, strekt deze regeling daarmee tot bescherming van de bewoners van de te bouwen woningen.
5.4. [appellanten] en anderen zijn geen van allen eigenaar van één van de woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld en niet is gebleken van concrete interesse in de koop en/of bewoning daarvan. Daarom strekken de regelingen in de Wgh kennelijk niet tot de bescherming van de belangen van [appellanten] en anderen. Wat zij aanvoeren, kan daarom niet leiden tot vernietiging van het besluit waarbij hogere waarden zijn vastgesteld. Het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste staat daaraan in de weg. Daarom ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking van de beroepen voor zover die zijn gericht tegen het besluit van het college van 28 mei 2024.
Toetsingskader bestemmingsplan
6. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Beroepsgronden
Stedenbouwkundige inpassing
7. [appellanten] en anderen betogen dat het plan vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet past binnen de omgeving. Met name door het aantal woningen en de hoogte past het niet binnen de bestaande dorpse omgeving waar de omliggende woningen vooral bestaan uit twee bouwlagen met een kapverdieping.
Verder voeren [appellanten] en anderen aan dat het plan in strijd is met de Omgevingsvisie Hoeksche Waard (hierna: de Omgevingsvisie) omdat niet wordt voldaan aan de kernwaarden van rust en ruimte.
7.1. De Afdeling overweegt dat het hier gaat om een inbreidingsplan binnen een bestaande dorpskern waarbij wordt aangesloten bij de strokenbebouwing van de wijk. Ook wordt met de maximale bouwhoogte van 10 m in het plan aangesloten bij de maximale bouwhoogtes van het grootste deel van de omliggende woningen. Verder overweegt de Afdeling dat de raad de toevoeging van 50 appartementen, gelet op de maatvoering van het appartementencomplex, passend heeft mogen achten binnen de bestaande woonwijk "Croonenburgh". Daarom ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet aanvaardbaar mocht achten.
Voor zover [appellanten] en anderen aanvoeren dat het plan in strijd is met de Omgevingsvisie, overweegt de Afdeling dat de raad in paragraaf 3.4.1 van de plantoelichting voldoende heeft gemotiveerd dat het plan in overeenstemming is met de Omgevingsvisie. Het plangebied ligt in het gebied "Dorpse Trots". Zoals de raad heeft toegelicht, gelden de waarden van rust en ruimte voornamelijk in het omliggende landschap. Om die waarden te behouden, is een belangrijk uitgangspunt in de Omgevingsvisie voor "Dorpse Trots" dat woningbouw vooral door inbreiding plaatsvindt. Omdat het plan binnen een bestaande woonwijk ligt, is er sprake van inbreiding. [appellanten] en anderen hebben verder niet gewezen op concrete passages in de Omgevingsvisie waar het plan mee in strijd zou zijn. In wat zij aanvoeren ziet de Afdeling daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met de Omgevingsvisie.
Het betoog slaagt niet.
Privacy
8. [appellanten] en anderen betogen dat het plan een onaanvaardbare aantasting van de privacy van omwonenden tot gevolg heeft. Zij vinden dat in het plan meer waarborgen, zoals het plaatsen van groenafscheidingen of het beperken van balkonlocaties, moeten worden opgenomen om privacy van omwonenden te beschermen.
8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet leidt tot een onevenredige aantasting van privacy van omwonenden. Volgens de raad kan ook in de bestaande situatie met het kerkgebouw en de school sprake zijn van verder gaande gevolgen voor privacy en inkijk. In de nieuwe situatie is de afstand van de te realiseren appartementen tot de bestaande woningen ongeveer 15 m of meer. Deze afstanden sluiten aan bij de bestaande bebouwing in de omgeving en zijn niet ongebruikelijk in een stedelijke omgeving. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat in een bestaande woonomgeving enige hinder in de vorm van vermindering van privacy geduld moet worden. Gelet hierop en op het algemene belang bij de ontwikkeling van de appartementen, acht de raad de gevolgen voor de privacy van de omwonenden gerechtvaardigd.
Tot slot stelt de raad dat de indeling/inrichting binnen de appartementen niet in het bestemmingsplan wordt vastgelegd. De uitwerking vindt plaats bij de aanvraag om een omgevingsvergunning.
8.2. De Afdeling stelt vast dat de dichtstbijzijnde woningen op de Graaf van Egmondstraat op ongeveer 13,5 m afstand van het geplande gebouw staan. De dichtstbijzijnde woningen op de Margrietstaat staan op ongeveer 18 m afstand van het geplande gebouw.
8.3. De Afdeling overweegt dat het niet uitgesloten is dat de privacy van omwonenden als gevolg van het plan in enige mate wordt aangetast. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich echter op het standpunt mogen stellen dat het plan ook zonder de door [appellanten] en anderen gewenste waarborgen niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van bewoners van omliggende woningen.
Daartoe overweegt de Afdeling dat een afstand van ongeveer 13,5 m tussen de voorgevel van de dichtstbijzijnde woningen tot het appartementencomplex, hoewel kleiner dan de raad in zijn verweer stelt, binnen een woonwijk geen ongebruikelijke afstand is. Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling van 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:491, onder 6.2.
De Afdeling neemt ook in aanmerking dat de kerk en de school onder het vorige plan "correctieve herziening Wonen" uit 2014, op vergelijkbare afstanden tot de omliggende woningen gebouwd konden worden en toen dus ook al enige mate van aantasting van privacy bestond.
Het betoog slaagt niet.
Verkeersgeneratie
9. [appellanten] en anderen betogen dat de raad onvoldoende onderzocht heeft wat de gevolgen zijn van de te verwachten toename aan verkeer voor de veiligheid en het gebruik van de smalle straten.
[appellant sub 2] en anderen voeren aan dat de raad alleen algemene berekeningen heeft gemaakt op basis van de theoretische situatie in het bestemmingsplan, vergeleken met de verkeersgeneratie van de vorige functies. Er is ten onrechte geen actuele meting van de verkeersbewegingen in de huidige situatie uitgevoerd.
9.1. Paragraaf 4.2 van de plantoelichting gaat over de te verwachten toename van verkeer als gevolg van het plan. De raad heeft aan de hand van de kencijfers van de CROW-publicatie 381 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" berekend dat het plan leidt tot een gemiddelde verkeersintensiteit van 213 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Volgens de raad komt dit neer op gemiddeld 1 auto per 3 minuten in het drukste uur van de dag.
De raad stelt verder dat de verkeersintensiteiten op de wegen rondom het plangebied aanzienlijk lager zijn dan de - gelet op de capaciteit van de wegen - maximale intensiteit van 4.000 motorvoertuigen per etmaal. Naar het oordeel van de raad is er daarom geen sprake van onaanvaardbare toename van verkeersdrukte als gevolg van het plan. Daarbij heeft de raad ook betrokken dat de functies onder het vorige bestemmingsplan eveneens verkeer genereerden.
9.2. De Afdeling overweegt dat de raad bij de berekening van de verkeersgeneratie van een plan gebruik mag maken van de algemeen gangbare kencijfers van het CROW. Verder overweegt de Afdeling dat de raad alleen rekening hoeft te houden met de toename van verkeersbewegingen als gevolg van het plan. Dit betekent dat de raad de verkeersgeneratie van het nieuwe plan mag afzetten tegen de verkeersgeneratie onder het oude plan, waarbij de raad in beginsel rekening houdt met de maximale planologische mogelijkheden.
9.3. De Afdeling overweegt verder dat de raad zich op het standpunt mag stellen dat er geen sprake is van een onaanvaardbare toename van verkeersdrukte als gevolg van het plan, als de totale verkeersintensiteit op de wegen rondom het plangebied na realisatie van het plan inderdaad binnen de capaciteit van die wegen blijft.
De raad heeft echter geen inzicht gegeven, bijvoorbeeld door middel van concrete berekeningen en of tellingen, in de huidige verkeersintensiteit van de wegen rond het plangebied. Daarom is het niet duidelijk wat de bestaande verkeersintensiteit op die wegen is en welke ruimte er resteert voor uitbreiding binnen de bestaande capaciteit van die wegen. Dit betekent dat onduidelijk is of de verkeersintensiteit na uitvoering van het plan daadwerkelijk de maximale capaciteit van de wegen rondom het plangebied niet overschrijdt. De Afdeling komt daarom tot het oordeel dat de raad onvoldoende gemotiveerd heeft dat het plan geen onaanvaardbare verkeersoverlast als gevolg heeft.
Het betoog slaagt.
Parkeren
10. [appellanten] en anderen betogen dat het plan niet voorziet in voldoende parkeerruimte. Zij voeren aan dat de raad is uitgegaan van een te lage parkeernorm en ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de bestaande parkeerplaatsen binnen het plangebied die zullen verdwijnen. Die parkeerplaatsen worden nu door omwonenden gebruikt en de parkeerdruk in de wijk is al erg hoog.
10.1. In paragraaf 4.2 van de plantoelichting heeft de raad de parkeerbehoefte van het plan berekend met toepassing van de "beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard houdende regels omtrent de parkeernormen". De raad is aangesloten bij de norm van 1,1 parkeerplaats per appartement en heeft gerekend met één parkeerplaats voor de "woonkamer in de buurt". Dit komt neer op een totale parkeerbehoefte van 56 parkeerplaatsen. Na aftrek van de bestaande parkeerbehoefte van 27 parkeerplaatsen voor de kerk en de school, heeft het plan een netto parkeerbehoefte van 29 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied zullen 32 extra parkeerplaatsen bovenop de 27 bestaande parkeerplaatsen gerealiseerd worden, waardoor er in totaal 59 parkeerplaatsen aanwezig zullen zijn. Dit is volgens de raad ruim voldoende om te voorzien in de parkeerbehoefte van de te realiseren woningen.
10.2. In wat [appellanten] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de parkeerbehoefte van het plan verkeerd heeft ingeschat. De door de raad gehanteerde parkeernorm wijkt niet af van de parkeerkencijfers uit de CROW-publicatie, waar de raad bij mag aansluiten. Ook hoeft de raad bij de beoordeling van het plan alleen rekening te houden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het plan. De raad hoeft een bestaand tekort aan parkeerplaatsen niet op te lossen. Dat betekent dat de raad de bestaande parkeerbehoefte van de kerk en de school mag aftrekken van de totaal te verwachten parkeerbehoefte van het nieuwe appartementengebouw. Gelet op het bovenstaande ziet de Afdeling geen gebreken in de berekeningen van de raad.
10.3. Verder overweegt de Afdeling dat de raad wel rekening heeft gehouden met de reeds bestaande parkeerplaatsen binnen het plangebied. De raad heeft hierover toegelicht dat deze parkeerplaatsen, anders dan [appellanten] en anderen aanvoeren, niet zullen verdwijnen. Er komen juist 32 extra parkeerplaatsen bij om te voorzien in de netto parkeerbehoefte van het plan.
10.4. Gelet op bovenstaande overwegingen is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat wordt voorzien in de parkeerbehoefte van het plan.
Het betoog slaagt niet.
Geluidoverlast
11. [appellanten] en anderen betogen dat het plan zal leiden tot geluidoverlast. Zij voeren aan dat de raad geen rekening heeft gehouden met de invloed van de toename van verkeersbewegingen als gevolg van het plan op de geluidsbelasting op omliggende woningen.
11.1. De Afdeling overweegt dat de extra verkeersgeneratie als gevolg van het plan van 213 motorvoertuigbewegingen per etmaal niet zo groot is dat de raad aanleiding had moeten zien om de geluidsbelasting op omliggende woningen als gevolg van deze toename te onderzoeken. Voor zover er sprake is van geluidoverlast bij de omliggende woningen vanwege bestaand verkeer, heeft de raad daar bij de vaststelling van het plan geen rekening mee hoeven houden.
Het betoog slaagt niet.
Bezonning
12. [appellanten] en anderen betogen dat de gevolgen voor de bezonning van omliggende woningen onvoldoende zijn onderzocht. Zij voeren aan dat het bezonningsonderzoek dat als bijlage 10 bij de plantoelichting is gevoegd geen helder inzicht geeft in de gevolgen van de nieuwbouw voor de bezonning van zonnepanelen en leefruimten. Zo is er geen vergelijking gemaakt met de huidige situatie en wordt er geen helder beeld gegeven van het totale aantal zonuren per dag. Ook ontbreekt een expliciete beoordeling volgens de TNO-normen. In een woonwijk als hier aan de orde is, geldt volgens [appellanten] en anderen de strenge TNO-norm die voorschrijft dat er in de periode van 21 januari tot 22 november ten minste drie zonuren per dag zijn. Het is niet duidelijk of aan die norm wordt voldaan en ook de gevolgen voor zonnepanelen zijn niet afgewogen.
12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van onaanvaardbare schaduwhinder. Volgens de raad is in het bezonningsonderzoek dat is bijgevoegd bij de plantoelichting uitgegaan van de lichte TNO-norm en is in dat onderzoek gebleken dat daaraan wordt voldaan. Initiatiefnemer heeft nog een aanvullend bezonningsonderzoek laten uitvoeren voor meer duidelijkheid. Daaruit blijkt dat bij alle woningen aan de Graaf van Egmondstraat en de Margrietstraat ruimschoots wordt voldaan aan zowel de lichte als de strenge TNO-norm.
Tot slot volgt uit jurisprudentie dat de raad niet verplicht is een stedelijke omgeving zo in te richten dat bestaande zonnepanelen optimaal gebruikt kunnen worden. De raad verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 5 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3982 en 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2081.
12.2. Aan de lichte TNO-norm wordt voldaan als er gedurende twee uren per etmaal bezonning mogelijk is in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober (gedurende 8 maanden) in het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam. Daarbij is het geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvindt.
Aan de strenge TNO-norm wordt voldaan als er gedurende drie uren per etmaal bezonning mogelijk is in de periode van 21 januari tot en met 22 november (gedurende 10 maanden) in het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam. Daarbij is het geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvindt.
12.3. De Afdeling overweegt dat, hoewel dit niet expliciet is benoemd, uit het bezonningsonderzoek dat als bijlage 10 bij de plantoelichting is gevoegd, kan worden afgeleid dat er bij de woningen aan de Graaf van Egmondstraat en de Margrietstraat wordt voldaan aan de strenge TNO-norm. Dit wordt bevestigd en verder verduidelijkt in het aanvullende bezonningsonderzoek dat de raad bij zijn verweerschrift heeft gevoegd. Van Rijselberg en [appellant sub 2] en anderen hebben deze conclusies niet betwist.
12.4. De Afdeling overweegt verder dat, zoals eerder is overwogen in de uitspraak van 5 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3982, onder 7.1, de huidige regelgeving de raad er niet toe verplicht een stedelijke omgeving met bestaande bebouwing zo in te richten dat eigenaren van bestaande gebouwen optimaal gebruik kunnen maken van zonnepanelen. Naar het oordeel van de Afdeling was de raad dan ook niet verplicht de wens van [appellanten] en anderen om in de toekomst gebruik te (blijven) maken van duurzame energie in zijn afweging te betrekken.
12.5. Gelet op bovenstaande overwegingen ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan onaanvaardbare schaduwhinder als gevolg heeft.
Het betoog slaagt niet.
Flora en fauna
13. [appellant sub 1] betoogt dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan voor beschermde soorten in het gebied. Zij voert aan dat de "QuickScan Wet natuurbescherming HW Wonen 2022-2024" van Blom Ecologie van 13 april 2021, bijlage 3 bij de plantoelichting, onvoldoende inzicht geeft in de gevolgen van het plan voor vleermuizen, omdat dit slechts is gebaseerd op momentopnamen. Ook voert zij aan dat het in de QuickScan als vervolgstap genoemde aanvullend onderzoek naar vleermuizen, bestaande uit vijf bezoeken onder specifieke weersomstandigheden, niet is uitgevoerd. Er is slechts een aanvullende inspectie op 20 december 2023 uitgevoerd door middel van een fotoreportage.
Verder voert [appellant sub 1] aan dat er onvoldoende aandacht is besteed aan de potentiële impact van de nieuwbouw op het leefgebied van bodembewonende dieren of de effecten van verlichting en toegenomen verkeersbewegingen op lokale fauna, waaronder vleermuizen.
13.1. De Afdeling stelt vast dat de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 28 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:809, onder 11.2 heeft geoordeeld dat de raad zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wettelijk soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. De Afdeling ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
Het betoog slaagt niet.
Binnenplanse afwijkingsbevoegdheid
14. [appellant sub 1] betoogt dat het plan geen concrete waarborgen bevat om onbedoelde afwijkingen van de vastgestelde bouwgrenzen en bouwhoogtes te voorkomen. Artikel 10 van de planregels biedt de mogelijkheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van de bouwgrenzen en -hoogten. [appellant sub 1] verzoekt om strengere voorwaarden voor afwijking op te nemen in het plan.
14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat strengere afwijkingsvoorwaarde niet nodig zijn. Uit artikelen 10.1 en 10.2 van de planregels blijkt dat het college bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid een afweging moet maken. Het college kan alleen meewerken als er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
14.2. Gelet op de toelichting van de raad ziet de Afdeling in wat [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat concrete waarborgen voor gebruik van de afwijkingsbevoegdheid in het plan ontbreken. In artikel 10.2 van de planregels zijn voldoende voorwaarden opgenomen waaraan moet worden getoetst voor toepassing van de afwijkingsbevoegdheid.
Het betoog slaagt niet.
Waardedaling
15. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan zal leiden tot waardedaling van hun woningen.
15.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant sub 2] en anderen betreft, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Voor een eventueel verzoek om tegemoetkoming in planschade bestaat een afzonderlijke procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden.
Het betoog slaagt niet.
Informatiebijeenkomsten
16. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad te weinig waarde heeft toegekend aan de inbreng van omwonenden tijdens de informatiebijeenkomsten. Vrijwel alle aanwezigen hebben toen aangegeven dat het bouwen van 50 appartementen te intensief zou zijn voor de locatie.
16.1. De Afdeling overweegt met inachtneming van de bovenstaande behandeling van de beroepsgronden, dat de raad geen aanleiding heeft hoeven zien om meer waarde toe te kennen aan de inbreng van [appellant sub 2] en anderen en daarom had moeten kiezen voor een alternatieve invulling van het plan. Dat de wensen van [appellant sub 2] en anderen niet zijn gevolgd, betekent op zichzelf niet dat de raad het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid.
Het betoog slaagt niet.
Negatieve gevolgen sociale woningbouw
17. In het beroepschrift van [appellant sub 2] en anderen wordt door [vier appellanten] aandacht gevraagd voor een aantal negatieve effecten van sociale huurwoningen.
17.1. In het beroepschrift is niet gemotiveerd waarom het besluit tot vaststelling van het plan vanwege dit punt gebrekkig zou zijn. Omdat [appellant sub 2] en anderen niet op de zitting zijn verschenen, heeft de Afdeling ook geen duidelijkheid kunnen krijgen wat precies met deze opmerkingen bedoeld wordt en waarom dit aanleiding zou moeten geven om te oordelen dat het plan onrechtmatig is.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
18. Gelet op wat is overwogen onder 9.3 ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad het besluit van 17 september 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan heeft genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.
19. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak het onder 9.3 geconstateerde gebrek te herstellen.
De raad kan dit doen door alsnog nader te onderbouwen, bijvoorbeeld aan de hand van berekeningen of tellingen van de bestaande verkeersintensiteiten op de wegen rond het plangebied, dat de maximale capaciteit van die wegen niet wordt overschreden als gevolg van het plan.
20. De raad moet de Afdeling en Van Rijselberg en [appellant sub 2] en anderen de uitkomst meedelen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen.
21. In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
draagt de raad van de gemeente Hoeksche Waard op om binnen 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak:
- met inachtneming van overwegingen 9.3 en 19 het daarin geconstateerde gebrek in het besluit van 17 september 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Margrietstraat 2-Graaf Van Egmondstraat 46-48 Oud-Beijerland" te herstellen, en
- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Schadd, griffier.
w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schadd
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
1076