Vreemdelingenrecht

Bij brief van 23 april 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te kennen gegeven dat hij de…

Raad van State, 22 februari 2023

Zaakgegevens

Op 22 februari 2023 heeft de Raad van State in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22 februari 2023
Datum publicatie
21 februari 2023
Zaaknummer
202300085/1/V2
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:RVS:2023:681
E-mail

Samenvatting

Bij brief van 23 april 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te kennen gegeven dat hij de bemiddeling door de Dienst Terugkeer en Vertrek als beëindigd beschouwt.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 9 december 2022

    ECLI:NL:RBDHA:2022:13473
  2. Raad van State · 22 februari 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:RVS:2023:681

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

202300085/1/V2.

Datum uitspraak: 22 februari 2023

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 9 december 2022 in zaak nr. NL22.1318 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij brief van 23 april 2021 heeft de staatssecretaris te kennen gegeven dat hij de bemiddeling door de Dienst Terugkeer en Vertrek als beëindigd beschouwt.

Bij besluit van 30 december 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 9 december 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. N. van Bremen, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1.    Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (de uitspraak van 11 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3454, onder 2.2 tot en met 3.1, over het bestaan van een andere adequate bestuursrechtelijke rechtsgang tegen de beëindiging van de bemiddeling door de Dienst Terugkeer en Vertrek). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.

w.g. Verheij

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Graat

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2023

307-1047