Rechtbank Amsterdam, eerste en enige aanleg europees strafrecht

ECLI:NL:RBAMS:2026:6140

Op 16 June 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam een eerste en enige aanleg procedure behandeld op het gebied van europees strafrecht, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 13-051311-26, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBAMS:2026:6140. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
13-051311-26
Datum uitspraak:
16 June 2026
Datum publicatie:
17 June 2026

Indicatie

Vervolgings-EAB uit Frankrijk. Afgezien van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW, nu er onvoldoende aanknopingspunten zijn met de Nederlandse rechtsorde. Franse detentieomstandigheden: detentiegarantie. Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-051311-26

Datum uitspraak: 16 juni 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 24 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). (Voetnoot 1)

Dit EAB is uitgevaardigd op 17 februari 2026 door de Procureur der Republiek bij de Rechtbank van Amiens, Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] (Frankrijk),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

nu uit anderen hoofde gedetineerd in [detentie-instelling] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

Procesverloop

1
Procesgang

Zitting van 16 april 2026

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 16 april 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.B.J.G.M. Schyns, advocaat in Venlo, en door een tolk in de Franse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. (Voetnoot 2)

De rechtbank heeft de behandeling van het EAB aangehouden tot de zitting van 13 mei 2026 om informatie over de Franse detentieomstandigheden met het oog op de toetsing aan artikel 11 OLW af te wachten.

Zitting van 13 mei 2026

Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen wegens het uitblijven van het transport naar de rechtbank. De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. J.B.J.G.M. Schyns, is wel verschenen. De raadsman heeft verklaard niet door de opgeëiste persoon gemachtigd te zijn om hem in zijn afwezigheid ter zitting te verdedigen. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB daarom aangehouden tot de zitting van 2 juni 2026. De rechtbank heeft ook de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Zitting van 2 juni 2026

Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.B.J.G.M. Schyns, en door een tolk in de Franse taal.

Ook heeft de rechtbank op vordering van de officier van justitie de gevangenneming van de opgeëiste persoon bevolen.

2
Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn achternaam, geboortejaar en geboorteplaats juist zijn, maar dat zijn voornaam enkel [voornaam 1] – en niet [voornaam 2] – is. De rechtbank heeft aan de hand van het dossier en de daarin aanwezige ID-staat met foto van de opgeëiste persoon vastgesteld dat de persoon die is verschenen de opgeëiste persoon is.

3
Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een arrestatiebevel van de rechtbank van Amiens van 27 januari 2026, met parketnummer 22177000001 en dossiernummer JICABJI222000012.

De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. (Voetnoot 3)

4
Strafbaarheid
4.1

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst drie van de vier strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

4.2

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De opgeëiste persoon wordt er in Frankrijk ook van verdacht dat hij tijdens zijn hechtenis op 24 juni 2022 te Abbeville, Frankrijk, heeft geweigerd om de toegangscodes van zijn mobiele telefoon, die tijdens de huiszoeking in beslag was genomen, vrij te geven. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft dit feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.

Het oordeel van de raadsman

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de dubbele strafbaarheid van dit feit.

Het oordeel van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit niet dubbel strafbaar is, zodat de weigeringsgrond van artikel 7, tweede lid, OLW van toepassing is. Echter moet worden afgezien van deze facultatieve weigeringsgrond, omdat het feit geen aanknopingspunten heeft met de Nederlandse rechtsorde. Het feit is begaan in Frankrijk, door een onderdaan van Frankrijk, en het wordt vervolgd door de Franse autoriteiten.

Het oordeel van de rechtbank

Het weigeren om de toegangscodes van de mobiele telefoon vrij te geven kan naar Nederlands recht niet als een strafbaar feit worden gekwalificeerd. Dit brengt met zich mee dat de overlevering op grond van artikel 7, tweede lid onder b, OLW geweigerd kan worden.

Artikel 7, tweede lid, onder b, OLW betreft een facultatieve weigeringsgrond. Dat betekent dat de rechtbank kan afzien van weigering van de overlevering, ook als niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om op de door de officier van justitie aangevoerde gronden van de weigering af te zien.

5
Artikel 11 OLW: Franse detentieomstandigheden

Inleiding

De rechtbank heeft een algemeen gevaar van schending van grondrechten aangenomen voor personen die worden gedetineerd op een mannenafdeling in een Huis van Bewaring in Frankrijk. (Voetnoot 4) Dat algemene gevaar betreft het structurele probleem van overbevolking, waardoor er een reëel risico bestaat dat gedetineerden worden geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan 3 m². Mannelijke verdachten en veroordeelden die een (rest)straf korter dan twee jaar uitzitten, worden in een Huis van Bewaring gedetineerd, en zo ook de opgeëiste persoon. Voor de opgeëiste persoon geldt dus het hiervoor bedoelde algemeen gevaar van schending van zijn grondrechten in detentie in Frankrijk.

Bij e-mail van 20 mei 2026 heeft de Substitut du Procureur de la République au TJ AMIENS – uiteindelijk – onder meer de volgende informatie gegeven over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon na overlevering aan Frankrijk:

“(…) Upon further review, and in light of the detailed analysis conducted by the Amsterdam court in its questions of 1 May 2026, I consider that Beauvais Penitentiary Centre offers objectively better detention conditions than Arras prison with respect to the Dorobantu criteria (…)

(…) Guarantees we are in a position to provide regarding Beauvais Penitentiary Centre:

1. No mattress on the floor: We confirm that no detainee at Beauvais Penitentiary Centre is required to sleep on a mattress on the floor (This information was provided by the French Ministry of Justice — Direction de l'Administration Pénitentiaire (DAP) — as of 1 May 2026, and has been subsequently confirmed today by my direct contact with the Beauvais Penitentiary Centre.)

2. Arrival unit: Upon arrival, [de opgeëiste persoon] will be placed in the quartier arrivants (arrival unit), which has 24 dedicated individual places. This unit systematically provides individual housing during the initial assessment period (minimum one week), in accordance with standard French prison regulations. 3. Minimum personal space: Given the cell characteristics of Beauvais (smallest cells: 8–9 m², minus 1.8 m² sanitary area = 6.2 m² net; minimum space per person if shared with one cellmate: 3.1 m²), we can confirm that, even in the most unfavourable occupancy scenario in the smallest cells, the 3 m² minimum threshold set in Dorobantu (§ 73) is met.

4. No floor-level sleeping: The 138% occupancy rate reflects the assignment of detainees to cells beyond their theoretical capacity, but this does not result in floor-level sleeping arrangements at this facility. (…)”

Standpunt van de raadsman

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de aanvullende informatie van 20 mei 2026 niet volstaat om het individuele gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen, omdat de garantie dat de opgeëiste persoon te allen tijde over ten minste 3 m² persoonlijke leefruimte zal beschikken in strijd is met eerdere verklaringen dat het afgeven van een dergelijke garantie niet mogelijk is. Hierdoor is er volgens de raadsman sprake van tegenstrijdige informatie. De raadsman verzoekt de rechtbank daarom om de overlevering te weigeren op grond van artikel 11 OLW.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet namelijk worden uitgaan van de geboden garantie van 20 mei 2026, die het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt.

Oordeel van de rechtbank

Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de door de Franse autoriteiten gegeven garantie, verstrekt met de aanvullende informatie van 20 mei 2026.

Uit de aanvullende informatie van 20 mei 2026 blijkt dat - na een heroverweging door de Franse autoriteiten - is besloten dat Beauvais Penitentiary Centre betere detentieomstandigheden biedt voor de opgeëiste persoon dan Arras Prison. Na deze vaststelling worden er meerdere garanties specifiek omschreven die in Beauvais Penitentiary Centre gelden voor opgeëiste persoon. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid in Beauvais Penitentiary Centre wordt gedetineerd en dat ten minste 3 m2 persoonlijke leefruimte, exclusief sanitair, wordt gegarandeerd. Ook wordt gegarandeerd dat de opgeëiste persoon niet op de grond zal hoeven slapen.

De omstandigheid dat in een eerdere detentiegarantie van 12 mei 2026 is vermeld dat in Beauvais Penitentiary Centre sommige matrassen op de grond liggen, doet daar niet aan af, omdat de rechtbank haar oordeel baseert op de garanties die zijn afgegeven in de meest recente detentiegarantie. Aangezien in de meest recente detentiegarantie van 20 mei 2026 wordt gegarandeerd dat de opgeëiste persoon niet op een matras op de grond zal hoeven slapen, gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie in het kader van de afgegeven garantie.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Beslissing

6
Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7
Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8
Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Procureur der Republiek bij de Rechtbank van Amiens (Frankrijk) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. M. Scheeper, voorzitter,

mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters,

in tegenwoordigheid van E. Mulder, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 juni 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoot

Voetnoot 1

Zie artikel 23 OLW.

Voetnoot 2

Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.

Voetnoot 3

Zie onderdeel e) van het EAB.

Voetnoot 4

Rechtbank Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5749 en Rb. Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5751.