Rechtbank Amsterdam, eerste en enige aanleg europees strafrecht

ECLI:NL:RBAMS:2026:8758

Op 1 September 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam een eerste en enige aanleg procedure behandeld op het gebied van europees strafrecht, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 13-153441-26, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBAMS:2026:8758. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
13-153441-26
Datum uitspraak:
1 September 2026
Datum publicatie:
2 September 2026

Indicatie

Belgisch vervolgings-EAB. Specialiteitsbeginsel voldoende gewaarborgd. Lijstfeit. Dubbele strafbaarheid. Accessoire overlevering. Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-153441-26

Datum uitspraak: 1 september 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 30 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). (Voetnoot 1)

Dit EAB is uitgevaardigd op 24 april 2026 door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] ,

[adres] ,

nu gedetineerd in [de penitentiaire inrichting] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

Procesverloop

1
Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. E.M. Rengelink, advocaat in Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn (Voetnoot 2) waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. (Voetnoot 3)

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2
Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3
Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een bevel tot aanhouding bij verstek afgeleverd door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven van 24 april 2026, met referentie: 1038/24.

De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. (Voetnoot 4)

3.1

Genoegzaamheid

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is, omdat de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij alle incidenten die worden toegeschreven aan de criminele organisatie niet voldoende blijkt. De raadsman heeft verzocht om de overlevering uitsluitend toe te staan voor het incident van 21 april 2025 en voor de overige incidenten te weigeren.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is en de overlevering kan worden toegestaan.

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het EAB een genoegzame omschrijving van de feiten bevat. Uit de feitomschrijving volgen de pleegplaats, pleegdatum en rol van de opgeëiste persoon bij de feiten. Hierdoor is het voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht, zal later in België moeten blijken. Dit betekent ook dat een bewijsverweer ter beoordeling staat aan de Belgische strafrechter en niet tot weigering van de overlevering kan leiden.

Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel voldoende gewaarborgd. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

4
Strafbaarheid
4.1

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het tweede en derde strafbare feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:

opzettelijke brandstichting.

Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.

Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.

4.2

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het vierde feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

De rechtbank stelt vast dat hier ten aanzien van het vierde feit aan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

deelneming aan een criminele organisatie.

4.3

Accessoire overlevering

De rechtbank stelt vast dat het eerste feit niet aan het vereiste van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, OLW voldoet, nu op dat feit naar Belgisch recht een strafmaximum van drie maanden staat. Dit feit voldoet dus niet aan het vereiste dat op een feit waarvoor de overlevering wordt verzocht in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld. Dit feit is overigens wel strafbaar naar Nederlands recht en levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het bepaalde in artikel 7, zesde lid, OLW ook voor dit feit de overlevering kan worden toegestaan. Het EAB heeft immers ook betrekking op feiten die wel voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de straf, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, OLW. Overlevering kan daarom voor dit feit gelijktijdig worden toegestaan met de feiten die zijn aangeduid als een zogenoemd lijstfeit en het feit dat voldoet aan de eisen van dubbele strafbaarheid.

De rechtbank overweegt dat door accessoire overlevering alle beschuldigingen tegen de opgeëiste persoon hierdoor tegelijk kunnen worden afgedaan. Dit is in het belang van een effectieve rechtspleging en – omdat mogelijk een strafoplegging volgt na overlevering – het belang om straffeloosheid zoveel mogelijk te voorkomen. Dat alle beschuldigingen tegelijk worden afgedaan is naar het oordeel van de rechtbank ook in het belang van de opgeëiste persoon.

5
De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit, maar heeft zich niet beroepen op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. Daarom zal de rechtbank overlevering niet afhankelijk maken van de verstrekte terugkeergarantie.

6
Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden

Inleiding

Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. (Voetnoot 5)

De rechtbank stelt vast dat bij brief van 2 juli 2026, afkomstig van de Directeur-generaal bij het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit, de volgende detentiegarantie is verstrekt voor de opgeëiste persoon:

“1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Leuven Hulp indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm. o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van artikel 11 OLW.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie afdoende is en dat de overlevering kan worden toegestaan.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, gelet op de individuele garantie van de Belgische autoriteiten van 2 juli 2026, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende omstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie van 2 juli 2026 is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit.. Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. (Voetnoot 6)

De rechtbank is, gelet op de toezeggingen van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden).

Beslissing

7
Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.

8
Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 140, 285 Wetboek van Strafecht en 2, 5, 7 OLW.

9
Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. E. de Rooij, voorzitter,

mrs. A.B.M. Wijnveldt en C.M.S. Loven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 september 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoot

Voetnoot 1

Zie artikel 23 OLW.

Voetnoot 2

De beslistermijn is aangevangen op 19 juni 2026.

Voetnoot 3

Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.

Voetnoot 4

Zie onderdeel e) van het EAB.

Voetnoot 5

ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.

Voetnoot 6

HvJ EU van 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 (Generalstaatsanwaltschaft (detentieomstandigheden in Hongarije)), punt 114..