Rechtbank Amsterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBAMS:2025:10748

Op 19 December 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 13/210300-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBAMS:2025:10748. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
13/210300-25
Datum uitspraak:
19 December 2025
Datum publicatie:
7 January 2026

Indicatie

Gevangenisstraf 24 maanden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/210300-25

Datum uitspraak: 19 december 2025

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007,

wonende op het [adres] ,

nu gedetineerd in het [detentieplaats] .

1
Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 december 2025.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.T. Haak, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.L. van Gaalen, naar voren hebben gebracht.

Er wordt gelijktijdig vonnis gewezen in de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (13/190524-25) en [medeverdachte 2] (13/190528-25).

2
Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij op of omstreeks 21 juni 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een horloge van het merk Rolex, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 1] in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] tonen en/of op die [benadeelde partij 1] en/of die [benadeelde partij 2] gericht houden en/of

- het doorladen van dat vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp;

Feit 2

hij op of omstreeks 21 juni 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (omgebouwd) vuurwapen van het merk FÉG, model FP9, kaliber 9 x 19mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3
Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4
Waardering van het bewijs
4.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – met verwijzing naar het schriftelijk requisitoir – gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Verdachte kan niet in voldoende mate gelinkt worden aan de beroving. Hij is niet herkend op beelden. Daarnaast is niet duidelijk dat het snapchataccount aan hem kan worden toegeschreven.

4.3

Oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aangever [benadeelde partij 1] op 21 juni 2025 medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , die zich verplaatsten op een scooter, heeft aangereden met zijn auto, een rode Dodge Raptor. De verklaringen over hetgeen zich voorafgaand aan deze aanrijding heeft afgespeeld, lopen uiteen. Aangever heeft verklaard dat hij in zijn auto, onder bedreiging met een vuurwapen, beroofd is van een Rolex horloge, waarna hij de op een scooter weggevluchte daders heeft achtervolgd en uiteindelijk aangereden. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij achterop de scooter zat bij medeverdachte [medeverdachte 1] toen zij uit het niets werden aangereden.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van aangever [benadeelde partij 1] en getuige [benadeelde partij 2] niet betrouwbaar zijn, waarbij onder andere is gewezen op enkele inconsistenties. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat terughoudendheid gepast is met betrekking tot deze verklaringen. De rechtbank zal dan ook alleen uitgaan van deze verklaringen voor zover de desbetreffende onderdelen uit die verklaringen worden ondersteund door andere onderzoeksresultaten.

Hoewel dit ertoe leidt dat de rechtbank op basis van die verklaringen niet de overtuiging heeft gekregen dat er daadwerkelijk een Rolex is weggenomen, acht de rechtbank wel bewezen dat aangever in zijn auto, onder bedreiging met een vuurwapen, van enig goed is beroofd door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] . Daarvoor is het volgende redengevend.

De verklaring van aangever dat hij, samen met een bekende voorin zijn auto zittend, beroofd is door twee personen die achter in zijn auto stapten en er na de beroving uitsprongen en wegrenden vindt steun in de verklaring van getuige [benadeelde partij 2] en in de camerabeelden van de [bedrijf] Een van deze personen vertoont volgens de politie gelijkenissen met verdachte.

De rechtbank stelt vast dat het daadwerkelijk verdachte is geweest die aangever samen met [medeverdachte 2] heeft beroofd met een vuurwapen op basis van de verklaring van getuige [benadeelde partij 2] dat hij het contact heeft gelegd met een van de “kopers”, ene [naam 1] die hij kent van vroeger. In de telefoon van [benadeelde partij 2] staat het telefoonnummer van verdachte opgeslagen onder de naam [initiaal] . Ook blijkt het snapchataccount [accountnaam] , dat wordt toegeschreven aan verdachte, in de telefoon opgeslagen als [naam 1] . Op een in beslag genomen telefoon die aan medeverdachte [medeverdachte 2] toe te schrijven is, is een op 21 juni 2025 gevoerd Snapchat gesprek aangetroffen met het account [accountnaam] (met gebruikersnaam [naam 1] ). De gebruiker van de in beslag genomen telefoon heeft [naam 2] als gebruikersnaam. Hierbij worden, onder andere, de volgende berichten gestuurd:

[naam 1] : Ik pak nu die P boven (15:47 uur)

[naam 1] : kom via die andere weg (16:08 uur)

[naam 2] : [plaats] ? (16:08 uur)

[verdachte] : ja, (...) rode raptor, stap in (16:08)

(...)

[verdachte] : Zeg geef het, pas als je, erin zit, trekken (16:09)

Deze berichten zijn redengevend voor de conclusie dat verdachte een vuurwapen (“die P”) heeft gehaald en deze heeft overhandigd aan medeverdachte [medeverdachte 2] , die hij heeft geïnstrueerd hoe hij aangever moest beroven (“rode raptor, stap in (…) Zeg geef het, pas als je erin zit trekken”). Uit de verklaring van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en uit de camerabeelden van de [bedrijf] volgt dat vervolgens verdachte en [medeverdachte 2] daadwerkelijk zijn ingestapt bij aangever en kort daarna haastig het voertuig weer hebben verlaten, waarna [benadeelde partij 1] , zoals hij zelf ook verklaarde, met zijn auto is weggereden achter de daders aan. Deze feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de conclusie dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] een gezamenlijk plan hadden om de inzittende(n) van het voertuig onder bedreiging van een wapen van een goed te beroven en vervolgens dat plan ook daadwerkelijk samen hebben uitgevoerd. Dat het medeverdachte [medeverdachte 2] was die met verdachte de beroving heeft gepleegd, vindt tot slot bevestiging in het aantreffen van DNA dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden toegeschreven aan [medeverdachte 2] op de ruwe delen van het vuurwapen dat op de plaats van de aanrijding is aangetroffen.

Niet bewezen kan worden dat het vuurwapen doorgeladen is. Van dit onderdeel in de tenlastelegging wordt verdachte vrijgesproken.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een diefstal met geweld en het voorhanden hebben van een vuurwapen.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft ter terechtzitting – indien de rechtbank het proces-verbaal van bevindingen betreffende camerabeelden van de [straatnaam] van 21 juni 2025 tot het bewijs bezigt – verzocht de zaak aan te houden teneinde te gelasten dat de verdediging die beelden wordt verstrekt om de conclusies uit het proces-verbaal op juistheid te controleren.

Op het voorwaardelijk verzoek van de raadsman hoeft niet te worden beslist, nu het proces-verbaal niet tot het bewijs wordt gebezigd.

5
Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Feit 1:

op 21 juni 2025 te Amsterdam,

tezamen en in vereniging met een ander

enig goed, dat

aan [benadeelde partij 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich

wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld

van bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te

maken door

- een vuurwapen aan die [benadeelde partij 1]

en/of [benadeelde partij 2] te tonen en/of op die [benadeelde partij 1] en/of die [benadeelde partij 2] gericht te

houden

Feit 2:

op 21 juni 2025 te Amsterdam

tezamen en in vereniging met anderen

een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te

weten een vuurwapen zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6
Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7
De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8
De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

Overwegingen

9
Motivering van de straf
9.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 17 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen bijzondere voorwaarden, te weten een locatiegebod en -verbod met elektronische monitoring en een contactverbod met aangever en de medeverdachten, te worden verbonden.

9.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om, in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten niet overschrijdt. Verdachte dient als een first offender te worden beschouwd en zal zich houden aan de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd.

9.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich als medepleger schuldig gemaakt aan diefstal onder dreiging van een vuurwapen. Hoewel onduidelijk is gebleven welk goed er is weggenomen doet dat aan de ernst van het feit niets af. Dit soort feiten heeft een enorme impact op de slachtoffers en brengt gevoelens van onveiligheid in de samenleving teweeg. Verdachte heeft niet willen verklaren over hoe hij tot zijn daad is gekomen, zodat de rechtbank het ervoor houdt dat hij, op het oog op lichtzinnige wijze, tot zijn daad is overgaan uit eigen gewin.

Daarnaast heeft verdachte samen met zijn mededaders het vuurwapen dat bij de beroving is gebruikt voorhanden gehad. Vuurwapens vormen een groot gevaar voor de samenleving. Het onbevoegd voorhanden hebben daarvan maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dat is ook in deze zaak weer gebleken.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 19 september 2025. Er is geen sprake van eerdere – voor deze zaak relevante – veroordelingen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 29 oktober 2025. De reclassering ziet diverse risicofactoren, zoals het sociaal netwerk, de financiële situatie en (het gebrek aan) dagbesteding. De moeder en zus van verdachte kunnen als beschermende factoren worden aangemerkt. De reclassering schat de risico’s op recidive en letsel in als gemiddeld en het risico op onttrekken aan voorwaarden als laag. Zij adviseren een deels voorwaardelijke straf met oplegging van bijzondere voorwaarden.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Op basis hiervan neemt de rechtbank als uitgangspunt voor de strafmaat een gevangenisstraf van 24 maanden. De rechtbank stelt vast dat er sprake is van eendaadse samenloop tussen de beroving en het vuurwapenbezit. Anderzijds heeft verdachte de feiten in vereniging gepleegd, hetgeen strafverzwarend is. Al met al ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het eerdergenoemde uitgangspunt en aan verdachte een lagere of deels voorwaardelijke straf op te leggen. Zij acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

De rechtbank legt hiermee een zwaardere straf op dan door de officier van justitie is geëist. Dat is ten eerste omdat de rechtbank de ernst van het feit zwaarder weegt. Ten tweede geeft de rechtbank bij straffen van deze duur er de voorkeur aan om in het kader van de VI-regeling te beoordelen of het wenselijk is verdachte langer onder toezicht van de reclassering te houden (en zo ja, onder welke voorwaarden) in plaats van nu een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Eventuele voorwaarden bij de VI kunnen tegen die tijd ook meer op maat worden gesneden. Bij een onvoorwaardelijke straf van 24 maanden kan verdachte in beginsel na 16 maanden in aanmerking komen voor een voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

10
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 47, 55 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

11
Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 en feit 2:

eendaadse samenloop van

diefstal met geweld, in vereniging gepleegd,

en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Smit, voorzitter,

mrs. B. Vogel en G.J.M. Kruizinga, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.M.S. Kamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 december 2025.