Rechtbank Amsterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBAMS:2026:1160

Op 4 February 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 13/059083-24 (A) en 13265952-23 (B), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBAMS:2026:1160. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
13/059083-24 (A) en 13265952-23 (B)
Datum uitspraak:
4 February 2026
Datum publicatie:
5 February 2026

Indicatie

Veroordeling voor het bezit van kinderpornografisch materiaal en daarvan een gewoonte maken, gedurende een periode van drie jaar en voor het seksueel corrumperen van een tweejarig meisje.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/059083-24 (A) en 13265952-23 (B)

Datum uitspraak: 4 februari 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1
Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 januari 2026.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N. Levinsohn, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G.J. van Oosten, naar voren hebben gebracht.

2
Tenlastelegging

Verdachte wordt er, na de wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 21 januari 2026 – kort gezegd – van beschuldigd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

in zaak A

het verwerven en/of bezitten van 14.840 kinderpornografische foto’s en/of video’s, in de periode van 20 november 2020 tot en met 3 oktober 2023, en dat hij van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;

in zaak B

primair: seksueel corrumperen van een minderjarige, gepleegd op 1 oktober 2023, ten aanzien van [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), door in de nabijheid en/of in het zicht van [slachtoffer] te gaan staan, zijn, verdachtes, broek naar beneden te trekken en/of zijn penis uit zijn broek te halen en/of zijn penis aan die [slachtoffer] te tonen. Subsidiair is dit feit ten laste gelegd als schennis van de eerbaarheid.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3
Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4
Waardering van het bewijs
4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het in zaak A en in zaak B primair ten laste gelegde.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het in zaak B primair ten laste gelegde. Voor een bewezenverklaring van seksueel corrumperen is onder meer vereist dat je een minderjarige ertoe beweegt getuige te zijn van ‘seksuele handelingen’. Het tonen van je geslachtsdeel valt daar niet onder. Met een te ruime interpretatie van het bestanddeel ‘seksuele handelingen’, komt het onderscheid tussen de artikelen 248d (oud) en 239 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) te vervallen. Wel vallen de handelingen onder de delictsomschrijving van schennis van de eerbaarheid, het subsidiair ten laste gelegde.

De raadsman heeft verder gesteld dat de beschuldiging in zaak A, een gewoonte maken van het bezit van kinderpornografisch materiaal, bewezen kan worden verklaard.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Ten aanzien van zaak B

4.3.1.1 Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. (Voetnoot 1)

Verklaring van aangever

Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij op 1 oktober 2023 met zijn vriendin, hun dochter van bijna twee jaar en hun zoon van acht jaar in het tuincentrum Ranzijn in Aalsmeer was. Zij stonden bij een tafel met pompoenen en raakten daar kort in gesprek met een jongen, die daar werkte. Daarna liep deze jongen weg in de richting van een stelling gevestigd bij een doorgang. De dochter van aangever stond in de buurt van die doorgang. Aangever zag vervolgens bij de doorgang dezelfde jongen staan. Aangever zag dat hij zijn geslachtsdeel uit zijn broek had. De jongen stond met de voorzijde van zijn lichaam naar de dochter gericht. Hij hield zijn handen bij de voorzijde van zijn broek en hield zijn broek naar beneden. Aangever heeft de jongen toen aangesproken. (Voetnoot 2)

De dochter van aangever is op [geboortedatum] geboren. (Voetnoot 3)

Verklaring van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting van 21 januari 2026 verklaard de ten laste gelegde handelingen te hebben gepleegd. Verdachte heeft verder verklaard dat het laten zien van zijn geslachtsdeel aan het meisje in een opwelling is gebeurd. Op de vraag welk gevoel daar voor verdachte achter schuil ging, antwoordde verdachte dat het ging om de kick, de seksuele opwinding. (Voetnoot 4)

4.3.1.2 Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de in de tenlastelegging genoemde feitelijke handelingen, namelijk dat verdachte in de nabijheid en in het zicht van de minderjarige [slachtoffer] is gaan staan en dat hij vervolgens zijn ontblote geslachtsdeel heeft laten zien aan die [slachtoffer] .

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe deze handelingen juridisch gekwalificeerd moeten worden. De officier van justitie vindt dat sprake is van seksueel corrumperen van een minderjarige (artikel 248d (oud) Sr). De raadsman heeft gesteld dat met deze handelingen sprake is van het subsidiair ten laste gelegde schennis van de eerbaarheid (artikel 239 (oud) Sr), omdat met het tonen van je geslachtsdeel geen sprake is van ’seksuele handelingen’.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, seksueel corrumperen van een minderjarige op grond van artikel 248d (oud) Sr, is het volgende van belang.

De strafbaarstelling opgenomen in artikel 248d (oud) Sr geeft uitvoering aan het bepaalde in artikel 22 van het Verdrag van Lanzarote, waarin wordt gesproken over het opzettelijk getuige laten zijn van seksueel misbruik óf seksuele activiteiten. Artikel 22 van het Verdrag beoogt het kind te beschermen tegen schadelijke invloeden op de persoonlijke en seksuele ontwikkeling. (Voetnoot 5) Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat, ter uitvoering van het Verdrag er in artikel 248d (oud) Sr voor gekozen is het ruime begrip ‘seksuele handelingen’ op te nemen, dat mede ontuchtige handelingen kan omvatten. Die ruime uitleg is ingegeven juist vanuit de beschermingsgedachte van deze bepaling en het onderliggende Verdrag. (Voetnoot 6)

Hoewel de artikelen 239 (oud) Sr en 248d (oud) Sr enige overlap kennen, zijn er ook duidelijke verschillen. Zo is er verschil in de te beschermen belangen. Schennis van de eerbaarheid ziet op gedragingen die voor het algemeen schaamtegevoel als kwetsend moeten worden aangemerkt, terwijl bij seksueel corrumperen van een minderjarige bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik centraal staat. Daarnaast kan het bij schennis van de eerbaarheid gaan om een onverhoedse confrontatie met een minderjarige terwijl het bij seksueel corrumperen gaat om het bewust opzoeken van de confrontatie met een minderjarige.

Uit het dossier blijkt dat verdachte naar de minderjarige is toegelopen, dat hij in haar nabijheid en in het zicht van de minderjarige is gaan staan, dat hij zijn broek heeft laten zakken en vervolgens zijn geslachtsdeel heeft ontbloot en getoond. Voor verdachte gaf het tonen van zijn geslachtsdeel aan een minderjarige een seksuele opwinding. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zo te handelen bewust de confrontatie met de minderjarige heeft opgezocht.

Gelet op de ruime uitleg van het begrip ‘seksuele handelingen’, op de hiervoor beschreven context waarin verdachte zijn ontblote geslachtsdeel heeft laten zien aan de minderjarige én gelet op de verklaring van verdachte zelf over zijn seksuele opwinding, is de rechtbank van oordeel dat de handelingen van verdachte kunnen worden gekwalificeerd als ‘seksuele handelingen’ in de zin van artikel 248d (oud) Sr. Verdachte heeft de minderjarige [slachtoffer] met ontuchtig oogmerk ertoe bewogen getuige te zijn van deze handeling. Verdachte heeft willens en wetens gehandeld in strijd met de sociaal-ethische norm.

De rechtbank vindt het primair ten laste gelegde bewezen.

4.3.2

Ten aanzien van zaak A

Verdachte wordt er in zaak A van beschuldigd dat hij in de periode van 20 november 2020 tot en met 3 oktober 2023, 14.840 kinderpornografische foto’s en/of video’s heeft verworven en/of in bezit heeft gehad en dat hij van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt. Verdachte heeft dit feit bij de politie, maar ook ter terechtzitting van 21 januari 2026 bekend. De rechtbank vindt het in zaak A ten laste gelegde bewezen.

Nu de raadsman voor dit feit geen vrijspraak heeft bepleit, kan op grond van artikel 359, derde lid, Sv met de hierna genoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan:

het proces-verbaal ter terechtzitting van 21 januari 2026, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;

het proces-verbaal binnentreden woning met nummer 2023224599-2, p. 02 002 t/m 02 003;

een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2023224599-3, p. 02 005 t/m 02 006;

een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2023224599-4, p. 02 010;

een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2023222530-8, p. niet doorgenummerd;

een proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal met documentcode 18649354, met bijlagen, p. 04 001 t/m 04 009;

een proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal met documentcode 18646075, met bijlagen, p. 04 010 t/m 04 023.

5
Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van zaak A:

in de periode van 20 november 2020 tot en met 3 oktober 2023 te Aalsmeer en/of Uithoorn, althans in Nederland, meermalen, afbeeldingen - en/of gegevensdragers, bevattende afbeeldingen - te weten

computers (Acer Laptops, goednummer 6404179 en goednummer 6404180 en een MSI Laptop, goednummer 6404192) en een harddisk (Seagate, goednummer 6404170) en een telefoon (Samsung, goednummer 6402627)

14.840, kinderpornografische foto’s en/of kinderpornografische video’s

van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verworven en in bezit heeft gehad en zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft,

welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

het met een penis en/of (een) voorwerp(en) oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

(bestand #06, pvb eerste onderzoek p. 04 003/04 005/04 009 en/of bestand #01 en/of #02 en/of #03 en/of #10 en/of #11 en/of #12, pvb tweede onderzoek p. 04 013/04 014/04 015/04 017/04 022/04 023)

en

het met een vinger/hand en/of de mond/tong betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel en/of de billen en/of de borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

(bestand #01 en/of #02 en/of #04, pvb tweede onderzoek p. 04 013/04 014/04 018/04 022)

en

het door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt likken, in de mond nemen, betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel van een dier

(bestand #13, pvb tweede onderzoek p. 04 015/04 019/04 023)

en

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of opgemaakt is en/of poseert in een omgeving, en/of in een (erotisch getinte) houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van die persoon in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

(bestand #01 en/of #02 en/of #03 en/of #04 en/of #05 en/of #08, pvb eerste onderzoek p. 04 003/04 006/04 008/04 009 en/of bestand #05 en/of #06 en/of #07 en/of #09 en/of #14 en/of #15 en/of #16, pvb tweede onderzoek p. 04 014/04 015/04 020/04 022/04 023)

en

het masturberen bij en/of ejaculeren op het gezicht en/of lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

en/of

het houden van een (stijve) penis bij/naast het gezicht en/of lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij op dat gezicht en/of lichaam een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

(bestand #07, pvb eerste onderzoek p. 04 003/04 006/04 009 en/of bestand #01 en/of #02, pvb tweede onderzoek p. 04 013/04 014/04 020/04 022)

en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;

ten aanzien van zaak B:

op 1 oktober 2023 te Aalsmeer, een persoon, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ) van wie hij wist dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen, door:

in de nabijheid en in het zicht van die [slachtoffer] achter een stellage, en

met zijn, verdachtes lichaam in de richting van die [slachtoffer] te gaan staan en

vervolgens zijn, verdachtes broek naar beneden te trekken en zijn, verdachtes, penis uit zijn, verdachtes broek te voorschijn te halen en te tonen aan die [slachtoffer] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6
De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7
De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte (volledig) uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. De rechtbank komt hierna in paragraaf 8.3.2 nader te spreken over de persoon van verdachte en de mate waarin de bewezen verklaarde feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Overwegingen

8
Motivering van de straffen
8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar in zaak A en in zaak B primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 10 jaren. De officier van justitie heeft daarbij verzocht de bijzondere voorwaarden op te leggen zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft subsidiair verzocht, indien niet wordt meegegaan in de eis om een proeftijd van 10 jaren op te leggen, aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) op te leggen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en aan hem geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De raadsman heeft verzocht aan een eventueel voorwaardelijk strafdeel een proeftijd van 10 jaren te koppelen. Een proeftijd van een dergelijk lange duur doet recht aan de maatschappij en aan verdachte.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

8.3.1

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich gedurende drie jaar schuldig gemaakt aan het verwerven en in bezit hebben van kinderpornografisch materiaal. Verdachte heeft daar een gewoonte van gemaakt, hetgeen strafverzwarend is. Bij kinderporno wordt op zeer grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van de betrokken kinderen. Kinderen dienen hiertegen te allen tijde te worden beschermd. Verdachte heeft door het verwerven en in bezit hebben van kinderpornografische afbeeldingen actief bijgedragen aan het in stand houden van de wereldwijde, zeer kwalijke en schadelijke kinderporno-industrie.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan seksueel corrumperen van een minderjarige, door zijn ontblote geslachtsdeel aan een (bijna) tweejarig meisje te laten zien. Ook dit is een zeer kwalijk feit, omdat het schadelijk is voor de persoonlijke en seksuele ontwikkeling van het kind.

8.3.2

De persoon van verdachte

8.3.2.1. Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 14 november 2025, waaruit blijkt dat verdachte in 2016 is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van vier jaren, voor het plegen van schennis van de eerbaarheid. Ook is verdachte in 2011 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van vier jaren, voor schennis van de eerbaarheid. In datzelfde jaar is hij veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met wederom een proeftijd van vier jaren, voor het plegen van een poging tot ontucht en het bezit van kinderpornografisch materiaal. Deze eerdere veroordelingen wegen voor de rechtbank strafverzwarend mee.

Verdachte is met de onderhavige feiten wederom gerecidiveerd. De seksuele gevoelens die verdachte ten aanzien van minderjarigen heeft, heeft hij blijkbaar nog altijd niet onder controle. De eerder aan hem opgelegde voorwaardelijke straffen met bijzondere voorwaarden, waaronder behandeling bij De Waag en reclasseringstoezicht, hebben niet geleid tot voldoende gedragsverandering bij verdachte. Dit is zorgwekkend.

8.3.2.2. Is sprake van een stoornis en hoe was dat ten tijde van het ten laste gelegde?

De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of zij (1) kan vaststellen dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, (2) of deze bestond ten tijde van het begaan van de feiten, (3) of de stoornis van invloed is geweest op het bewezen verklaarde en in dat kader in hoeverre de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Bij het beantwoorden van die vragen heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het NIFP Consult van GZ-psycholoog de heer Oudejans van 11 maart 2024 (opgemaakt ten behoeve van onderhavige zaak A), waarin wordt gerefereerd aan de eerder in 2011 door het NIFP gestelde diagnose: exhibitionisme en pedofilie. Het consult uit 2024 geeft geen reden om vraagtekens te zetten bij deze diagnose, aldus Oudejans. Uit het consult blijkt verder het volgende. Verdachte is 13 jaar lang in een verplicht justitieel kader door de reclassering begeleid. Dit traject is, met inbegrip van de medicamenteuze behandeling (met libidoremmende medicatie) vier jaar voorafgaand aan het consult beëindigd. Verdachte is goed in beeld als het gaat om de (hoofd)diagnostiek, maar ook als het gaat om de (vereiste) behandeling. Er is sprake van een eenduidige delictanalyse: zolang de pedoseksuele fantasieën en impulsen medicamenteus onderdrukt worden, blijft verdachte uit de gevarenzone. Wanneer verdachte de libidoremmende medicatie staakt, is hij onvoldoende in staat zijn pedoseksuele fantasieën en impulsen te reguleren en te controleren. Verdachte heeft oog voor het rechtstreekse verband tussen het staken van de libidoremmende medicatie en de sterk verhoogde kans op recidive en zegt zich voorgenomen te hebben deze medicatie levenslang te nemen.

Verdachte heeft de uitkomsten van dit consult ter terechtzitting van 21 januari 2026 bevestigd.

Oordeel van de rechtbank

Op basis van het NIFP consult van GZ-psycholoog Oudejans en zijn verwijzing naar de eerder door het NIFP gestelde diagnose, én gelet op de aard van de bewezen verklaarde feiten, de langdurige periode waarin de feiten zijn gepleegd, namelijk van november 2020 tot en met 3 oktober 2023 (de dag dat verdachte werd aangehouden), en de eerdere veroordelingen voor zedenfeiten, ziet de rechtbank voldoende grond om tot de vaststellingen te komen dat de kans op herhaling hoog is en dat:

(1) bij verdachte sprake is van exhibitionisme en een pedofiele stoornis;

(2) ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten de stoornis bij verdachte aanwezig was;

(3) voorts aannemelijk is dat de stoornis in enigerlei mate heeft doorgewerkt in de bewezen verklaarde feiten, zodat deze in enigszins verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

8.3.3.

Op te leggen straffen

8.3.3.1. Voorwaardelijk gevangenisstraf met een proeftijd van 10 jaar

Bij het vaststellen van de strafmaat en de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank

enerzijds de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte meegewogen. De rechtbank heeft hierbij gekeken naar de oriëntatiepunten van de LOVS. De LOVS hanteert voor het maken van een beroep of gewoonte van het bezit van kinderporno als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar.

Anderzijds heeft de rechtbank, in strafmatigende zin, rekening gehouden met de vaststelling dat de feiten in enigszins verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de reclasseringsrapporten van 2 juli 2024, 31 juli 2025 en het verslag van 12 januari 2026. Deze rapporten zijn opgemaakt in het kader van het schorsingstoezicht van verdachte. Sinds 22 februari 2024 staat verdachte onder behandeling en begeleiding van de reclassering. Uit de rapporten blijkt onder meer het volgende.

Verdachte heeft, in het kader van het schorsingstoezicht, onder behandeling bij De Waag gestaan. Uit informatie van zowel de politie, de behandelaar als de toezichthouder blijkt dat verdachte zich meer open heeft gesteld dan voorheen. Verdachte is in het verleden seksueel misbruikt door zijn vader en praat hier nu over. Zijn behandelaar geeft te kennen dat dit trauma mogelijk van invloed is op zijn eigen delictgedrag.

Uit de meest recente update van de reclassering van 12 januari 2026 blijkt dat verdachte zijn behandeling bij de Waag positief heeft afgerond en dat verdachte de afgelopen drie maanden laag heeft gescoord op de ACUTE (risicotaxatie instrument dat de acuut dynamische risico’s meet).

Verdachte heeft een intensieve therapie gevolgd bij Psytrec, gericht op verschillende traumata, waaronder seksueel misbruik gepleegd door zijn vader. In een vrijwillig kader neemt verdachte deel aan COSA (Cirkels voor Ondersteuning, Samenwerking en Aanspreekbaarheid, een aanpak van de reclassering voor zedendaders).

De reclassering benadrukt het belang van het gebruik van libidoremmende medicatie. Wanneer verdachte het gebruik van deze medicatie staakt, recidiveert hij. Verdachte is zich hiervan bewust en zegt bereid te zijn de libidoremmende medicijnen levenslang te blijven slikken. De reclassering heeft daarom benadrukt dat het belangrijk is dat verdachte onder toezicht van de reclassering blijft staan, zodat hij zijn behandeling voort kan zetten en hij onder toezicht kan blijven. Om verdachte langdurig te kunnen begeleiden, adviseert de reclassering een voorwaardelijke straf op te leggen met een proeftijd voor de duur van tien jaren.

De reclassering ziet contra-indicaties voor het opleggen van een gevangenisstraf, vanwege het destabiliserende effect ervan. De reclassering verwacht dat een gevangenisstraf eerder recidive-verhogend zal zijn, dan verlagend. Het is van belang dat verdachte de ingeslagen weg voortzet en zich in blijft zetten voor het reclasserings- en het COSA-traject. Verdachte heeft ter terechtzitting van 21 januari 2026 verklaard over zijn grote angst voor gevangenisstraf, vanwege de agressie van medegedetineerden ten aanzien van zedendelinquenten, die hij zelf ook eerder aan den lijve heeft ondervonden.

Alles afwegende vindt de rechtbank het opleggen van een langdurige voorwaardelijke gevangenisstraf passend en nodig. Een groot voorwaardelijk strafdeel heeft een afschrikkende werking en dient als stok achter de deur.

Lange proeftijd, voor de duur van 10 jaren

De reclassering heeft geadviseerd om aan een voorwaardelijk strafdeel een proeftijd van 10 jaren te koppelen. Zowel de officier van justitie, als de raadsman en verdachte hebben de rechtbank verzocht aan verdachte een proeftijd van 10 jaren op te leggen.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Op grond van artikel 14b, lid 2, Sr bedraagt de maximumduur van de proeftijd – in beginsel – drie jaar. De proeftijd kan ten hoogste tien jaren bedragen indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat ‘gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen’.

Als gevolg van de Wet seksuele misdrijven (i.w.tr. op 1 juli 2024) is aan het tweede lid van artikel 14d Sr toegevoegd dat onder ‘gericht zijn tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen’ voor de toepassing van dit artikel mede wordt begrepen het misdrijf kinderpornografie zoals opgenomen in het nieuwe artikel 252 Sr. In de Memorie van Toelichting bij de Wet seksuele misdrijven (Voetnoot 7) heeft de wetgever, ter verantwoording van de voorgestelde wetswijziging, benadrukt dat plegers van het misdrijf kinderpornografie op veel langere termijn dan drie jaar recidiveren, waardoor zij langere begeleiding en controle door de reclassering moeten kunnen krijgen.

De pleegperiode van het onderhavige feit in zaak A (2020-2023), het bezit van kinderpornografisch materiaal, ligt vóór de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven, op 1 juli 2024. Dit roept de vraag op of sprake is van schending van het in artikel 1 Sr verankerde ‘legaliteitsbeginsel’ (Voetnoot 8), wanneer de huidige bepaling wordt toegepast op de zaak van verdachte. Het tweede lid van artikel 1 Sr bepaalt immers dat bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, de voor verdachte gunstige bepalingen worden toegepast. Dit zou betekenen dat een maximale proeftijd van drie jaar zou gelden. Het opleggen van een proeftijd van tien jaren, naar huidig recht, zou een verzwaring van de straf opleveren.

Toch legt de rechtbank aan verdachte een proeftijd van tien jaar op. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank voornoemde wetswijziging van 1 juli 2024 alsmede de Memorie van Toelichting bij die wet (waarbij het belang van een langere proeftijd ook bij het misdrijf kinderpornografie wordt onderstreept), de vastgestelde (hardnekkige) psychische problematiek van verdachte, het feit dat verdachte de afgelopen jaren meerdere keren is gerecidiveerd, het gevaar voor herhaling, het advies van de reclassering een dergelijk lange proeftijd op te leggen én het verzoek van verdachte zelf om langere tijd (voor tien jaar) onder behandeling en begeleiding van de reclassering te staan. In die zin ziet de rechtbank het opleggen van een langere proeftijd als een groot belang voor zowel verdachte als de maatschappij om op deze wijze verdachte langdurig onder toezicht te stellen en zijn gedrag te kunnen monitoren. De rechtbank zal naast deze lange proeftijd geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Concluderend legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 365 dagen, met aftrek van voorarrest (6 dagen), waarvan 359 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van tien jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel koppelt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd in eerder genoemde rapporten.

8.3.3.2 Taakstraf

Daarnaast legt de rechtbank verdachte een taakstraf op voor de maximale duur, van 240 uren.

9
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 57, 240b (oud), 248d (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10
Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

in zaak A

een persoon, van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen;

in zaak B primair

een afbeelding/gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verwerven/in bezit hebben/zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen, terwijl van het plegen van dit misdrijf een beroep of gewoonte wordt gemaakt.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

? Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 359 (driehonderdnegenenvijftig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 10 (tien) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde meldt zich na oproep bij Reclassering Nederland te Wibautstraat 12 in Amsterdam. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

Ambulante behandeling

Indien de reclassering het nodig vindt, laat veroordeelde zich behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.

Vermijden contact met minderjarigen

Veroordeelde zoekt op geen enkele wijze contact met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk. Als contacten onvermijdelijk zijn, zorgt veroordeelde dat andere volwassen personen hierbij aanwezig zijn.

Vermijden digitale omgevingen seksueel kindermisbruik

Dit houdt in dat veroordeelde gedurende de gehele proeftijd:

digitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal;

digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd;

geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma’s (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);

inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder 1. en 2. zal vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.

Het toezicht op de naleving van de onderdelen 1. tot en met 3. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en/of waarmee internet kan worden benaderd en die betrokkene in gebruik heeft.

Veroordeelde werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die veroordeelde in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past veroordeelde de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet.

De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen.

De controles mogen gedurende de gehele proeftijd maximaal (circa) 30 keer worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van veroordeelde zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van veroordeelde.

Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

? Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.M. Loots, voorzitter,

mrs. A.M. Grüschke en B.J. Blok, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 februari 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Voetnoot 2

Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2023222530-2, p. 14-16 (digitaal dossier).

Voetnoot 3

Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2023222530-6, p. 7 (digitaal dossier).

Voetnoot 4

Het proces-verbaal ter terechtzitting van 21 januari 2026.

Voetnoot 5

Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik, van 25 oktober 2007, Trb. 2008, 58.

Voetnoot 6

Kamerstukken II, 2008-2009, 31810, nr. 3, p. 5-8.

Voetnoot 7

Kamerstukken II 2022/23, 36 222, nr. 3, p. 62 (MvT)

Voetnoot 8

Artikel 1 Sr: Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.