Aan de verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
het medeplegen van een poging tot afpersing van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van een of meerdere telefoons op 26 januari 2025 te Amsterdam;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
het medeplegen van afpersing van [slachtoffer 1] van een pakje sigaretten op 26 januari 2025 te Amsterdam;
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
het medeplegen van een poging tot afpersing van [slachtoffer 3] van een telefoon op 7 januari 2025 te Amsterdam;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
het medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van [slachtoffer 3] op 7 januari 2025 te Amsterdam;
het medeplegen van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing en/of brandstichting op 7 mei 2025 te Dronten in de directe nabijheid van de Poolse supermarkt "Promo", terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar, dan wel zwaar lichamelijk letsel te duchten was;
het voorhanden hebben van een wapen van de categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere messen, terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, op 25 augustus 2025 te Amsterdam;
het voorhanden hebben van een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Grand Power, model K100 MK 12, kaliber 9x19mm en/of munitie van de categorie III van de Wet wapens en munitie te weten patronen, kaliber 9x19mm in de periode 30 maart tot en met 31 maart 2026 te Utrecht.
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en gelden als hier ingevoegd.
4
Waardering van het bewijs
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen, omdat de verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen. De rechtbank is, tevens met de officier van justitie, van oordeel dat er alleen gedreigd is met geweld. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het medeplegen, aangezien de rechtbank niet kan vaststellen dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachten.
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van oordeel dat het ten laste gelegde feit op basis van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde feit omdat er volgens de raadsman sprake is van een diefstal in plaats van een afpersing. De verdachte heeft de sigaretten uiteindelijk zelf van de aangever gepakt. Aan verdachte is niet de diefstal van sigaretten ten laste gelegd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de raadsman. Uit de aangifte van de [slachtoffer 1] blijkt dat zij het pakje sigaretten uiteindelijk zelf aan de verdachte heeft gegeven. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het medeplegen, aangezien de rechtbank niet kan vaststellen dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachten.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van oordeel dat beide feiten op basis van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Aangezien de twee medeverdachten van de verdachte eerder door de rechtbank zijn vrijgesproken, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat ten aanzien van beide feiten de verdachte moet worden vrijgesproken van het geven van de trap en het tonen van het vuurwapen, aangezien de verdachte dit ontkent.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat er wettig en overtuigend bewijs is voor beide feiten, al vallen enkele handelingen buiten de bewezenverklaring. Voor beide feiten spreekt de rechtbank verdachte vrij van het medeplegen, aangezien de rechtbank niet kan vaststellen dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachten.
ten aanzien van feit 1
Verdachte heeft geprobeerd de telefoon van [slachtoffer 3] af te persen, onder andere door hem een trap te geven. Dat deze trap is gegeven volgt uit de verklaringen van aangever [slachtoffer 3] , getuige [getuige 1] en [getuige 2] en bovendien blijkt dit ook uit de camerabeelden. Verdachte gaat dan niet zelf de metro in en naar het oordeel stopt hier de poging tot afpersing. Het tonen van het vuurwapen valt om die reden niet onder de bewezenverklaring van feit 1. Alle andere tenlastegelegde uitspraken en handelingen wel, verdachte heeft deze ook toegegeven.
ten aanzien van feit 2
Het tonen van een vuurwapen kan wel worden bewezen als één van de onder feit 2 tenlastegelegde handelingen. Hoewel de verdachte ontkent dat hij een vuurwapen bij zich had en deze heeft getoond, acht de rechtbank dit onderdeel wel bewezen omdat drie personen, namelijk [slachtoffer 3] , [getuige 1] en [getuige 2] , hierover een verklaring hebben afgelegd. Zij verklaren alle drie een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de broeksband van de verdachte te hebben gezien. De overige tenlastegelegde bedreigingen kunnen worden bewezen op basis van de eigen verklaring van verdachte en getuigen. De trap in de rug is echter een geweldshandeling - en als zodanig onder feit 1 bewezen verklaard - en valt om die reden buiten de bewezenverklaring van feit 2.
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen, omdat verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het vuurwapen is gevonden op de kamer van de verdachte, waardoor hij dit vuurwapen voorhanden heeft gehad.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. De verdachte had geen wetenschap van het wapen op zijn kamer. Verder zit er in het dossier enkel een voorlopig wapenrapport en ontbreekt het definitieve wapenrapport.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank moet vaststellen of de verdachte zich in een meerdere of mindere mate bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen. Voor het bewijs van deze bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. (Voetnoot 1)Verder is voor de bewezenverklaring van dat voorhanden hebben nodig dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken.
De rechtbank stelt vast dat het vuurwapen en de munitie in de kamer van de verdachte zijn aangetroffen, meer specifiek onder zijn matras. Het wapen en de munitie bevonden zich dus in zijn directe omgeving. Het is de vraag of verdachte zich daar bewust van was.
De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat iemand iets in zijn kamer had gelegd ‘wat niet mag’ en voelde vervolgens ook ‘iets hards’ onder zijn matras. Hoewel de verdachte verklaard heeft dat hij vervolgens niet onder zijn matras heeft gekeken, heeft hij bij de politie op 4 april 2026 ook verklaard dat hij toen wel dacht dat het om een vuurwapen zou gaan. Gelet op voorgenoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het wapen. De rechtbank wordt in die overtuiging gesterkt doordat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij in het verleden vaker vuurwapens in zijn bezit heeft gehad. Bovendien wordt de verdachte in zaak B tevens veroordeeld voor het voorhanden hebben van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Die omstandigheden dragen bij aan de veronderstelling dat verdachte niet onbekend is met wapens in zijn nabijheid. Aldus staat voor de rechtbank genoegzaam vast dat de verdachte het wapen en de munitie bewust aanwezig heeft gehad en dat hij daarover heeft kunnen beschikken.
De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat het voorlopige wapenrapport voldoende is om te kunnen vaststellen dat het wapen een pistool, merk Grand Power, model K100 MK 12, kaliber 9x19 mm met meerdere scherpe kogelpatronen kaliber 9x19 mm betrof. Het rapport is opgesteld door een brigadier van politie, werkzaam bij het team forensische opsporing Wapens, Munitie Explosieven, die op ambtseed heeft verklaard dagelijks wapens en munitie te onderzoeken en te beschrijven. Verondersteld mag worden dat hij terzake voldoende deskundig is.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
op 26 januari 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van meerdere telefoons, die aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] toebehoorden:
met meer van zijn mededaders, naar voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn toegegaan waarna verdachte en zijn mededader(s)
- tegen voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gezegd dat ze moeten blijven staan en
- tegen voornoemde [slachtoffer 2] heeft gezegd: "laat je telefoon zien" en "Geef je telefoon en ontgrendel hem en log dan uit" en
- hierbij af heeft geteld van zeven naar nul en daarbij op dreigende toon heeft gezegd: "weet jij wel wie ik ben" en "moet je klappen hebben"
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
op 26 januari 2025 te Amsterdam, , met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een pakje sigaretten, die aan die [slachtoffer 1] toebehoorde door:
- Tegen voornoemde [slachtoffer 1] te zeggen dat ze moet blijven staan en
- Tegen voornoemde [slachtoffer 1] te zeggen: "geef je sigaretten" en
- Af te tellen van zeven naar nul en daarbij op dreigde toon te zeggen: "weet jij wel wie ik ben" en "moet je klappen hebben";
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
op 7 januari 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 3] te dwingen tot de afgifte van een telefoon die aan die [slachtoffer 3] toebehoorde naar die [slachtoffer 3] is toegegaan waarna hij
- die [slachtoffer 3] heeft aangesproken en
- dicht bij [slachtoffer 3] is gaan staan en
- die [slachtoffer 3] (in het metrostation en het perron) heeft gevolgd en achterna gelopen en
- tegen die [slachtoffer 3] een of meermalen heeft gezegd; "Welke telefoon heb je" en "Moet ik je klappen" en "Ik wil dat je je telefoon geeft" en "Blijf maar lopen dan ga ik je op het spoor duwen" en "Geef me je telefoon" en "Kom verder lopen in die hoek daar, dan ga je zien wat ik met je ga doen" en “Kom nu naar achter, dan ga je zien wat er gaat gebeuren” en "Kom dan, dan zal ik je iets laten zien", en
- een trap heeft gegeven tegen de rug van die [slachtoffer 3]
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
op 7 januari 2025 te Amsterdam, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en met zware mishandeling, door
-tegen die [slachtoffer 3] een of meermalen te zeggen; "Moet ik je klappen" en "Blijf maar lopen dan ga ik je op het spoor duwen" en "Kom verder lopen in die hoek daar, dan ga je zien wat ik met je ga doen" en “Kom nu naar achter, dan ga je zien wat er gaat gebeuren” en "Zal ik hem trekken, zal ik hem trekken" en "Kom dan, dan zal ik je iets laten zien", en
-zijn, verdachte’s hand in zijn jas, althans kleding, te brengen en/of te houden en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 3] te tonen;
op 7 mei 2025 te Dronten, tezamen en in vereniging met een anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en brand heeft gesticht in de directe nabijheid van de Poolse supermarkt "Promo" gelegen aan het Ruim 42 door
- een fles gevuld met een brandbare vloeistof en vuurwerk voor het pand te plaatsen,
- vuurwerk in de nabijheid van die brandbare stof te brengen en
- vuurwerk in de nabijheid van het pand aan te steken en af te laten gaan,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de Poolse supermarkt en/of boven- en/of
naastgelegen woningen/panden en/of in die woningen/panden bevindende goederen en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten personen in de boven- en/of naastgelegen woningen/panden, te duchten was;
op 25 augustus 2025 te Amsterdam, terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,
een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere messen, voorhanden heeft gehad;
Zaak E
in de periode van 30 maart tot en met 31 maart 2026 te Utrecht een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Grand Power, model Kl00 MK12, kaliber 9x19mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool
munitie van categorie III, van de Wet wapens en munitie, te weten meer patronen, kaliber 9x19mm
voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
Overwegingen
9
Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir geëist om aan de verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 12 maanden, met aftrek, waarvan 185 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf moeten volgens de officier van justitie naast de algemene voorwaarde dat de verdachte geen nieuwe strafbare feiten zal plegen, de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals geadviseerd in het rapport van de Raad. De officier van justitie verzoekt de rechtbank om als extra bijzondere voorwaarden op te nemen dat de verdachte mee moet werken aan buddy coaching en aan dagbesteding bij het Ontwikkelcentrum in Utrecht, zoals ter terechtzitting besproken. De elektronische monitoring in de vorm van een enkelband kan wat de officier van justitie betreft achterwege worden gelaten. Verder eist de officier van justitie een leerstraf bij SoCool van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie. De officier van justitie verzoekt de rechtbank om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman kan zich vinden in de eis van de officier van justitie. De verdachte heeft het voorwaardelijke kader, zoals geadviseerd, is nodig. De raadsman vraagt de rechtbank om bij de geadviseerde bijzondere voorwaarde van het sociale media verbod, indien het goed verloopt, op te nemen dat het eventueel korter kan dan drie maanden.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf laat de rechtbank zich leiden door de persoon van de verdachte zoals die naar voren komt in de nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundigen ter zitting hebben verklaard, alsmede de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere ernstige strafbare feiten. De verdachte heeft zich op twee verschillende momenten schuldig gemaakt aan een (poging tot) afpersing, waarbij de verdachte de slachtoffers heeft bedreigd. In één van de twee gevallen heeft de verdachte daarbij daadwerkelijk geweld gebruikt door het slachtoffer een trap in zijn rug te geven en heeft hij de verdachte een op een vuurwapen lijkend voorwerp, die in zijn broeksband zat, getoond.
Daarnaast heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing bij een Poolse supermarkt. Bij de ingang van de supermarkt is naar aanleiding van de ontploffing een brand ontstaan, die geblust moest worden. Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen aanzienlijke schade aan de supermarkt veroorzaakt maar ook naastgelegen woningen en omwonenden in gevaar gebracht. Verdachte heeft deze levensgevaarlijke situatie gecreëerd met het risico dat mensen zwaargewond zouden raken of zelfs omkomen. Het veroorzaken van ontploffingen met dit soort explosieven is een groot en toenemend maatschappelijk probleem. De verdachte heeft geen rekening gehouden met slachtoffers en zich alleen laten leiden door zijn wens om geld te verdienen.
Ook heeft de verdachte zich op twee verschillende momenten schuldig gemaakt aan het overtreden van de Wet wapens en munitie. Hij had messen bij zich en een vuurwapen op zijn kamer. De verdachte heeft hierdoor een bijdrage geleverd aan het ongecontroleerde bezit van wapens. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee.
Alle feiten die verdachte heeft gepleegd veroorzaken angst en onveiligheid, in de eerste plaats bij de slachtoffers, maar ook voor de samenleving als geheel.
Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 7 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte nog niet eerder is veroordeeld voor misdrijven. De verdachte zal worden aangemerkt als first offender. De rechtbank constateert dat de verdachte, hoewel hij in een schorsing van de voorlopige hechtenis liep, zich meermaals (opnieuw) schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de rapportages die over de verdachte zijn opgesteld, waaronder:
een Pro Justitia rapportage van 19 oktober 2025, opgemaakt door drs. R.A. Sterk, psycholoog;
de rapportages van de Raad, waaronder het rapport van 30 december 2025 ten behoeve van de inhoudelijke behandeling;
de rapportages van de WSS.
Uit het rapport van de psycholoog blijkt dat er bij de verdachte sprake is van een gedragsstoornis, van een lichte stoornis in cannabisgebruik en van intellectuele capaciteiten op zwakbegaafd niveau. Van deze psychische problematiek was ook sprake ten tijde van het ten laste gelegde, waardoor de psycholoog adviseert om de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Vanuit de geconstateerde psychische problematiek bij de verdachte wordt vanuit forensisch oogpunt behandeling en begeleiding aangewezen. De behandeling dient zich te richten op de gedragsstoornis, waarin een beperkt geïntegreerde gewetensfunctie, een gebrekkige coping, een beperkte weerbaarheid en verhoogde beïnvloedbaarheid centraal staan. Ook dient aandacht uit te gaan naar zijn stoornis in cannabisgebruik. Een dergelijke behandeling zou aangeboden kunnen worden door een forensisch psychiatrische polikliniek zoals De Waag. Verder dient de begeleiding zich te richten op school, vrijetijdsbesteding en vriendenkring. Bij de behandeling en begeleiding dient rekening gehouden te worden met de intellectuele beperkingen van de verdachte. Geadviseerd wordt om voornoemde behandeling en begeleiding, teneinde de verdachte optimaal te motiveren, als bijzondere voorwaarde bij een (deels)voorwaardelijk strafdeel op te leggen.
De Raad heeft geadviseerd om aan de verdachte op te leggen een deels voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden, waaronder een avondklok, locatieverbod, contactverbod met de medeverdachten en slachtoffers en een verbod op sociale media voor de duur van drie maanden. Ook adviseert de Raad om de inzet van de Waag en het meewerken aan de begeleiding van een IFA coach op te leggen als bijzondere voorwaarde. De Raad heeft ter zitting geadviseerd geen elektronische monitoring in de vorm van een enkelband aan de verdachte op te leggen. Tot slot adviseert de Raad om een leerstraf SoCool (regulier) van 40 uur op te leggen.
De WSS sluit zich aan bij het advies van de Raad. Hoewel er nog steeds zorgen zijn over de verdachte, hoopt de WSS dat het de verdachte met een lijst aan bijzondere voorwaarden lukt om zich daar aan te houden.
Straf
Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank dat een jeugddetentie van 300 dagen passend en geboden is. De rechtbank oordeelt dat 120 dagen niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten als de verdachte zich voor de op 2 jaren gestelde proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De rechtbank komt hiermee op een iets lagere straf uit dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank rekening houdt met het feit dat de ten laste gelegde feiten in verband met de psychische problematiek van de verdachte in verminderde mate aan hem zijn toe te rekenen.
De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden opleggen zoals door de Raad zijn geadviseerd, inclusief de begeleiding van de Buddy Coach en deelneming aan dagbesteding bij het Ontwikkelcentrum Utrecht. Anders dan de Raad heeft geadviseerd, zal de rechtbank het verbod op het gebruik van sociale media beperken tot één maand. De verdachte zal, na deze maand, nog gedurende twee maanden openheid over zijn sociale media gebruik moeten geven wanneer de hulpverlening hier naar vraagt. De rechtbank wijkt af van het advies, omdat de rechtbank een algeheel verbod op sociale media voor drie maanden bij een jongere met de leeftijd van de verdachte een te grote inbreuk vindt en bovendien van oordeel is dat dit geen realistisch doel is.
Tot slot zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een leerstraf SoCool (regulier) voor de duur van 40 uren. Indien de verdachte deze leerstraf niet naar behoren verricht, zal vervangende jeugddetentie worden toegepast voor de duur van 20 dagen.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijven die zijn gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Gelet hierop en gelet op het rapport van de Raad, waaruit blijkt dat het algemeen recidive risico ‘hoog’ wordt geacht en zoals eerder aangegeven zelfs tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis strafbare feiten heeft gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van in totaal € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering gedeeltelijk toewijsbaar is tot een bedrag van € 250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt de rechtbank om maximaal € 250,- van de vordering toe te wijzen.
Het oordeel van de rechtbank
Vast staat dat de benadeelde partij door het in zaak B bewezenverklaarde rechtstreekse immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat hij op andere wijze is aangetast in zijn persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW.
De normschending heeft er in dit geval uit bestaan dat de verdachte geprobeerd heeft de telefoon van het slachtoffer afhandig te maken waarbij geweld is gebruikt en de verdachte het slachtoffer daarnaast heeft bedreigd. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden is sprake van een zodanige ernstige normschending dat het voor de hand ligt dat het handelen van verdachte impact op het slachtoffer heeft gehad dat sprake is van aantasting in de persoon. Dit blijkt ook uit de toelichting bij de vordering.
De hoogte van de vordering is betwist, althans verzocht is om matiging. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 250,- aan immateriële schade billijk. De rechtbank zal daarom de vordering tot een bedrag van € 250,- toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 7 januari 2025.
In het belang van [slachtoffer 3] wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepaling op 0 dagen.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder feit 1 en 2, het in zaak B onder feit 1 en 2, het in zaak C, zaak D en zaak E ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde:
ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde:
ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde:
ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling
medeplegen van het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor lichamelijk letsel voor een ander te duchten is
handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapen en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 300 dagen.
Beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 120 dagen, van deze jeugddetentie niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van de voorwaarden.
Stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de verdachte:
- zich niet voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich zal houden aan een avondklok voor de duur van drie maanden (tot 22 augustus 2026) die inhoudt dat verdachte dagelijks vanaf 19:00 uur tot 07:00 uur in de woning van Joman Zorg ( [adres] ) verblijft. De William Schrikker Stichting kan de tijden aanpassen wanneer de avondklok een gepaste vrije tijdsbesteding/bijbaan in de weg staat;
- meewerkt aan het weekschema zoals opgesteld door de William Schrikker Stichting;
- meewerkt aan een plaatsing bij Joman Zorg begeleid wonen ( [adres] ) en zich zal houden aan de huisregels en individuele afspraken;
- meewerkt aan het vinden en behouden van een passende dagbesteding, waaronder een dagbesteding bij het Ontwikkelcentrum Utrecht;
- zich voor de duur van drie maanden (tot 22 augustus 2026) niet zal bevinden in de gemeente Amsterdam, zoals te zien in het aangehechte kaartje, met uitzondering van wanneer hij naar de rechtbank Amsterdam moet voor een zitting;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opneemt met de medeverdachte:
? [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] ,
? [medeverdachte 2] , geboren [geboortedatum] ,
tenzij dit is via een gesprek onder begeleiding van de jeugdreclassering of een andere hulpverlener in het kader van mediation.
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opneemt met de aangevers:
? [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] ,
? [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] ,
? [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] ,
tenzij dit is via een gesprek onder begeleiding van de jeugdreclassering of een andere hulpverlener in het kader van mediation.
- meewerkt aan een algeheel verbod van sociale media voor de duur van één maand (tot 22 juni 2026), zoals bijvoorbeeld TikTok, Snapchat, Instagram. Vervolgens in de twee maanden daarna (tot 22 augustus 2026) meewerkt aan het geven van openheid van het gebruik van sociale media wanneer de betrokken hulpverlening hiernaar vraagt;
- meewerkt aan begeleiding van Buddycoach in Utrecht of andere vorm van coaching die noodzakelijk wordt geacht door de William Schrikker Stichting, bijvoorbeeld vanuit Ontwikkelcentrum Utrecht;
- meewerkt aan alle hulpverlening die door de William Schrikker Stichting noodzakelijk wordt geacht, zoals systeemtherapie en behandeling bij De Waag.
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in 77a, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Geeft opdracht aan William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de verdachte daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa Sr van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Veroordeelt de verdachte tot een leerstraf SoCool (regulier) van 40 uren.
Beveelt dat, als de verdachte de leerstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen.
Onttrekt aan het verkeer:
1 STK Pistool (Omschrijving: PL0900-2026109864-G3687980, Grand Power);
1 DV Patroon (Omschrijving: PL0900-2026109864-G3687982).
Benadeelde partij [slachtoffer 3]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 250,- (zegge: tweehonderdvijftig euro) voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 7 januari 2025, tot aan de dag van algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 3] .
Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan de verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [slachtoffer 3] ter hoogte van € 250,- (zegge: tweehonderdvijftig euro). Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 7 januari 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Betaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Bepaalt de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte in de zaken A en C met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde jeugddetentie.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.P.E. Has, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. A.M. Loots en C.F. de Lemos Benvindo, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 mei 2026.