Rechtbank Amsterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBAMS:2026:6370

Op 23 June 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 13/099909-22, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBAMS:2026:6370. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
13/099909-22
Datum uitspraak:
23 June 2026
Datum publicatie:
23 June 2026

Indicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor seksueel misbruik van twee dochters van een vriend van hem. De zussen waren ten tijde van het misbruik minderjarig.

Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zesenhalf jaar. Toewijzing van de vorderingen tot schadevergoeding van de twee benadeelde partijen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/099909-22

Datum uitspraak: 23 juni 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1962 op [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] .

1
Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Leuven en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. I.E. Leenhouwers naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van de vorderingen benadeelde partij van [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ) en [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2] ) en van wat hun advocaat, mr. R. Korver, namens hen naar voren heeft gebracht.

2
Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. het plegen van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, bij [benadeelde partij 1] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, in de periode van 18 december 1994 tot en met 17 december 2000 te Amsterdam;

2. poging tot het plegen van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, bij [benadeelde partij 1] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, in de periode van 18 december 1994 tot en met 17 december 2000 te Amsterdam; 3. het plegen van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, bij [benadeelde partij 1] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, in de periode van 18 december 2000 tot en met 1 juni 2002 te Amsterdam; 4. poging tot het plegen van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, bij [benadeelde partij 1] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, in de periode van 18 december 2000 tot en met 1 juni 2002 te Amsterdam; 5. het plegen van ontuchtige handelingen met [benadeelde partij 1] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, in de periode van 18 december 1994 tot en met 1 juni 2002 te Amsterdam; 6. het plegen van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, bij [benadeelde partij 2] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, in de periode van 21 juni 1994 tot en met 20 juni 1997 te Amsterdam; 7. poging tot het plegen van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, bij [benadeelde partij 2] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, in de periode van 21 juni 1994 tot en met 20 juni 1997 te Amsterdam; 8. het plegen van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, bij [benadeelde partij 2] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, in de periode van 21 juni 1997 tot en met 20 juni 1998 te Amsterdam; 9. poging tot het plegen van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, bij [benadeelde partij 2] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, in de periode van 21 juni 1997 tot en met 20 juni 1998 te Amsterdam; 10. het plegen van ontuchtige handelingen met [benadeelde partij 2] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt in de periode van 21 juni 1994 tot en met 20 juni 1998 te Amsterdam;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3
Voorvragen
3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 5 en 10 zijn verjaard, zodat het Openbaar Ministerie ten aanzien van die feiten niet ontvankelijk is in de vervolging van verdachte.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft eveneens verzocht om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van verdachte met betrekking tot de feiten 5 en 10 vanwege de verjaring daarvan.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het recht tot strafvervolging voor de feiten 5 en 10 ten tijde van het doen van aangifte al was verjaard.

De feiten 5 en 10 zien namelijk op artikel 247 Wetboek van Strafrecht (Sr) (oud). Op dat moment gold voor een feit als bedoeld in artikel 247 Sr (oud) - op grond van de artikelen 70 en 71 Sr (oud) - een verjaringstermijn van twaalf jaren, die begint te lopen op de dag na die waarop het minderjarige slachtoffer achttien jaar is geworden. Die termijn was ten tijde van het doen van aangifte al verstreken, zodat sprake was van een voltooide verjaring.

De rechtbank verklaart daarom de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van de feiten 5 en 10.

Voor de overige feiten geldt dat de dagvaarding geldig is, deze rechtbank bevoegd is tot kennisneming van het tenlastegelegde en dat de officier van justitie ontvankelijk is. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4
Waardering van het bewijs
4.1.

Inleiding

Drie zussen, [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [naam zus] hebben zich in juni 2020 gemeld bij de zedenpolitie in verband met seksueel misbruik dat zou zijn gepleegd door verdachte - een vriend van hun vader - toen zij minderjarig waren. Met hen heeft een zogeheten informatief gesprek plaatsgevonden. Ten aanzien van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] heeft dat geleid tot het doen van aangifte (op 25 juni 2020). [naam zus] heeft geen aangifte gedaan, omdat de politie haar heeft geïnformeerd dat de mogelijk strafbare feiten ten aanzien van haar inmiddels verjaard waren. [naam zus] is in deze zaak wel als getuige gehoord.

4.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 t/m 4 en 6 t/m 9, met dien verstande dat bij de tenlastegelegde pogingen (feiten 2, 4, 7 en 9) de bewezenverklaring zich beperkt tot de penetratie met de penis in de vagina. De verklaringen van de aangeefsters zijn betrouwbaar, en daarmee bruikbaar voor het bewijs, en er is voldoende steunbewijs.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit verdachte vrij te spreken van alle tenlastegelegde feiten, omdat er te veel twijfels zijn over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefsters en er onvoldoende stevig steunbewijs is.

Subsidiair heeft de raadsvrouw ten aanzien van een bewezenverklaring het volgende aangevoerd.

Verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 3 en 4 omdat niet kan worden bewezen dat [benadeelde partij 1] na haar twaalfde nog bij verdachte is geweest, zodat ook geen seksueel misbruik kan hebben plaatsgevonden.

Ten aanzien van de tenlastegelegde pogingen (feiten 2, 4, 7 en 9) geldt dat deze slechts betrekking kunnen hebben op penetratie met de penis die volgens de aangeefsters op een bepaald moment niet is gelukt en ook niet meer heeft plaatsgevonden (of pas een dag later). Dit betekent dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 4 omdat de poging tot penetratie met de penis waarover [benadeelde partij 1] verklaart, vóór [benadeelde partij 1] ’s twaalfde jaar zou zijn gebeurd. Tevens moet verdachte worden vrijgesproken van de feiten 7 en 9 omdat het met de penis tussen de schaamlippen bewegen, waarover [benadeelde partij 2] verklaart, volgens vaste jurisprudentie binnendringen van het lichaam (en dus een voltooid delict) oplevert. Verder verklaart [benadeelde partij 2] niet over pogingen tot binnendringen van het lichaam.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

Bij zedenzaken draait de beschuldiging in veel gevallen om handelingen waarbij alleen het vermeende slachtoffer en de verdachte aanwezig waren. Als de verdachte ontkent, dan staan die ontkennende verklaring en de aangifte tegenover elkaar. Zo ook in deze zaak. Bij de beoordeling van het bewijs in zedenzaken moet de rechtbank dan ook beoordelen of de verklaring van de betreffende aangever betrouwbaar is en of deze voldoende steun vindt in ander bewijs.

4.4.1.

Betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefsters

In dit kader stelt de rechtbank allereerst vast dat de verdenkingen zien op gebeurtenissen uit de periode 1994 tot en met 2002, dus lang geleden. Tijdsverloop heeft doorgaans een invloed op de kwaliteit van herinneringen. De rechtbank onderkent deze risico’s, maar dit betekent niet dat de aangiftes (of getuigenverklaringen) daarmee – per definitie – onbruikbaar zijn voor het bewijs.

De rechtbank komt in dit geval tot de conclusie dat de verklaringen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] als betrouwbaar zijn aan te merken en overweegt daartoe als volgt.

Beide aangeefsters hebben zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris gedetailleerd, concreet, eenduidig en - op hoofdlijnen - consequent verklaard over het seksueel misbruik. De verklaringen van de aangeefsters komen op de rechtbank authentiek over. Zo verklaren zij over waar het misbruik plaatsvond, de specifieke handelingen die werden verricht, wanneer (of in welke periode ongeveer) dit plaatsvond en wat verdachte daarbij tegen hen zei. Zij refereren in hun verklaringen daarnaast aan specifieke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld dat de condooms die verdachte af en toe gebruikte een rode verpakking hadden en het zien van vocht bij verdachte bij een misbruikmoment in de kelderbox. Tevens neemt de rechtbank in aanmerking de wijze waarop beide aangeefsters misbruikmomenten - en het stoppen ervan - verbinden met objectieve of erkende feiten en of persoonlijke waarnemingen, zoals het ongesteld worden, het feit dat verdachte en zijn echtgenote [naam echtgenote] samen nog geen kinderen hadden bij aanvang van het misbruik (en gedurende de misbruikperiode kinderen kregen), het overlijden van het zoontje van verdachte, de sfeer in het gezin van verdachte en het wantrouwen en de ‘bijna betrappingen’ door [naam echtgenote] . Beide aangeefsters verklaren namelijk over misbruikmomenten waarop [naam echtgenote] hen bijna betrapte en over de manier hoe [naam echtgenote] wantrouwen richting verdachte (en de aangeefsters) tentoonspreidde. Dat [naam echtgenote] dit in haar verklaring bij de rechter-commissaris ontkent, zoals door de raadsvrouw is aangevoerd, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat daarmee de verklaringen van de twee aangeefsters hierover onbetrouwbaar moeten worden geacht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [naam echtgenote] de echtgenoot van verdachte is en – blijkens ook de verklaring van verdachte – tevens in financiële zin van hem afhankelijk is. Niet uit te sluiten is dat er mogelijk andere motieven aan haar verklaring ten grondslag liggen.

De kleine onderlinge verschillen tussen de door de aangeefsters afgelegde verklaringen, alsmede tussen de verklaringen van [benadeelde partij 1] enerzijds en [benadeelde partij 2] anderzijds, betreffen geringe afwijkingen op ondergeschikte punten. Dat in het informatief gesprek van [benadeelde partij 2] wordt gesproken over de penis van verdachte tussen de schaamlippen, terwijl in haar aangifte (ook) wordt gesproken over de penis in de vagina, zoals door de raadsvrouw is aangevoerd, doet niet af aan de betrouwbaarheid van de aangifte van [benadeelde partij 2] . Een informatief gesprek beoogt namelijk nog niet een volledige aangifte te zijn.

De geringe verschillen tussen de verklaringen dragen juist bij aan het oordeel van de rechtbank dat sprake is van authentieke verklaringen van de aangeefsters, en niet van (op elkaar) afgestemde verklaringen.

De rechtbank volgt de raadsvrouw ook niet in het verweer dat – mogelijk onbewuste –onderlinge beïnvloeding tussen de zussen, hun verklaringen onvoldoende betrouwbaar zou maken. In dit verband neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

Uit het dossier blijkt dat [benadeelde partij 1] nooit met iemand over het misbruik heeft gesproken voordat zij het aan haar moeder vertelde in mei 2020. Zij had wel last van depressieklachten en problemen met autoriteit en intimiteit. In een tijdschrift las zij over (de gevolgen van) seksueel misbruik en herkende hierin veel dingen bij haarzelf. Dit heeft ertoe geleid dat zij tegenover haar moeder in mei 2020 voor het eerst over het haar overkomen misbruik heeft gesproken. Niet valt in te zien waarom [benadeelde partij 1] , reeds jarenlang niet meer in contact met verdachte en op dat moment nog onkundig van het seksueel misbruik van haar zus(sen), tot een dergelijk verzinsel zou komen. Dat [benadeelde partij 1] over het misbruik zou hebben verteld naar aanleiding van vragen dan wel zorgen van haar moeder over mogelijke depressieklachten, zoals door de raadsvrouw aangevoerd, maakt dit niet anders en maakt evenmin haar verklaring onbetrouwbaar.

Uit het dossier valt af te leiden dat [benadeelde partij 2] , nog onwetend over het misbruik van [benadeelde partij 1] , voor het eerst het haar overkomen misbruik heeft genoemd toen zij in groep 7 van de basisschool zat tegenover een toenmalig vriendinnetje. Dit vriendinnetje, met wie [benadeelde partij 2] overigens sinds de basisschool geen contact heeft gehad, heeft dit ook in diens getuigenverklaring bevestigd. Op 12 mei 2020 appte [benadeelde partij 1] naar [benadeelde partij 2] dat ze was misbruikt. [benadeelde partij 1] zei over de dader “het begint met een ‘ [letter] ’”. [benadeelde partij 2] zei toen “en het eindigt op ‘ [letter] ’” [de rechtbank: de bijnaam van verdachte is ‘ [bijnaam verdachte]’] en dat het haar ook is overkomen.

Het jongste zusje, [naam zus] , heeft geheel onafhankelijk en (eveneens) onwetend over het misbruik van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , een aantal jaren voorafgaand aan 2020, bij haar moeder gemeld dat verdachte ontuchtige handelingen had gepleegd bij haar. Dit betrof tongzoenen en voelen (over de kleren) aan de vagina en borsten. [naam zus] heeft dit alleen aan haar echtgenoot verteld. Deze gang van zaken vindt bevestiging in de verklaring van moeder.

Pas in mei 2020 werden de drie zussen bekend met elkaars misbruik. Zij verklaren allemaal dat zij toen pas voor het eerst en slechts uiterst globaal met elkaar hebben gesproken over het feit dat zij door verdachte seksueel waren misbruikt. De rechtbank ziet geen aanleiding daaraan te twijfelen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangeefsters (en zusje [naam zus] ), door omstandigheden waarin zij zich op dat moment elk voor zich bevonden daartoe getriggerd, onafhankelijk van elkaar en onkundig van elkaars misbruik voor het eerst over het misbruik hebben gesproken. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank geen concrete aanwijzingen dat een van de zussen haar verklaring bewust of onbewust heeft gevormd of aangepast op basis van de verklaring van de ander.

De op het punt van de betrouwbaarheid door de verdediging gevoerde verweren worden dan ook verworpen.

4.4.2.

Steunbewijs

Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige, ook niet als die verklaring betrouwbaar wordt geacht.

De rechtbank stelt voorop dat het bij zedenzaken, waarin het vaak enkel de verklaring van de verdachte tegenover de verklaring van de aangever betreft, veelal aankomt op de vraag in hoeverre de door de aangever verklaarde gang van zaken steun vindt in andere bewijsmiddelen. Naar vaste rechtspraak hoeft het steunbewijs echter niet specifiek betrekking te hebben op de tenlastegelegde gedragingen. Het is voldoende wanneer de verklaring van de aangever op bepaalde punten bevestiging vindt in een of meer andere bewijsmiddelen afkomstig van een andere bron, zolang tussen de verklaring en dat steunbewijs niet een te ver verwijderd verband bestaat. Dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband dient te staan met de inhoud van de verklaring van de aangever, zodat die verklaring niet op zichzelf staat.

De rechtbank stelt in het kader van het steunbewijs in de eerste plaats mede op grond van de verklaring van verdachte vast dat de zussen - conform hun verklaringen - in de tenlastegelegde periode bij verdachte in de woning kwamen en daar ook bleven slapen, en dat hun vader daar niet altijd bij was.

De rechtbank constateert dat [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] niet kunnen verklaren over elkaars misbruik bij gebrek aan wetenschap destijds. De rechtbank is echter wel van oordeel dat de aangifte van de één in dit geval kan dienen als steunbewijs voor die van de ander. De omstandigheid dat sprake is van twee afzonderlijke, betrouwbaar geachte aangiftes van soortgelijke, zo niet identieke delicten tegen dezelfde verdachte kan in deze zaak tot geen andere conclusie leiden dan dat deze elkaar over en weer, niet alleen in feitelijke, maar ook in bewijstechnische zin, ondersteunen. (Voetnoot 1)

De rechtbank neemt bovendien in aanmerking dat [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] allebei verklaren dat er in bed seksuele handelingen zijn verricht door (of bij) verdachte, waar de andere zus bij was. Beide aangeefsters verklaren namelijk met betrekking tot het misbruik over momenten dat zij met zijn drieën in bed lagen, waarbij verdachte in het midden lag en [benadeelde partij 1] aan de ene kant van verdachte en [benadeelde partij 2] aan de andere kant. De verklaringen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] vinden dus (ook) op die specifieke en concrete aan het misbruik gerelateerde punten over en weer bevestiging in elkaar.

De rechtbank gebruikt tevens als steunbewijs de verklaring van [naam zus] . Zij verklaart namelijk dat zij destijds, toen de zussen bij verdachte in de woning waren, een keer heeft gezien dat verdachte in het halletje [benadeelde partij 1] vast had en haar langdurig op de mond kuste.

Op grond van het bovenstaande en de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen kan niet worden gesproken van slechts één bron.

De rechtbank acht gelet hierop voldoende steunbewijs aanwezig om te komen tot een bewezenverklaring van seksueel misbruik zoals hierna in paragraaf 4.4.3. toegelicht en in rubriek 5 vermeld.

4.4.3.

Wat kan worden bewezen?

Vrijspraak feiten 3 en 4

Ten aanzien van [benadeelde partij 1] geldt dat de rechtbank niet met voldoende zekerheid kan vaststellen dat het seksueel misbruik nog heeft plaatsgevonden nadat zij de leeftijd van twaalf jaar had bereikt (op 18 december 2000). Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [benadeelde partij 1] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat het misbruik plaatsvond tot haar twaalfde jaar.

Gelet hierop wordt verdachte vrijgesproken van de feiten 3 en 4.

Vrijspraak feiten 7 en 9

Verdachte wordt vrijgesproken van de onder 7 en 9 tenlastegelegde pogingen tot het seksueel binnendringen van het lichaam bij [benadeelde partij 2] .

Het enige gedachtestreepje in de tenlastelegging van die feiten dat tot een poging tot het seksueel binnendringen van het lichaam zou kunnen leiden, is de (poging tot) penetratie met de penis. In dit verband heeft [benadeelde partij 2] verklaard dat verdachte heeft geprobeerd haar met zijn penis vaginaal te penetreren, dat dit niet lukte en dat hij dan bovenop haar kwam liggen met zijn penis tussen haar schaamlippen. Hieruit volgt dat verdachte met de penis tussen haar schaamlippen is geweest. Volgens vaste jurisprudentie wordt dat aangemerkt als binnendringen van het lichaam, zodat daarmee sprake is van een voltooid delict (zoals tenlastegelegd onder de feiten 6 en 8) en niet van een poging. [benadeelde partij 2] heeft verder niet verklaard over handelingen die kunnen worden aangemerkt als een poging tot het seksueel binnendringen van het lichaam. De feiten 7 en 9 kunnen daarom niet worden bewezen.

Bewezenverklaring feiten 1, 2, 6 en 8.

Op grond van de bovenstaande overwegingen van de rechtbank in 4.4.1 en 4.4.2. komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 6 en 8 zoals hierna vermeld in rubriek 5.

Met betrekking tot feit 2 is de bewezenverklaring beperkt tot de poging tot penetratie met de penis, overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw.

De wettelijke strafverzwaringsgrond bij seksuele misdrijven, die als bestanddeel in de tenlastelegging van de feiten 1, 2, 6 en 8 is opgenomen (“aan verdachtes zorg of waakzaamheid was toevertrouwd”), gold ten tijde van het plegen van deze feiten niet. (Voetnoot 2) De rechtbank neemt deze daarom niet mee in de bewezenverklaring.

5
Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1

in de periode van 18 december 1994 tot en met 17 december 2000 te Amsterdam, met [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [benadeelde partij 1] , hebbende verdachte

- zijn tong in de mond van die [benadeelde partij 1] gestopt en

- de vagina van die [benadeelde partij 1] betast en gelikt en

- de borsten van die [benadeelde partij 1] betast en

- een of meer vinger(s) in de vagina van die [benadeelde partij 1] gebracht en

- zijn (stijve) penis aan die [benadeelde partij 1] getoond en

- zijn (stijve) penis laten vastpakken door die [benadeelde partij 1] en

- zich door die [benadeelde partij 1] laten aftrekken en

- zijn (stijve) penis in de vagina van die [benadeelde partij 1] gebracht en

- zijn (stijve) penis in de mond van die [benadeelde partij 1] gebracht en

- zijn (stijve) penis in de anus van die [benadeelde partij 1] gebracht;

2

in de periode van 18 december 1994 tot en met 17 december 2000 te Amsterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen te plegen, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [benadeelde partij 1] ,

- zijn (stijve) penis in de vagina van die [benadeelde partij 1] heeft gebracht

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6

in de periode van 21 juni 1994 tot en met 20 juni 1997 te Amsterdam, met [benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,

handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [benadeelde partij 2] , hebbende verdachte

- die [benadeelde partij 2] op de mond gekust en

- de vagina van die [benadeelde partij 2] betast en

- een of meer vinger(s) in de vagina van die [benadeelde partij 2] gebracht en

- zijn (stijve) penis aan die [benadeelde partij 2] getoond en

- zijn (stijve) penis laten vastpakken door die [benadeelde partij 2] en

- zich door die [benadeelde partij 2] laten aftrekken en

- zijn (stijve) penis in de vagina van die [benadeelde partij 2] gebracht;

8

in de periode 21 juni 1997 tot en met 20 juni 1998 te Amsterdam, met [benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [benadeelde partij 2] , hebbende verdachte

- die [benadeelde partij 2] op de mond gekust en

- de vagina van die [benadeelde partij 2] betast en

- een of meer vinger(s) in de vagina van die [benadeelde partij 2] gebracht en

- zijn (stijve) penis aan die [benadeelde partij 2] getoond en

- zijn (stijve) penis laten vastpakken door die [benadeelde partij 2] en

- zich door die [benadeelde partij 2] laten aftrekken en

- zijn (stijve) penis in de vagina van die [benadeelde partij 2] gebracht.

6
De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7
De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

Overwegingen

8
Motivering van de straf
8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 2, 3, 4, 6, 7, 8 en 9 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven jaar.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om rekening te houden met het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde en daarom te kijken naar de straffen die destijds (omstreeks het jaar 2000) in soortgelijke gevallen werden opgelegd. De in de tenlastelegging opgenomen wettelijke strafverzwaringsgrond gold destijds nog niet, dus kan niet in strafverzwarende zin worden meegewogen. Tevens moet rekening worden gehouden met de blanco documentatie van verdachte en de omstandigheid dat de reclassering het recidiverisico laag inschat. Ten slotte is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn (met twee jaar en zeven maanden), die dient te worden gecompenseerd door de maximale strafvermindering.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van twee jonge kinderen van een (destijds) goede vriend. Het misbruik is begonnen toen de aangeefsters zeer jong waren en heeft meerdere jaren voortgeduurd. Bij [benadeelde partij 1] begon het misbruik vanaf dat zij zes jaar oud was tot en met haar elfde jaar. Bij [benadeelde partij 2] begon het misbruik vanaf dat zij negen jaar oud was tot en met haar dertiende jaar. Verdachte heeft met het bewezenverklaarde handelen, waaronder het binnendringen van het lichaam, de lichamelijke en geestelijke integriteit van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zeer ernstig geschonden. Dit terwijl hij als volwassen man op die momenten de zorg voor de jonge kinderen als vriend van de familie was toevertrouwd. Terwijl verdachte voor [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] een veilig persoon had moeten zijn, heeft hij zich tegenovergesteld gedragen. Ook heeft verdachte niet geschuwd om psychische druk te zetten, als volwassen man bij jonge kinderen, om ervoor te zorgen dat de zussen het seksueel misbruik geheim hielden en tegen hen te zeggen dat ze van hem waren. [benadeelde partij 2] heeft zich op een gegeven moment opgeofferd door toch weer bij de verdachte te logeren omdat ze bang was dat hij zich anders zou vergrijpen aan haar zusje. Dat hij dit alsnog heeft gedaan, versterkt de pijn en het verdriet van [benadeelde partij 2] des te meer.

Het is een feit van algemene bekendheid dat de slachtoffers van dergelijke zedendelicten daarvan, ook op langere termijn, zeer nadelige psychische en lichamelijke klachten kunnen ondervinden. Dat is in deze zaak ook het geval blijkens de ter zitting afgelegde slachtofferverklaringen. Verdachte heeft zijn eigen lustgevoelens vooropgesteld en is voorbijgegaan aan de ernstige gevolgen van zijn handelen voor de aangeefsters. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 2 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 8 mei 2026. Hieruit volgt dat, gelet op de ontkennende houding van verdachte, onbekend is gebleven wat er aan het delictgedrag ten grondslag heeft gelegen. Dit bemoeilijkt voor de reclassering het vaststellen van specifieke risico- en beschermende factoren. Gelet hierop hecht de rechtbank, anders dan de raadsvrouw, niet veel waarde aan de inschatting van het recidiverisico als laag. Temeer omdat de reclassering ook aangeeft dat - bij een bewezenverklaring - het handelen van verdachte ten koste van het welzijn en de ontwikkeling van de aan zijn zorg toevertrouwde kinderen, grote zorgen baart. Deze zorgen worden versterkt omdat de reclassering geen zicht heeft op de herkomst van het delictgedrag. Omdat verdachte echter geen hulpvragen heeft en niet openstaat voor een eventueel behandeltraject, ziet de reclassering onvoldoende aanknopingspunten voor reclasseringsinterventies. Zij adviseren daarom een staf zonder bijzondere voorwaarden.

Gelet op al het bovenstaande, is een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de orde. Bij de vaststelling van de duur daarvan, heeft de rechtbank gekeken naar de hoogte van de straffen die rechters in soortgelijke zaken opleggen en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (voor verkrachting). Mede gelet op de bovengenoemde context waarin de bewezenverklaarde feiten hebben plaatsgevonden jegens minderjarige slachtoffers en de omstandigheid dat het misbruik herhaaldelijk en gedurende een lange periode heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank – ondanks dat zij tot een iets andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie – een gevangenisstraf van zeven jaar in beginsel passend en geboden.

De rechtbank houdt er evenwel rekening mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) (ruimschoots) is overschreden, omdat niet binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis is gewezen. De aanvangsdatum van de redelijke termijn is daarbij bepaald op 16 november 2021, de dag waarop verdachte voor de eerste keer is verhoord en is aangehouden als verdachte. Dit betekent dat de redelijke termijn met twee jaar en zeven maanden is overschreden. Dit levert een schending van artikel 6 EVRM op, waarbij gelet op de duur van de overschrijding niet kan worden volstaan met de enkele constatering van die schending. Overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zal de rechtbank naar bevind van zaken handelen nu de overschrijding van de redelijke termijn meer dan twaalf maanden bedraagt. Daarnaast gaat het in deze zaak om feiten die hebben plaatsgevonden in de periode van 1994 tot en met 2002, een tijdvak dat ruim 23 jaar geleden eindigde. Hoewel dit geenszins afdoet aan de ernst van de feiten, zal de rechtbank hiermee en met de schending van de redelijke termijn rekening houden in die zin dat de rechtbank een halfjaar minder gevangenisstraf zal opleggen dan de in beginsel passende gevangenisstraf van zeven jaar.

Concluderend, zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zesenhalf (6,5) jaar (78 maanden) opleggen.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.

9
Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
9.1.

De vorderingen

9.1.1.

[benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 267,20 aan vergoeding van materiële schade en € 30.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente met als ingangsdatum het midden van de tenlastegelegde periode. Tevens wordt verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9.1.2.

[benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 385,- aan vergoeding van materiële schade en € 30.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente met als ingangsdatum het midden van de tenlastegelegde periode. Tevens wordt verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen zowel ten aanzien van de materiële als immateriële schade in het geheel kunnen worden toegewezen, met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de gevorderde materiële schade niet betwist.

Wel is het causaal verband gesteld in het kader van de immateriële schade gemotiveerd betwist, wat er in de visie van de verdediging toe moet leiden dat de hoogte van de naar billijkheid vast te stellen vergoeding binnen de bandbreedte van € 5.500,- en € 16.000,- (Rotterdamse schaal, hoofdstuk 14.2, categorie (c) middelzwaar), dan wel binnen de bandbreedte van € 6.000,- tot € 12.500,- (Rotterdamse schaal, hoofdstuk 15.2, categorie (b) ernstig) dient te vallen.

Ten slotte wordt verzocht de wettelijke rente ten aanzien van de materiële schadevergoeding te laten aanvangen op het moment dat die kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

9.4.

Het oordeel van de rechtbank

9.4.1.

Materiële schade

Vaststaat dat aan de benadeelde partijen door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen op dit punt voldoende zijn onderbouwd. De hoogte van de vorderingen is ook niet betwist. Daarom worden de vordering [benadeelde partij 1] van € 267,20 en de vordering van [benadeelde partij 2] van € 385,- in het geheel toegewezen.

Uitgangspunt voor toewijzing van wettelijke rente is het moment van ontstaan van de schade.

De rechtbank bepaalt bij [benadeelde partij 1] , gebaseerd op het zorgkostenoverzicht, dat € 133,60 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2022 en € 133,60 met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2022.

Ten aanzien van [benadeelde partij 2] kan de rechtbank op grond van het zorgkostenoverzicht niet vaststellen wanneer welk stuk eigen risico daadwerkelijk is betaald. Omdat het gaat om het eigen risico over 2022, zullen deze kosten uiterlijk op 31 december 2022 zijn ontstaan. Daarom wordt het bedrag van € 385,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2022.

9.4.2

Immateriële schade

De rechtbank stelt vast dat aan [benadeelde partij 1] als gevolg van de bewezenverklaarde feiten 1 en 2 en aan [benadeelde partij 2] als gevolg van de bewezenverklaarde feiten 6 en 8, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Uit de onderbouwing van de vordering van [benadeelde partij 1] blijkt onder meer dat bij haar PTSS is vastgesteld. Uit de onderbouwing van de vordering van [benadeelde partij 2] volgt dat zij depressie-, PTSS- en angstklachten heeft.

Er is sprake van een aantasting in de persoon op “andere wijze” als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek.

De aard en de ernst van het bewezen seksueel misbruik – zoals volgt uit wat bij de bewijsmotivering en de motivering van de straf is overwogen – brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat, nog daargelaten de genoemde (PTSS-)klachten, de nadelige gevolgen van het seksueel misbruik voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon naar algemene ervaringsregels kan worden aangenomen. De benadeelden kunnen dus aanspraak maken op een schadevergoeding.

Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en de Rotterdamse schaal - waarvan gelet op de bewezenverklaring bij beide benadeelden hoofdstuk 15.2 categorie a van toepassing is - is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst daarom zowel ten aanzien van [benadeelde partij 1] als [benadeelde partij 2] de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 30.000,- in zijn geheel toe.

Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2024 (Voetnoot 3), bepaalt de rechtbank de aanvangsdatum van de wettelijke rente in het midden van de bewezenverklaarde periode. Voor [benadeelde partij 1] is dat op 18 december 1997 en voor [benadeelde partij 2] op 21 juni 1996.

9.4.3.

Kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging

Voorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken, tot op heden begroot op nihil.

9.4.4.

Schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde partij 1]

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 en 2 bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van in totaal: € 30.267,20 (€ 267,20 + € 30.000,-), vermeerderd met de wettelijke rente over € 133,60 vanaf 20 januari 2022, over € 133,60 vanaf 31 januari 2022 en over € 30.000,-vanaf 18 december 1997.

[benadeelde partij 2]

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen geachte feiten 6 en 8 is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van in totaal: € 30.385,- (€ 385,- + € 30.000,-), vermeerderd met de wettelijke rente over € 385,- vanaf 31 december 2022 en over € 30.000,-.vanaf 21 juni 1996.

10
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 63, 244 (oud) en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

11
Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van het onder 5 en 10 ten laste gelegde.

Verklaart het onder 3, 4, 7 en 9 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 6 en 8 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van de feiten 1 en 6

telkens: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

ten aanzien van feit 2

poging tot met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

ten aanzien van feit 8

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 78 (achtenzeventig) maanden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 267,20 (tweehonderd zevenenzestig euro en twintig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 30.000,- (dertigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 133,60 vanaf 20 januari 2022, over € 133,60 vanaf 31 januari 2022 en over € 30.000,- vanaf 18 december 1997, steeds tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van de toegewezen bedragen aan [benadeelde partij 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 30.267,20 (dertigduizend tweehonderd zevenenzestig euro en twintig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 133,60 vanaf 20 januari 2022, over € 133,60 vanaf 31 januari 2022 en over € 30.000 vanaf 18 december 1997, steeds tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 158 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 385,- (driehonderd vijfentachtig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 30.000,- (dertigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 385,- vanaf 31 december 2022 en over € 30.000,- vanaf 21 juni 1996, steeds tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van de toegewezen bedragen aan [benadeelde partij 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 30.385, (dertigduizend driehonderd vijfentachtig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 385,- vanaf 31 december 2022 en over € 30.000 vanaf 21 juni 1996, steeds tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 159 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.F. Bögemann, voorzitter,

mrs. A.S. Dogan en H.H.J. Zevenhuijzen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Baaijens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 juni 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

Vgl: Hoge Raad, 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1216.

Voetnoot 2

Deze strafverzwaringsgrond is pas in werking getreden op 1 januari 2010 (stb. 2009, 578).

Voetnoot 3

Hoge Raad 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:466.