4.3.1
Zaak A
4.3.1.1 - Feiten en omstandigheden
Bij de beoordeling van de betrokkenheid van [verdachte] en [medeverdachte] bij het schietincident worden eerst de relevante feiten en omstandigheden in chronologische volgorde weergegeven.
De rechtbank gaat daarna in op de verweren die niet door de bewijsmiddelen worden weerlegd en die niet al worden besproken in onderstaande feitenvaststelling, alsmede op de overige bewijsvragen.
4.3.1.2 - 6 september 2025 - voorverkenning [verdachte] en gesprek met [gebruikersnaam 1]
De in beslag genomen iPhone 11 Pro (met goednummer 6747800), gekoppeld aan het telefoonnummer eindigend op * [nummer] (hierna ook: telefoon * [nummer] ) wordt aan [verdachte] toegeschreven. Aan het begin van een chatgesprek op 6 september 2025 geeft [verdachte] aan dat hij ‘osso’, de rechtbank begrijpt: thuis, is. De genoemde telefoon peilt op dat moment uit op het adres van [verdachte] in [woonplaats] . In het gesprek wordt vervolgens gezegd: ‘maar kijk ff voor vv nu’. De rechtbank begrijpt dat, gelet op wat er vervolgens is gebeurd, [verdachte] het op dit moment heeft over een voorverkenning. Uit de locatiegegevens van telefoon * [nummer] volgt dat deze zich in de avond van 6 september 2025 vanuit de woning van [verdachte] naar Amsterdam begeeft, naar de omgeving van de Bokkinghangen. Kort nadat de telefoon uitpeilt bij de winkel van [benadeelde partij] - tabakswinkel [naam winkel] - stuurt [verdachte] via Signal een bericht naar gebruiker [gebruikersnaam 1] dat hij deze plek kent. De telefoon bevindt zich op dat moment om de hoek van de Barentszstraat. [gebruikersnaam 1] vraagt 'of het kan' en dat wordt bevestigd door [verdachte] . Daarna wordt door [gebruikersnaam 1] nogmaals bevestiging gevraagd met: 'Dus het is een ja gewoon tocht'. [verdachte] reageert daarop met: 'jaa'. Ook reageert [verdachte] bevestigend op de vraag van [gebruikersnaam 1] of zijn jongens ‘orgie’, de rechtbank begrijpt: georganiseerd of klaar, zijn.
Tussenconclusie
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat [verdachte] een voorverkenning heeft uitgevoerd op de latere plaats delict. De tijdstippen waarop [verdachte] de hiervoor genoemde berichten heeft gestuurd passen, gelet op de inhoud daarvan, naadloos op de locatiegegevens van telefoon * [nummer] . De rechtbank stelt tevens vast dat deze voorverkenning er kennelijk toe heeft geleid dat [verdachte] heeft beslist dat iets kan doorgaan en dat hij daar mensen voor gereed heeft.
4.3.1.3 - 16 september 2025 - voorverkenning [verdachte]
De rechtbank stelt vast dat op 16 september 2025 weer een voorverkenning door [verdachte] heeft plaatsgevonden. Dit maakt de rechtbank op uit de ANPR-registraties van die dag van een Audi Q3 met kenteken [kenteken] (hierna ook: de Audi), die op naam staat van de moeder van [verdachte] , en de historische verkeersgegevens van telefoon * [nummer] . Uit het dossier volgt dat de Audi een reisbeweging maakt in de richting van de hierna nader te beschrijven woning op de [adres safehouse] , door de officier van justitie aangeduid als het ‘safehouse’, en de plaats delict. Telefoon * [nummer] maakt een soortgelijke reisbeweging rondom dezelfde tijden als de Audi. De Audi is eveneens op meerdere momenten in de nabije omgeving van het safehouse op de [adres safehouse] en de plaats delict. Telefoon * [nummer] maakt gebruik van cell-id's gelegen op locaties in de nabije omgeving van het safehouse op de [adres safehouse] en de plaats delict. Vervolgens maken de Audi en de telefoon * [nummer] soortgelijke reisbewegingen rondom dezelfde tijden vanuit Amsterdam. Uit een andere telefoon die aan [verdachte] wordt toegeschreven volgt dat hij op 15 en 16 september 2025 via Google heeft gezocht naar ‘ [naam winkel] ’. Het vermoeden is dat er een typefout is gemaakt en dat de bedoeling was te zoeken naar ‘ [naam winkel] ’. Dit is de naam van de winkel van [benadeelde partij] .
De rechtbank is – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat [medeverdachte] betrokken is geweest bij de voorverkenning die plaatsvond op 16 september 2025. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het telefoonnummer eindigend op * [nummer] kan worden toegeschreven aan [medeverdachte] . De rechtbank ziet dat anders. [medeverdachte] heeft weliswaar verklaard dat hij dat telefoonnummer wel eens in gebruik heeft gehad, maar er werd ook door anderen van die telefoon gebruik gemaakt. Daarnaast geldt dat uit de ANPR-registraties van de Ford Fiesta met kenteken [kenteken] (hierna ook: de Ford), die op naam staat van [medeverdachte] , niet duidelijk volgt dat die Ford op 16 september 2025 in de directe omgeving van de plaats delict is geweest.
4.3.1.4 - 17 september 2025 – reconstructie
Vaststaat dat op 17 september 2025 een schietincident heeft plaatsgevonden, waarbij [benadeelde partij] in zijn linkerbil is geschoten. Uit de aangifte van [benadeelde partij] en de getuigenverklaring van [naam getuige] volgt dat [benadeelde partij] omstreeks 19:00 uur door een persoon is neergeschoten, waarna de schutter is gevlucht op een fatbike. De officier van justitie gaat ervanuit dat [medeverdachte] de schutter was. Volgens de officier van justitie is [medeverdachte] degene die in de Ford aan komt rijden op de Boomklokstraat, naar het safehouse gaat, daar op een fatbike stapt en wegrijdt en is hij degene die na het schietincident weer vlucht op de fatbike. Ook de rechtbank komt tot de conclusie dat dit steeds [medeverdachte] moet zijn geweest. Daaruit leidt de rechtbank ook af dat [medeverdachte] de schutter is geweest. [verdachte] begaf zich ook in de omgeving van het plaats delict, hij was in het safehouse en heeft de auto van [medeverdachte] voor hem klaargezet om mee weg te rijden nadat de ‘klus’ geklaard was. De rechtbank ligt deze conclusie hieronder nader toe.
4.3.1.5 - 17 september 2025 - de route van [medeverdachte] van Almere naar het ‘safehouse’ in Amsterdam
Op 17 september 2025 om 17:12 uur verricht [medeverdachte] een pinbetaling bij benzinestation Total, locatie De Steiger 20 te Almere. Tien minuten later, om 17:22 uur, registreert een ANPR-camera de genoemde Ford op de A1 ter hoogte van Muiden. Ook zijn er ANPR-registraties van de Ford om 17:33 uur bij de Piet Heintunnel en om 17:36 uur op de Piet Heinkade-West. Op de camerabeelden van de omgeving van de Boomklokstraat en [adres safehouse] is vervolgens te zien dat de Ford om 17:50:19 uur aankomt op de Boomklokstraat in Amsterdam, aldaar parkeert en dat vervolgens een man, NN1, uitstapt. Daarbij valt onder meer op dat deze man zwarte schoenen draagt met een witte zool in combinatie met witte sokken. Op de camerabeelden is te zien dat hij het pand aan de [adres safehouse] (het safehouse) betreedt.
Tussenconclusie
Gelet op het beperkte tijdsverloop tussen de pinbetaling, de ANPR-registraties en de aankomst van de Ford op de Boomklokstraat in Amsterdam, kan het niet anders zijn dan dat [medeverdachte] in één lijn vanaf de Total in Almere direct naar Amsterdam is gereden, op de Boomklokstraat is aangekomen en vervolgens naar het safehouse is gelopen. De rechtbank stelt daarom vast dat de man op de camerabeelden, die door de politie als NN1 is aangeduid, [medeverdachte] is.
4.3.1.6 - 17 september 2025 - samenkomst bij het safehouse en vertrek naar de plaats delict
[verdachte] heeft ter terechtzitting bekend dat hij de persoon op de beelden is die door de politie als NN2 is aangeduid. Op de camerabeelden is te zien dat [verdachte] komt aanrijden in de Audi, parkeert en wacht in en voor het safehouse. Terwijl [verdachte] voor het safehouse wacht komt een persoon, door de politie aangeduid als NN3, aanfietsen op een fatbike. [verdachte] gaat met NN3 en de fatbike, het safehouse weer binnen. Om 18:21:59 uur komt een man, die volgens de politie één op één gelijkend is met NN1, de woning uit en fietst weg op een fatbike. Terwijl de man met de fatbike wegfietst, begeeft [verdachte] zich naar de Boomklokstraat, alwaar de Ford van [medeverdachte] geparkeerd staat. [verdachte] rijdt vervolgens met de Ford van [medeverdachte] naar de [adres safehouse] , verplaatst zijn Audi en parkeert vervolgens de Ford op de plek waar de Audi eerst stond.
Tussenconclusie
De rechtbank stelt vast dat het inderdaad [medeverdachte] is die vanaf het pand aan de [adres safehouse] (het safehouse) wegfietst op de fatbike en dat hij op de camerabeelden te zien is die leiden naar de plaats delict op de Bokkinghangen. Deze vaststelling leidt de rechtbank af uit de eerdere vaststelling dat [medeverdachte] degene is geweest die vanuit de Ford naar het safehouse loopt en de sterke overeenkomsten tussen zijn postuur en kleding, in het bijzonder de zwarte schoenen met een witte zool in combinatie met witte sokken, en het postuur en de kleding van degene die wegfietst op de fatbike.
4.3.1.7 - 17 september 2025 - het schietincident op de Bokkinghangen
Uit de aangifte van [benadeelde partij] en de getuigenverklaring van [naam getuige] volgt vervolgens dat [benadeelde partij] omstreeks 19:00 uur door een persoon is neergeschoten, waarna de schutter is gevlucht op een fatbike.
4.3.1.8 - 17 september 2025 - route van de plaats delict naar het safehouse
Om 19:02:40 uur is de man, door de politie aangeduid als NN1, rijdend op een fatbike te zien op camerabeelden van de directe omgeving van de plaats delict. Hij is daarna te zien op diverse camerabeelden in de omgeving van de [adres safehouse] . Op de camerabeelden is te zien dat hij om 19:07:37 uur aankomt bij de [adres safehouse] op de fatbike, het pand in gaat, en vervolgens vertrekt in de Ford die door [verdachte] is klaargezet.
Tussenconclusie
Wederom stelt de rechtbank op basis van de zwarte schoenen met een witte zool in combinatie met witte sokken, alsmede het postuur van deze persoon, vast dat de man [medeverdachte] is, die vanaf de omgeving van de plaats delict is weggefietst op de fatbike. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte] de schutter is geweest die [benadeelde partij] heeft neergeschoten. Door de overeenkomsten tussen het signalement van de bestuurder van de fatbike, het tijdstip waarop hij vertrekt vanaf het safehouse, de locaties waarop hij te zien is op camerabeelden, het moment van het schietincident zelf, de momenten dat hij kort na het schietincident op camerabeelden in de omgeving te zien is en het moment van zijn aankomst bij het safehouse, kan het in redelijkheid niet anders zijn dan dat de bestuurder van deze fatbike, waarvan de rechtbank vaststelt dat dit [medeverdachte] is geweest, degene is geweest die [benadeelde partij] heeft neergeschoten.
4.3.1.9 - Bewijsoverwegingen
4.3.1.10 - Opzet op de dood
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van [medeverdachte] , waarbij hij het wapen meermalen heeft doorgeladen en vervolgens in de richting van [benadeelde partij] heeft geschoten terwijl deze aan het rennen was, in samenhang bezien met de eerdere voorverkenningen en organisatie eromheen, naar de uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood van [benadeelde partij] gericht te zijn dat het niet anders kan zijn geweest dan dat het opzet van [medeverdachte] ook op de dood van [benadeelde partij] was gericht. Verder zijn geen omstandigheden gebleken dat het doden van [benadeelde partij] niet het beoogde doel is geweest of dat [medeverdachte] anders heeft gehandeld dan vooraf afgesproken. Dat het schieten op een persoon op de vlucht ook kan leiden tot de dood behoeft geen betoog.
Het ten laste gelegde opzet op de dood is daarmee wettig en overtuigend bewezen.
4.3.1.11 - Voorbedachten rade
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om samen met anderen [benadeelde partij] om het leven te brengen en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
De rechtbank is van oordeel dat de aard van het misdrijf en de wijze waarop dit is uitgevoerd maken dat sprake moet zijn geweest van een vooropgezet plan, zodat het ten laste gelegde voorbedachten rade wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
De rechtbank heeft in rubriek 4.3.1.2 vastgesteld dat [verdachte] voorverkenningen heeft uitgevoerd en (toen) heeft bevestigd dat ‘het’ kon en dat hij mensen gereed had. De rechtbank leidt hieruit, mede in het licht van de daaropvolgende gebeurtenissen, af dat [verdachte] de moordopdracht heeft aangenomen. Daarnaast was sprake van een verzamelplaats op de [adres safehouse] waar verdachten elkaar ontmoetten, het safehouse. Daar kwamen verdachten tezamen en vanuit daar verrichtte ieder zijn eigen taak. [medeverdachte] kwam vanuit Almere naar Amsterdam, de derde onbekend gebleven verdachte kwam daar met een fatbike aan voor [medeverdachte] , waarmee [medeverdachte] naar de plaats delict is gereden en heeft geschoten en [verdachte] zette de vluchtauto voor [medeverdachte] klaar.
4.3.1.11 - Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Zoals hiervoor overwogen heeft [verdachte] de moordopdracht aangenomen en voorverkenningen uitgevoerd. Daarnaast heeft [verdachte] op de dag van het delict samen met [medeverdachte] gewacht op NN3, die de fatbike langsbracht. Verder heeft [verdachte] op het moment dat [medeverdachte] naar de plaats delict reed en [benadeelde partij] neerschoot, de geparkeerde auto van [medeverdachte] opgehaald en voor het safehouse geparkeerd, kennelijk met de bedoeling dat [medeverdachte] snel en makkelijk weg kon komen. [verdachte] was daarmee op de hoogte van hetgeen zich afspeelde en hem was er alles aan gelegen het moordplan zo soepel mogelijk te laten verlopen.
Gezien het voorgaande schuift de rechtbank het standpunt van de verdediging, dat [verdachte] geen wetenschap heeft gehad en geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het vooropgezette plan, terzijde. Dat [verdachte] wetenschap moet hebben gehad, volgt uit het aannemen van de moordopdracht, de voorverkenning, het wachten op NN3 met de fatbike en het verplaatsen van de auto’s. Het kan mede gelet hierop niet anders zijn dan dat [verdachte] op de hoogte was van hetgeen zich even daarvoor had afgespeeld.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten is komen vast te staan. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
4.3.1.12 - Eindconclusie
Gelet op alle voorgaande conclusies – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord op [benadeelde partij] .