Rechtbank Amsterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBAMS:2026:6377

Op 23 June 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 13/283498-25 (zaak A) en 13/099864-26 (zaak B) (t, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBAMS:2026:6377. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
13/283498-25 (zaak A) en 13/099864-26 (zaak B) (t
Datum uitspraak:
23 June 2026
Datum publicatie:
23 June 2026

Indicatie

Een 24 jarige man heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot liquidatie en het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing op een bedrijventerrein in Amsterdam. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 15 jaar.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/283498-25 (zaak A) en 13/099864-26 (zaak B)

(ter terechtzitting gevoegd)Parketnummers vorderingen tul: 02/046293-24 en 16/006193-24

Datum uitspraak: 23 juni 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] ,

nu gedetineerd in het [naam Justitieel Complex] ,

hierna te noemen: [verdachte] .

1
Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 en 23 juni 2026.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A (13/283498-25) en zaak B (13/099864-26) aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. A. Kerkhoff, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E. Bruijn, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van hetgeen mr. S. Bijl namens de benadeelde partij [benadeelde partij] naar voren heeft gebracht.

2
Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

Zaak A:

het - samen met anderen - proberen te vermoorden van [benadeelde partij] op 17 september 2025 in Amsterdam;

Dit is subsidiair ten laste gelegd als het - samen met anderen - opzettelijk met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toebrengen aan die [benadeelde partij] ; en

meer subsidiair ten laste gelegd als het - samen met anderen - opzettelijk proberen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [benadeelde partij] ;

Zaak B:

het medeplegen van opzettelijke brandstichting dan wel het teweegbrengen van een ontploffing op 17 april 2025 in Amsterdam, waarbij gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar te duchten was.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3
Inleiding

Op 17 september 2025 heeft op de Bokkinghangen in Amsterdam een schietincident plaatsgevonden, waarbij [benadeelde partij] (hierna ook: [benadeelde partij] ) in zijn linkerbil is geraakt. Naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek zijn verdachten [verdachte] en [medeverdachte] als verdachten van deze vermeende poging tot moord aangemerkt. Uit hetzelfde strafrechtelijk onderzoek zijn ook andere - op zichzelf staande - verdenkingen tegen [verdachte] en [medeverdachte] gerezen. Het zwaartepunt van de zaak ligt bij het schietincident. Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis worden beide verdachten hierna steeds bij hun achternaam aangeduid.

4
Waardering van het bewijs
4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle aan [verdachte] (primair) ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.

Ten aanzien van zaak A

Uit de ANPR-gegevens, de historische verkeersgegevens en de beschrijvingen van de camerabeelden volgt dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de poging tot moord. Iedere verdachte heeft zijn vooraf goed besproken rol gehad en iedere rol is even belangrijk geweest voor de uitvoering van het feit, waardoor sprake is van medeplegen. Er is sprake van een poging tot moord omdat van korte afstand op het slachtoffer is geschoten, waarmee minst genomen voorwaardelijk opzet bestond op het dood van het slachtoffer.

Ten aanzien van zaak B

Uit het proces-verbaal waarin de chats van [verdachte] met [gebruikersnaam 1] , [gebruikersnaam 2] , [gebruikersnaam 3] en [gebruikersnaam 4] staan weergeven volgt de nauwe en bewuste samenwerking bij het veroorzaken van de explosie. Er is geen aanwijzing dat sprake is geweest van levensgevaar, zodat [verdachte] van dit gedeelte van de tenlastelegging partieel moet worden vrijgesproken.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich met betrekking tot zowel zaak A als zaak B op het standpunt gesteld dat [verdachte] weliswaar een rol heeft gespeeld bij de feiten, maar dat hij niet de uiteindelijke opdrachtgever was. [verdachte] heeft hooguit informatie van derden doorgegeven. Hij was geen zelfstandig beslissende organisator en uitvoerders stonden ook niet onder zijn gezag of controle.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Zaak A

4.3.1.1 - Feiten en omstandigheden

Bij de beoordeling van de betrokkenheid van [verdachte] en [medeverdachte] bij het schietincident worden eerst de relevante feiten en omstandigheden in chronologische volgorde weergegeven.

De rechtbank gaat daarna in op de verweren die niet door de bewijsmiddelen worden weerlegd en die niet al worden besproken in onderstaande feitenvaststelling, alsmede op de overige bewijsvragen.

4.3.1.2 - 6 september 2025 - voorverkenning [verdachte] en gesprek met [gebruikersnaam 1]

De in beslag genomen iPhone 11 Pro (met goednummer 6747800), gekoppeld aan het telefoonnummer eindigend op * [nummer] (hierna ook: telefoon * [nummer] ) wordt aan [verdachte] toegeschreven. Aan het begin van een chatgesprek op 6 september 2025 geeft [verdachte] aan dat hij ‘osso’, de rechtbank begrijpt: thuis, is. De genoemde telefoon peilt op dat moment uit op het adres van [verdachte] in [woonplaats] . In het gesprek wordt vervolgens gezegd: ‘maar kijk ff voor vv nu’. De rechtbank begrijpt dat, gelet op wat er vervolgens is gebeurd, [verdachte] het op dit moment heeft over een voorverkenning. Uit de locatiegegevens van telefoon * [nummer] volgt dat deze zich in de avond van 6 september 2025 vanuit de woning van [verdachte] naar Amsterdam begeeft, naar de omgeving van de Bokkinghangen. Kort nadat de telefoon uitpeilt bij de winkel van [benadeelde partij] - tabakswinkel [naam winkel] - stuurt [verdachte] via Signal een bericht naar gebruiker [gebruikersnaam 1] dat hij deze plek kent. De telefoon bevindt zich op dat moment om de hoek van de Barentszstraat. [gebruikersnaam 1] vraagt 'of het kan' en dat wordt bevestigd door [verdachte] . Daarna wordt door [gebruikersnaam 1] nogmaals bevestiging gevraagd met: 'Dus het is een ja gewoon tocht'. [verdachte] reageert daarop met: 'jaa'. Ook reageert [verdachte] bevestigend op de vraag van [gebruikersnaam 1] of zijn jongens ‘orgie’, de rechtbank begrijpt: georganiseerd of klaar, zijn.

Tussenconclusie

De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat [verdachte] een voorverkenning heeft uitgevoerd op de latere plaats delict. De tijdstippen waarop [verdachte] de hiervoor genoemde berichten heeft gestuurd passen, gelet op de inhoud daarvan, naadloos op de locatiegegevens van telefoon * [nummer] . De rechtbank stelt tevens vast dat deze voorverkenning er kennelijk toe heeft geleid dat [verdachte] heeft beslist dat iets kan doorgaan en dat hij daar mensen voor gereed heeft.

4.3.1.3 - 16 september 2025 - voorverkenning [verdachte]

De rechtbank stelt vast dat op 16 september 2025 weer een voorverkenning door [verdachte] heeft plaatsgevonden. Dit maakt de rechtbank op uit de ANPR-registraties van die dag van een Audi Q3 met kenteken [kenteken] (hierna ook: de Audi), die op naam staat van de moeder van [verdachte] , en de historische verkeersgegevens van telefoon * [nummer] . Uit het dossier volgt dat de Audi een reisbeweging maakt in de richting van de hierna nader te beschrijven woning op de [adres safehouse] , door de officier van justitie aangeduid als het ‘safehouse’, en de plaats delict. Telefoon * [nummer] maakt een soortgelijke reisbeweging rondom dezelfde tijden als de Audi. De Audi is eveneens op meerdere momenten in de nabije omgeving van het safehouse op de [adres safehouse] en de plaats delict. Telefoon * [nummer] maakt gebruik van cell-id's gelegen op locaties in de nabije omgeving van het safehouse op de [adres safehouse] en de plaats delict. Vervolgens maken de Audi en de telefoon * [nummer] soortgelijke reisbewegingen rondom dezelfde tijden vanuit Amsterdam. Uit een andere telefoon die aan [verdachte] wordt toegeschreven volgt dat hij op 15 en 16 september 2025 via Google heeft gezocht naar ‘ [naam winkel] ’. Het vermoeden is dat er een typefout is gemaakt en dat de bedoeling was te zoeken naar ‘ [naam winkel] ’. Dit is de naam van de winkel van [benadeelde partij] .

De rechtbank is – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat [medeverdachte] betrokken is geweest bij de voorverkenning die plaatsvond op 16 september 2025. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het telefoonnummer eindigend op * [nummer] kan worden toegeschreven aan [medeverdachte] . De rechtbank ziet dat anders. [medeverdachte] heeft weliswaar verklaard dat hij dat telefoonnummer wel eens in gebruik heeft gehad, maar er werd ook door anderen van die telefoon gebruik gemaakt. Daarnaast geldt dat uit de ANPR-registraties van de Ford Fiesta met kenteken [kenteken] (hierna ook: de Ford), die op naam staat van [medeverdachte] , niet duidelijk volgt dat die Ford op 16 september 2025 in de directe omgeving van de plaats delict is geweest.

4.3.1.4 - 17 september 2025 – reconstructie

Vaststaat dat op 17 september 2025 een schietincident heeft plaatsgevonden, waarbij [benadeelde partij] in zijn linkerbil is geschoten. Uit de aangifte van [benadeelde partij] en de getuigenverklaring van [naam getuige] volgt dat [benadeelde partij] omstreeks 19:00 uur door een persoon is neergeschoten, waarna de schutter is gevlucht op een fatbike. De officier van justitie gaat ervanuit dat [medeverdachte] de schutter was. Volgens de officier van justitie is [medeverdachte] degene die in de Ford aan komt rijden op de Boomklokstraat, naar het safehouse gaat, daar op een fatbike stapt en wegrijdt en is hij degene die na het schietincident weer vlucht op de fatbike. Ook de rechtbank komt tot de conclusie dat dit steeds [medeverdachte] moet zijn geweest. Daaruit leidt de rechtbank ook af dat [medeverdachte] de schutter is geweest. [verdachte] begaf zich ook in de omgeving van het plaats delict, hij was in het safehouse en heeft de auto van [medeverdachte] voor hem klaargezet om mee weg te rijden nadat de ‘klus’ geklaard was. De rechtbank ligt deze conclusie hieronder nader toe.

4.3.1.5 - 17 september 2025 - de route van [medeverdachte] van Almere naar het ‘safehouse’ in Amsterdam

Op 17 september 2025 om 17:12 uur verricht [medeverdachte] een pinbetaling bij benzinestation Total, locatie De Steiger 20 te Almere. Tien minuten later, om 17:22 uur, registreert een ANPR-camera de genoemde Ford op de A1 ter hoogte van Muiden. Ook zijn er ANPR-registraties van de Ford om 17:33 uur bij de Piet Heintunnel en om 17:36 uur op de Piet Heinkade-West. Op de camerabeelden van de omgeving van de Boomklokstraat en [adres safehouse] is vervolgens te zien dat de Ford om 17:50:19 uur aankomt op de Boomklokstraat in Amsterdam, aldaar parkeert en dat vervolgens een man, NN1, uitstapt. Daarbij valt onder meer op dat deze man zwarte schoenen draagt met een witte zool in combinatie met witte sokken. Op de camerabeelden is te zien dat hij het pand aan de [adres safehouse] (het safehouse) betreedt.

Tussenconclusie

Gelet op het beperkte tijdsverloop tussen de pinbetaling, de ANPR-registraties en de aankomst van de Ford op de Boomklokstraat in Amsterdam, kan het niet anders zijn dan dat [medeverdachte] in één lijn vanaf de Total in Almere direct naar Amsterdam is gereden, op de Boomklokstraat is aangekomen en vervolgens naar het safehouse is gelopen. De rechtbank stelt daarom vast dat de man op de camerabeelden, die door de politie als NN1 is aangeduid, [medeverdachte] is.

4.3.1.6 - 17 september 2025 - samenkomst bij het safehouse en vertrek naar de plaats delict

[verdachte] heeft ter terechtzitting bekend dat hij de persoon op de beelden is die door de politie als NN2 is aangeduid. Op de camerabeelden is te zien dat [verdachte] komt aanrijden in de Audi, parkeert en wacht in en voor het safehouse. Terwijl [verdachte] voor het safehouse wacht komt een persoon, door de politie aangeduid als NN3, aanfietsen op een fatbike. [verdachte] gaat met NN3 en de fatbike, het safehouse weer binnen. Om 18:21:59 uur komt een man, die volgens de politie één op één gelijkend is met NN1, de woning uit en fietst weg op een fatbike. Terwijl de man met de fatbike wegfietst, begeeft [verdachte] zich naar de Boomklokstraat, alwaar de Ford van [medeverdachte] geparkeerd staat. [verdachte] rijdt vervolgens met de Ford van [medeverdachte] naar de [adres safehouse] , verplaatst zijn Audi en parkeert vervolgens de Ford op de plek waar de Audi eerst stond.

Tussenconclusie

De rechtbank stelt vast dat het inderdaad [medeverdachte] is die vanaf het pand aan de [adres safehouse] (het safehouse) wegfietst op de fatbike en dat hij op de camerabeelden te zien is die leiden naar de plaats delict op de Bokkinghangen. Deze vaststelling leidt de rechtbank af uit de eerdere vaststelling dat [medeverdachte] degene is geweest die vanuit de Ford naar het safehouse loopt en de sterke overeenkomsten tussen zijn postuur en kleding, in het bijzonder de zwarte schoenen met een witte zool in combinatie met witte sokken, en het postuur en de kleding van degene die wegfietst op de fatbike.

4.3.1.7 - 17 september 2025 - het schietincident op de Bokkinghangen

Uit de aangifte van [benadeelde partij] en de getuigenverklaring van [naam getuige] volgt vervolgens dat [benadeelde partij] omstreeks 19:00 uur door een persoon is neergeschoten, waarna de schutter is gevlucht op een fatbike.

4.3.1.8 - 17 september 2025 - route van de plaats delict naar het safehouse

Om 19:02:40 uur is de man, door de politie aangeduid als NN1, rijdend op een fatbike te zien op camerabeelden van de directe omgeving van de plaats delict. Hij is daarna te zien op diverse camerabeelden in de omgeving van de [adres safehouse] . Op de camerabeelden is te zien dat hij om 19:07:37 uur aankomt bij de [adres safehouse] op de fatbike, het pand in gaat, en vervolgens vertrekt in de Ford die door [verdachte] is klaargezet.

Tussenconclusie

Wederom stelt de rechtbank op basis van de zwarte schoenen met een witte zool in combinatie met witte sokken, alsmede het postuur van deze persoon, vast dat de man [medeverdachte] is, die vanaf de omgeving van de plaats delict is weggefietst op de fatbike. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte] de schutter is geweest die [benadeelde partij] heeft neergeschoten. Door de overeenkomsten tussen het signalement van de bestuurder van de fatbike, het tijdstip waarop hij vertrekt vanaf het safehouse, de locaties waarop hij te zien is op camerabeelden, het moment van het schietincident zelf, de momenten dat hij kort na het schietincident op camerabeelden in de omgeving te zien is en het moment van zijn aankomst bij het safehouse, kan het in redelijkheid niet anders zijn dan dat de bestuurder van deze fatbike, waarvan de rechtbank vaststelt dat dit [medeverdachte] is geweest, degene is geweest die [benadeelde partij] heeft neergeschoten.

4.3.1.9 - Bewijsoverwegingen

4.3.1.10 - Opzet op de dood

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van [medeverdachte] , waarbij hij het wapen meermalen heeft doorgeladen en vervolgens in de richting van [benadeelde partij] heeft geschoten terwijl deze aan het rennen was, in samenhang bezien met de eerdere voorverkenningen en organisatie eromheen, naar de uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood van [benadeelde partij] gericht te zijn dat het niet anders kan zijn geweest dan dat het opzet van [medeverdachte] ook op de dood van [benadeelde partij] was gericht. Verder zijn geen omstandigheden gebleken dat het doden van [benadeelde partij] niet het beoogde doel is geweest of dat [medeverdachte] anders heeft gehandeld dan vooraf afgesproken. Dat het schieten op een persoon op de vlucht ook kan leiden tot de dood behoeft geen betoog.

Het ten laste gelegde opzet op de dood is daarmee wettig en overtuigend bewezen.

4.3.1.11 - Voorbedachten rade

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om samen met anderen [benadeelde partij] om het leven te brengen en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank is van oordeel dat de aard van het misdrijf en de wijze waarop dit is uitgevoerd maken dat sprake moet zijn geweest van een vooropgezet plan, zodat het ten laste gelegde voorbedachten rade wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De rechtbank heeft in rubriek 4.3.1.2 vastgesteld dat [verdachte] voorverkenningen heeft uitgevoerd en (toen) heeft bevestigd dat ‘het’ kon en dat hij mensen gereed had. De rechtbank leidt hieruit, mede in het licht van de daaropvolgende gebeurtenissen, af dat [verdachte] de moordopdracht heeft aangenomen. Daarnaast was sprake van een verzamelplaats op de [adres safehouse] waar verdachten elkaar ontmoetten, het safehouse. Daar kwamen verdachten tezamen en vanuit daar verrichtte ieder zijn eigen taak. [medeverdachte] kwam vanuit Almere naar Amsterdam, de derde onbekend gebleven verdachte kwam daar met een fatbike aan voor [medeverdachte] , waarmee [medeverdachte] naar de plaats delict is gereden en heeft geschoten en [verdachte] zette de vluchtauto voor [medeverdachte] klaar.

4.3.1.11 - Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Zoals hiervoor overwogen heeft [verdachte] de moordopdracht aangenomen en voorverkenningen uitgevoerd. Daarnaast heeft [verdachte] op de dag van het delict samen met [medeverdachte] gewacht op NN3, die de fatbike langsbracht. Verder heeft [verdachte] op het moment dat [medeverdachte] naar de plaats delict reed en [benadeelde partij] neerschoot, de geparkeerde auto van [medeverdachte] opgehaald en voor het safehouse geparkeerd, kennelijk met de bedoeling dat [medeverdachte] snel en makkelijk weg kon komen. [verdachte] was daarmee op de hoogte van hetgeen zich afspeelde en hem was er alles aan gelegen het moordplan zo soepel mogelijk te laten verlopen.

Gezien het voorgaande schuift de rechtbank het standpunt van de verdediging, dat [verdachte] geen wetenschap heeft gehad en geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het vooropgezette plan, terzijde. Dat [verdachte] wetenschap moet hebben gehad, volgt uit het aannemen van de moordopdracht, de voorverkenning, het wachten op NN3 met de fatbike en het verplaatsen van de auto’s. Het kan mede gelet hierop niet anders zijn dan dat [verdachte] op de hoogte was van hetgeen zich even daarvoor had afgespeeld.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten is komen vast te staan. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

4.3.1.12 - Eindconclusie

Gelet op alle voorgaande conclusies – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord op [benadeelde partij] .

4.3.2

Zaak B

De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] samen met anderen de aan hem ten laste gelegde brandstichting en een ontploffing teweeg heeft gebracht.

De rechtbank heeft in rubriek 4.3.1.2 [verdachte] vastgesteld als gebruiker van telefoon * [nummer] . Uit het proces-verbaal van bevindingen waarin de verschillende chats die [verdachte] met deze telefoon heeft gevoerd in verband met dit feit, zijn weergegeven, volgt onder meer dat [verdachte] de opdracht tot het teweegbrengen van een explosie heeft aangenomen, vervolgens heeft uitgezet bij uitvoerders, informatie aan hen heeft doorgegeven (zoals het adres en de wijze waarop het moet gebeuren) en dat hij is meegegaan om de locatie te laten zien toen de uitvoerders het niet konden vinden. Ook volgt uit dit proces-verbaal dat [verdachte] nauw contact heeft gehouden gedurende de uitvoering, zowel met de opdrachtgevers als met de uitvoerders. Uiteindelijk is [verdachte] degene die aan de opdrachtgever(s) doorgeeft dat het gelukt is en hij stuurt een filmpje door van de explosie. Er is dan ook sprake van een nauwe en bewuste samenwerking bij het veroorzaken van de brandstichting en de explosie, waarbij [verdachte] een coördinerende rol heeft vervuld en als tussenpersoon heeft gefungeerd tussen de uiteindelijke opdrachtgever(s) en de uitvoerders. Uit de chats volgt dat gebruik is gemaakt van een Cobra en een fles benzine.

De rechtbank zal [verdachte] vrijspreken van het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op levensgevaar of gevaar van zwaar lichamelijk letsel voor een ander, nu hiervoor geen aanwijzingen zijn in het dossier. Wel vindt de rechtbank dat sprake was van gemeen gevaar voor goederen, nu de [adres] , waarin Autopoetsbedrijf Amsterdam is gevestigd, zich bevindt tussen andere bedrijfspanden/business units. De rechtbank maakt dit op uit het proces-verbaal waarin het filmpje van de explosie is uitgewerkt.

5
Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Zaak A:

op 17 september 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde partij] van het leven te beroven, met een vuurwapen in de richting van die [benadeelde partij] te schieten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak B:

op 17 april 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht en een ontploffing teweeg heeft gebracht, door open vuur in aanraking te brengen met een cobra en een fles brandstof (benzine), terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten het pand gelegen aan [adres] en één of meer omliggende panden, te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6
De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7
De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

Overwegingen

8
Motivering van de straffen en maatregelen
8.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaar, met aftrek van voorarrest.

8.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Het zwaartepunt van deze zaak ligt bij de betrokkenheid van [verdachte] bij het schietincident in Amsterdam. [verdachte] heeft zich samen met anderen, waaronder [medeverdachte] , schuldig gemaakt aan het plegen van een poging tot moord. In de vroege avond van 17 september 2025 is voor zijn winkel op het [adres] het slachtoffer neergeschoten. De achtergrond van het schietincident is onduidelijk gebleven, nut de verdachten daarin geen inzicht hebben willen (en misschien ook wel niet hebben kunnen) geven. Het heeft er echter sterk de schijn van dat deze poging tot moord een afrekening in het criminele milieu is geweest en deze heeft daarom te gelden als een poging tot liquidatie. Liquidaties en pogingen daartoe hebben een ontwrichtende invloed op de samenleving en zorgen voor veel onrust, afschuw en angst. [verdachte] en zijn mededaders hebben met hun handelen blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor het leven van het slachtoffer. Het belang om tegen dit nietsontziende geweld ferm op te treden is groot en evident.

Het schietincident is voor [benadeelde partij] een zeer beangstigende ervaring geweest. Ook de nasleep van het incident heeft nare gevolgen voor hem, zijn vrouw en kinderen gehad. Zij hebben enige tijd niet in hun woning durven en mogen verblijven en leven voortdurend in angst, zo volgt uit de slachtofferverklaring.

[verdachte] heeft zich ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing. De ontploffing heeft flinke materiële schade aan Autopoetscentrum Amsterdam toegebracht. Het plaatsen van vuurwerkbommen is actueel en zorgt voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. [verdachte] en zijn mededaders hebben door hun handelen blijk gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendommen.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van 7 april 2026 van [verdachte] en, hoewel dat fors is, geconstateerd dat daaruit niet blijkt dat hij zich eerder heeft schuldig gemaakt aan soortgelijke delicten. Vanwege de aard en de ernst van het bewezenverklaarde heeft dit gegeven geen matigende invloed op de straf.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsadvies van 24 februari 2026. De reclassering heeft geadviseerd om bij een veroordeling een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. Dit heeft te maken met de ernst van de feiten en de proceshouding van [verdachte] .

De strafmaat

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die in andere moordzaken, althans pogingen daartoe, zijn opgelegd. Hoewel dit soortzaken zich moeilijk laten vergelijken, omdat de rol van een verdachte en de omstandigheden waaronder het feit heeft plaatsgevonden variëren, kan hieruit wel een zekere lijn worden afgeleid. In dat kader tekent zich een ontwikkeling af naar steeds zwaardere straffen, waarbij voor een voltooide liquidatie al gauw gevangenisstraffen worden opgelegd van 20 tot 25 jaar. Een poging tot liquidatie rechtvaardigt daarom in beginsel een gevangenisstraf binnen een bandbreedte van twaalf tot vijftien jaar. Dit kan worden gezien in het kader van steeds gewelddadiger optreden in het criminele milieu, waarmee de maatschappij in toenemende mate wordt geconfronteerd en waardoor de roep om vergelding steeds luider wordt. Het opleggen van straffen dient – naast andere doelen – bij te dragen aan de algemene preventie van strafbare feiten en daarom moet er een zekere afschrikkende werking van uitgaan. Ook in deze zaak wordt duidelijk gemaakt dat op deze ernstige vormen van ontwrichtend geweld een zeer stevige reactie van de strafrechter volgt, al realiseert de rechtbank zich daarbij dat alleen zwaarder straffen het geweld niet kan stoppen.

Ook het teweegbrengen van explosies, het samenstellen en leggen van vuurwerkbommen, levert al gauw een gevangenisstraf op. Het ligt aan de feitelijke omstandigheden van het geval hoe lang deze gevangenisstraffen zijn. In dit geval is, gelet op het doelwit (een pand op een bedrijventerrein) en het tijdstip van uitvoering (in de nachtelijke uren), door het handelen van verdachte geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ontstaan, maar ‘slechts’ gevaar voor goederen. Dit maakt dat in dit geval voor dit feit een relatief korte gevangenisstraf passend is.

Uit het dossier komt het beeld naar voren dat [verdachte] voor geld zeer ernstige strafbare feiten pleegde, als het ware ‘op bestelling’, en andermans ruzies ‘oploste’. Geweld werd daarbij niet geschuwd. Het is weliswaar bij een poging tot liquidatie gebleven, maar dat heeft niet aan het handelen van [verdachte] gelegen. Hij lijkt zich binnen het criminele milieu te bewegen als een soort tussenpersoon, een geweldsmakelaar. [verdachte] nam de opdracht tot liquidatie van [benadeelde partij] aan en daarnaast ook de opdracht tot het teweegbrengen van een ontploffing bij Autopoetscentrum Amsterdam, hij regelde uitvoerders en instrueerde hen. [verdachte] vervulde daarmee een organiserende en coördinerende rol. Dit weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. [verdachte] heeft bovendien geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Ook dat rekent de rechtbank [verdachte] aan. Bij deze feiten en omstandigheden past een straf aan de bovenkant van de hiervoor genoemde bandbreedte.

Gelet op het voorgaande in onderling verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van vijftien jaar, passend en geboden is. De rechtbank zal deze straf dan ook aan [verdachte] opleggen, met aftrek van de tijd die hij in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

9
Beslag

Onder verdachte is een bedrag van € 5.000 in beslag genomen. Volgens de verdediging gaat het om een lening van de heer [naam] . Zij heeft daarom de teruggave van dat geldbedrag aan de heer [naam] verzocht.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het geldbedrag van [verdachte] is, maar niet naar hem terug kan. Het Openbaar Ministerie wil het geldbedrag gebruiken om de vordering van de benadeelde partij mee te voldoen.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier volgt dat door de rechter-commissaris een machtiging conservatoir beslag is afgegeven voor een bedrag van € 25.385???????. De rechtbank is enkel bevoegd om te beslissen over het strafvorderlijk beslag dat op het geldbedrag ligt. De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat het geldbedrag aan [verdachte] toebehoort en vindt dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd dat het geldbedrag de heer [naam] toekomt. De rechtbank zal daarom beslissen dat het geldbedrag retour moet naar de beslagene, te weten: [verdachte] . Feitelijk zal het geldbedrag niet worden teruggegeven aan [verdachte] , omdat er conservatoir beslag ligt.

10
Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Zaak A

De benadeelde partij, [benadeelde partij] , heeft een bedrag van € 68.914,50 gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit € 8.914,50 aan vergoeding voor materiële schade en

€ 60.000 aan vergoeding voor immateriële schade.

De gevorderde materiële schade bestaat uit het gemiddelde netto resultaat dat hij is misgelopen, omdat hij – als gevolg van het schietincident en het letsel wat hij daardoor heeft opgelopen – zijn winkel heeft moeten sluiten.

De gevorderde immateriële schade bestaat uit een vergoeding van € 50.000 voor het lichamelijk en geestelijk letsel dat hij heeft opgelopen als gevolg van het schietincident en

€ 10.000 aan toekomstige immateriële schade.

Voor het bedrag van € 50.000 aan immateriële schade is aangesloten bij de categorie ernstig beenletsel (€ 37.000 tot € 61.000) van de Rotterdamse Schaal (Voetnoot 1).

De benadeelde partij heeft verzocht hem niet-ontvankelijk in het gedeelte van € 10.000 te verklaren, nu dit gaat om toekomstige schade en dit gedeelte is gevorderd voor een eventueel hoger beroep.

De benadeelde partij heeft verder gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het plegen van het feit en aan [verdachte] de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

10.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. Er is causaal verband tussen het gepleegde feit en de schade en de vordering is deugdelijk onderbouwd. Daarnaast heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht te bepalen dat [verdachte] en [medeverdachte] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de vergoeding van de schade.

10.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade onvoldoende is onderbouwd en ten aanzien van de immateriële schade dient te worden gematigd.

10.3

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij, [benadeelde partij] , door het bewezenverklaarde feit in zaak A rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

Ter onderbouwing van de schade heeft de benadeelde partij een door zijn boekhouder opgesteld overzicht van gemiste inkomsten overgelegd. De hoogte van de op dit overzicht genoemde bedragen is betwist. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, is het de rechtbank niet duidelijk hoe de op het overzicht genoemde gemiste inkomsten zijn berekend. Hiervoor is nader bewijs nodig. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden en dat zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van materiële schade. De benadeelde partij kan zijn vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij en [verdachte] zullen ieder de eigen kosten dragen.

Immateriële schade

Op grond van artikel 6:106 lid 1 BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer.

Beenletsel

De rechtbank heeft acht geslagen op de Rotterdamse Schaal en gekeken naar soortgelijke zaken en ziet, gelet op de onderbouwing en het gestelde letsel, aanleiding om de vordering ten aanzien van dit onderdeel te matigen. De benadeelde partij is in zijn linkerbil geschoten. Hij is daaraan geopereerd en heeft sindsdien minder klachten. De rechtbank vindt dat – gelet op de in de Rotterdamse schaal in categorie 5.13 ‘Ander beenletsel’ genoemde factoren – geen sprake is van ernstig beenletsel, zoals gevorderd, maar dat sprake is van letsel dat het midden lijkt te houden tussen de categorieën ‘gering beenletsel’ en ‘minder ernstig beenletsel’. Dat leidt de rechtbank onder meer af uit het feit dat de benadeelde partij, weliswaar met een stok, in staat is om te lopen. Ook is hij in staat om auto te rijden. In januari 2026 had hij nog wel een verdoofd gevoel aan het been. Uit de overgelegde medische informatie volgt dat het herstel van de zenuwen nog maanden kan duren. Vanwege de mogelijkheid tot verder herstel acht de rechtbank een bedrag van € 10.000 billijk. Het schietincident heeft ten tijde van de zitting ruim acht maanden geleden plaatsgevonden, en een medische eindtoestand is nog niet bereikt. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij in zijn vordering tot immateriële schade als gevolg van het beenletsel voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Geestelijk letsel

De benadeelde partij vordert een vergoeding voor geestelijk letsel op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW (aantasting in de persoon op andere wijze).

Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het is evident dat de gebeurtenis van 17 september 2025 een enorme impact op de benadeelde partij heeft gehad: er is een wapen op hem gericht en de trekker is overgehaald. Ook volgt uit de slachtofferverklaring, de ingediende vordering tot schadevergoeding en de toelichting ter terechtzitting dat hij kampt met psychische klachten zoals angst, onzekerheid en het verlies van het gevoel van veiligheid.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het in zaak A bewezenverklaarde handelen van [verdachte] en de medeverdachten. Om die reden heeft hij recht op immateriële schadevergoeding op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b BW.

De benadeelde partij heeft geen concreet bedrag voor vergoeding van geestelijk letsel gevorderd. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend zal de rechtbank de schade naar billijkheid begroten op een bedrag van € 5.000.

De rechtbank betrekt hierbij dat hij met zijn gezin zijn woning heeft verlaten en een periode ondergedoken heeft gezeten in het buitenland, uit angst voor nieuwe aanslagen.

Hoofdelijkheid

[verdachte] en de medeverdachten zijn ieder hoofdelijk aansprakelijk voor de ontstane schade, omdat [verdachte] het bewezenverklaarde feit samen met hen heeft gepleegd. Dit betekent dat [verdachte] en de medeverdachten ieder afzonderlijk verplicht zijn om het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij te betalen, behalve voor zover een ander al heeft betaald. Het is aan [verdachte] en de medeverdachten om vervolgens onderling de schade te verdelen op basis van artikel 6:102 BW.

Veroordeling in de kosten

Verder zal [verdachte] hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan [verdachte] opgelegd.

11
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

TUL inzake 02/046293-24

Bij de stukken bevindt zich de op 17 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 24 mei 2024 van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, in de zaak met parketnummer 02/046293-24. [verdachte] is in deze zaak veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Ook bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat [verdachte] zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan meerdere strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van het genoemde voorwaardelijke strafdeel te bevelen. Dit is immers het uitgangspunt bij het overtreden van voorwaarden gedurende de proeftijd.

TUL inzake 16/006193-24

Tevens bevindt zich bij de stukken de op 17 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 26 september 2025 van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, in de zaak met parketnummer

16/006193-24. [verdachte] is in deze zaak veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Ook bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

De feiten waarvoor [verdachte] in deze zaken terechtstaat zien op 17 september 2025 en op 17 april 2025. Beide data liggen voor de datum van het onherroepelijk geworden vonnis van 26 september 2025. Het gaat daarmee niet om strafbare feiten die binnen de lopende proeftijd van dit vonnis zijn gepleegd, die liep namelijk nog niet. De officier van justitie zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in deze vordering TUL.

12
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 157 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

13
Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A:

medeplegen van poging tot moord

Zaak B:

het medeplegen van opzettelijk brandstichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vijftien (15) jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Vordering benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van in totaal

€ 15.000 (vijftienduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 17 september 2025, tot aan de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van zijn vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Veroordeelt verdachte voorts hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] , aan de Staat

€ 15.000 (vijftiendduizend euro) te betalen, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 17 september 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Beslag:

Gelast de teruggave aan verdachte van:

het onder hem inbeslaggenomen geldbedrag van € 5.000.

Vordering TUL in de zaak met parketnummer 02/046293-24

Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij voornoemd vonnis van 24 mei 2024 opgelegde voorwaardelijke straf, zijnde een gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Vordering TUL in de zaak met parketnummer 16/006193-24

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering TUL in de zaak met parketnummer 16/006193-24.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.C.H. Broesterhuizen, voorzitter,

mrs. F. Dekkers en I. Struijkenkamp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.T. de Hertog, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 juni 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.