Rechtbank Amsterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBAMS:2026:6646

Op 1 July 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 81.024302.24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBAMS:2026:6646. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
81.024302.24
Datum uitspraak:
1 July 2026
Datum publicatie:
1 July 2026

Indicatie

Veroordeling wegens witwassen, verdachte was bestuurder van drie rechtspersonen die werden gebruikt om geldstromen te verhullen afkomstig van B.V. 1 en bedoeld voor een medeverdachte. B.V. 1 is veroordeeld voor deelname aan criminele organisatie met als oogmerk oplichting en witwassen. Medeverdachte was bestuurder en aandeelhouder van B.V. 1 en is veroordeeld wegens oplichting, deelname aan een criminele organisatie, witwassen en valsheid in geschrifte. Criminele organisatie hield zich bezig met verkoop voor tientallen miljoenen van Forward Gold Sale, een termijnverkoop van certificaten die recht zouden geven op goud na ommekomst van 10 maanden. Groot aantal gedupeerden die dachten te investeren in een goudmijn in Tanzania. Inleg werd echter gebruikt voor commissies van agentschappen B.V. 1 en B.V. 2 en resellers en voor aankoop van goud in Nederland om eerdere kopers te kunnen leveren.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 81.024302.24

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 81.024302.24

Datum uitspraak: 1 juli 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1950,

wonende op het adres [woonadres] ,

hierna te noemen: [verdachte] .

1
Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 20, 21, 26 en 27 november 2025, 2, 11, 15 en 16 december 2025, 13 januari 2026 en 1 juli 2026. Op laatstgenoemde zittingsdatum is het onderzoek gesloten en uitspraak gedaan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. M.I.M. Geertsema en B.B.A. Frakking (hierna: de officieren van justitie), en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R. Zilver, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ), [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ), [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] ) en [medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8] ). De rechtbank doet in al deze zaken gelijktijdig uitspraak.

De tegen medeverdachte [medeverdachte 9] aangebrachte zaak is vanwege zijn overlijden kort vóór aanvang van de inhoudelijke behandeling, door het Openbaar Ministerie ingetrokken.

2
Tenlastelegging
2.1

Inleiding

[handelsnaam] is de handelsnaam van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ), [bedrijf 1] en [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). De resellers [handelsnaam] en [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) verkochten van 2015 tot en met juli 2018 in Nederland en België goud via zogenoemde Forward Gold Sales (hierna: FGS). FGS wordt in het dossier als volgt gedefinieerd. Een FGS is een termijnverkoop en dit hield in dit geval in dat aan een koper een hoeveelheid goud werd verkocht tegen de op het moment van aankoop geldende marktprijs met een korting van minstens 10%. Er werd overeengekomen dat dit goud na tien maanden zal worden geleverd. De resellers verkochten het goud via FGS voor de onderneming [onderneming 1] (hierna: [onderneming 1] ) van [medeverdachte 1] , waarbij [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] nog als agentschappen tussen [onderneming 1] en de resellers in zaten. De agentschappen hadden een overeenkomst met [onderneming 1] of een gelieerde onderneming en de resellers hadden een overeenkomst met de agentschappen. Zij ontvingen via de agentschappen commissie voor hun werkzaamheden.

Vanaf bankrekeningen van [medeverdachte 7] zijn gelden overgemaakt naar bankrekeningen van de ondernemingen [onderneming 2] (hierna: [onderneming 2] ), [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ) en [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5] ). [verdachte] wordt ervan verdacht dat hij samen met anderen deze overgemaakte bedragen heeft witgewassen.

2.2

Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

Primair: het samen met anderen (gewoonte)witwassen (in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf) van geldbedragen van in totaal € 736.148,98 dat is overgeboekt naar [onderneming 2] , in totaal € 1.224.439,50 dat is overgemaakt naar [bedrijf 4] en in totaal € 2.429.662,11 dat is overgemaakt naar [bedrijf 5] , in of omstreeks de periode van 11 januari 2016 tot en met 17 januari 2019 in Amsterdam, Naarden en/of Huizen, of in ieder geval in Nederland;

Subsidiair: het samen met anderen schuldwitwassen van de hiervoor genoemde bedragen, in dezelfde periode en dezelfde pleegplaatsen.

De rechtbank leest het in deze tenlastelegging vermelde ‘ [onderneming 2] ’ als ‘ [onderneming 2] ’ en het vermelde ‘ [bedrijf 5] B.V,’ als ‘ [bedrijf 5] ’, omdat van kennelijke misslagen sprake is. De verbetering van deze misslagen schaadt verdachte niet in zijn verdediging.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3
Waardering van het bewijs
3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie vinden dat het primair ten laste gelegde medeplegen van witwassen kan worden bewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Primair geldt volgens de verdediging dat de betreffende gelden niet uit misdrijf afkomstig zijn. Subsidiair geldt dat er geen sprake is geweest van opzet aan de zijde van verdachte, ook niet in voorwaardelijke zin. Meer subsidiair stelt de verdediging dat verdachte ook niet redelijkerwijs had hoeven te vermoeden dat de gelden uit misdrijf afkomstig waren.

3.3

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. (Voetnoot 1)

[onderneming 2]

In de periode van 11 januari 2016 tot en met 25 oktober 2016 zijn vanaf bankrekening [rekeningnummer 1] ten name van [medeverdachte 7] (Voetnoot 2) (hierna: [medeverdachte 7] . [rekeningnummer 1] ) overboekingen gedaan naar bankrekening [rekeningnummer 2] van [onderneming 2] (hierna: [onderneming 2] ) van in totaal € 736.148,98 (Voetnoot 3). Uit het overzicht in DOC-511 blijkt dat de bankrekening [medeverdachte 7] . [rekeningnummer 1] vrijwel geheel wordt gevoed door gelden die kopers van FGS hebben overgemaakt. Dit zijn betalingen die direct van kopers werden ontvangen en overboekingen vanaf bankrekening [rekeningnummer 3] van Stichting [stichting 1] (hierna: [stichting 1] . [rekeningnummer 3] ). (Voetnoot 4) De ontvangsten op laatstgenoemde rekening bestonden eveneens voornamelijk uit gelden die rechtstreeks door kopers waren overgemaakt. (Voetnoot 5)

In de periode van de overboekingen was [medeverdachte 3] medebestuurder van [medeverdachte 7](Voetnoot 6)

[persoon] heeft verklaard dat hij [onderneming 2] samen met zijn echtgenote heeft opgericht in november 2014 en dat hij de vennootschap heeft verkocht aan [medeverdachte 2] , omdat hij deze niet meer gebruikte. Een dag nadat zijn echtgenote als bestuurder werd uitgeschreven vanwege deze verkoop, werd [verdachte] ingeschreven. (Voetnoot 7) [verdachte] is van 24 december 2015 tot en met de ontbinding van [onderneming 2] op 25 november 2016 bestuurder en medeaandeelhouder geweest. (Voetnoot 8) [verdachte] heeft verklaard dat het best zou kunnen dat hij bestuurder is geweest, maar dat hij daar verder niets mee heeft gedaan. Hij heeft geen rol gehad bij [onderneming 2] en weet niet meer waarom hij bestuurder was. Hij weet niets over het verdienmodel, de klanten, administratie en eventuele werknemers. (Voetnoot 9) Hij heeft verklaard dat hij niet bekend was met bankrekeningen van [onderneming 2] en niet weet wie toegang tot de rekeningen had. (Voetnoot 10) Op de computer van [verdachte] is een reseller overeenkomst tussen [medeverdachte 7] en [onderneming 2] gevonden met als datum 1 juli 2015, waarin [verdachte] namens [onderneming 2] staat vermeld. In een e-mailbericht van 7 maart 2016 vraagt [medeverdachte 2] [verdachte] een reseller overeenkomst te tekenen. Vervolgens wijst [verdachte] [medeverdachte 2] in een bericht van 8 maart 2016 op de datum van de overeenkomst en op het feit dat hij toen geen bestuurder was. (Voetnoot 11) [verdachte] heeft verklaard dat zijn handtekening erop staat en dat hij denkt dat hij de reseller overeenkomst heeft ondertekend, maar dat de datum er blijkbaar achteraf bij is gezet. (Voetnoot 12) [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij [onderneming 2] zag als [medeverdachte 2] en dat de betalingen voor zijn commissies waren. Ook over de reseller overeenkomst tussen [medeverdachte 7] en [onderneming 2] verklaart hij dat hij deze zag als betrekking hebbend op [medeverdachte 2] , omdat [medeverdachte 2] met de overeenkomst kwam. [medeverdachte 3] zegt dat hij te maken had met [medeverdachte 2] en [handelsnaam](Voetnoot 13) Ook heeft [medeverdachte 3] verklaard dat [medeverdachte 2] tegen hem zei dat hij al die verschillende resellers had om belastingtechnische redenen. (Voetnoot 14) [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij denkt dat hij als manager heeft gefunctioneerd voor [onderneming 2](Voetnoot 15) Bij een van de bankrekeningen van [onderneming 2] stonden ook het telefoonnummer en e-mailadres van [medeverdachte 2] vermeld als contactgegevens. (Voetnoot 16)

Bij de doorzoeking in de woning en van de gegevensdragers van [verdachte] heeft de politie geen administratie van [onderneming 2] aangetroffen. (Voetnoot 17) [onderneming 2] heeft over 2014 tot en met 2016 geen aangiften vennootschapsbelasting gedaan. Uit de belastingsystemen blijkt verder dat [onderneming 2] over 2015 en 2016 geen loonbetalingen heeft opgegeven behalve in 2015 aan [medeverdachte 2] van € 10.379,-. (Voetnoot 18) Uit de bankgegevens van [onderneming 2] blijkt dat tussen 5 januari 2016 en 2 november 2016 vanaf de bankrekeningen van [onderneming 2] € 26.700,- naar [verdachte] is overgemaakt en € 155.942,70 aan contante opnames is gedaan. (Voetnoot 19)

[bedrijf 4]

In de periode van 9 januari 2016 tot en met 11 september 2017 zijn vanaf de bankrekeningen [medeverdachte 7] . [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 4] van [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7] . [rekeningnummer 4](Voetnoot 20) overboekingen gedaan naar bankrekening [rekeningnummer 5] van [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ) van in totaal € 1.224.439,50 (Voetnoot 21). Voor bankrekening [medeverdachte 7] . [rekeningnummer 4] geldt dat deze voornamelijk gevoed werd door overboekingen vanaf bankrekening [rekeningnummer 6] van Stichting [stichting 2] (hierna: [stichting 2] . [rekeningnummer 6] ), op welke bankrekening ook vooral overboekingen van FGS-gelden plaatsvonden (Voetnoot 22), en door kleinere overboekingen vanaf [medeverdachte 7] . [rekeningnummer 1] en rekeningen van [stichting 1](Voetnoot 23)

In de periode van de overboekingen was [medeverdachte 3] tot 6 april 2017 medebestuurder van [medeverdachte 7] . Na die datum was [medeverdachte 2] enig bestuurder. (Voetnoot 24) [medeverdachte 4] is in september 2016 voor [medeverdachte 7] komen werken en ging na een paar maanden ook de uitbetaling van commissies doen. (Voetnoot 25) Zij was gemachtigd voor rekening [medeverdachte 7] . [rekeningnummer 1](Voetnoot 26)

[verdachte] is van 26 november 2013 tot en met 1 mei 2016 enig bestuurder en aandeelhouder geweest van [bedrijf 4] en daarna tot de datum van uitschrijving bij de Kamer van Koophandel (24 mei 2017) indirect bestuurder. Op 5 oktober 2016 was de inschrijving al ambtshalve doorgehaald. (Voetnoot 27) [verdachte] heeft verklaard dat alleen hij de bankrekening van [bedrijf 4] beheerde. (Voetnoot 28) Ook over [bedrijf 4] heeft [medeverdachte 3] verklaard dat hij dat zag als [medeverdachte 2] en dat de overboekingen betalingen voor zijn commissies waren. (Voetnoot 29)

Bij de doorzoeking in de woning en van de gegevensdragers van [verdachte] heeft de politie geen administratie van [bedrijf 4] aangetroffen. (Voetnoot 30) [bedrijf 4] heeft over 2014 tot en met 2017 geen aangiften vennootschapsbelasting gedaan. (Voetnoot 31) [verdachte] heeft verklaard dat er geen bedrijfsactiviteiten waren in [bedrijf 4] toen hij bestuurder werd, er geen verdienmodel was, er geen klanten en werknemers waren en hij geen administratie bijhield. [verdachte] denkt dat hij de belastingaangifte en deponering van de jaarrekening is vergeten. (Voetnoot 32)

Uit de bankgegevens van [bedrijf 4] blijkt dat tussen 2 november 2016 en 19 juli 2017 vanaf de bankrekeningen van [bedrijf 4] € 10.700,- naar [verdachte] is overgemaakt en € 79.474,- aan contante opnames is gedaan. (Voetnoot 33)

[bedrijf 5]

In de periode van 2 mei 2016 tot en met 19 oktober 2018 zijn vanaf de bankrekeningen [medeverdachte 7] . [rekeningnummer 1] en [medeverdachte 7] . [rekeningnummer 4] overboekingen gedaan naar de bankrekeningen [rekeningnummer 7] (Voetnoot 34), [rekeningnummer 8] (Voetnoot 35) en [rekeningnummer 9] (Voetnoot 36) van [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5](Voetnoot 37) van in totaal € 2.429.662,11 (2.330.660,56 + 79.187 + 19.814,55). Deze overboekingen hebben grotendeels plaatsgevonden vanaf mei 2017.

In de periode van de overboekingen was [medeverdachte 3] tot 6 april 2017 medebestuurder van [medeverdachte 7] en na die datum was [medeverdachte 2] enig bestuurder van [medeverdachte 7](Voetnoot 38) In een deel van deze periode verrichtte [medeverdachte 4] betalingen voor [medeverdachte 7] en was zij gemachtigd voor [medeverdachte 7] . [rekeningnummer 1] . Over de betalingen vanaf [medeverdachte 7] . [rekeningnummer 4] heeft zij verklaard dat zij wel toegang had tot die rekening, maar dat zij denkt dat niet zij maar [medeverdachte 2] die betalingen heeft verricht. (Voetnoot 39)

[medeverdachte 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 5] geweest van 31 maart 2016 tot 29 maart 2017. Daarna is [verdachte] indirect bestuurder geweest en vanaf 15 oktober 2017 direct bestuurder. (Voetnoot 40) [verdachte] heeft verklaard dat hij bestuurder was van [bedrijf 5] en de administratie heeft bijgehouden in Excel en ringbanden, waarvan na een verhuizing een deel bij [medeverdachte 2] terecht is gekomen. Hij kan zich maar één bankrekening van [bedrijf 5] herinneren en daar had hij toegang tot. (Voetnoot 41) [medeverdachte 3] heeft verklaard dat [bedrijf 5] ook [medeverdachte 2] was. (Voetnoot 42)

Tijdens een doorzoeking heeft de politie in de woning van [verdachte] een map met administratie van [bedrijf 5] aangetroffen. Daarin is geen document aangetroffen dat wijst op verkoop van enig goed of het behalen van omzet. Tijdens deze doorzoeking en andere doorzoekingen in bedrijfspanden die aan [bedrijf 5] konden worden gelieerd en in gegevensdragers van [verdachte] is evenmin dit soort administratie van [bedrijf 5] aangetroffen. (Voetnoot 43) In de garage van [medeverdachte 2] zijn wel ordners aangetroffen met facturen van [bedrijf 5] gericht aan [medeverdachte 7] . De FIOD heeft een aantal van die facturen onderzocht en geconstateerd dat voor die facturen geldt dat daarop per klant unieke FGS-nummers worden vermeld, die [handelsnaam] bij verkopen in haar administratie had geregistreerd, waarbij het door [bedrijf 5] gefactureerde bedrag steeds een rond percentage (10, 20 of 30%) bedraagt van het FGS-aankoopbedrag bij [handelsnaam] . De overboekingen zijn via de omschrijvingen veelal aan de factuurnummers te koppelen. (Voetnoot 44)

Uit het systeem van de Belastingdienst is gebleken dat [bedrijf 5] niet is opgenomen in het systeem voor de loonbelasting. Er zijn geen arbeidscontracten aangetroffen. (Voetnoot 45) [verdachte] heeft verklaard dat [bedrijf 5] de handel in horloges en juwelen als verdienmodel had. Hij heeft ook verklaard dat er wel eens goud is verkocht door [bedrijf 5] , maximaal tien keer. (Voetnoot 46) In het dossier bevindt zich geen reseller overeenkomst tussen [medeverdachte 7] en [bedrijf 5] . Er is niet gebleken dat [bedrijf 5] werkzaamheden heeft verricht voor [medeverdachte 7] .

Uit de bankgegevens van [bedrijf 5] blijkt dat tussen 11 juli 2017 en 23 oktober 2018 vanaf de bankrekeningen van [bedrijf 5] € 130.843,62 naar [verdachte] is overgemaakt. (Voetnoot 47)

3.4

Het oordeel van de rechtbank

[onderneming 2] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] hebben de in de tenlastelegging genoemde gelden ontvangen vanaf rekeningen van [medeverdachte 7] . Die rekeningen van [medeverdachte 7] werden vrijwel geheel gevoed door gelden van kopers van FGS. [medeverdachte 7] ontving deze gelden als commissie. De rechtbank heeft in de vonnissen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , die ook vandaag zijn gewezen, bewezen verklaard dat de van FGS-kopers verkregen gelden afkomstig zijn uit oplichting en hetzelfde geldt dus voor de daaruit betaalde commissies. Voor zover de rekeningen van [medeverdachte 7] ook met andere gelden werden gevoed, die niet direct tot de van FGS-kopers verkregen gelden zijn te herleiden, geldt dat er op deze rekeningen vermenging heeft plaatsgevonden en dat de gehele saldi op die rekeningen als (groten)deels afkomstig uit misdrijf kunnen worden aangemerkt.

[medeverdachte 7] verrichtte de overboekingen met gelden die zij uit hoofde van een commissie had ontvangen, hetgeen maakt dat de naar [onderneming 2] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] overgeboekte gelden middellijk uit misdrijf afkomstig waren.

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de in de tenlastelegging genoemde bedragen. [verdachte] is bestuurder en/of aandeelhouder geweest van de drie rechtspersonen die de gelden hebben ontvangen. Voor [onderneming 2] geldt dat dit was in de gehele periode van ontvangsten, en voor [bedrijf 4] en [bedrijf 5] tijdens een groot deel daarvan. [verdachte] heeft met zijn handelen een onmisbare schakel in het geheel van het strafbare feit gevormd. Hij heeft door zijn positie ook steeds feitelijke zeggenschap gehad over de ontvangen gelden. Zo heeft hij meermaals verklaard dat hij als enige het beheer had over de bankrekeningen. Door [medeverdachte 2] de rechtspersonen en hun bankrekeningen te laten gebruiken voor de transacties, heeft [verdachte] tenminste bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de ontvangen gelden uit misdrijf afkomstig waren. Hij zag op de diverse bankrekeningen immers zeer hoge bedragen binnenkomen. De drie ondernemingen hebben samen ruim € 4 miljoen van [medeverdachte 7] ontvangen, terwijl daar geen tegenprestatie tegenover stond. Er werd ook geen of nauwelijks administratie bijgehouden, er werd geen belastingaangifte gedaan en er waren geen werknemers. [verdachte] heeft desondanks een reseller-overeenkomst voor [onderneming 2] ondertekend. [verdachte] zelf heeft ten slotte meer dan € 400.000,- ontvangen, terwijl hij geen deskundigheid bezat of rol heeft vervuld die de ontvangst van dergelijke bedragen kon rechtvaardigen.

Verdachte heeft de gelden dus verworven, voorhanden gehad en weer overgedragen. Het meewerken aan een constructie waarbij deze gelden werden overgeboekt naar rekeningen van de drie rechtspersonen, terwijl de gelden feitelijk aan [medeverdachte 2] ten goede kwamen, levert bovendien de ten laste gelegde verhullingshandelingen op. Voor de overboekingen naar [bedrijf 5] geldt ten slotte nog dat deze waren voorzien van verhullende omschrijvingen.

Medeplegen

Verdachte heeft bij het witwassen nauw en bewust samengewerkt met anderen. Het hele traject is immers in gezamenlijkheid uitgevoerd.

In de periode dat [medeverdachte 3] nog bestuurder en eigenaar van [medeverdachte 7] was, zorgde hij dat de gelden werden overgemaakt. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat de betalingen voor [medeverdachte 2] bestemd waren, dat het commissiegelden betroffen en dat het zo gedaan werd vanwege belastingtechnische redenen. [medeverdachte 3] wist dat het geld een criminele herkomst had aangezien hij betrokken is geweest bij de bewezenverklaarde oplichting. Dit geldt ook voor [medeverdachte 2] en in deze periode was [medeverdachte 2] dus aan de ontvangende kant betrokken bij de overboekingen.

Nadat [medeverdachte 2] [medeverdachte 7] had overgenomen kon hij zelfstandig bepalen dat de overboekingen plaatsvonden. [medeverdachte 2] was ook toen nog steeds feitelijk betrokken bij de drie ontvangende rechtspersonen. In die periode hij heeft dus gelden ontvangen, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij van de criminele herkomst op de hoogte was. Na de overname van [medeverdachte 7] door [medeverdachte 2] heeft in ieder geval [medeverdachte 4] ook overboekingen gedaan. Door haar strafbare betrokkenheid bij de oplichting, wist [medeverdachte 4] ook van de criminele herkomst van de commissiegelden.

Ook [medeverdachte 7] geldt in dit geval als medepleger. De gedragingen die de diverse verdachten in dit kader binnen [medeverdachte 7] hebben verricht, kunnen op grond van de door de Hoge Raad ontwikkelde criteria aan [medeverdachte 7] worden toegerekend, zodat zij ook als dader van het witwassen kan worden aangemerkt.

De rechtbank vindt gelet hierop medeplegen bewezen.

Gewoonte

Verdachten hebben over een periode van ongeveer drie jaar voor in totaal ongeveer € 4,39 miljoen geldbedragen witgewassen en het overboeken van de gelden heeft plaatsgevonden naar drie verschillende rechtspersonen en door middel van meerdere, opeenvolgende transacties. Het handelen heeft stelselmatig plaatsgevonden. De rechtbank vindt op basis hiervan bewezen dat verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

In de uitoefening van zijn beroep/bedrijf

De transacties vonden plaats vanaf de bankrekening van [medeverdachte 7] en naar de bankrekeningen van de drie ontvangende rechterpersonen. Gezien het zakelijke karakter van de transacties heeft verdachte dit feit gepleegd in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zodat de rechtbank ook deze witwas-variant zal bewezen verklaren.

4
Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de in 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Primair

in de periode 11 januari 2016 tot en met 17 januari 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van witwassen en zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, immers hebben hij en zijn mededaders, van geldbedragen te weten:

- geldbedragen van in totaal EURO 736.148,98 die zijn overgeboekt naar een bankrekening ten name van [onderneming 2] en

- geldbedragen van in totaal EURO 1.224.439,50 die zijn overgeboekt naar een bankrekening ten name van [bedrijf 4] en

- geldbedragen van in totaal EURO 2.429.662,11 die zijn overgeboekt naar een bankrekening ten name van [bedrijf 5]

tot een bedrag van in totaal EURO 4.390.250,-

de werkelijke aard, herkomst, de vervreemding en/of de verplaatsing verhuld en

voornoemde voorwerpen verworven en voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van voornoemde voorwerpen gebruik gemaakt,

terwijl verdachte en zijn mededaders wisten dat die geldbedragen middellijk (mede) afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5
De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6
De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

Overwegingen

7
Motivering van de straffen en maatregelen
7.1

De eis van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen, vanwege de verwevenheid met zaken waarin eerder al door een andere rechtbank straffen zijn opgelegd, de overschrijding van de redelijke termijn, en de hoge leeftijd en gezondheidsproblemen van verdachte.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van in totaal € 4.390.250,-. Hij heeft [medeverdachte 2] de bankrekeningen van rechtspersonen laten gebruiken en zag grote bedragen binnenkomen. Hij heeft voor zichzelf meer dan € 400.000,- ontvangen, zonder dat hij deskundigheid bezat die de ontvangst van dergelijke bedragen rechtvaardigden. Hij heeft zich als bestuurder en/of aandeelhouder van de drie ondernemingen laten lenen, zonder zich erom te bekommeren waar die ondernemingen voor werden gebruikt. Hierdoor heeft hij met zijn medeverdachten via de rechtspersonen deze grote sommen geld kunnen witwassen. Op deze wijze hebben ze gelden buiten het zicht van bijvoorbeeld de Belastingdienst kunnen houden. Verdachte heeft op deze wijze ook bijgedragen aan de verwezenlijking van het doel waarmee medeverdachten anderen hebben opgelicht, namelijk om daarmee heel veel geld te verdienen en dat geld ongestoord voor zichzelf te kunnen gebruiken, terwijl de FGS-kopers werden gedupeerd.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten van de rechtbanken en gerechtshoven (LOVS) en gaat in deze zaak uit van de oriëntatiepunten voor fraude, omdat het witwassen heeft plaatsgevonden in een frauduleuze context. Verdachte heeft volgens de FIOD ongeveer € 400.000,- overgehouden aan zijn rol. Bij een benadelingsbedrag van € 400.000,- is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zestien maanden.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 7 juli 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder door de strafrechter is veroordeeld. Verder is uit het door mr. Zilver ingezonden vonnis gebleken dat verdachte op 16 juli 2025 tot een gevangenisstraf is veroordeeld. Dit is na de pleegperiode van het onderhavige feit, zodat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van toepassing is.

De overschrijding van de redelijke termijn

De termijn van berechting is volgens het oordeel van de rechtbank aangevangen op de datum dat het einddossier aan de verdediging is gestuurd, hetgeen op 1 juni 2021 is geweest. Het eindvonnis wordt gewezen op 1 juli 2026. Dat is niet binnen twee jaar na aanvang van de termijn van berechting. Een redelijke termijn van berechting kan in beginsel op twee jaar worden gesteld. Er is in dit geval sprake van een complex strafrechtelijk onderzoek met internationale aspecten, maar dit rechtvaardigt geen termijn van berechting van ruim vijf jaar nadat het einddossier is verstrekt. De verdediging heeft in deze zaak weliswaar onderzoekswensen ingediend, maar de rechtbank meent dat deze niet van een zodanige omvang waren dat die zouden maken dat de langere duur van het proces volledig aan de verdediging te wijten is. De rechtbank stelt daarom vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden met minstens een jaar is overschreden. Zij oordeelt dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging en dat dit moet leiden tot een strafkorting van 10%.

Straffen

Gevangenisstraf

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officieren van justitie hebben gevorderd.

Alles afwegende vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zestien maanden passend, die zij gelet op de overschrijding van de redelijke termijn van berechting zal matigen tot veertien maanden.

Bestuursverbod

Gelet op de aard en omvang van het witwassen ziet de rechtbank eveneens aanleiding om als bijkomende straf aan [verdachte] een beroepsverbod op te leggen. Daarmee wordt de samenleving beschermd tegen frauduleus handelen door [verdachte] .

Op grond van artikel 420quinquies Sr kan [verdachte] worden ontzet van de uitoefening in het beroep waarin hij het misdrijf heeft begaan. De werkzaamheden van [verdachte] vielen onder het beroep van statutair of feitelijk bestuurder van een rechtspersoon in de zin van artikel 51 Sr, zodat het beroepsverbod daarvoor zal gelden.

Artikel 31 Sr bepaalt dat de duur van iedere ontzetting de duur van de hoofdstraf tenminste twee en ten hoogste vijf jaar te boven gaat. De rechtbank legt verdachte bovengenoemd bestuursverbod op voor de duur van zes jaar.

8
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 28, 31, 47, 63, 420ter en 420quinquies Sr.

Beslissing

9
Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen

en

medeplegen van witwassen in de uitoefening van beroep of bedrijf

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) maanden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering

Ontzet [verdachte] van de uitoefening van het beroep van: bestuurder van ondernemingen die als activiteit hebben het aanbieden, in de ruimste zin van het woord, van beleggingsproducten dan wel andere financiële producten die gericht zijn op een investering door deelnemers, voor de duur van 6 (zes) jaar.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.M. Berkhout, voorzitter,

mrs. M.R.J. van Wel en B. Kuppens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Steenbakkers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juli 2026.

[....]

Voetnoot

Voetnoot 1

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste document- en paginanummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De met DOC aangeduide bewijsmiddelen zijn, tenzij anders vermeld, geschriften.

Voetnoot 2

DOC-187, p. 3.

Voetnoot 3

DOC-1512, p. 1 en 2.

Voetnoot 4

DOC-511, AMB-007, p. 5-7.

Voetnoot 5

AMB-007 p. 2-3 en AMB-103, p. 4.

Voetnoot 6

DOC-018, p. 3.

Voetnoot 7

Proces-verbaal getuigenverhoor bij de rechter-commissaris van [persoon] d.d. 22 augustus 2024, p. 3 en 5-6

Voetnoot 8

DOC-031, p. 2 en DOC-353, p. 3.

Voetnoot 9

DOC-722, p. 4 en 5.

Voetnoot 10

DOC-722, p. 6.

Voetnoot 11

DOC-483.

Voetnoot 12

DOC-722, p. 18.

Voetnoot 13

V-014-02, p. 9-10.

Voetnoot 14

V-014-03, p. 9.

Voetnoot 15

DOC-725, p. 3.

Voetnoot 16

AMB-140, p. 3-4.

Voetnoot 17

DOC-767, p. 1.

Voetnoot 18

AMB-161, p. 5.

Voetnoot 19

P-PV-9, p. 5.

Voetnoot 20

DOC-408.

Voetnoot 21

DOC-972, p. 3, AMB-007, p. 8

Voetnoot 22

AMB-016, p. 11

Voetnoot 23

DOC-511, AMB-007, p. 10

Voetnoot 24

DOC-018, p. 1-3

Voetnoot 25

V- 017 -01, p. 5

Voetnoot 26

DOC-187, p. 3

Voetnoot 27

DOC-033, p. 1, 4 en 6, DOC-068, p. 1 en DOC-530, p. 1 en 11

Voetnoot 28

DOC-723, p. 4

Voetnoot 29

V-14-02, p. 9

Voetnoot 30

DOC-767, p. 1

Voetnoot 31

AMB-162, p. 5

Voetnoot 32

DOC-722, p. 7-9

Voetnoot 33

P-PV-9, p. 5

Voetnoot 34

DOC-822.

Voetnoot 35

DOC-823.

Voetnoot 36

DOC-824.

Voetnoot 37

DOC-205, p. 2, DOC-969, p. 22, DOC-280.

Voetnoot 38

DOC-018, p. 1-3.

Voetnoot 39

V- 017 -02, p. 2.

Voetnoot 40

DOC-061, p. 1, 3 en 4 en DOC-063, p. 1 en 2.

Voetnoot 41

DOC-722, p. 11-12 en 15.

Voetnoot 42

V-14-02, p. 9.

Voetnoot 43

DOC-767, p. 1-3.

Voetnoot 44

AMB-141, p. 16, AMB-142, p. 5 en 7.

Voetnoot 45

AMB-158, p. 7.

Voetnoot 46

DOC-722, p. 11 en 14.

Voetnoot 47

P-PV-9, p. 5.