vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummers: 13/297922-25 (zaak A) en 13/262825-25 (zaak B)
Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 13/038698-23, 13/221373-24 en
15/208785-24
Datum uitspraak: 8 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres 1],
thans gedetineerd te: [detentieadres],
hierna: verdachte.
1
Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.A. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. T.H.L. Kneepkens en mr. R.L.M. Meulman, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van wat door en namens de benadeelde partij [benadeelde partij] en zijn advocaat, mr. R.G. van der Laan, naar voren is gebracht.
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen, bewezen dat:
zaak A
hij op 14 oktober 2025 te Amsterdam, omstreeks 02:00, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, gouden kettingen, die aan [benadeelde partij] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- één of meerdere malen aan de kettingen van die [benadeelde partij], terwijl voornoemde goederen zich om de nek van [benadeelde partij] bevonden, te trekken en
- die [benadeelde partij] te vegen en/of op de grond te gooien en
- die [benadeelde partij] te slaan tegen het lichaam
terwijl dit strafbare feit werd gevolgd door een gedraging die haat tegen en discriminatie van een groep mensen wegens hun ras, tot uitdrukking bracht;
zaak B
hij op 30 juli 2025 te Amsterdam, in een woning, te weten de [adres 2], alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden en contant geld, die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
9
Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel in zaak A
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een vergoeding van materiële schade van primair € 29.535,99 (vervangingswaarde van de twee gouden kettingen), subsidiair € 14.366,- (intrinsieke goudwaarde) en meer subsidiair € 5.433,- (beleenwaarde). Aan vergoeding van immateriële schade vordert hij een bedrag van € 7.500,-.
9.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair gevorderde bedrag aan materiële en immateriële schade geheel en hoofdelijk kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft voor de materiële schade bepleit dat de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Voor de immateriële schade heeft de verdediging, onder verwijzing naar jurisprudentie en het vonnis van de medeverdachte, bepleit dat het bedrag moet worden gematigd tot € 2.500,-.
9.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht.
Materiële schade
Het primair gevorderde bedrag aan vergoeding van materiële schade betreft de vervangingswaarde van de twee gouden kettingen. De benadeelde partij heeft gesteld en onderbouwd dat de totale kosten voor het opnieuw vervaardigen van de twee kettingen € 29.535,99 bedraagt. Deze begroting is gebaseerd op 22 karaat goud, een totaalgewicht van 136,4 gram, de actuele consumentenprijs van goud, een maakloon van 16,67 % en commerciële opslagen inclusief lokale BTW. De rechtbank is van oordeel dat de vervangingswaarde door de verdediging onvoldoende gemotiveerd is betwist en daarmee vaststaat.
De rechtbank is voorts van oordeel dat namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd dat verdachte twee met de hand gemaakte gouden koningskettingen heeft weggenomen, die de benadeelde partij van zijn moeder heeft geërfd en dus van grote emotionele waarde zijn. Van ten minste één ketting is bekend dat een juwelier het goud heeft omgesmolten. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het redelijk en billijk is om de geleden en te vergoeden materiële schade te begroten aan de hand van de vervangingswaarde. De rechtbank zal daarom het gevorderde bedrag van € 29.535,99 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen en hierdoor in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS) heeft opgelopen, waarvoor de behandeling minimaal een jaar zal duren. Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, deel B Geestelijk letsel, 14.2 PTSS, onder d. Zij stelt de vergoeding naar billijkheid vast op € 5.000,-, zodat dit bedrag – vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2025– zal worden toegewezen. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.
Hoofdelijkheid
Verdachte wordt hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de schade omdat verdachte het feit samen met anderen/een ander heeft gepleegd.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
10
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen
De officier van justitie vordert tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen die zijn opgelegd in de zaken met parketnummers 13/038698-23, 13/221373-24 en 15/208785-24. De vorderingen zijn op 15 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De zaak met parketnummer 13/038698-23 betreft het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 5 april 2023 van de politierechter van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Bij vonnis van de politierechter Noord-Holland van 9 juli 2024 is de proeftijd met één jaar verlengd. Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 oktober 2024 zijn van de opgelegde 6 maanden 60 dagen tenuitvoer gelegd, zodat thans 4 maanden resteren.
De zaak met parketnummer 13/221373-24 betreft het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 25 oktober 2024 van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 159 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
De zaak met parketnummer 15/208785-24 betreft het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 9 juli 2024 van de politierechter van de rechtbank Noord-Holland, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
In voornoemde vonnissen is bepaald dat het deel van de straf dat voorwaardelijk is opgelegd niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij wist dat hij in deze zaken tot de betreffende voorwaardelijke straffen is veroordeeld.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijden aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke strafdelen te bevelen.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
zaak A
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl deze diefstal gevolgd werd door een gedraging die haat en discriminatie van een groep mensen wegens hun ras tot uitdrukking bracht.
zaak B
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) jaar.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
4 STK Verdovende Middelen (goednummer G6732982).
Gelast de teruggave aan [verdachte] van:
1 STK Telefoontoestel (goednummer G6732971)
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 34.535,99 (vierendertigduizend vijfhonderd vijfendertig euro en negenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (14 oktober 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Voormeld bedrag bestaat voor € 29.535,99 (negenentwintigduizend vijfhonderd vijfendertig euro en negenennegentig eurocent) uit materiële schade en voor € 5.000,- (vijfduizend euro) uit immateriële schade.
Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij], aan de Staat € 34.535,99 (vierendertigduizend vijfhonderd vijfendertig euro en negenennegentig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 173 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte en/of een ander aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beveelt de tenuitvoerlegging van het restant van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 5 april 2023 (parketnummer 13/038698-23) namelijk 4 (vier) maanden gevangenisstraf.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 25 oktober 2024 (parketnummer 13/221373-24) namelijk 159 (honderdnegenenvijftig) dagen gevangenisstraf.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 9 juli 2024 (parketnummer 15/208785-24) , namelijk 6 (zes) weken gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C. Danel, voorzitter,
mrs. E.G. Fels en G. Oldekamp rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Madiol, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juli 2026.