Rechtbank Amsterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBAMS:2026:6968

Op 9 July 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 13.344616.25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBAMS:2026:6968. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
13.344616.25
Datum uitspraak:
9 July 2026
Datum publicatie:
9 July 2026

Indicatie

Jeugdstrafrecht, rechtsmacht van Nederland, Com-netwerken, bewezenverklaring van verkrachting (op afstand), afdreiging en mishandeling met voorbedachten rade (op afstand). Geen sprake van terroristisch oogmerk. Aan de verdachte wordt een jeugddetentie van 12 maanden opgelegd, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden. Beslag. Vorderingen benadeelde partij. Geen sprake van schokschade.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd

Parketnummer: 13.344616.25

Datum uitspraak: 9 juli 2026

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen

[verdacahte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2011, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd te: [naam detentieplaats]

1
Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 25 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.A. van Vliet en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Petrescu, naar voren hebben gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), mevrouw [naam 3] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), mevrouw D. van Luijk, GZ-psychoog verbonden aan het NIFP, mevrouw [naam 4] , namens Reclassering Nederland en de moeder van de verdachte naar voren is gebracht.

Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door of namens de benadeelde partijen naar voren is gebracht: [slachtoffer 1] en haar ouders, [naam ouder 1] en [naam ouder 2] , allen bijgestaan door mr. A.J.J.G. Schijns.

2
Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

onder 1:

primair: het medeplegen van (gekwalificeerde) verkrachting van een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren (slachtoffer 1) in de periode van 1 oktober 2025 tot en met 20 december 2025 te Amsterdam (Nederland) en/of te Rosia De Secas (Roemenië);

subsidiair: het medeplegen van (gekwalificeerde) aanranding van een kind in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren (slachtoffer 1) in de periode van 1 oktober 2025 tot en met 20 december 2025 te Amsterdam (Nederland) en/of te Rosia De Secas (Roemenië);

onder 2:

het medeplegen van afdreiging met een terroristisch oogmerk van slachtoffer 1 in de periode van 1 oktober 2025 tot en met 20 december 2025 te Amsterdam (Nederland) en/of te Rosia De Secas (Roemenië);

onder 3:

primair: het medeplegen van zware mishandeling (met voorbedachten rade) en/of het doen toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met een terroristisch oogmerk van slachtoffer 1 in de periode van 1 oktober 2025 tot en met 20 december 2025 te Amsterdam (Nederland) en/of te Rosia De Secas (Roemenië);

subsidiair: het medeplegen van mishandeling (met voorbedachten rade) en/of het doen mishandelen van slachtoffer 1 in de periode vanaf 1 oktober 2025 tot en met 20 december 2025 te Amsterdam (Nederland) en/of te Rosia De Secas (Roemenië);

onder 4:

het medeplegen van mishandeling en/of het doen mishandelen van slachtoffer 2 ( [slachtoffer 2] ) en/of NN [slachtoffer 3] en/of NN [slachtoffer 4] in de periode vanaf 1 oktober 2025 tot en met 20 december 2025 te Amsterdam (Nederland) en/of te Rosia De Secas (Roemenië) en/of het Verenigd Koninkrijk;

De tekst van de integrale tenlasteleggingen is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3
Voorvragen
3.1.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

De rechtsmacht van de Nederlandse strafrechter

3.1.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat de rechtbank (de rechtbank begrijpt: de Nederlandse rechter) geen rechtsmacht heeft. Daartoe is aangevoerd dat van de drie in dat feit genoemde (vermeende) slachtoffers alleen ‘ [slachtoffer 2] ’ is geïdentificeerd. Zij blijkt woonachtig in het [woonplaats] en heeft geen enkele binding met Nederland, terwijl ook uit het strafbare feit die binding niet kan worden afgeleid. Over de andere (vermeende) slachtoffers – ‘ [slachtoffer 3] ’ en ‘ [slachtoffer 4] ’ – is in het geheel niets bekend geworden, zodat ook ten aanzien van hen geen connectie met Nederland kan worden vastgesteld.

Voor de verdachte geldt dat hij een Roemeense jongen is die eerst door politie en justitie naar Nederland is gebracht. Zijn enkele verblijf in Nederland ten tijde van zijn vervolging schept geen rechtsmacht. Als gevolg hiervan moet, aldus de verdediging, de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.1.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de Nederlandse strafwet ook ten aanzien van de onder feit 4 ten laste gelegde mishandelingen van toepassing is, nu de verdachte zich in Nederland bevindt ten tijde van de vervolging. Dit volgt uit artikel 6, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) juncto artikel 2, eerste lid, sub a en onder 6 van het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht (hierna: het Besluit).

3.1.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat Nederland ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde geen rechtsmacht heeft, zodat zij de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaart in de vervolging voor dat feit. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De verdachte in deze zaak is een Roemeense jongen die op grond van een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) op 16 januari 2026 aan Nederland is overgeleverd. Sindsdien bevindt de verdachte zich in Nederland in detentie. Onder feit 4 wordt de verdachte – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van drie (buitenlandse) slachtoffers die op de tenlastelegging alleen met hun gebruikersnamen worden vermeld: ‘ [slachtoffer 2] ’, ‘ [slachtoffer 3] ’ en ‘ [slachtoffer 4] ’. Alleen van ‘ [slachtoffer 2] ’ is bekend wie er achter de gebruikersnaam schuilgaat. Het betreft een dertienjarig meisje dat woonachtig is in het [woonplaats] . Over de identiteiten van de andere genoemde slachtoffers geeft het strafdossier geen informatie. Ten aanzien van hen kan aldus niet worden vastgesteld dat zij enige binding met Nederland hebben. Ook uit de wijze waarop het feit zou zijn gepleegd - bijvoorbeeld omdat sprake is van meerdere loci delicti, waaronder Nederland - volgt die binding niet. Zonder nadere informatie kan slechts worden vastgesteld dat de verweten handelingen in Roemenië en het Verenigd Koninkrijk hebben plaatsgevonden.

Dat de Nederlandse strafwet op grond van artikel 6 Sr en het Besluit in dit geval van toepassing is, zoals door de officier van justitie wordt gesteld, volgt de rechtbank niet. Voor rechtsmacht op grond van die bepalingen moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan: 1) dat het feit strafbaar is gesteld naar Nederlands recht onder een van de in artikel 2, eerste lid, van het Besluit genoemde bepalingen, 2) dat het feit valt onder de omschrijvingen in de genoemde bepalingen van de genoemde verdragen en 3) dat hetzij het feit is gepleegd tegen een Nederlander, hetzij de verdachte zich in Nederland bevindt. De bepaling waarnaar de officier van justitie verwijst, richt zich – kort gezegd – tegen feiten tegen de luchtvaart, zodat het ontstaan van rechtsmacht in dit geval al daarop afstuit. Datzelfde geldt voor artikel 3 van het Besluit, mocht bedoeld zijn naar dat artikel te verwijzen. Artikel 3 van het Besluit vermeldt weliswaar artikel 300 Sr (mishandeling), maar is slechts van toepassing voor zover het feit valt onder de specifieke omschrijving van het op 11 mei 2011 te Istanboel tot stand gekomen Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake.

Naar aanleiding van het standpunt van de officier van justitie dat het verblijf van de verdachte in Nederland ten tijde van zijn vervolging bepalend kan zijn voor het hebben van rechtsmacht, nog het volgende. In artikel 7, eerste lid, Sr is bepaald dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld. In het derde lid van dit artikel staat - voor zover relevant - vermeld dat met een Nederlander wordt gelijkgesteld de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft. Het verblijf van de verdachte in Nederland in het kader van de voorlopige hechtenis kan echter niet als zodanig gelden.

Tot slot het bepaalde in artikel 8b Sr: afgeleide rechtsmacht. Op grond van die bepaling zou de Nederlandse rechter rechtsmacht kunnen hebben, aangezien zowel Nederland als Roemenië partij zijn bij het verdrag dat in overname van strafvervolging voorziet: het Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging (EVOS). Als de juiste procedure is gevolgd, dan heeft Nederland rechtsmacht op grond van artikel 2 EVOS juncto artikel 8b, eerste lid, Sr. Hoewel in het aanvullende EAB de tekst is opgenomen dat “overeenstemming [werd] bereikt over de strafrechtelijke vervolging van de gezochte persoon (…) in verband met andere slachtoffers”, volgt daaruit naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat de juiste procedure is gevolgd. Er is dus geen sprake van afgeleide rechtsmacht.

De conclusie is dat Nederland geen rechtsmacht heeft ten aanzien van feit 4, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging van dat feit.

3.2.

Ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten:

3.2.1.

Ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten, is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding geldig is, dat deze rechtbank bevoegd is tot kennisneming van die feiten en dat de officier van justitie ontvankelijk is in de zaak. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4
Waardering van het bewijs
4.1.

Inleiding: ‘Com-netwerken’

Voordat de rechtbank overgaat tot bespreking van de ten laste gelegde feiten, zal zij – voor een beter begrip van de ten laste gelegde feiten - eerst ingaan op een opkomend fenomeen in de online wereld: zogenaamde Com-netwerken. De rechtbank baseert zich daarbij op de fenomeenbeschrijvingen zoals deze in het dossier zitten.

Het gaat om online groeperingen waarbinnen extreem geweld tegen slachtoffers wordt aangemoedigd en genormaliseerd. De groepen zijn onderling verbonden in wereldwijde netwerken, ‘Com’-netwerken of kortweg ‘de Com’ genoemd. De groepen beconcurreren elkaar op wie de heftigste content kan produceren (zoals zogenaamde ‘gore-content’). De content die gedeeld wordt binnen deze groepen heeft als gemene deler dat deze extreem grensoverschrijdend is.

Binnen de Com-netwerken zijn verschillende groepen actief, waaronder [naam groep 1] , [naam groep 2] , [naam groep 3] en de groep ‘ [naam groep 4] ’. De leden van deze groepen proberen, vanuit een nihilistische en/of gewelddadige wereldvisie, anderen ertoe te bewegen zichzelf of anderen aan te vallen of schade toe te brengen.

Zij zoeken hun slachtoffers - vaak jonge, kwetsbare individuen - op gameplatforms, zoals Roblox of Minecraft, streamingservices en social media. Slachtoffers worden gelokt naar privé chatkanalen, zoals Discord of Telegram. Hiervoor wordt bijvoorbeeld ‘lovebombing’ gebruikt, waarbij het slachtoffer met enorm veel aandacht, vriendelijkheid en begrip overladen wordt om zo diens vertrouwen te winnen. Soms worden beloningen in het vooruitzicht gesteld. Slachtoffers worden overtuigd om naaktbeelden en/of persoonlijke informatie te delen.

Door te dreigen dit pornografische of persoonlijke materiaal te delen met bekenden of anderszins openbaar te maken, wordt het slachtoffer vervolgens gedwongen tot het maken van meer (kinder)pornografisch of gewelddadig beeldmateriaal. Zo worden slachtoffers gevraagd de (online) naam van hun afperser en/of de groepsnaam of groepssymbolen op een briefje of op hun lichaam te schrijven (‘fan signs’) of in bloed op de muur (‘blood walls’), in het lichaam te kerven of snijden (‘cut signs’). Com-leden proberen soms hun slachtoffers zo ver te brengen dat ze overgaan tot het livestreamen van dierenmishandeling, seksueel misbruik, moord en zelfmoord. Het op deze manier verworven beeldmateriaal, kan dienen om de status binnen de Com-groep te verkrijgen of verhogen.

De rechtbank zal nu overgaan tot de bespreking van de ten laste gelegde feiten.

4.2.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

4.2.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde verkrachting en aanranding. De verdachte heeft dwang uitgeoefend door misbruik te maken van de kwetsbare positie van het slachtoffer, waarvan de verdachte op de hoogte was. Daardoor moet hij hebben geweten dat de wilsvorming van het slachtoffer kon worden beïnvloed. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de strafuitsluitingsgrond genoemd in het derde lid van de artikelen 247 en 248 Sr in dit geval niet opgaat. De verdachte was weliswaar een leeftijdgenoot van het slachtoffer, maar omdat hij met kwade intenties heeft gehandeld en het slachtoffer bovendien heeft afgedreigd en mishandeld is van een gelijkwaardige situatie tussen hen geen sprake.

4.2.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw acht het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen. De ten laste gelegde seksuele handelingen zijn door [slachtoffer 1] verricht. Nergens uit blijkt dat de verdachte [slachtoffer 1] hiertoe heeft gedwongen, niet uit verzonden berichten en niet uit afgelegde verklaringen. De verklaring van [slachtoffer 1] daarover in de samenvatting van de politie is onvoldoende om als zelfstandig en vaststaand bewijs te kunnen gebruiken. Volgens de raadsvrouw is daarnaast de strafuitsluitingsgrond van belang, omdat de verdachte een leeftijdsgenoot is. Bij gebreke van aanknopingspunten dat de verdachte [slachtoffer 1] zou hebben aangespoord of enige andere vorm van dwang heeft toegepast, moet ervan worden uitgegaan dat de gedragingen door een leeftijdsgenoot in het kader van een gelijkwaardige situatie zijn begaan. Dat de beelden later zijn gebruikt ter afdreiging voor het verkrijgen van bloederige video’s, maakt niet dat de seksuele handelingen aanvankelijk vrijwillig zijn verricht.

4.2.3.

Het oordeel van de rechtbank

Niet ter discussie staat dat aangeefster (hierna ook [slachtoffer 1] , het slachtoffer en slachtoffer 1 genoemd) tijdens video- en/of chatgesprekken met de verdachte seksuele handelingen heeft verricht die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam met behulp van haar vingers en een marker. Ook staat vast dat aangeefster een leeftijd had tussen de 12 en 16 jaar: zij was destijds 13 jaar. Wel ligt ter beoordeling voor of de verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de totstandkoming van de seksuele handelingen, of die handelingen vergezeld van dwang plaatsvonden en of die handelingen plaatsvonden in het kader van een gelijkwaardige situatie.

Betrokkenheid van de verdachte

Ten eerste over de betrokkenheid van de verdachte bij seksuele handelingen ‘op afstand’. Uit verschillende arresten van de Hoge Raad volgt dat ook sprake kan zijn van ontucht met een minderjarige in het geval geen lichamelijke aanraking tussen de dader en de betrokken minderjarige heeft plaatsgevonden, maar wel sprake is van een zekere mate van interactie tussen de dader en de minderjarige: het zogeheten ‘interactiecriterium’. In de jurisprudentie wordt dit interactiecriterium hoofdzakelijk in verband gebracht met het ontuchtig handelen zoals beschreven in de artikelen 247 en 249 Sr (oud). In de onderhavige zaak is het primair ten laste gelegde feit toegesneden op artikel 245 Sr (oud). Dit artikel was op dezelfde wijze geredigeerd als (het hier relevante deel van) artikel 248 Sr (nieuw), in die zin dat het telkens gaat om degene die ‘met iemand’ in de leeftijd tussen 12 en 16 jaar ‘seksuele handelingen verricht’. De rechtbank ziet daarom aanleiding aan te sluiten bij de hiervoor aangehaalde jurisprudentie.

Nu tussen aangeefster en de verdachte geen lichamelijk aanraking heeft plaatsgevonden, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of er in het geval van de verdachte is voldaan aan dit interactiecriterium en, zo ja, of aanwezigheid van een dergelijke mate van relevante interactie ook leidt tot een bewezenverklaring van het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan het interactiecriterium. Uit de bewijsmiddelen blijkt voldoende duidelijk dat de verdachte concrete bemoeienis heeft gehad met de seksuele handelingen die [slachtoffer 1] bij zichzelf heeft verricht. Deze handelingen bestonden mede uit het binnendringen van haar lichaam. Zo heeft de verdachte aan [slachtoffer 1] voorgesteld haar borsten te laten zien en bij het masturberen een markeerstift te gebruiken. Ook is hij op een video hijgend op de achtergrond te horen.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan verkrachting. Elk seksueel contact met een kind in deze leeftijdscategorie, en zeker als dat mede bestaat uit het binnendringen van het lichaam, is immers strafbaar.

Dwang

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, niet bewezen dat de seksuele handelingen op dat moment door [slachtoffer 1] onder dwang zijn verricht, zodat geen aanleiding bestaat om de situatie zoals bedoeld in lid 2 van artikel 248 (gekwalificeerde verkrachting) aan te nemen.

Gelijkwaardige situatie Vervolgens dient te worden beoordeeld of sprake is van een strafuitsluitingsgrond van lid 3 van artikel 248 Sr. Daarin is bepaald dat degene die als leeftijdsgenoot de in lid 1 bedoelde seksuele gedragingen verricht in het kader van een gelijkwaardige situatie, niet strafbaar is. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze situatie niet aan de orde is, terwijl de raadsvrouw heeft gesteld dat dit wel het geval is.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever handelingen van seksuele aard strafbaar heeft willen stellen, voor zover die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Een seksueel contact met een jeugdig persoon tussen de 12 en 16 jaar is in de regel ontuchtig, omdat jeugdigen worden geacht in het algemeen onvoldoende in staat te zijn hierover weloverwogen keuzes te maken. Uit de jurisprudentie volgt dat onder omstandigheden het ontuchtige karakter bij seksuele handelingen met een jeugdige tussen de 12 en 16 jaar kan ontbreken. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die in geringe mate in leeftijd van elkaar verschillen én die personen een affectieve relatie met elkaar hebben. Er moet dan sprake zijn van een zekere gelijkwaardigheid tussen de betrokken personen. Er mag geen aanleiding zijn om aan te nemen dat de jeugdige de handelingen tegen haar of zijn zin heeft verricht of een ondergeschikte positie ten opzichte van de verdachte heeft gehad.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is geweest van die zekere gelijkwaardigheid tussen [slachtoffer 1] en de verdachte. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, komt het volgens vaste rechtspraak aan op alle omstandigheden van het geval. De rechtbank neemt in dat verband het volgende in aanmerking.

In oktober 2025 ontmoetten de verdachte en [slachtoffer 1] elkaar via Roblox. [slachtoffer 1] verklaart dat zij zich destijds gehoord voelde door de verdachte en dat zij dacht dat zij een soort lange afstandsrelatie hadden. De rechtbank brengt evenwel in herinnering dat één van de kenmerken van de hiervoor beschreven werkwijze van de Com is: het ‘groomen’ van een slachtoffer ter verkrijging van beelden die vervolgens worden ingezet voor het verkrijgen van gewelddadige content. Het komt daarom aan op de vraag wat de intentie van de verdachte was toen hij haar vroeg seksuele handelingen te verrichten.

De rechtbank stelt in dit verband vast dat al in augustus 2025 op de telefoon van de verdachte de applicatie ‘HideU’ was geïnstalleerd. Deze applicatie is te gebruiken om bestanden geheim op te slaan; bestanden zijn alleen toegankelijk door een digitale pincode in te voeren. Gebleken is dat de verdachte deze applicatie gebruikte om het verkregen beeldmateriaal van, onder andere, [slachtoffer 1] op te slaan.

Dat de verdachte niet uit was op een gelijkwaardige relatie met [slachtoffer 1] maar de intentie had om beeldmateriaal te vergaren waarmee hij haar later onder druk kon zetten, leidt de rechtbank ook af uit zoekopdrachten die de verdachte gaf en verschillende (chat)gesprekken die de verdachte met anderen voerde.

Zo heeft de verdachte op 21 november 2025 zoekopdrachten gegeven aan Chat GPT. De rechtbank hecht in dit verband vooral waarde aan de zoekopdracht:

okay teach me the easiest way to manipulate som1”.

En op 7 december 2025 heeft de verdachte onder de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam 1] ’ een chatgesprek met een persoon met de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam 2] ’. De verdachte stuurt aan [gebruikersnaam 2] verschillende beelden van ‘bloodwalls’ en van snijwonden, waaronder in elk geval een filmpje van [slachtoffer 1] .

Uit het daaropvolgende chatgesprek tussen de verdachte en [gebruikersnaam 2] blijkt dat [gebruikersnaam 2] aan de verdachte vertelt dat hij het meisje van hem wil overnemen en vraagt welke methode hij gebruikt. De verdachte geeft daarop aan dat hij haar aan hem heeft verbonden (“I got her attached”) en dat hij haar onzin vertelt zoals dat hij van haar houdt of dat zij zo’n goed meisje is:

“Im tellin her shit like

Ily

Ur such a good girl”

In diezelfde chat vraagt [gebruikersnaam 2] ook waar de verdachte zijn slachtoffers vandaan haalt, waarop de verdachte antwoordt:

Tik tok

Search problematic friends

Nd get em attached

Thwir mostly mentally ill girls”.

[gebruikersnaam 2] vraagt aan de verdachte of hij geïnteresseerd is in een “duo extort”. De verdachte schrijft in diezelfde chat ook dat hij langzaam te werk gaat, dat je mentaal in orde moet zijn en moet oppassen je niet te hechten en dat het hem ongeveer drie weken heeft gekost om vier “bitches” aan zich te verbinden: “Btw my methods r slow nd u have to be well mentally bcs if u get attached to ur cooked

Like

It took me

Almost 3 weeks to get 4 bitches attached to me”.

Tot slot het chatgesprek tussen de verdachte en [naam 5] op 20 december 2025 waarin de verdachte schrijft: “found new girl to ext”. Naar de rechtbank begrijpt wordt met ‘ext’ extortion dan wel afpersing bedoeld. [naam 5] wenst de verdachte vervolgens succes.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de verdachte ‘verliefd’ te zijn geweest op [slachtoffer 1] , niet alleen op geen enkele manier nader is toegelicht door de verdediging maar ook niet wordt ondersteund door de bewijsmiddelen. De hiervoor beschreven gang van zaken laat zien dat de verdachte op geraffineerde wijze heeft ingespeeld op de gevoelens van [slachtoffer 1] . Hij heeft deze gevoelens gebruikt om haar te bewegen tot het verrichten van seksuele handelingen. Vervolgens heeft de verdachte het verkregen beeldmateriaal ingezet om contact te leggen met leden van de Com en te proberen toe te treden tot de Com. Deze handelwijze toont naar het oordeel van de rechtbank aan dat de relatie tussen de verdachte en [slachtoffer 1] niet was gebaseerd op gelijkwaardigheid of wederzijds vertrouwen, maar op manipulatie en misbruik van vertrouwen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het beroep op de in lid 3 van artikel 248 opgenomen strafuitsluitingsgrond faalt.

Partiele vrijspraak

Voor wat betreft het ten laste gelegde medeplegen is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat dit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte van dat onderdeel moet worden vrijgesproken.

Conclusie

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Aan het onder 1 subsidiair ten laste gelegde wordt daarmee niet toegekomen.

4.3.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

4.3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde (afdreiging), met uitzondering van het medeplegen. Ook heeft de verdachte volgens de officier van justitie met een terroristisch oogmerk gehandeld. Er is immers sprake van een beweging met een terroristisch oogmerk en de verdachte heeft met zijn gedrag een bijdrage geleverd aan de manier van opereren van deze beweging en daarmee aan de ondermijning van het sociale fundament van de samenleving. Met zijn handelen heeft de verdachte het leven en de lichamelijke integriteit van meerdere jonge slachtoffers op het spel gezet.

4.3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de onder 2 primair ten laste gelegde afdreiging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het medeplegen, het terroristisch oogmerk en de zelfmoordpogingen moet worden vrijgesproken.

4.3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Afdreiging

Voor een bewezenverklaring van afdreiging moet komen vast te staan dat de verdachte ten tijde van het plegen daarvan ook het oogmerk had om zich (of een ander) wederrechtelijk te bevoordelen. Elke verbetering van positie valt hieronder, mits het voordeel economische waarde heeft. Uit het dossier blijkt dat de verdachte op verschillende momenten met [slachtoffer 1] , maar ook met andere meisjes, via sociale media contact had. De verdachte deed zich voor als iemand die dezelfde interesses deelde met [slachtoffer 1] , met als doel haar vertrouwen te winnen. Hij vroeg [slachtoffer 1] (naakt)beelden te maken of hij maakte screenopnames van live videogesprekken waarop zij seksuele handelingen verrichtte. Op het moment dat de verdachte eenmaal dergelijk beeldmateriaal in zijn bezit had, deed hij op enig moment uit de doeken welke informatie hij over [slachtoffer 1] had verzameld en begon hij haar af te persen met het doel meer en vergaand beeldmateriaal (content) te verkrijgen in onder meer de vorm van ‘cut signs’ en ‘bloodwalls’.

Uit het dossier blijkt dat de verdachte het beeldmateriaal, ter verkrijging waarvan hij [slachtoffer 1] onder zware druk zette, nodig had. Voor de verdachte was dit kennelijk de manier om waardering te krijgen van (ex-)leden van de Com en te kunnen toetreden tot de Com. Zijn handelingen waren daarom gericht op de verkrijging van deze afbeeldingen en video’s en het daarmee verbeteren van zijn positie. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat bij de term wederrechtelijke bevoordeling gedacht moet worden aan economische waarde in de ruimste zin van het woord. Naar het oordeel van de rechtbank komt dit in deze zaak tot uiting in het bestaan van een rangorde, waarbij geldt: hoe heftiger het verkregen beeldmateriaal, hoe hoger de status. De verdachte heeft geprobeerd om dergelijk gewelddadig beeldmateriaal van [slachtoffer 1] te verkrijgen, door te dreigen het seksueel beeldmateriaal dat hij van haar had openbaar te maken. Hij deed dit met het doel toegang te krijgen tot de Com en daarbinnen status te verkrijgen. Naar het oordeel van de rechtbank duidt dit erop dat de afbeeldingen en video’s waarde vertegenwoordigen zoals bedoeld in artikel 381 Sr. Daarbij komt dat het beeldmateriaal van [slachtoffer 1] hoe dan ook een economische waarde vertegenwoordigt en daarmee geschikt is om zich of een ander economisch te bevoordelen.

Gelet op het voorgaande had de verdachte ten tijde van het plegen van dit feit het oogmerk van bevoordeling zoals bedoeld in artikel 381 Sr.

Terroristisch oogmerk

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de verdachte hierbij heeft gehandeld met een terroristisch oogmerk.

In artikel 83a Sr wordt beschreven wat onder terroristisch oogmerk moet worden verstaan. Kort gezegd komt het erop neer dat het oogmerk van de verdachte erop moet zijn gericht om (een deel van) de bevolking ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid/organisatie te dwingen iets te doen, te dulden of na te laten, dan wel de fundamentele structuren van een land te ontwrichten of te vernietigen.

Daarbij staat voorop dat het terroristisch oogmerk niet hetzelfde is als iemands ideologische of religieuze motief of einddoel. Het gaat erom welk effect de verdachte met een gedraging wilde bereiken en dus niet om de vraag waarom de daad wordt gepleegd. Kort gezegd gaat het er dus om wat de verdachte met zijn daad wil bereiken. Het ideologische motief kan uiteraard wel een zekere rol spelen in het bewijzen van het terroristisch oogmerk. Immers, als iemand een ideologie aanhangt waarin geweld niet wordt geschuwd, zal het in de regel makkelijker zijn het terroristisch oogmerk vast te stellen. De juridische vraag is dus of de verdachte met zijn daden ook wilde bereiken dat (een deel van) de Nederlandse bevolking vrees werd aangejaagd of dat structuren van de samenleving werden ontwricht of vernietigd.

Voor de beantwoording van de vraag wat de verdachte dacht en wilde bereiken met zijn daad, kijkt de rechtbank allereerst naar zijn eigen verklaring. De verdachte heeft verklaard dat hij eenzaam was en dat het voor hem fijn voelde met iemand te praten, in dit geval de personen gerelateerd aan de Com. De erkenning die hij van hen kreeg, gaf hem een fijn gevoel. Hij wilde ergens bij horen.

Daarnaast kijkt de rechtbank naar de resultaten uit het onderzoek uitgevoerd door team TER (Terrorisme, Extremisme en Radicalisering) van Reclassering Nederland. Uit dit rapport blijkt dat bij de verdachte geen sprake is van gewelddadig extremisme en dat bij de verdachte evenmin ideologie aanwezig is die geweld rechtvaardigt. Uit het rapport volgt dat de verdachte zichzelf eenzaam en nutteloos voelde en in aanraking is gekomen met het Com-netwerk, waarna hij werd beïnvloed door leden uit dit netwerk om het slachtoffer gewelddadige handelingen te laten verrichten. Ondanks deze gevoelens en handelingen van de verdachte kan er niet worden gesteld dat sprake is van een ideologie. Volgens het rapport is er sprake van extreem geweld, maar geen extremistisch geweld, omdat er geen ideologie aan ten grondslag ligt.

De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat de verdachte niet handelde vanuit een ideologische overtuiging, maar dat hij werd gedreven door een gevoel van eenzaamheid en de behoefte ergens bij te horen. De verdachte heeft wel de exacte werkwijze gevolgd die kenmerkend is voor de Com. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast, en heeft ook de overtuiging, dat de verdachte zich heeft willen aansluiten bij deze online beweging. Uit door de verdachte gevoerde gesprekken blijkt dat hij toenadering zoekt tot (ex-)leden van de Com, hen materiaal toestuurt, actief informeert naar toelatingseisen of meent daaraan te voldoen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan vanuit deze Com groepen een terroristische dreiging uitgaan, mede vanwege de constatering dat dit fenomeen een steeds grotere omvang krijgt. Ouders vrezen ervoor dat (kwetsbare) kinderen hierin verstrikt raken of zelfs slachtoffer worden, zoals bij [slachtoffer 1] is gebeurd. Het is niet alleen voor ouders moeilijk grip te krijgen op deze onlinewereld. Desondanks zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzingen dat de verdachte met zijn daden het oogmerk had om (een deel van) de Nederlandse bevolking ernstige vrees aan te jagen of de structuren van de samenleving te ontwrichten of vernietigen. De rechtbank heeft in de bewijsmiddelen onvoldoende aanleiding gevonden om vast te stellen dat de verdachte de intentie had om maatschappelijke angst te veroorzaken, zodat hij wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde handelen met een terroristisch oogmerk.

Partiele vrijspraken

Voor wat betreft het ten laste gelegde medeplegen en de poging zelfmoord door van een viaduct af te springen is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat dit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verdachte wordt van die onderdelen van de tenlastelegging vrijgesproken.

4.4.

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

4.4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de onder 3 subsidiair ten laste gelegde doen plegen van mishandeling. De verdachte heeft het slachtoffer aangezet tot het toebrengen van letsel bij zichzelf en is daarvoor als intellectuele dader verantwoordelijk te houden. De maatschappelijke ontwikkeling waarbij ook steeds vaker online strafbare feiten worden gepleegd, vraagt erom dat juridische deelnemingsvormen ruimer worden uitgelegd. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de zelfmoordpoging van het slachtoffer door van een viaduct te springen, de verdachte in strafrechtelijke zin niet kan worden aangerekend. Het overige letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen, kwalificeert volgens de officier van justitie niet als zwaar lichamelijk letsel, maar leidt wel tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling.

4.4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de onder 3 primair ten laste gelegde zware mishandeling. Het letsel dat het slachtoffer als gevolg van haar sprong van het viaduct heeft opgelopen is niet in strafrechtelijke zin aan de verdachte te wijten. Ten aanzien van de ten laste gelegde mishandeling heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd.

4.4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Zware mishandeling

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat de primair ten laste gelegde zware mishandeling niet wettig en overtuigend is bewezen. Vast staat dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen doordat zij zich van een viaduct heeft laten vallen. Het is echter niet komen vast te staan dat de verdachte dit letsel heeft veroorzaakt, zodat hem daarvoor geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder 3 primair ten laste gelegde.

Het plegen of doen plegen van mishandeling

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte de mishandeling van het slachtoffer heeft gepleegd of heeft doen plegen. De officier van justitie heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de verdachte aansprakelijk kan worden gehouden voor het doen plegen van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat sprake is van het plegen van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling. Hieronder legt de rechtbank uit waarom.

Ten eerste stelt de rechtbank vast dat de omstandigheid dat de verdachte het slachtoffer niet zelf heeft aangeraakt om het letsel toe te brengen, geen beletsel hoeft te zijn voor het oordeel dat hij de mishandeling van het slachtoffer heeft gepleegd.

De rechtbank zoekt net als ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, voor de beoordeling of de verdachte als pleger van de mishandeling van het slachtoffer is aan te merken voorts aansluiting bij de verschillende arresten van de Hoge Raad aangaande ‘seksuele handelingen op afstand’. Zaken waar het gaat om het plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren als bedoeld in artikel 247 of 249 Sr (oud) waarbij evenmin lichamelijke aanraking tussen de verdachte en het slachtoffer heeft plaatsgevonden, omdat de verdachte, net als in de onderhavige zaak, zich in een online wereld begaf ten tijde van het plegen van het strafbare feit.

De rechtbank toetst daarom of in dit geval de gedragingen van de verdachte - al dan niet in hun onderlinge samenhang bezien - het plegen van de mishandeling van het slachtoffer opleveren. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Net als bij de hierboven genoemde zaken, komt daarbij in het bijzonder betekenis toe aan het antwoord op de vraag of en zo ja, in hoeverre tussen de verdachte en het slachtoffer enige voor de mishandeling relevante interactie heeft plaatsgevonden. Van een dergelijke situatie zal ook in het geval van mishandeling slechts sprake kunnen zijn in uitzonderlijke gevallen.

Het slachtoffer heeft verklaard dat zij zichzelf heeft gesneden in haar armen en haar benen omdat ze daartoe door de verdachte werd aangezet. Immers, als zij zichzelf niet zou snijden, zou de verdachte compromitterend beeldmateriaal van haar met anderen delen. Een dreiging die zij terecht serieus nam, al is het maar omdat de verdachte het desbetreffende beeldmateriaal op 6 december 2025 daadwerkelijk heeft gedeeld met haar familie en oud-klasgenoten. Daarnaast blijkt uit chatberichten tussen de verdachte en het slachtoffer dat hij haar tot in detail heeft verteld hoe zij zichzelf moest snijden. Zo zegt hij dat zij dieper moet snijden in haar huid en vertelt hij haar waar ze zich moet snijden. Ook zegt de verdachte haar welke naam ze in haar huid moet kerven.

Hiermee is voor de rechtbank allereerst komen vast te staan dat de verdachte een onmiskenbare schakel is geweest bij het toebrengen van letsel aan het slachtoffer.

Bovendien is voldoende komen vast te staan dat sprake is geweest van actieve en relevante interactie tussen de verdachte en het slachtoffer en dat de verdachte concrete bemoeienis heeft gehad met de wijze waarop het slachtoffer het snijden in haar lichaam heeft uitgevoerd.

De verdachte heeft zich dan ook als pleger schuldig gemaakt aan de mishandeling van het slachtoffer.

Voorbedachten rade

De rechtbank acht bewezen dat sprake is van voorbedachten rade. De verdachte heeft gedurende ongeveer twee maanden de beschreven handelingen verricht. Onder meer uit het hiervoor geciteerde chatgesprek met [gebruikersnaam 2] volgt dat de verdachte daarbij bewust een werkwijze heeft gevolgd om ervoor te zorgen dat [slachtoffer 1] deze handelingen uitvoerde. Gezien de ruime tijd voor beraad en bezinning, is wettig en overtuigend bewezen dat het handelen met voorbedachten rade heeft plaatsgevonden.

Partiële vrijspraak

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van - kort samengevat - mishandeling door het maken van een zogenaamde ‘bloodwall’, omdat niet is gebleken dat daardoor letsel is ontstaan.

Dat geldt eveneens voor de poging zelfmoord door verhanging. Niet is gebleken dat het slachtoffer daar letsel aan heeft overgehouden. Uit het dossier blijkt wel dat het slachtoffer in opdracht van de verdachte verschillende pogingen heeft ondernomen zichzelf te verhangen en dat zij als gevolg hiervan even bewusteloos is geraakt. De rechtbank stelt zich voor dat dat bij haar zogenaamde onlustgevoelens teweeg heeft gebracht. Dit is echter niet ten laste gelegd.

Voor wat betreft de ten laste gelegde poging zelfmoord door van een viaduct af te springen is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat in het dossier onvoldoende bewijs is te vinden voor actieve bemoeienis door de verdachte, zodat de verdachte ook van dat onderdeel moet worden vrijgesproken.

Conclusie

Met het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde mishandeling met voorbedachten rade wettig en overtuigend is bewezen.

5
Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de vervatte bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

in de periode van 1 oktober 2025 tot en met 20 december 2025, te Amsterdam,

met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten slachtoffer 1, geboren op [geboortedatum] , waarvan verdachte wist dat zij kwetsbaar was in de zin dat zij bekend was met zelfmutilatie en depressie,

seksuele handelingen heeft verricht, welke handelingen mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van slachtoffer 1, door het

doen van verzoeken aan slachtoffer 1 tot het tonen van haar borsten en deels ontblote lichaam en het uitvoeren van seksuele handelingen met zichzelf, welke handelingen zij vervolgens heeft verricht en welke mede bestonden uit het stoppen van een voorwerp, marker en vingers in haar vagina;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

in de periode van 1 oktober 2025 tot en met 20 december 2025, te Amsterdam, meermalen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen

telkens door bedreiging met openbaring van geheimen, te weten het dreigen met het verspreiden van foto’s en video’s van de borsten en het deels ontblote lichaam van slachtoffer 1 en van seksuele handelingen verricht door slachtoffer 1 en foto’s en video’s van zelfmutilatie en poging zelfmoord door slachtoffer 1 online via diverse sociale media applicaties

slachtoffer 1 heeft gedwongen tot afgifte van goederen, die toebehoren aan voornoemd slachtoffer, te weten:

- foto‘s en video’s van het kerven en/of snijden met een scheermes en/of mes in het lichaam van slachtoffer 1 en

- foto‘s en video’s van bloedende snijwonden en krassen op de armen en benen en buik van slachtoffer 1 en

- foto‘s en video’s van door slachtoffer 1 met bloed op de muur geschreven namen en teksten en

- een video van een zelfmoordpoging van slachtoffer 1

door (telkens):

slachtoffer 1 dwingend de opdracht te geven tot het in zichzelf snijden met een mes in haar armen en benen, en

slachtoffer 1 dwingend de opdracht te geven om de gebruikersnamen van verdachte op social media, in haar lichaam te kerven, en

slachtoffer 1 dwingend de opdracht te geven om met haar eigen bloed teksten en de bijnamen van verdachte op muren te schrijven, onder meer “ [bijnaam] ” en “ [bijnaam] ”, en

slachtoffer 1 dwingend de opdracht te geven om haar huisdier, te weten een vis, te doden en daar video’s van te maken en die door te sturen naar verdachte, en

slachtoffer 1 dwingend de opdracht te geven om video‘s te maken, te weten:

- een video waarin slachtoffer 1 huilend tegen verdachte het volgende moet zeggen:

“I`m so sorry [bijnaam] ill be a good girl from now on” en

- een video waarbij slachtoffer 1 op haar knieën moet zitten, haar gezicht niet mag afdekken en haar excuus moet aanbieden terwijl zij in een bid positie zit,

en

slachtoffer 1 dwingend de opdracht te geven om van dit kerven en snijden in haar lichaam en van haar zelfmoordpogingen en van de teksten op de muur en van de video’s naar verdachte te sturen, en

vervolgens daadwerkelijk dit dreigement waar te maken door video‘s van de seksuele handelingen en deze zelfmoordpogingen en van haar deels ontblote lichaam van slachtoffer 1 naar haar moeder en opa en via het door verdachte overgenomen Snapchataccount van slachtoffer 1 aan bekenden van slachtoffer 1 te sturen;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

in de periode van 1 oktober 2025 tot en met 20 december 2025, te Amsterdam, een ander, te weten slachtoffer 1

met voorbedachten rade heeft mishandeld door online:

slachtoffer 1 op te dragen en onder druk te zetten om zichzelf te snijden met een (scheer)mes en/of scherp voorwerp in haar armen en benen en daarbij de bijnaam van verdachte, “ [bijnaam] ”, in haar lichaam te kerven,

waarna slachtoffer 1 meermalen

- zichzelf heeft gesneden in haar armen en benen en daarbij de bijnaam van verdachte, “ [bijnaam] ”, in haar lichaam heeft gekerfd

waardoor lichamelijk letsel bij slachtoffer 1 is ontstaan, te weten onder meer

- littekens op de armen/bovenbenen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6
Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7
Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

Overwegingen

8
Motivering van de straf
8.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat de verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van twaalf (12) maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie (3) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren, en dat daaraan als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer en haar ouders wordt verbonden, zoals geadviseerd door de Raad.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft, gelet op de door haar bepleite vrijspraken, verzocht te volstaan met een straf gelijk aan de dagen die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en hem in vrijheid te stellen. Daarnaast verzet de verdediging zich niet tegen een voorwaardelijk strafdeel, zodat een contactverbod kan worden opgelegd ten aanzien van alle namen die in het dossier voorkomen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De rechtbank houdt ten eerste rekening met de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging.

Ook houdt de rechtbank rekening met het volgende.

Ernst van de feiten

De verdachte is vanuit Roemenië online op zoek gegaan naar een kwetsbaar slachtoffer, en vond op een online-platform een 13-jarig meisje in Nederland dat al bekend was met zelfbeschadiging en sombere gedachten. Hij bood haar een luisterend oor, toonde begrip en samen chatten ze over muziek en speelden ze online games. Zo won hij haar vertrouwen. Eenmaal één-op-één, vroeg hij haar voor de camera zich uit te kleden en seksuele handelingen te verrichten en dit te filmen. Soms maakte hij hiervan zelf schermopnames, opnames die hij bewaarde in speciaal door hem geïnstalleerde, afgeschermde apps. Toen het slachtoffer hem tijdens het spelen van een game een keer toegang gaf tot haar account, verschafte hij zichzelf toegang tot haar gmail-account en ontfutselde zo haar wachtwoorden en contactgegevens.

Gaandeweg veranderde het contact; de verdachte werd grimmig en manipulatief. Hij vroeg het slachtoffer zich te snijden en zijn bijnaam (‘[bijnaam]’) te kerven in haar armen en benen, zogenaamde ‘bloodwalls’ voor hem te maken (met teksten als ‘# [bijnaam]’ en ‘[bijnaam]’) en dit te filmen. Het slachtoffer moest haar huisdier (een vis) in stukken snijden en voor hem knielen. Hij begon haar te vernederen en aan te moedigen zichzelf voor de camera van het leven te beroven, bijvoorbeeld door zich te verhangen met een riem. Eén van die zelfmoordpogingen werd haar bijna fataal (“Help, I almost succeeded”, vertelde het slachtoffer hem hierover; de verdachte reageert met “record again”).

Wanneer het slachtoffer zijn opdrachten niet goed, of niet snel genoeg, uitvoerde, dreigde de verdachte al haar devices te resetten of de seksuele beelden te ‘leaken’. Het is daardoor voorstelbaar dat het slachtoffer geen andere mogelijkheid zag dan om met zijn immorele ‘spel’ mee te blijven doen. Dat de verdachte haar volledig in zijn macht had, moet het slachtoffer zich gerealiseerd hebben toen de verdachte er op enig moment ook daadwerkelijk toe overging compromitterende beelden van haar te verspreiden: hij lekte seksuele beelden van het slachtoffer naar haar moeder en opa. Uiteindelijk nam hij zelfs controle over haar snapchataccount en stuurde uit naam van het slachtoffer seksuele beelden en filmpjes van haar verhangingspoging naar haar klasgenoten. Niet veel later ondernam het slachtoffer een zelfmoordpoging door zich van een brug te laten vallen waarbij zij ernstig letsel opliep. Hoewel deze zelfmoordpoging van het slachtoffer in strafrechtelijke zin niet aan de verdachte kan worden toegeschreven, is alleszins aannemelijk dat de handelingen van de verdachte daaraan hebben bijgedragen.

Hoewel de verdachte zelf niet daadwerkelijk lijkt te zijn toegetreden danwel toegelaten tot een zogenaamde Com-groep, zoals de [naam groep 4] -beweging, was zijn handelen wel daarop gericht en was zijn werkwijze geheel in overeenstemming met die van dergelijke groepen. In die groepen wordt vanuit een misantropisch en destructief wereldbeeld, geweld gepleegd. Soms is sprake van geweld omwille van het geweld. Status wordt vergaard doordat je erin slaagt anderen ertoe te bewegen jouw naam op het lichaam te schrijven (‘fan signs’), zichzelf te beschadigen (‘cut signs’), met bloed op de muur te schrijven (‘bloodwalls’) of zelfs zichzelf van het leven beroven, en hier beelden van te maken. Naar deze groepen is onderzoek gedaan en voor de dreiging die uitgaat van deze groepen wordt inmiddels door onder meer de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding breed gewaarschuwd. Terecht, want dit soort groepen veroorzaken met hun morele en digitale normloosheid grote onrust in de samenleving en laten ons achter met gevoelens van machteloosheid en angst over het welzijn en de veiligheid van onze jongeren en andere kwetsbare personen in onze maatschappij.

Ook de verdachte was in de ban van de Com en erop uit toe te treden tot de Com en aanzien te verkrijgen bij leden van de Com. Hij werd door hen geprezen en aangemoedigd steeds meer, en extremer, beeldmateriaal te verkrijgen en delen. En al was hij geen onderdeel van een Com groep, wel duidelijk is dat de verdachte zich daarmee wilde identificeren en vergaande sympathieën koesterde voor deze groepen. Onder hun invloed was hij bereid steeds verder te gaan. Dit baart de rechtbank grote zorgen. Ernstig moet worden betwijfeld of de verdachte, als hij niet was aangehouden, in staat was geweest zichzelf een halt toe te roepen.

De verdachte lijkt zich tijdens zijn handelingen geen rekenschap te hebben gegeven van de gevolgen voor het jonge slachtoffer. Ook dat neemt de rechtbank hem zeer kwalijk. De impact van zijn daden op het slachtoffer is groot. De verdachte heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de onaantastbaarheid van het lichaam en de lichamelijke integriteit van het al kwetsbare slachtoffer door haar aan te zetten tot seksuele handelingen en zelfmutilatie. Hij heeft grote psychische schade berokkend, onder meer door eerst haar vertrouwen te winnen en haar daarna doelbewust te intimideren, bedreigen en isoleren. Door de littekens die het slachtoffer heeft overgehouden aan zijn acties, wordt zij op pijnlijke wijze blijvend herinnerd aan de verdachte. Op straat wordt het slachtoffer door jonge kinderen aangesproken die haar vragen “of ze niet dood was”. Ook moet het slachtoffer leven met de angst dat de beelden die de verdachte van haar online heeft verspreid, opnieuw kunnen opduiken.

Ondertussen is het de rechtbank – en dit maakt de zaak extra complex – duidelijk geworden dat de verdachte zelf ook kwetsbaar is. Ook dit weegt de rechtbank mee. Zoals uit het hierna beschreven rapport van de psycholoog blijkt, is bij de verdachte sprake van onderliggende problematiek waaronder verwaarlozing, mishandeling en depressie. Hij verkeerde in een sociaal isolement, had last van depressieve gedachtes. De behoefte naar aanzien en status en de wens om serieus genomen te worden trokken hem naar de online wereld, waar hij wel aansluiting vond.

Persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 3 april 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de volgende rapportages over de verdachte:

het psychologisch rapport opgesteld door GZ-psycholoog mw. D. van Luijk d.d. 28 april 2026;

het rapport van de Raad, opgemaakt op 2 juni 2026;

het rapport van Reclassering Nederland, team TER, opgemaakt op 3 juni 2026, zoals hiervoor onder 4.3.3 is aangehaald.

De psycholoog komt tot de volgende conclusies.

Uit het door de psycholoog opgestelde rapport volgt dat bij de verdachte sprake is van een andere gespecificeerde psychotrauma- of stressor stoornis, een depressieve stoornis, een ouder-kindrelatieprobleem, lichamelijke mishandeling van een kind en verwaarlozing van een kind. De psycholoog adviseert de feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Het recidiverisico op gewelddadig extremisme wordt matig tot hoog geschat. Het betreft dan vooral de kans op online geweld en op online aanranding.

De psycholoog adviseert bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel op te leggen. De psycholoog heeft vanuit het Nederlands perspectief geadviseerd, omdat de mogelijkheden in Roemenië haar niet bekend zijn. De psycholoog heeft geadviseerd om de bijzondere voorwaarden als volgt in te richten.

Volgens de psycholoog is zowel de thuissituatie van de vader als de moeder van de verdachte zorgelijk. De vraag is of de ouders gemotiveerd en beschikbaar zijn (mede door de financiële zorgen en de noodzaak tot werk en inkomen) voor een intensief, ambulant interventietraject gericht op het verbeteren van de opvoedingsvaardigheden- en context. De psycholoog adviseert om de mogelijkheden te onderzoeken voor een passende uithuisplaatsing van de verdachte, bijvoorbeeld binnen een gezinshuis of een woongroep voor jongeren met internaliserende problematiek. Mogelijk kan gelijktijdig met ouders of de moeder worden gebouwd aan het verbeteren van de opvoedingsvaardigheden en de relatie tussen de verdachte en zijn ouders, zodat mogelijk een thuisplaatsing op termijn aan de orde is. In het kader van zijn sociaal-emotionele ontwikkeling adviseert de psycholoog een therapeutische interventie in te zetten vormgegeven door een forensische, ambulante kliniek, waar de verdachte in een langdurig kader ondersteuning krijgt bij zijn persoonlijke uitdagingen waaronder het verwerken van zijn trauma’s, bij het vergroten van zijn zelfbeeld, zijn gevoel van eigenwaarde, het verbeteren van zijn sociaal-emotioneel functioneren en coping vaardigheden. Daarnaast is het volgens de psycholoog van belang dat de verdachte zijn schoolgang oppakt. Mogelijk komt hij beter tot zijn recht op het speciaal voortgezet onderwijs, waarbij met betrekking tot die doelgroep de nadruk ligt op internaliserende problematiek. Tot slot is het volgens de psycholoog van belang om aandacht te hebben voor zijn onlinegedrag. Door grenzen te stellen aan zijn mogelijkheden om online actief te zijn en toezicht te houden op zijn activiteiten, kan zijn onlinegedrag worden genormaliseerd. Het is raadzaam om te kijken welke alternatieve, positieve activiteiten de verdachte in zijn vrije tijd kan ontwikkelen, zodat de onlinewereld ook minder nodig is voor de verdachte om in te verdwijnen.

De Raad heeft geadviseerd aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen onder de algemene voorwaarde dat de verdachte niet opnieuw een strafbaar feit begaat en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer en haar ouders.

De Raad heeft ter zitting nogmaals onderstreept voor welk dilemma hij zich in deze zaak gesteld ziet. Naar het gevoel van de Raad kunnen er in deze zaak alleen keuzes gemaakt worden die onvoldoende in het belang van de verdachte zijn. De Raad onderschrijft het advies van het NIFP. De verdachte heeft de wens geuit om na zijn vrijlating bij zijn moeder in Oostenrijk te gaan wonen. Zowel in Roemenië als in Oostenrijk (waar de moeder van de verdachte woont) heeft de Raad contact opgenomen met instanties voor kinderbescherming. In deze landen blijkt een behandelsetting zoals geadviseerd door de psycholoog, niet voorhanden. De geadviseerde woonsetting bestaat niet. Hulpverlening in een gedwongen kader bestaat niet en alle mogelijke begeleiding in Oostenrijk vindt op vrijwillige basis, en in een ambulant kader, plaats, waarvoor bovendien wachtlijsten gelden die op dit moment allemaal ‘op slot’ zitten. De Raad noemt het onverteerbaar dat een kwetsbare jongen niet de hulp krijgt die hij nodig heeft, terwijl de kans op herhaling van online geweld zeer groot is.

De Raad had het wenselijker gevonden als er meer voorwaarden aan het voorwaardelijke deel verbonden hadden kunnen worden en het toezicht daarop in Oostenrijk had kunnen plaatsvinden. Dit blijkt echter na onderzoek niet mogelijk. Een overdracht van strafzaken aan Oostenrijk kan, zo schrijft de Raad, pas als er meer dan zes maanden aan een voorwaardelijk strafdeel open staat. Dat acht de Raad in dit geval niet meer haalbaar, gelet op zijn leeftijd en de duur van verdachtes voorlopige hechtenis. Daarnaast zijn in Oostenrijk geen neutrale woonplekken beschikbaar die voldoen aan het advies van het NIFP, of er geldt een zeer lange wachtlijst. Nu de Raad het terugkeren van de verdachte naar zijn moeder in Oostenrijk als het belangrijkste uitgangspunt beschouwt, kon het advies niet anders luiden dan zoals gegeven.

De deskundige vanuit JBRA heeft zich aangesloten bij het advies van de Raad.

De straf

Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank dat een vrijheidsbenemende straf passend en geboden is. Nu de rechtbank minder bewezen heeft verklaard dan door de officier van justitie is gerekwireerd, zal aan de verdachte een lager onvoorwaardelijk deel worden opgelegd, te weten een jeugddetentie voor de duur van zes maanden, met aftrek van het voorarrest. De tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, dient dus bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering te worden gebracht, zodat de verdachte na de uitspraak niet opnieuw gedetineerd zal raken.

Naast een onvoorwaardelijke jeugddetentie ziet de rechtbank, net als de officier van justitie, aanleiding aan de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Het voorwaardelijk strafdeel dient als stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen en om bijzondere voorwaarden op te leggen die in beginsel voor overdracht naar Oostenrijk vatbaar zijn. De rechtbank zal aan de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zes maanden opleggen.

Over de op te leggen bijzondere voorwaarden het volgende. Het is de rechtbank gebleken dat uit de adviezen van de deskundigen duidelijk blijkt dat de verdachte behandeling en begeleiding nodig heeft om te voorkomen dat hij in herhaling zal vallen en nieuwe slachtoffers zal maken. Hij heeft een zeer belast verleden en kampt als gevolg daarvan met meervoudig onderliggende problematiek. Ondanks de ernst van de door hem gepleegde feiten bij een kwetsbaar slachtoffer, is de verdachte zelf ook een kwetsbare en beïnvloedbare jongen en ook zelf nog jong. Daarnaast is er een aanzienlijke kans op herhaling, van strafbare gedragingen die zich bovendien online – en daarmee óver de landsgrenzen – afspelen. Desondanks bevat het advies van de Raad vrijwel geen bijzondere voorwaarden.

In Nederland heeft het jeugdstrafrecht een pedagogisch karakter. De nadruk ligt meer op de bevordering van ontwikkeling, het voorkomen van herhaling en herintegratie in de maatschappij dan op bestraffing. Een voorwaardelijk strafdeel zonder daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden welke de verdachte juist zo nodig heeft, is voor de rechtbank moeilijk verenigbaar met de hiervoor besproken doelstellingen van het jeugdstrafrecht. De rechtbank ziet zich daarom genoodzaakt, in afwijking van het advies van de Raad maar in overeenstemming met het advies van de psycholoog, nadere bijzondere voorwaarden te formuleren. Ook Oostenrijk kent immers een stelsel van forensische jeugdzorg en met het op te leggen voorwaardelijke strafdeel van zes maanden jeugddetentie met een proeftijd van twee jaren, gaat de rechtbank ervan uit dat aan het probleem van de overdracht en daarmee met de uitvoering van het toezicht voldoende wordt tegemoetgekomen.

De rechtbank zal de geadviseerde voorwaarde betreffende het contactverbod met het slachtoffer en haar ouders overnemen.

Daarnaast zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden opnemen dat de verdachte:

naar school dient te gaan volgens het geldende rooster,

meewerkt aan een social media verbod zolang de betrokken jeugdbescherming het noodzakelijk acht,

meewerkt aan hulpverlening die de betrokken jeugdbeschermingsinstantie noodzakelijk acht, zoals traumatherapie en hulpverlening gericht op het verbeteren van zijn sociaal-emotioneel functioneren,

vermijdt dat hij in aanraking komt met extreem beeldmateriaal en dat dergelijk materiaal op zijn gegevensdragers terechtkomt;

zich onthoudt van het bezoeken van een digitale omgeving gelieerd of verwant aan de Com-beweging,

meewerkt aan de controle door jeugdbescherming van al zijn gegevensdragers (zoals computers en smartphones) en daarbij toegang verschaft tot alle gegevensdragers waarmee gecommuniceerd kan worden. Hiertoe worden gebruikersnamen en wachtwoorden die nodig zijn voor de toegang en de controle verstrekt. De controle is slechts gericht op de vraag of de veroordeelde zich houdt aan de voorwaarden en daarmee dus gericht op het gebruik van social media of andere platforms waarop met anderen kan worden gecommuniceerd. De controle vindt plaats zo frequent als door de jeugdreclassering nodig wordt gevonden. De jeugdreclassering kan zich laten bijstaan door een persoon die deskundig is op digitaal gebied, zoals iemand van de politie.

De bijzondere voorwaarden zijn gericht op het voorkomen van recidive en het bevorderen van een positieve gedragsverandering bij de verdachte. Voor zover daarbij een rol aan jeugdbescherming wordt toegekend wordt daaronder begrepen het equivalent van die organisatie in Oostenrijk, althans het land waar de verdachte alsdan verblijft.

De rechtbank zal aan de bijzondere voorwaarden een proeftijd van twee jaar verbinden.

Het toezicht op de naleving van de voorwaarden wordt belegd bij jeugdbescherming.

Verdachte zal na vrijlating uit de jeugdgevangenis in Nederland in Oostenrijk bij zijn moeder gaan wonen. Toezicht en begeleiding zal dan ook het beste door de Oostenrijkse autoriteiten worden uitgevoerd. De rechtbank draagt de officier van justitie op om in het kader van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) het benodigde certificaat op te stellen ten behoeve van de overdracht van de toezicht en begeleiding aan Oostenrijk en er zorg voor te dragen dat de Centrale Autoriteit de overdracht naar Oostenrijk in gang zal zetten.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Gelet hierop en gelet op de rapporten van de deskundigen, waarin de recidivekans als hoog wordt ingeschat, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte weer een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Voorlopige hechtenis

De raadsvrouw heeft ter zitting verzocht de voorlopige hechtenis onmiddellijk op te heffen, zodat de verdachte de uitspraak in vrijheid kan afwachten. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. Met dit vonnis wordt aan de verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie opgelegd voor de duur van zes maanden. Aangezien de tijd die de verdachte in voorarrest heeft verbleven daarop in mindering wordt gebracht, zal de voorlopige hechtenis bij deze uitspraak worden opgeheven.

9
Beslag

Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. STK Asrock systeemkast, Omschrijving: 6752598;

2. 1 1 STK Huawei CTR-LX1, Omschrijving: 6752614;

2. 1 1 STK SD kaart, Omschrijving: 6752615;

2. 1 1 STK Samsung Galaxy A13, Omschrijving: 6752620;

2. 1 1 STK Seagate harddisk, Omschrijving: 6752622;

2. 1 1 STK Samsung harddisk, Omschrijving: 6752623.

9.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen voorwerpen onder nummer 1, 2 en 5 kunnen worden geretourneerd aan de rechthebbende. Ten aanzien van de telefoon Samsung Galaxy A13, vermeld onder nummer 4, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat deze verbeurd moet worden verklaard.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen onder 3 en 6 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze bewaard dienen te blijven, aangezien deze een strafvorderlijk belang dienen in het onderzoek van andere strafzaken.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. Omdat met behulp van de onder nummer 4 vermelde telefoon het bewezenverklaarde onder feit 2 en 3 is begaan, wordt de telefoon verbeurd verklaard. De rechtbank zal de inbeslaggenomen voorwerpen onder nummer 1, 2 en 5 retourneren aan de rechthebbenden. Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen onder nummer 3 en 6 zal de rechtbank de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten in het strafvorderlijk belang.

10
De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
10.1.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 10.333,82 aan materiele schade en een bedrag van primair € 49.000,- en subsidiair € 20.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tot slot verzoekt de benadeelde partij het bedrag van € 5.000,- aan mogelijke toekomstige, nog niet vast te stellen schade, niet-ontvankelijk te verklaren.

10.1.1.

Het standpunt van de benadeelde partij

De advocaat van de benadeelde partij heeft gepersisteerd bij de ingediende vordering en deze verder toegelicht.

10.1.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiele schade betreffende de kostenvergoeding periode ziekenhuis en revalidatie, zaakschade en hulpmiddelen niet kan worden toegewezen, omdat deze posten niet als rechtstreekse schade van het strafbare feit zijn aan te merken. De post betreffende reis- en parkeerkosten komt volgens de officier van justitie wel voor toewijzing in aanmerking, omdat het kosten zijn die de wettelijke vertegenwoordigers van het slachtoffer in redelijkheid hebben gemaakt om haar in het ziekenhuis te bezoeken en naar controleafspraken te gaan. Ook de posten betreffende kosten zonder nut en studievertraging komen voor toewijzing in aanmerking. Deze laatste post dient wel naar redelijkheid te worden begroot; niet gemakkelijk is vast te stellen wat wel en niet kan worden toegerekend aan de gevolgen van de ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat naar redelijkheid een bedrag dient te worden toegewezen. De officier van justitie denkt daarbij aan een bedrag van € 10.000,-.

10.1.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ten aanzien van de materiële schadeposten en de toekomstige medische kosten op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, gelet op de door haar bepleite vrijspraken. Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding heeft de raadsvrouw verzocht dit bedrag te matigen tot een bedrag van € 2.500,-.

10.1.4.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank zal de vordering voor wat betreft de materiële schade niet-ontvankelijk verklaren. Zij overweegt daartoe als volgt.

De posten vergoeding voor periode in het ziekenhuis en revalidatie, reis- en parkeerkosten, zaakschade, hulpmiddelen en kosten nut, zijn geen van alle aan te merken als rechtstreekse schade als gevolg van de bewezenverklaarde feiten. Deze kosten houden allemaal verband met het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen doordat zij zich van een viaduct heeft geworpen, waarvoor de verdachte partieel is vrijgesproken.

Ten aanzien van de post studievertraging overweegt de rechtbank dat op basis van de stukken niet is vast te stellen welk deel daarvan aan het handelen van de verdachte kan worden toegerekend en welk deel voortvloeit uit de reeds bestaande problematiek bij het slachtoffer. Het toelaten van nadere bewijslevering hierover zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden en dat brengt een onevenredige belasting van het proces met zich mee.

De rechtbank zal daarom de vordering ten aanzien van de materiële schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Zoals de benadeelde partij zelf heeft verzocht, zal de rechtbank haar ten aanzien van de gevorderde mogelijke toekomstige schade tot een bedrag van € 5.000,- ook niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan ook dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

Niet betwist is dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, zodat ook de rechtbank hiervan uitgaat. Als gevolg van de bewezenverklaarde feiten heeft de benadeelde partij lichamelijk letsel opgelopen en is sprake van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. De verdediging heeft verzocht om matiging van het gevorderde bedrag.

Bij het vaststellen van de hoogte van deze schadevergoeding maakt de rechtbank gebruik van de Rotterdamse Schaal en hanteert zij de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht vastgestelde aanbevelingen. In geval van ernstige verwijtbaarheid of opzet op het toebrengen van lichamelijk letsel (deel A) en/of (geobjectiveerd) geestelijk letsel (deel B) geldt als aanbeveling om het smartengeld te verhogen met een percentage tussen 10 en 25%. Indien het slachtoffer minderjarig is, geldt een aanvullende verhoging met 25% bij kinderen tot en met 14 jaar en voor jongeren en jongvolwassenen van 15 tot en met 29 jaar met 15%.

De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partij opgelopen littekens aan haar armen en benen vallen onder ‘littekens aan andere delen van het lichaam’ in de categorie ‘(c) minder ernstige littekenvorming’ van de Rotterdamse Schaal, waarvoor een bandbreedte geldt van € 1.500,- tot € 5.500,-. De rechtbank acht het, gelet op de beschikbare medische informatie, aannemelijk dat de benadeelde partij, als gevolg van het bewezenverklaarde, meerdere zichtbare littekens heeft overgehouden. De relevante factoren in ogenschouw nemende die de Rotterdamse Schaal hanteert voor de begroting van de schade, acht de rechtbank een bedrag van € 5.500,- voor dit letsel billijk.

De rechtbank past de aanbeveling toe om het bedrag van het letsel te verhogen met 25 % vanwege de op het moment van toebrengen dertienjarige leeftijd van het slachtoffer. Voor een nadere opslag wegens ernstige verwijtbaarheid of opzet ziet de rechtbank geen aanleiding.

Daarnaast kent de Rotterdamse Schaal ook aparte schalen voor schadevergoeding bij seksuele misdrijven (vallend onder deel C). De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partij opgelopen aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ te kwalificeren is onder paragraaf 15.5 ‘sextortion’ van de Rotterdamse Schaal. De rechtbank stelt vast dat in dit geval sprake is van de categorie ‘ernstig’, waarbij een bandbreedte geldt van € 2.000,- tot € 5.000,-. De relevante factoren in ogenschouw nemende die de Rotterdamse Schaal hanteert voor de begroting van de schade, acht de rechtbank een bedrag van € 5.000,- billijk voor deze schade.

Gezien het voorgaande stelt de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vast op € 11.875,-. Dit bedrag bestaat uit € 6.875,- voor het lichamelijke letsel (€ 5.500,- verhoogd met 25% vanwege de leeftijd van het slachtoffer) en € 5.000,- voor de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.

Tot slot merkt de rechtbank op dat het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Hoewel niet is uit te sluiten dat de bewezenverklaarde feiten van invloed zijn geweest op de beslissing van de benadeelde partij om zich van een viaduct te laten vallen, is de verdachte van betrokkenheid hierbij partieel vrijgesproken. Dit betekent dat niet is vast te stellen dat, en in hoeverre, er een rechtstreeks verband bestaat tussen de in verband daarmee gestelde schade en het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Ook in dit verband geldt dat het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden en dat brengt een onevenredige belasting van het proces met zich mee. De rechtbank zal daarom dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De wettelijke rente

De hiervoor genoemde bedragen die de verdachte aan de benadeelde partij moet vergoeden, worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf 1 november 2025, zijnde een datum ongeveer halverwege de pleegperiode, aangezien het exacte moment van het ontstaan van de schade niet is vast te stellen.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f Sr aan de verdachte opgelegd.

10.2.

Ten aanzien van de benadeelde partijen [naam ouder 1] en [naam ouder 2]

[naam ouder 1] en [naam ouder 2] , de ouders van het slachtoffer, hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Zij hebben ieder een schadevergoeding gevorderd van € 7.500,- aan (immateriële) schokschade.

10.2.1.

Het standpunt van de benadeelde partij

De advocaat van de benadeelde partij heeft gepersisteerd bij de ingediende vordering en deze verder toegelicht.

10.2.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de gevorderde schokschade op het standpunt gesteld dat naar redelijkheid een bedrag dient te worden toegewezen. Hij denkt daarbij aan een bedrag van € 5.000,- per ouder. Niet alle gevolgen voor het slachtoffer kunnen aan de verdachte zijn handelen worden toegerekend, maar volgens de officier van justitie geldt dat voor een fors deel wel.

10.2.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ten aanzien van de schokschade op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard gelet op de door haar bepleite vrijspraken.

10.2.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de ‘schokschade’ niet-ontvankelijk verklaren en overweegt daartoe als volgt.

De Hoge Raad heeft overwogen dat iemand die een onrechtmatige daad tegen een ander begaat, ook onrechtmatig kan handelen tegenover iemand bij wie de confrontatie met die daad of de gevolgen ervan een hevige emotionele schok teweegbrengt. Schokschade betreft immateriële (of materiële schade) die ontstaat door het waarnemen van zo’n gebeurtenis of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door de onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel. Het gaat bij toekenning van schokschade dus niet zozeer om vergoeding van leed, maar degene die vergoeding vordert moet zelf geestelijk letsel hebben opgelopen als direct gevolg van die waarneming of confrontatie.

De rechtbank stelt vast dat het slachtoffer in deze zaak ernstig verwond is geraakt door de val van het viaduct. De benadeelde partij stelt dat zij hun dochter direct na de val in het ziekenhuis hebben bezocht en daar werd geconfronteerd met haar letsel en alle gevolgen van dien. Ook de periode vóór de val van het viaduct, waarbij de ouders van het slachtoffer hun dochter steeds verder in de psychische problemen hebben zien komen, heeft bijgedragen aan het ontstaan van geestelijk letsel. Zij werden in die periode geconfronteerd met de zelfverminking van hun dochter en op enig moment ook met het beeldmateriaal dat de verdachte van haar had. De rechtbank zal afzonderlijk op deze door de benadeelde partij aangevoerde omstandigheden ingaan.

Allereerst de hevige emotionele schok als gevolg van de confrontatie met hun dochter na de val van het viaduct in het ziekenhuis. Hoewel de rechtbank begrijpt dat dit voor hen een zeer ingrijpende ervaring is geweest, kan op grond van deze omstandigheid geen schokschade worden toegewezen, nu de verdachte hiervoor partieel is vrijgesproken. Hierdoor is het causaal verband tussen het handelen van de verdachte en het gevorderde geestelijk letsel niet komen vast te staan.

Dan de periode voorafgaand aan de zelfmoordpoging, waaronder de confrontatie met heftig beeldmateriaal van hun dochter. Hoewel deze periode indringend moet zijn geweest, is zonder nadere onderbouwing en/of bewijslevering niet vast te stellen dat hetgeen waarmee de ouders in die periode zijn geconfronteerd een hevige emotionele schok heeft teweeggebracht, waaruit het gestelde geestelijk letsel voortvloeit. Voor die nadere onderbouwing is in deze procedure geen plaats, zodat de rechtbank de ouders niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering van de shockschade. Wel kunnen zij hun vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Daarmee zegt de rechtbank niet dat de ouders geen leed is toegevoegd. De rechtbank zegt ook niet dat de ouders geen recht hebben op een schadevergoeding, maar alleen dat de rechtbank in deze strafzaak daar geen oordeel over kan geven.

11
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 248, 301 en 318 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde golden, dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Beslissing

12
Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het ten laste gelegde onder feit 4.

Verklaart het onder 3 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren

Ten aanzien van feit 2:

afdreiging

Ten aanzien van feit 3 subsidiair:

mishandeling met voorbedachten rade

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdacahte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelde van de jeugddetentie groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

? zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

zal meewerken aan de hulpverlening, zoals traumatherapie en hulpverlening gericht op het verbeteren van zijn sociaal-emotioneel functioneren, en begeleiding die jeugdbescherming noodzakelijk acht;

naar school zal gaan volgens het rooster;

meewerkt aan een social media verbod zolang de betrokken hulpverlening dat noodzakelijk acht;

vermijdt dat hij in aanraking komt met extreem beeldmateriaal en dat dergelijk materiaal op zijn gegevensdragers terechtkomt;

zich onthoudt van het bezoeken van een digitale omgeving gelieerd of verwant aan de Com-beweging;

meewerkt aan de controle door jeugdbescherming van al zijn gegevensdragers (zoals computers en smartphones) en daarbij toegang verschaft tot alle gegevensdragers waarmee gecommuniceerd kan worden. Hiertoe worden gebruikersnamen en wachtwoorden die nodig zijn voor de toegang en de controle verstrekt. De controle is slechts gericht op de vraag of de veroordeelde zich houdt aan de voorwaarden en daarmee dus gericht op het gebruik van social media of andere platforms waarop met anderen kan worden gecommuniceerd. De controle vindt plaats zo frequent als door de jeugdreclassering nodig wordt gevonden. De jeugdreclassering kan zich laten bijstaan door een persoon die deskundig is op digitaal gebied, zoals iemand van de politie;

op geen enkele wijze contact zal (laten) opnemen met het slachtoffer en haar ouders, te weten: [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] , [naam ouder 1] , geboren op [geboortedatum] en [naam ouder 2] , geboren op [geboortedatum] .

Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en zich meldt bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan Jeugdbescherming regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beslag

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

1 STK Asrock systeemkast, Omschrijving: 6752598;

1 STK Huawei CTR-LX1, Omschrijving: 6752614;

1 STK Seagate harddisk, Omschrijving: 6752622;

Verklaart verbeurd:

1 STK Samsung Galaxy A13, Omschrijving: 6752620;

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

1 STK SD kaart, Omschrijving: 6752615;

1 STK Samsung harddisk, Omschrijving: 6752623.

Vordering tot schadevergoeding

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 11.875,- (zegge: elfduizend achthonderdvijfenzeventig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , te betalen de som van € 11.875,- (zegge: elfduizend achthonderdvijfenzeventig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam ouder 1] :

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam ouder 2] :

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Voorlopige hechtenis

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K. Oldekamp-Bakker, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. K.M. van Hassel en J.W.B. Snijders Blok, kinderrechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Bien, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juli 2026.