8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De rechtbank houdt ten eerste rekening met de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging.
Ook houdt de rechtbank rekening met het volgende.
Ernst van de feiten
De verdachte is vanuit Roemenië online op zoek gegaan naar een kwetsbaar slachtoffer, en vond op een online-platform een 13-jarig meisje in Nederland dat al bekend was met zelfbeschadiging en sombere gedachten. Hij bood haar een luisterend oor, toonde begrip en samen chatten ze over muziek en speelden ze online games. Zo won hij haar vertrouwen. Eenmaal één-op-één, vroeg hij haar voor de camera zich uit te kleden en seksuele handelingen te verrichten en dit te filmen. Soms maakte hij hiervan zelf schermopnames, opnames die hij bewaarde in speciaal door hem geïnstalleerde, afgeschermde apps. Toen het slachtoffer hem tijdens het spelen van een game een keer toegang gaf tot haar account, verschafte hij zichzelf toegang tot haar gmail-account en ontfutselde zo haar wachtwoorden en contactgegevens.
Gaandeweg veranderde het contact; de verdachte werd grimmig en manipulatief. Hij vroeg het slachtoffer zich te snijden en zijn bijnaam (‘[bijnaam]’) te kerven in haar armen en benen, zogenaamde ‘bloodwalls’ voor hem te maken (met teksten als ‘# [bijnaam]’ en ‘[bijnaam]’) en dit te filmen. Het slachtoffer moest haar huisdier (een vis) in stukken snijden en voor hem knielen. Hij begon haar te vernederen en aan te moedigen zichzelf voor de camera van het leven te beroven, bijvoorbeeld door zich te verhangen met een riem. Eén van die zelfmoordpogingen werd haar bijna fataal (“Help, I almost succeeded”, vertelde het slachtoffer hem hierover; de verdachte reageert met “record again”).
Wanneer het slachtoffer zijn opdrachten niet goed, of niet snel genoeg, uitvoerde, dreigde de verdachte al haar devices te resetten of de seksuele beelden te ‘leaken’. Het is daardoor voorstelbaar dat het slachtoffer geen andere mogelijkheid zag dan om met zijn immorele ‘spel’ mee te blijven doen. Dat de verdachte haar volledig in zijn macht had, moet het slachtoffer zich gerealiseerd hebben toen de verdachte er op enig moment ook daadwerkelijk toe overging compromitterende beelden van haar te verspreiden: hij lekte seksuele beelden van het slachtoffer naar haar moeder en opa. Uiteindelijk nam hij zelfs controle over haar snapchataccount en stuurde uit naam van het slachtoffer seksuele beelden en filmpjes van haar verhangingspoging naar haar klasgenoten. Niet veel later ondernam het slachtoffer een zelfmoordpoging door zich van een brug te laten vallen waarbij zij ernstig letsel opliep. Hoewel deze zelfmoordpoging van het slachtoffer in strafrechtelijke zin niet aan de verdachte kan worden toegeschreven, is alleszins aannemelijk dat de handelingen van de verdachte daaraan hebben bijgedragen.
Hoewel de verdachte zelf niet daadwerkelijk lijkt te zijn toegetreden danwel toegelaten tot een zogenaamde Com-groep, zoals de [naam groep 4] -beweging, was zijn handelen wel daarop gericht en was zijn werkwijze geheel in overeenstemming met die van dergelijke groepen. In die groepen wordt vanuit een misantropisch en destructief wereldbeeld, geweld gepleegd. Soms is sprake van geweld omwille van het geweld. Status wordt vergaard doordat je erin slaagt anderen ertoe te bewegen jouw naam op het lichaam te schrijven (‘fan signs’), zichzelf te beschadigen (‘cut signs’), met bloed op de muur te schrijven (‘bloodwalls’) of zelfs zichzelf van het leven beroven, en hier beelden van te maken. Naar deze groepen is onderzoek gedaan en voor de dreiging die uitgaat van deze groepen wordt inmiddels door onder meer de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding breed gewaarschuwd. Terecht, want dit soort groepen veroorzaken met hun morele en digitale normloosheid grote onrust in de samenleving en laten ons achter met gevoelens van machteloosheid en angst over het welzijn en de veiligheid van onze jongeren en andere kwetsbare personen in onze maatschappij.
Ook de verdachte was in de ban van de Com en erop uit toe te treden tot de Com en aanzien te verkrijgen bij leden van de Com. Hij werd door hen geprezen en aangemoedigd steeds meer, en extremer, beeldmateriaal te verkrijgen en delen. En al was hij geen onderdeel van een Com groep, wel duidelijk is dat de verdachte zich daarmee wilde identificeren en vergaande sympathieën koesterde voor deze groepen. Onder hun invloed was hij bereid steeds verder te gaan. Dit baart de rechtbank grote zorgen. Ernstig moet worden betwijfeld of de verdachte, als hij niet was aangehouden, in staat was geweest zichzelf een halt toe te roepen.
De verdachte lijkt zich tijdens zijn handelingen geen rekenschap te hebben gegeven van de gevolgen voor het jonge slachtoffer. Ook dat neemt de rechtbank hem zeer kwalijk. De impact van zijn daden op het slachtoffer is groot. De verdachte heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de onaantastbaarheid van het lichaam en de lichamelijke integriteit van het al kwetsbare slachtoffer door haar aan te zetten tot seksuele handelingen en zelfmutilatie. Hij heeft grote psychische schade berokkend, onder meer door eerst haar vertrouwen te winnen en haar daarna doelbewust te intimideren, bedreigen en isoleren. Door de littekens die het slachtoffer heeft overgehouden aan zijn acties, wordt zij op pijnlijke wijze blijvend herinnerd aan de verdachte. Op straat wordt het slachtoffer door jonge kinderen aangesproken die haar vragen “of ze niet dood was”. Ook moet het slachtoffer leven met de angst dat de beelden die de verdachte van haar online heeft verspreid, opnieuw kunnen opduiken.
Ondertussen is het de rechtbank – en dit maakt de zaak extra complex – duidelijk geworden dat de verdachte zelf ook kwetsbaar is. Ook dit weegt de rechtbank mee. Zoals uit het hierna beschreven rapport van de psycholoog blijkt, is bij de verdachte sprake van onderliggende problematiek waaronder verwaarlozing, mishandeling en depressie. Hij verkeerde in een sociaal isolement, had last van depressieve gedachtes. De behoefte naar aanzien en status en de wens om serieus genomen te worden trokken hem naar de online wereld, waar hij wel aansluiting vond.
Persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 3 april 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de volgende rapportages over de verdachte:
het psychologisch rapport opgesteld door GZ-psycholoog mw. D. van Luijk d.d. 28 april 2026;
het rapport van de Raad, opgemaakt op 2 juni 2026;
het rapport van Reclassering Nederland, team TER, opgemaakt op 3 juni 2026, zoals hiervoor onder 4.3.3 is aangehaald.
De psycholoog komt tot de volgende conclusies.
Uit het door de psycholoog opgestelde rapport volgt dat bij de verdachte sprake is van een andere gespecificeerde psychotrauma- of stressor stoornis, een depressieve stoornis, een ouder-kindrelatieprobleem, lichamelijke mishandeling van een kind en verwaarlozing van een kind. De psycholoog adviseert de feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Het recidiverisico op gewelddadig extremisme wordt matig tot hoog geschat. Het betreft dan vooral de kans op online geweld en op online aanranding.
De psycholoog adviseert bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel op te leggen. De psycholoog heeft vanuit het Nederlands perspectief geadviseerd, omdat de mogelijkheden in Roemenië haar niet bekend zijn. De psycholoog heeft geadviseerd om de bijzondere voorwaarden als volgt in te richten.
Volgens de psycholoog is zowel de thuissituatie van de vader als de moeder van de verdachte zorgelijk. De vraag is of de ouders gemotiveerd en beschikbaar zijn (mede door de financiële zorgen en de noodzaak tot werk en inkomen) voor een intensief, ambulant interventietraject gericht op het verbeteren van de opvoedingsvaardigheden- en context. De psycholoog adviseert om de mogelijkheden te onderzoeken voor een passende uithuisplaatsing van de verdachte, bijvoorbeeld binnen een gezinshuis of een woongroep voor jongeren met internaliserende problematiek. Mogelijk kan gelijktijdig met ouders of de moeder worden gebouwd aan het verbeteren van de opvoedingsvaardigheden en de relatie tussen de verdachte en zijn ouders, zodat mogelijk een thuisplaatsing op termijn aan de orde is. In het kader van zijn sociaal-emotionele ontwikkeling adviseert de psycholoog een therapeutische interventie in te zetten vormgegeven door een forensische, ambulante kliniek, waar de verdachte in een langdurig kader ondersteuning krijgt bij zijn persoonlijke uitdagingen waaronder het verwerken van zijn trauma’s, bij het vergroten van zijn zelfbeeld, zijn gevoel van eigenwaarde, het verbeteren van zijn sociaal-emotioneel functioneren en coping vaardigheden. Daarnaast is het volgens de psycholoog van belang dat de verdachte zijn schoolgang oppakt. Mogelijk komt hij beter tot zijn recht op het speciaal voortgezet onderwijs, waarbij met betrekking tot die doelgroep de nadruk ligt op internaliserende problematiek. Tot slot is het volgens de psycholoog van belang om aandacht te hebben voor zijn onlinegedrag. Door grenzen te stellen aan zijn mogelijkheden om online actief te zijn en toezicht te houden op zijn activiteiten, kan zijn onlinegedrag worden genormaliseerd. Het is raadzaam om te kijken welke alternatieve, positieve activiteiten de verdachte in zijn vrije tijd kan ontwikkelen, zodat de onlinewereld ook minder nodig is voor de verdachte om in te verdwijnen.
De Raad heeft geadviseerd aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen onder de algemene voorwaarde dat de verdachte niet opnieuw een strafbaar feit begaat en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer en haar ouders.
De Raad heeft ter zitting nogmaals onderstreept voor welk dilemma hij zich in deze zaak gesteld ziet. Naar het gevoel van de Raad kunnen er in deze zaak alleen keuzes gemaakt worden die onvoldoende in het belang van de verdachte zijn. De Raad onderschrijft het advies van het NIFP. De verdachte heeft de wens geuit om na zijn vrijlating bij zijn moeder in Oostenrijk te gaan wonen. Zowel in Roemenië als in Oostenrijk (waar de moeder van de verdachte woont) heeft de Raad contact opgenomen met instanties voor kinderbescherming. In deze landen blijkt een behandelsetting zoals geadviseerd door de psycholoog, niet voorhanden. De geadviseerde woonsetting bestaat niet. Hulpverlening in een gedwongen kader bestaat niet en alle mogelijke begeleiding in Oostenrijk vindt op vrijwillige basis, en in een ambulant kader, plaats, waarvoor bovendien wachtlijsten gelden die op dit moment allemaal ‘op slot’ zitten. De Raad noemt het onverteerbaar dat een kwetsbare jongen niet de hulp krijgt die hij nodig heeft, terwijl de kans op herhaling van online geweld zeer groot is.
De Raad had het wenselijker gevonden als er meer voorwaarden aan het voorwaardelijke deel verbonden hadden kunnen worden en het toezicht daarop in Oostenrijk had kunnen plaatsvinden. Dit blijkt echter na onderzoek niet mogelijk. Een overdracht van strafzaken aan Oostenrijk kan, zo schrijft de Raad, pas als er meer dan zes maanden aan een voorwaardelijk strafdeel open staat. Dat acht de Raad in dit geval niet meer haalbaar, gelet op zijn leeftijd en de duur van verdachtes voorlopige hechtenis. Daarnaast zijn in Oostenrijk geen neutrale woonplekken beschikbaar die voldoen aan het advies van het NIFP, of er geldt een zeer lange wachtlijst. Nu de Raad het terugkeren van de verdachte naar zijn moeder in Oostenrijk als het belangrijkste uitgangspunt beschouwt, kon het advies niet anders luiden dan zoals gegeven.
De deskundige vanuit JBRA heeft zich aangesloten bij het advies van de Raad.
De straf
Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank dat een vrijheidsbenemende straf passend en geboden is. Nu de rechtbank minder bewezen heeft verklaard dan door de officier van justitie is gerekwireerd, zal aan de verdachte een lager onvoorwaardelijk deel worden opgelegd, te weten een jeugddetentie voor de duur van zes maanden, met aftrek van het voorarrest. De tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, dient dus bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering te worden gebracht, zodat de verdachte na de uitspraak niet opnieuw gedetineerd zal raken.
Naast een onvoorwaardelijke jeugddetentie ziet de rechtbank, net als de officier van justitie, aanleiding aan de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Het voorwaardelijk strafdeel dient als stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw dergelijke strafbare feiten te plegen en om bijzondere voorwaarden op te leggen die in beginsel voor overdracht naar Oostenrijk vatbaar zijn. De rechtbank zal aan de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zes maanden opleggen.
Over de op te leggen bijzondere voorwaarden het volgende. Het is de rechtbank gebleken dat uit de adviezen van de deskundigen duidelijk blijkt dat de verdachte behandeling en begeleiding nodig heeft om te voorkomen dat hij in herhaling zal vallen en nieuwe slachtoffers zal maken. Hij heeft een zeer belast verleden en kampt als gevolg daarvan met meervoudig onderliggende problematiek. Ondanks de ernst van de door hem gepleegde feiten bij een kwetsbaar slachtoffer, is de verdachte zelf ook een kwetsbare en beïnvloedbare jongen en ook zelf nog jong. Daarnaast is er een aanzienlijke kans op herhaling, van strafbare gedragingen die zich bovendien online – en daarmee óver de landsgrenzen – afspelen. Desondanks bevat het advies van de Raad vrijwel geen bijzondere voorwaarden.
In Nederland heeft het jeugdstrafrecht een pedagogisch karakter. De nadruk ligt meer op de bevordering van ontwikkeling, het voorkomen van herhaling en herintegratie in de maatschappij dan op bestraffing. Een voorwaardelijk strafdeel zonder daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden welke de verdachte juist zo nodig heeft, is voor de rechtbank moeilijk verenigbaar met de hiervoor besproken doelstellingen van het jeugdstrafrecht. De rechtbank ziet zich daarom genoodzaakt, in afwijking van het advies van de Raad maar in overeenstemming met het advies van de psycholoog, nadere bijzondere voorwaarden te formuleren. Ook Oostenrijk kent immers een stelsel van forensische jeugdzorg en met het op te leggen voorwaardelijke strafdeel van zes maanden jeugddetentie met een proeftijd van twee jaren, gaat de rechtbank ervan uit dat aan het probleem van de overdracht en daarmee met de uitvoering van het toezicht voldoende wordt tegemoetgekomen.
De rechtbank zal de geadviseerde voorwaarde betreffende het contactverbod met het slachtoffer en haar ouders overnemen.
Daarnaast zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden opnemen dat de verdachte:
naar school dient te gaan volgens het geldende rooster,
meewerkt aan een social media verbod zolang de betrokken jeugdbescherming het noodzakelijk acht,
meewerkt aan hulpverlening die de betrokken jeugdbeschermingsinstantie noodzakelijk acht, zoals traumatherapie en hulpverlening gericht op het verbeteren van zijn sociaal-emotioneel functioneren,
vermijdt dat hij in aanraking komt met extreem beeldmateriaal en dat dergelijk materiaal op zijn gegevensdragers terechtkomt;
zich onthoudt van het bezoeken van een digitale omgeving gelieerd of verwant aan de Com-beweging,
meewerkt aan de controle door jeugdbescherming van al zijn gegevensdragers (zoals computers en smartphones) en daarbij toegang verschaft tot alle gegevensdragers waarmee gecommuniceerd kan worden. Hiertoe worden gebruikersnamen en wachtwoorden die nodig zijn voor de toegang en de controle verstrekt. De controle is slechts gericht op de vraag of de veroordeelde zich houdt aan de voorwaarden en daarmee dus gericht op het gebruik van social media of andere platforms waarop met anderen kan worden gecommuniceerd. De controle vindt plaats zo frequent als door de jeugdreclassering nodig wordt gevonden. De jeugdreclassering kan zich laten bijstaan door een persoon die deskundig is op digitaal gebied, zoals iemand van de politie.
De bijzondere voorwaarden zijn gericht op het voorkomen van recidive en het bevorderen van een positieve gedragsverandering bij de verdachte. Voor zover daarbij een rol aan jeugdbescherming wordt toegekend wordt daaronder begrepen het equivalent van die organisatie in Oostenrijk, althans het land waar de verdachte alsdan verblijft.
De rechtbank zal aan de bijzondere voorwaarden een proeftijd van twee jaar verbinden.
Het toezicht op de naleving van de voorwaarden wordt belegd bij jeugdbescherming.
Verdachte zal na vrijlating uit de jeugdgevangenis in Nederland in Oostenrijk bij zijn moeder gaan wonen. Toezicht en begeleiding zal dan ook het beste door de Oostenrijkse autoriteiten worden uitgevoerd. De rechtbank draagt de officier van justitie op om in het kader van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) het benodigde certificaat op te stellen ten behoeve van de overdracht van de toezicht en begeleiding aan Oostenrijk en er zorg voor te dragen dat de Centrale Autoriteit de overdracht naar Oostenrijk in gang zal zetten.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Gelet hierop en gelet op de rapporten van de deskundigen, waarin de recidivekans als hoog wordt ingeschat, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte weer een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Voorlopige hechtenis
De raadsvrouw heeft ter zitting verzocht de voorlopige hechtenis onmiddellijk op te heffen, zodat de verdachte de uitspraak in vrijheid kan afwachten. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. Met dit vonnis wordt aan de verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie opgelegd voor de duur van zes maanden. Aangezien de tijd die de verdachte in voorarrest heeft verbleven daarop in mindering wordt gebracht, zal de voorlopige hechtenis bij deze uitspraak worden opgeheven.