3.3
Oordeel van de rechtbank
De feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. (Voetnoot 1)
Aangever [aangever] heeft namens het Van Gogh Museum, gevestigd op Museumplein 6 te Amsterdam, aangifte gedaan van vernieling. Aangever heeft verklaard dat hij op 4 november 2023 omstreeks 22.00 uur door de achterwacht van de beveiliging van het museum werd gebeld. De beveiliging deelde aan hem mee dat een groep mensen de hoofdingang had besmeurd met een rode substantie. Daarnaast zouden bezoekers en medewerkers van het museum zijn geraakt door de substantie. Als gevolg hiervan is schade aan zowel het gebouw als aan persoonlijke dan wel bedrijfskleding ontstaan. (Voetnoot 2)
Op 4 november 2023 was getuige [naam getuige 2] werkzaam als beveiliger bij het Van Gogh Museum. Hij heeft verklaard dat op die dag de jaarlijkse Museumnacht in Amsterdam plaatsvond. In de avond hoorde hij op enig moment geschreeuw. Hij zag toen een aantal personen met waterpistolen, die een onbekende substantie op onder andere het Van Gogh Museum spoten. (Voetnoot 3)
Ook getuige [naam getuige 1] was beveiliger tijdens deze Museumnacht. Op een bepaald moment in de avond hoorde [naam getuige 1] een groep mensen de volgende leus schreeuwen: “free free Palestina”. Hij zag toen dat mensen uit de groep waterpistolen uit een tas pakten en richting de mensen spoten. Hij zag dat deze mensen onder het rode chemische spul zaten. Zijn werkoutfit zat onder de rode verf. Ook zijn de ramen van het museum met de substantie beklad. (Voetnoot 4)
Naar aanleiding van een melding komen verbalisanten ter plaatse op het Museumplein. Een verbalisant zag dat twee beveiligers een man vasthielden, die herhaaldelijk “free Palestina” riep. De verbalisant zag dat de man een witte stoffen tas bij zich had, waar meerdere waterpistolen in zaten. (Voetnoot 5) De man bleek verdachte te zijn. (Voetnoot 6)
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij onderdeel uitmaakte van de protestactie en wist dat er waterpistolen gevuld met een rode vloeistof naar Museumnacht werden meegenomen. Hij was ook betrokken bij het maken van de vloeistof. Voorafgaand aan de actie heeft hij namelijk samen met anderen de vloeistof gemengd, zodat het eruit zou zien als bloed. Hij heeft toegelicht dat de vloeistof bestond uit waterverf, cacao en melk. Verder heeft verdachte verklaard dat hij wel wist dat de vloeistof op een deel van een gebouw zou worden gespoten, maar dat hij niet wist wat er verder mee zou gebeuren. Hoewel hij eerder op de avond zelf ook een waterpistool bij zich had, heeft hij deze uit angst weggegooid voordat hij op het Museumplein aankwam. (Voetnoot 7) Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij andere mensen wel heeft zien spuiten met de waterpistolen en dat die verf ook op zijn eigen kleding is gekomen. (Voetnoot 8) Hij ontkent dat hij met een waterpistool verf heeft gespoten op personen of gebouwen.
Beoordelingskader openlijke geweldpleging
Openlijke geweldpleging strekt ter bescherming van de openbare orde. Om te kunnen spreken van ‘geweld’ moeten de handelingen van zodanige aard en omvang zijn dat hierdoor de openbare orde wordt verstoord of in gevaar wordt gebracht.
Van het ‘in vereniging’ plegen van openlijk geweld is sprake als de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, waarbij deze bijdrage zelf niet gewelddadig hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt. Er moet worden beoordeeld of de door de verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. Verdachte moet daarnaast ook opzet hebben gehad op het in vereniging gepleegde geweld.
Ten aanzien van het bewijs
Op basis van het voorgaande overweegt de rechtbank als volgt.
Uit de verschillende verklaringen in het dossier blijkt dat er sprake was van een groep demonstranten, van wie meerdere met een rode vloeistof hebben gespoten. Getuige [benadeelde partij 1] heeft verdachte aangehouden en verklaard dat hij verdachte heeft zien spuiten op het museum en de bezoekers. Zijn verklaring wordt echter onvoldoende ondersteund door ander bewijs. De rechtbank kan op basis van het dossier dan ook niet vaststellen dat verdachte een van de personen is geweest die rode vloeistof tegen het museumgebouw of op mensen heeft gespoten.
De rechtbank stelt vast dat verdachte wel actief betrokken was bij de voorbereiding en uitvoering van de demonstratie op het Museumplein. Hij was betrokken bij het maken van de vloeistof, was op de hoogte van het plan om een gebouw te bespuiten, heeft daartoe een waterpistool vastgehad op of nabij het Museumplein, heeft tijdens de demonstratie leuzen geroepen en een tas met waterpistolen met zich meegedragen. Hoewel niet kan worden vastgesteld dat verdachte zelf gespoten heeft, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank wel een significante bijdrage geleverd aan het bespuiten van het museumgebouw en was zijn opzet hier ook op gericht.
Op basis van het dossier is niet vast te stellen dat er vooraf ook sprake was van een plan om mensen te bespuiten en dat verdachte ervan op de hoogte was dat dit ging gebeuren of dat er een aanmerkelijke kans was dat dit ook zou gebeuren. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte opzet heeft gehad op het bespuiten van personen.
Geweld?
Bij openlijke geweldpleging is de openbare orde het beschermde rechtsgoed. Dat betekent dat om van ‘geweld’ te kunnen spreken, de handelingen van zodanige aard en omvang moeten zijn dat hierdoor de openbare orde wordt verstoord of in gevaar wordt gebracht. Aan de intensiteit van het geweld worden bij het delict van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) geen hoge eisen gesteld. Doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of er sprake is van ‘geweld’ in de zin van artikel 141, eerste lid, Sr is dus niet de intensiteit van de fysieke handelingen, maar vooral de mate waarin die handelingen, naar de naar de vorm en binnen de context waarin zij worden verricht, geëigend zijn om de openbare orde te verstoren.
Bij de beoordeling van de vraag of het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als geweld, is het volgende van belang.
Het voorval heeft zich afgespeeld tijdens Museumnacht, een bekend evenement dat ’s nachts veel mensen op de been brengt. Meerdere personen hebben gespoten met een rode vloeistof waardoor personen en het museum werden geraakt. De demonstranten hebben bewust gekozen voor deze kleur en uit de verklaringen van aanwezige bezoekers volgt dat daadwerkelijk de associatie met bloed is opgeroepen. Ook ontstond er paniek, doordat sprake was van een chaotische situatie waarbij er leuzen werden geschreeuwd, door meerdere personen werd gespoten en er meerdere personen begonnen te rennen. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte bedoeld was en ook geëigend bleek om de openbare orde te verstoren en dat dit dus als geweld kan worden gekwalificeerd.
Conclusie
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een goed, namelijk het Van Gogh Museum. Verdachte zal partieel worden vrijgesproken van openlijke geweldpleging tegen personen.