Rechtbank Amsterdam, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBAMS:2026:6989

Op 9 July 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 13/153805-24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBAMS:2026:6989. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
13/153805-24
Datum uitspraak:
9 July 2026
Datum publicatie:
9 July 2026

Indicatie

Een 34-jarige man pleegde op 4 november 2023 in Amsterdam openlijk geweld tegen goederen door met een vloeistof het Van Gogh Museum te bespuiten tijdens een demonstratie. Maar omdat zijn handelen tijdens een demonstratie geen laakbaar gedrag is, had niet strafrechtelijk mogen worden ingegrepen. Door dit toch te doen is een ontoelaatbare inbreuk op grondrechten gemaakt en wordt hij ontslagen van alle rechtsvervolging.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/153805-24

Datum uitspraak: 9 juli 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] .

1
Tenlastelegging

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 juni 2026 en 9 juli 2026. Op laatstgenoemde zitting is het onderzoek ter terechtzitting gesloten en heeft de rechtbank aansluitend uitspraak gedaan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. van Duijn, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen mr. P.K. de Blieck-Willemsen namens de benadeelde partij [benadeelde partij 1] naar voren heeft gebracht. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen [naam] namens de benadeelde partij [benadeelde partij 2] naar voren heeft gebracht.

2
Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 4 november 2023 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen personen en/of tegen het gebouw van het Van Gogh Museum.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3
Waardering van het bewijs
3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit bewezenverklaard kan worden. Hij baseert zich daarbij op de verklaringen van de getuigen [benadeelde partij 1] en [naam getuige 1] . Die getuigen hebben allebei verklaard dat een mannelijke verdachte op het gebouw en op bezoekers heeft gespoten. Daarnaast heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij wist van het plan om rode vloeistof te gaan spuiten, dat hij samen met anderen verf heeft gemaakt en dat hij in bezit van een waterpistool richting het Museumplein is gegaan.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat niet bewezen kan worden dat verdachte de ten laste gelegde openlijke geweldpleging heeft gepleegd en dus moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft ontkend dat hij met een waterpistool heeft gespoten en dat objectief bewijs dat verdachte als dader identificeert ontbreekt. De getuigenverklaringen zijn niet bruikbaar als bewijs, omdat de opgegeven signalementen niet met verdachte overeenkomen en uit de verklaringen blijkt dat mogelijk meerdere mensen gespoten hebben. Er kan daarom niet worden vastgesteld dat verdachte de dader is. Verder vermeldt het proces-verbaal van aanhouding van verdachte niets over waterpistolen die bij hem aangetroffen zouden zijn. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de handelingen niet gekwalificeerd kunnen worden als ‘geweld’ en dat uit het handelen van verdachte niet kan worden afgeleid dat zijn opzet was gericht op het spuiten tegen personen.

3.3

Oordeel van de rechtbank

De feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. (Voetnoot 1)

Aangever [aangever] heeft namens het Van Gogh Museum, gevestigd op Museumplein 6 te Amsterdam, aangifte gedaan van vernieling. Aangever heeft verklaard dat hij op 4 november 2023 omstreeks 22.00 uur door de achterwacht van de beveiliging van het museum werd gebeld. De beveiliging deelde aan hem mee dat een groep mensen de hoofdingang had besmeurd met een rode substantie. Daarnaast zouden bezoekers en medewerkers van het museum zijn geraakt door de substantie. Als gevolg hiervan is schade aan zowel het gebouw als aan persoonlijke dan wel bedrijfskleding ontstaan. (Voetnoot 2)

Op 4 november 2023 was getuige [naam getuige 2] werkzaam als beveiliger bij het Van Gogh Museum. Hij heeft verklaard dat op die dag de jaarlijkse Museumnacht in Amsterdam plaatsvond. In de avond hoorde hij op enig moment geschreeuw. Hij zag toen een aantal personen met waterpistolen, die een onbekende substantie op onder andere het Van Gogh Museum spoten. (Voetnoot 3)

Ook getuige [naam getuige 1] was beveiliger tijdens deze Museumnacht. Op een bepaald moment in de avond hoorde [naam getuige 1] een groep mensen de volgende leus schreeuwen: “free free Palestina”. Hij zag toen dat mensen uit de groep waterpistolen uit een tas pakten en richting de mensen spoten. Hij zag dat deze mensen onder het rode chemische spul zaten. Zijn werkoutfit zat onder de rode verf. Ook zijn de ramen van het museum met de substantie beklad. (Voetnoot 4)

Naar aanleiding van een melding komen verbalisanten ter plaatse op het Museumplein. Een verbalisant zag dat twee beveiligers een man vasthielden, die herhaaldelijk “free Palestina” riep. De verbalisant zag dat de man een witte stoffen tas bij zich had, waar meerdere waterpistolen in zaten. (Voetnoot 5) De man bleek verdachte te zijn. (Voetnoot 6)

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij onderdeel uitmaakte van de protestactie en wist dat er waterpistolen gevuld met een rode vloeistof naar Museumnacht werden meegenomen. Hij was ook betrokken bij het maken van de vloeistof. Voorafgaand aan de actie heeft hij namelijk samen met anderen de vloeistof gemengd, zodat het eruit zou zien als bloed. Hij heeft toegelicht dat de vloeistof bestond uit waterverf, cacao en melk. Verder heeft verdachte verklaard dat hij wel wist dat de vloeistof op een deel van een gebouw zou worden gespoten, maar dat hij niet wist wat er verder mee zou gebeuren. Hoewel hij eerder op de avond zelf ook een waterpistool bij zich had, heeft hij deze uit angst weggegooid voordat hij op het Museumplein aankwam. (Voetnoot 7) Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij andere mensen wel heeft zien spuiten met de waterpistolen en dat die verf ook op zijn eigen kleding is gekomen. (Voetnoot 8) Hij ontkent dat hij met een waterpistool verf heeft gespoten op personen of gebouwen.

Beoordelingskader openlijke geweldpleging

Openlijke geweldpleging strekt ter bescherming van de openbare orde. Om te kunnen spreken van ‘geweld’ moeten de handelingen van zodanige aard en omvang zijn dat hierdoor de openbare orde wordt verstoord of in gevaar wordt gebracht.

Van het ‘in vereniging’ plegen van openlijk geweld is sprake als de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, waarbij deze bijdrage zelf niet gewelddadig hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt. Er moet worden beoordeeld of de door de verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. Verdachte moet daarnaast ook opzet hebben gehad op het in vereniging gepleegde geweld.

Ten aanzien van het bewijs

Op basis van het voorgaande overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de verschillende verklaringen in het dossier blijkt dat er sprake was van een groep demonstranten, van wie meerdere met een rode vloeistof hebben gespoten. Getuige [benadeelde partij 1] heeft verdachte aangehouden en verklaard dat hij verdachte heeft zien spuiten op het museum en de bezoekers. Zijn verklaring wordt echter onvoldoende ondersteund door ander bewijs. De rechtbank kan op basis van het dossier dan ook niet vaststellen dat verdachte een van de personen is geweest die rode vloeistof tegen het museumgebouw of op mensen heeft gespoten.

De rechtbank stelt vast dat verdachte wel actief betrokken was bij de voorbereiding en uitvoering van de demonstratie op het Museumplein. Hij was betrokken bij het maken van de vloeistof, was op de hoogte van het plan om een gebouw te bespuiten, heeft daartoe een waterpistool vastgehad op of nabij het Museumplein, heeft tijdens de demonstratie leuzen geroepen en een tas met waterpistolen met zich meegedragen. Hoewel niet kan worden vastgesteld dat verdachte zelf gespoten heeft, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank wel een significante bijdrage geleverd aan het bespuiten van het museumgebouw en was zijn opzet hier ook op gericht.

Op basis van het dossier is niet vast te stellen dat er vooraf ook sprake was van een plan om mensen te bespuiten en dat verdachte ervan op de hoogte was dat dit ging gebeuren of dat er een aanmerkelijke kans was dat dit ook zou gebeuren. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte opzet heeft gehad op het bespuiten van personen.

Geweld?

Bij openlijke geweldpleging is de openbare orde het beschermde rechtsgoed. Dat betekent dat om van ‘geweld’ te kunnen spreken, de handelingen van zodanige aard en omvang moeten zijn dat hierdoor de openbare orde wordt verstoord of in gevaar wordt gebracht. Aan de intensiteit van het geweld worden bij het delict van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) geen hoge eisen gesteld. Doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of er sprake is van ‘geweld’ in de zin van artikel 141, eerste lid, Sr is dus niet de intensiteit van de fysieke handelingen, maar vooral de mate waarin die handelingen, naar de naar de vorm en binnen de context waarin zij worden verricht, geëigend zijn om de openbare orde te verstoren.

Bij de beoordeling van de vraag of het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als geweld, is het volgende van belang.

Het voorval heeft zich afgespeeld tijdens Museumnacht, een bekend evenement dat ’s nachts veel mensen op de been brengt. Meerdere personen hebben gespoten met een rode vloeistof waardoor personen en het museum werden geraakt. De demonstranten hebben bewust gekozen voor deze kleur en uit de verklaringen van aanwezige bezoekers volgt dat daadwerkelijk de associatie met bloed is opgeroepen. Ook ontstond er paniek, doordat sprake was van een chaotische situatie waarbij er leuzen werden geschreeuwd, door meerdere personen werd gespoten en er meerdere personen begonnen te rennen. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte bedoeld was en ook geëigend bleek om de openbare orde te verstoren en dat dit dus als geweld kan worden gekwalificeerd.

Conclusie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een goed, namelijk het Van Gogh Museum. Verdachte zal partieel worden vrijgesproken van openlijke geweldpleging tegen personen.

4
Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op 4 november 2023 te Amsterdam, openlijk op het Museumplein nabij het Van Gogh Museum, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

een goed, te weten het museumgebouw van het Van Gogh Museum

door voornoemd pand met een rode vloeistof onder te spuiten.

5
De strafbaarheid van het feit
5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit is gepleegd in het kader van een demonstratie, maar dat deze demonstratie niet als vreedzaam kan worden aangemerkt. Gezien de ordeverstoring was er een dringende noodzaak om op te treden en dit optreden was ook proportioneel. Verdachte komt daarom geen beroep toe op de bescherming van de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Volgens de officier van justitie is het gepleegde feit dan ook strafbaar.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat – als de rechtbank tot een bewezenverklaring komt – verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat in strijd met de artikelen 10 en 11 EVRM is gehandeld. De raadsman meent dat strafrechtelijk ingrijpen bij de demonstratie niet noodzakelijk was in een democratische samenleving, zodat de relevante strafbepaling van openlijke geweldpleging buiten toepassing moet worden gelaten.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Het demonstratierecht

De rechtbank gaat uit van de in rubriek 3.3 vervatte feiten en omstandigheden.

Uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) blijkt dat de demonstratievrijheid een essentieel recht vormt binnen een democratische samenleving, waarin ruimte moet bestaan voor ontwikkeling en verandering van maatschappelijke opvattingen.

Onder artikel 11 EVRM wordt de vreedzame betoging (het demonstratierecht) beschermd. Dit recht staat in nauw verband met het recht op vrijheid van meningsuiting, zoals vastgelegd in artikel 10 EVRM, en moet ook mede in dat licht worden bezien. Het recht om te demonstreren is een fundamenteel recht binnen een democratische samenleving en moet door de overheid worden gewaarborgd. Er moet voldoende ruimte bestaan om standpunten over maatschappelijke thema’s en actuele problemen, binnen bepaalde grenzen, vrijuit te kunnen uiten – ook als dat op gebeurt op een manier die door anderen als storend wordt ervaren. Uitgangspunt in de rechtspraak van het EHRM is dat elke demonstratie een zekere mate van ‘disruption to ordinary life’ met zich kan brengen. Het demonstratierecht is echter niet absoluut: het moet worden afgewogen tegen andere rechten en belangen. Dat betekent dat een beperking van het demonstratierecht enkel is toegestaan als tijdens de demonstratie door de betreffende persoon laakbaar gedrag (een ‘reprehensible act’) werd vertoond waartegen strafrechtelijk optreden geboden was.

Om vast te stellen of een dergelijke beperking is toegestaan, is een aantal factoren van belang. De beperking moet bij wet zijn voorzien, een gerechtvaardigd doel nastreven en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving in het belang van – onder meer – de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, en de bescherming van de rechten van anderen. De rechtbank zal aan de hand van deze vereisten beoordelen of sprake is geweest van een gerechtvaardigde beperking van het demonstratierecht.

De beperking is in dit geval bij wet voorzien, namelijk in artikel 141 Sr. De beperking strekt niet alleen ter bescherming van de openbare orde, maar ook ter bescherming van het recht op eigendom. De rechtbank heeft in rubriek 3.3 geconcludeerd dat sprake was van geweld en dat dit geweld ook van dien aard was, dat de openbare orde erdoor werd verstoord. Daarnaast is tijdens de demonstratie verf gespoten op het museumgebouw, waardoor het eigendomsrecht van het museum is aangetast. Ten slotte is bij het beantwoorden van de vraag of de beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving, de proportionaliteitstoets van belang. Dat houdt in dat de beperking niet onevenredig mag zijn ten opzichte van het gerechtvaardigd belang.

Gedurende de demonstratie heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de protestactie, waarbij met een waterpistool een vloeistof werd gespoten op (de ruiten van) het museumgebouw. Verdachte heeft verklaard dat hij zich daardoor heeft willen uitspreken tegen het gebrek aan aandacht van musea voor de gebeurtenissen in Gaza. Door het bespuiten met de vloeistof heeft het museum schade gelopen en moesten de entree en het natuursteen van het gebouw worden gereinigd. Hoewel de vloeistof niet direct eenvoudig te verwijderen was, kon het gebouw uiteindelijk wel volledig worden gereinigd en in de oude staat worden teruggebracht, voor relatief geringe schoonmaakkosten. Uit de via de politie overgelegde facturen blijkt dat er € 141,97 in rekening is gebracht aan schoonmaakkosten. Daarnaast is niet gebleken dat het om een gevaarlijke of ernstig verontreinigende vloeistof zou gaan. Gelet op de geringe schoonmaakkosten en de gebruikte vloeistof, is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte niet als een ‘reprehensible act’ (laakbaar gedrag) kan worden beschouwd. Verdachte heeft op 4 november 2023 op toegestane wijze gebruik gemaakt van uit de artikelen 10 en 11 EVRM voortvloeiende en beschermde grondrechten. Hij heeft daarbij gehandeld binnen de grenzen die aan die artikelen kunnen worden gesteld. Dit brengt mee dat hij geen subject van een sanctie had mogen zijn en het strafrechtelijk ingrijpen en het vervolgen achterwege had moeten worden gelaten. Door dit toch te doen is een ontoelaatbare inbreuk op deze grondrechten van verdachte gemaakt.

Omdat sprake is van een schending van de artikelen 10 en 11 EVRM is de rechtbank van oordeel dat gelet op artikel 94 van de Grondwet de ten laste gelegde strafbepaling, te weten artikel 141 Sr, in het onderhavige geval buiten toepassing moet blijven.

De rechtbank ontslaat verdachte gelet hierop van alle rechtsvervolging. Bij het buiten toepassing blijven van artikel 141 Sr levert het bewezenverklaarde immers geen strafbaar feit meer op.

6
Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen; 8 STK Speelgoed (omschrijving: G6418563, Waterpistolen).

Omdat verdachte niet wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit, kan geen verbeurdverklaring worden uitgesproken. Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, dat aan verdachte toebehoort, moet aan hem worden geretourneerd.

7
De vorderingen van de benadeelde partijen

Omdat aan verdachte – zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – geen straf of maatregel wordt opgelegd, zijn de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk.

Beslissing

8
De beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen

Verklaart het bewezene niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Ten aanzien van het beslag:

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslaggenomen goed, te weten: 8 STK Speelgoed (omschrijving: G6418563, Waterpistolen).

Ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 8] . [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 9] :

Verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

Bepaalt dat de benadeelde partijen en verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.R.J. van Wel voorzitter,

mrs. H.J. Bos en M.P.N. Gommers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. Fransen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juli 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Voetnoot 2

Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] met bijlagen met nummer PL1300-2023251368-27 d.d. 8 december 2023, doorgenummerde pag. 5.

Voetnoot 3

Een proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige 2] , d.d. 28 augustus 2025, vijfde alinea, pag. 2.

Voetnoot 4

Een proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige 1] , d.d. 28 augustus 2025, zesde alinea, pag. 2.

Voetnoot 5

Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2023251368-2, zesde alinea, doorgenummerde pag. 71.

Voetnoot 6

Proces-verbaal van aanhouding door burger met nummer PL1300-2023251368-8, doorgenummerde pag. 154.

Voetnoot 7

Proces-verbaal ter terechtzitting, d.d. 11 juni 2026.

Voetnoot 8

Proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1300-2023251368-18, achtste alinea, doorlopende pag. 153.