Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig belastingrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:26243

Op 3 August 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van belastingrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is AWB - 26 _ 1418, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:26243. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
AWB - 26 _ 1418
Datum uitspraak:
3 August 2026
Datum publicatie:
10 September 2026

Indicatie

Artikel 30a Wet WOZ

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 26/1418

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: [gemachtigde 1] , kantoor Previcus),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zuidplas, verweerder.

Procesverloop

Procesverloop

Verweerder heeft ter zake van 22 appartementsrechten aan [adres] te [plaats] op één biljet verenigd WOZ-waardebeschikkingen en aanslagen onroerende zaakbelastingen vastgesteld.

Eiseres heeft tegen de beschikkingen en aanslagen bezwaar gemaakt, waarop verweerder de beschikkingen en aanslagen heeft vernietigd. Daarbij heeft hij een proceskostenvergoeding aan eiseres toegekend.

Eiseres is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gekomen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026.

Namens eiseres is verschenen [naam 1] , kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] .

Overwegingen

Feiten en geschil

1. Verweerder is bij uitspraak op bezwaar geheel tegemoetgekomen aan het bezwaar van eiseres. Hij heeft daarbij een proceskostenvergoeding toegekend, die hij met toepassing van artikel 30a, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) heeft gesteld op € 80,88 (1 punt voor het bezwaarschrift met een waarde van € 647, vermenigvuldigd met 0,125).

2. In geschil is vooreerst de ontvankelijkheid van het bezwaar. Vervolgens is in geschil of verweerder terecht de vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ heeft toegepast. Daaraan heeft eiseres toegevoegd dat verweerder op dit punt de uitspraak op bezwaar ontoereikend en op onzorgvuldige wijze heeft gemotiveerd.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid van het bezwaar

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bezwaar bij uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden. Dit standpunt heeft hij eerst in zijn verweerschrift betrokken. Nu hij geen omstandigheid als bedoeld in rechtsoverweging 4.2.3 van ECLI:NL:HR:2026:451 heeft gesteld, laat staan aannemelijk heeft gemaakt, gaat de rechtbank aan dit standpunt voorbij.

Het geschil ten gronde: kader

4. De leden 1 en 2 van artikel 30a van de Wet WOZ bepalen dat in geval van bewaar respectievelijk beroep tegen een besluit op grond van of krachtens de Wet WOZ en/of titel IV, hoofdstuk XV, paragraaf 2 van de Gemeentewet, de proceskostenvergoeding ter zake van rechtsbijstand van de artikelen 7.15, tweede lid, en artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt verlaagd door vermenigvuldiging met de in die leden 1 een 2 genoemde factor. Voor wat betreft de kosten van rechtsbijstand in bezwaar is die factor 0,125. In het eerste en tweede lid van artikel 30a Wet WOZ is bepaald dat de betreffende factor geen toepassing vindt bij bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten.

5. Artikel 30a van de Wet WOZ is ingevoerd bij de Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm (WHpkv), (Voetnoot 1) en geldt met ingang van 1 januari 2024. Blijkens de memorie van toelichting had de wetgever het volgende voor ogen: (Voetnoot 2)

“Het doel van de voorgestelde maatregelen is om de financiële prikkel weg te nemen om namens een belanghebbende een bezwaarprocedure te starten of door te procederen met de overwegende reden om een proceskostenvergoeding (…) te verkrijgen. (…) Het onderhavige voorstel strekt ertoe dat doel te bereiken door de overcompensatie weg te nemen die er op dit moment is bij het toekennen van vergoedingen van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het kader van procedures tegen een WOZ-beschikking, bpm-aangifte of bpm-naheffingsaanslag (…).”

6. De financiële prikkel om te procederen werd door de wetgever met name problematisch geacht waar gemachtigden optreden op basis van no cure, no pay. De memorie van toelichting bij de WHpkv vermeldt hieromtrent:  (Voetnoot 3)

[…] de Belastingdienst, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, gemeentelijke uitvoeringsorganisaties en de rechtspraak [hebben] signalen afgegeven over het toegenomen aantal bezwaar- en beroepsprocedures dat wordt gevoerd in het kader van de Wet [WOZ en bpm] en het toegenomen aandeel van professioneel rechtsbijstandsverleners die daarbij doorgaans optreden op basis van het principe van «no cure, no pay». Dat betekent dat de burger of het bedrijf niets betaalt als het bezwaar wordt afgewezen of hij in beroep niet in het gelijk wordt gesteld. Als het bezwaar of beroep wel (geheel of gedeeltelijk) gegrond wordt verklaard, draagt de belanghebbende de eventuele proceskostenvergoeding, vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en/of dwangsom bij niet tijdig beslissen af aan de «no cure no pay»-gemachtigde. Een belanghebbende loopt geen (financieel) risico, aangezien geen «instapbedrag» wordt overeengekomen of een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan. Bezwaar aantekenen wordt daardoor een spel zonder nieten. Hierdoor kunnen deze bedrijven laagdrempelige rechtshulp bieden. Op zichzelf is er daarom geen bezwaar tegen die wijze van bijstand. Het kan echter wel wringen als het doel van de procedure is om onder meer een proceskostenvergoeding en een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn te verkrijgen en dat daarbij het belang van de belanghebbende niet per se leidend is. Een belanghebbende heeft namelijk als doel dat de waarde van de betreffende onroerende zaak (WOZ-waarde) of de waarde voor de belasting op personenauto’s en motorrijwielen (bpm) (doorgaans: naar beneden) wordt bijgesteld, terwijl een «no cure no pay»-gemachtigde er belang bij heeft om, als de waarde niet meer in geschil is, verder te procederen op procedurele gronden om zo een proceskostenvergoeding of een vergoeding van immateriële schade te verkrijgen. (Voetnoot 4) Het kan ook in het belang van een «no cure no pay»-gemachtigde zijn om pas in een latere fase alle relevante informatie te verstrekken, waarmee de heffingsambtenaar de mogelijkheid wordt ontnomen om in de bezwaarfase een juist besluit te nemen en het geschil op die wijze te laten eindigen. (Voetnoot 5) Daarnaast heeft een «no cure no pay»-gemachtigde er belang bij zoveel mogelijk proceshandelingen te verrichten om een hogere proceskosten vergoeding te verkrijgen, ook als bijvoorbeeld een hoorgesprek in de praktijk niet de functie heeft waarvoor het is bedoeld. Sinds enkele jaren is de praktijk dat burgers die worden bijgestaan door een gemachtigde in de regel niet bij een hoorgesprek aanwezig zijn en dat hoorgesprekken in het kader van de Wet WOZ steeds vaker schriftelijk worden gevoerd.”

7. Bij arrest van 17 januari 2025 (Voetnoot 6) heeft de Hoge Raad geoordeeld over de werkingssfeer van de met de WHpkv ingevoerde bepalingen in het licht van de uitzondering bij bijzondere omstandigheden. Aan het doel van de regeling en de parlementaire behandeling heeft hij ontleend dat als ‘bijzonder geval’ moeten worden aangemerkt, ieder geval waarin kennelijk niet:

“… aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.”

Dit dient buiten redelijke twijfel komen vast te staan. (Voetnoot 7) De stelplicht en de bewijslast hieromtrent rusten op de belanghebbende. (Voetnoot 8)

8. Of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde kennelijk niet de hiervoor bedoelde drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld naar de toestand van het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel wordt aangewend. (Voetnoot 9) Het bezwaarschrift in deze zaak dateert van september 2025.

9. Het komt aldus erop neer dat eiseres in deze procedure dient aan te tonen dat het kantoor van haar gemachtigde – Previcus – in september 2025 te werk ging volgens een bedrijfsmodel dat ten minste één van de drie in het citaat hiervoor genoemde kenmerken niet heeft.

Stellingname en bewijsvoering eiseres

10. Buiten geschil is dat Previcus steeds met zijn cliënten afspreekt dat het bedrag van een eventuele proceskostenvergoeding (PKV), alsmede van een eventuele immateriële schadevergoeding (ISV) en/of dwangsom, aan Previcus wordt afgedragen. Daarmee staat vast dat aan kenmerk (ii) wordt voldaan. Ter zitting heeft de gemachtigde laten weten ervoor te hebben gekozen zich niet in bewijsvoering omtrent kenmerk (iii) te begeven. Gegeven de betwisting door verweerder en omdat het dossier niet aanwijzingen voor het tegendeel bevatten, moet het in deze zaak ervoor worden gehouden dat Previcus op zodanige wijze pleegt te procederen dat de toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Daarmee komt het aan op kenmerk (i).

11. De gemachtigde stelt dat Previcus naar aanleiding van de introductie van artikel 30a Wet WOZ zijn bedrijfsmodel met ingang van 1 januari 2025 heeft aangepast, aldus dat Previcus niet langer werkt op basis van no cure, no pay. De gemachtigde voert daartoe aan dat het vanaf dat moment een vaste vergoeding (‘startfee’) en/of een resultaatsafhankelijke vergoeding (‘besparingsfee’) van zijn cliënten bedingt.

12. Tot bewijs van die stelling heeft de gemachtigde de navolgende stukken ingebracht:

modelofferte, in twee varianten;

algemene voorwaarden, in de tot en met september 2025 en in de vanaf 1 oktober 2025 geldende versies (door verwijzing naar zijn website);

een voor de gemeenten bestemde notitie met de titel “Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”; en

circa 135 facturen van cliënten van Previcus met betaalbewijs daarbij, alsmede 13 getekende offertes.

13. In de ene variant van de modelofferte wordt alleen melding gemaakt van een startfee van € 295 per aanslagbiljet, niet (ook) van een besparingsfee. De andere variant kent een tabel met bedragen aan startfee die afhankelijk zijn van het aantal aanslagbiljetten, van € 500 bij 1-10 biljetten tot € 3.200 bij 91-100 biljetten. In deze variant wordt ook een besparingsfee van 40% genoemd.

14. De modelofferte beschrijft, in beide varianten, de werkwijze van Previcus in zes stappen. De eerste stap is die van screening:

“Als eerste voeren wij een grondige screening uit om na te gaan of een procedure zinvol is. Wanneer wij mogelijkheden voor een bezwaar zien zullen wij de procedure namens uw organisatie starten.”

Stap 2 is het indienen van “beknopt bezwaarschrift”. Daarover vermeldt de modelofferte:

“Binnen de Wet-WOZ is vastgelegd dat men een WOZ-procedure moet starten binnen 6 weken na dagtekening van het aanslagbiljet. Dit doen wij door middel van een beknopt bezwaarschrift. Met deze brief stellen wij niet alleen de bezwaartermijn veilig maar vragen wij tevens alle onderliggende taxatiegegevens op bij de gemeente. Zonder deze gegevens is het voor ons namelijk niet mogelijk om inhoudelijk op de materie in te gaan.

Stap 3 is het indienen van een aanvullend bezwaarschrift, stap 4 de hoorzitting, stap 5 de beoordeling van de uitspraak op bezwaar en stap 6 eventueel beroep. Verder vermeldt de modelofferte, in de variant die ook de besparingsfee noemt:

“De startfee wordt in rekening gebracht voor de administratieve handelingen voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling, het screenen van de objecten op de aanslagbiljetten en het verzenden van het initiële bezwaarschrift.

(…)

De besparingsfee is op basis van no cure no pay. Bij een ongegronde procedure zal de besparingsfee niet in rekening worden gebracht, ongeacht onze inspanningen.”

In de voor de gemeente bestemde notitie wordt opgemerkt:

“De startfee wordt bepaald aan de hand van het aantal aanslagbiljetten dat door client wordt aangeleverd. Hierbij geldt dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen wel of geen bezwaar.”

15. Artikel 9, eerste lid, van de algemene voorwaarden zoals deze golden tot oktober 2025 luidt:

“Opdrachtgever en opdrachtnemer kunnen overeenkomen dat de opdracht, ongeacht de uitkomst ervan, op basis van ‘no cure, no pay’ wordt verricht. Indien een dergelijke afspraak wordt gemaakt, wordt dit bevestigd in de opdrachtbevestiging.”

Blijkens de overige bepalingen van de algemene voorwaarden gaat het hierbij om de aan de cliënt toegekende forfaitaire proceskostenvergoeding in een bezwaar-of beroepsprocedure die hij vervolgens aan Previcus is verschuldigd. In deze versie van de algemene voorwaarden wordt nergens aan een ‘startfee’ of een ‘besparingsfee’ gerefereerd. De vanaf 1 oktober 2025 geldende variant van de algemene voorwaarden bepaalt, in artikel 12, eerste lid:

“Opdrachtgevers en Previcus kunnen overeenkomen dat de opdracht wordt verricht tegen een vaste (start)fee en/of een besparingsfee of een uurtarief”.

16. De voor de gemeenten bestemde notitie vermeldt dat Previcus in 2025 1.291 aanslagbiljetten in behandeling had, waar 5.080 adressen mee waren gemoeid; dat ter zake van 58% van de behandelde aanslagbiljetten een startfee is overeengekomen (62% van de adressen), en ter zake van 93% van de aanslagbiljetten een besparingsfee is overeengekomen (89% van de adressen).

17. De notitie vermeldt verder dat Previcus thans “vrijwel altijd … maatwerkafspraken” maakt over de prijs van haar dienstverlening.

18. De door de gemachtigde overgelegde facturen en getekende offertes laten een grote verscheidenheid aan afspraken zien.

Van de 13 offertes is er maar één die op het punt van de startfee met de modeloffertes overeenkomt. In de 12 anderen komt ofwel een andere staffel voor dan in de modelofferte, ofwel wordt een ander vast bedrag genoemd dan in de modelofferte. Ook uit de facturen blijkt veelvuldig een van de modellen afwijkende startfee te zijn overeengekomen. De afwijking ten opzichte van het model is steevast een neerwaartse.

Blijkens de 13 offertes is in één geval geen besparingsfee overeengekomen, en in drie gevallen een besparingsfee met een afwijkend percentage (25, 35 resp. 37,5%). Van de 135 facturen zijn er 55 die een besparingsfee bevatten. Aan de overige 80 facturen is niet te ontlenen in hoeveel van die gevallen een besparingsfee is overeengekomen; die wordt immers alleen in rekening gebracht bij vermindering van de aanslag, terwijl de facturen niet iets bevatten over de afloop van de procedure. Van de 55 facturen die wel een besparingsfee bevatten, kennen daarvan 18 een afwijkend percentage (tussen de 25 en 38%).

19. Blijkens de door de gemachtigde overgelegde factuur is in het onderhavige geval een startfee van € 295 in rekening gebracht. Het bezwaarschrift was gericht tegen de waardevaststelling van en de aanslagen betreffende alle 22 op het aanslagbiljet vermelde objecten.

Beoordeling

20. Het tot 1 januari 2025 door Previcus gehanteerde bedrijfsmodel hield in dat de cliënt steeds de eventuele PKV, ISV en dwangsom verschuldigd is. Dat is nadien zo gebleven. Het model is alleen in zoverre veranderd dat Previcus, indien en voor zover het daar in de prijsonderhandelingen met de cliënt in slaagt, een startfee en/of een besparingsfee aan de honorariumafspraak toevoegt.

21. De besparingsfee is alleen verschuldigd als de bezwaar- en/of beroepsprocedure uitmondt in een verlaging van de desbetreffende aanslagen en wordt berekend als een percentage daarvan. Dat is, wat in het algemeen onder no cure, no pay wordt verstaan. In de offertes volgt ook Previcus dit algemene begrip, met de vermelding: “De besparingsfee is op basis van no cure no pay.”

22. De gemachtigde stelt dat Previcus sinds 1 januari 2025 niet langer kan worden geacht op te treden op basis van no cure no pay, om reden dat het sindsdien veelal een no cure no pay-afspraak aan het arrangement toevoegt. Naar zijn mening moet uit r.o. 2.6.1 van het arrest HR 26 september 2025 (Voetnoot 10) worden afgeleid dat het begrip no cure no pay in de context van de WHpkv een specifieke, van de gangbare betekenis afwijkende inhoud heeft. Dat berust naar het oordeel van de rechtbank op een onjuiste lezing van het arrest. Zij overweegt daartoe als volgt.

23. In het arrest van 17 januari 2025 heeft de Hoge Raad in r.o. 3.4.1 de onder 5 en 6 weergegeven passages uit de memorie van toelichting bij de WHpkv samengevat. Daarbij is hij dicht bij de in die passages gebezigde bewoordingen gebleven, onder andere door daaruit de formulering over te nemen dat

“… de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan.”

Na verdere overwegingen, in 3.4.2 tot en met 3.4.6, heeft de Hoge Raad vervolgens in r.o. 3.5.1 zijn oordeel gegeven. Daarin spreekt hij louter van “optreden op basis van no cure no pay”, zonder enige indicatie dat deze notie in de context van de WHpkv een sterk van de algemeen gangbare betekenis afwijkende inhoud zou hebben.

Met het arrest van 26 september 2025 heeft de Hoge Raad voortgebouwd op dat van

17 januari 2025, en heeft bij de bewoording van r.o. 2.6.1 daarop teruggegrepen. De eerste alinea van die rechtsoverweging van het arrest van 26 september 2025 luidt:

“Volgens de totstandkomingsgeschiedenis van de WHpkv moet bij optreden op basis van no cure no pay worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan. (Voetnoot 11) Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure.”

In deze overweging, zoals ook in de passage van de memorie van toelichting waaraan zij is ontleend, ligt de nadruk op het ontbreken van een financieel risico voor de belanghebbende. De verplichting om bij winst een percentage van de besparing af te dragen, vormt evenwel niet een financieel risico. Daarmee wordt immers op voorhand iets afgestaan wat de belanghebbende (nog) niet heeft en wat hij zonder inschakeling van de bijstandsverlener niet zal verkrijgen, terwijl de procedure hem bij het mislukken ervan niets kost. De belanghebbende kan daar financieel alleen op voor- maar niet op achteruit gaan. De uit de memorie van toelichting overgenomen opmerking dat (geparafraseerd) de belanghebbende financieel risico loopt als hij een percentage van de besparing af moet dragen, is dan ook innerlijk tegenstrijdig.

Bij de duiding dat de afspraak om bij ‘cure’ een deel van de winst als ‘pay’ af te staan niet geldt als no cure no pay, ontstaat een tweede tegenstrijdigheid; en wel met doel en strekking van de WHpkv. Bij deze duiding kan de WHpkv niet fungeren als dam tegen het voeren van procedures louter omwille van de PKV, ISV en/of dwangsom, zonder enig belang van de belastingplichtigen in wier naam die procedures worden gevoerd, terwijl dan evenmin een ontmoedigende werking van de WHpkv uitgaat om relevante informatie pas op het laatst te verstrekken en zoveel mogelijk proceshandelingen te verrichten. Die duiding ontneemt aan de WHpkv nagenoeg geheel haar werking. Dat kan de wetgever en de Hoge Raad niet worden verondersteld te hebben bedoeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de innerlijke tegenstrijdigheid van de door de Hoge Raad uit de memorie van toelichting overgenomen opmerking niet méér dan een redactionele onnauwkeurigheid. Zij heeft dan ook niet de betekenis die daar zijdens eiseres aan gegeven wordt.

24. Omdat, zoals uit het voorgaande volgt, de besparingsfee niet eraan kan afdoen dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het aan op de betekenis van de startfee.

25. Dat de rechtsbijstandverlener een vast bedrag aan startfee berekent, staat niet steeds aan de kwalificatie van optreden op basis van no cure no pay in de weg. (Voetnoot 12)

26. Uit het door de gemachtigde overgelegde, van Previcus afkomstige overzicht volgt dat het in 2025 in niet meer dan 58% van de zaken een startfee heeft bedongen (zie punt 16 hiervoor).

27. Volgens de ene modelofferte berekent Previcus een startfee van € 295 per aanslagbiljet; volgens de andere is de startfee afhankelijk van het aantal aanslagbiljetten en bedraagt zij tussen de € 32 en € 500 per biljet (punt 13 hiervoor). Uit de door Previcus overgelegde facturen is veelal niet te ontlenen of een startfee in rekening is gebracht, laat staan naar welk bedrag. Uit de overgelegde offertes en facturen die wel een startfee noemen, blijkt dat veelvuldig neerwaarts van de in de modelofferte genoemde bedragen wordt afgeweken (punt 18).

De startfee wordt berekend per aanslagbiljet, niet per object. Blijkens de door Previcus zelf ingebrachte cijfers waren met de 1.291 in 2025 behandelde biljetten 5.080 objecten gemoeid, dus bijna vier objecten per biljet (punt 16).

Al omdat Previcus maar in ca. 10% van de in 2025 behandelde zaken facturen heeft ingebracht, is– in de gevallen dat zij in rekening is gebracht –, niet na te gaan wat het gemiddelde niveau van de startfee per aanslagbiljet was en al helemaal niet wat dat was per object.

In de onderhavige procedure is een startfee betaald van € 295 ter zake van een aanslagbiljet waarmee 22 objecten waren gemoeid, ofwel € 13,40 per object.

28. Bij de voorliggende vraag gaat het om de vergoeding voor rechtsbijstand die onder het bereik valt van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb; derhalve om kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.

Blijkens de in punt 14 genoemde stukken:

ziet de startfee op “de administratieve handelingen voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling, het screenen van de objecten en het verzenden van het initiële bezwaarschrift”,

waarbij dat initiële bezwaarschrift een standaardbrief is. Waarmee enerzijds de termijn wordt veiliggesteld en anderzijds de gegevens bij de gemeente worden opgevraagd die nodig zijn om inhoudelijk op de materie in te kunnen gaan, terwijl

de instapfee – indien overeengekomen – onverkort verschuldigd is als het überhaupt niet tot een bezwaarprocedure komt.

Gelet hierop acht de rechtbank veeleer aannemelijk dat de startfee betrekking heeft op de fase waarin geïnventariseerd wordt of zinvol is een bezwaarprocedure te voeren, dan dat zij een (onderdeel van de) vergoeding in verband met de behandeling van het bezwaar is.

29. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de instapvergoedingen die Previcus in 2025 is overeengekomen niet wegnemen dat de afspraken volgens haar bedrijfsmodel in het kader van de WHpkv moeten worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay.

30. Daarmee is de slotsom dat naar het oordeel van de rechtbank niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat het bedrijfsmodel van Previcus niet aan alle drie in het arrest van 17 januari 2025 genoemde kenmerken voldoet, waarmee geen aanleiding bestaat de vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ buiten toepassing te laten.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

31. Eiseres stelt dat verweerder bij de uitspraak op bezwaar ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom in dit geval de vermenigvuldigingsfactor van artikel 30a van de Wet WOZ van toepassing is. Volgens haar is de uitspraak daarom in strijd met de motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel.

32. Namens eiseres had de gemachtigde in het bezwaarschrift omtrent de toepasselijkheid van artikel 30a van de Wet WOZ naar voren gebracht:

“Deze zaak voldoet niet aan de door de Hoge Raad neergelegde vereisten voor toepassing van de extra factor. Door gemachtigde wordt vanaf 1-1-2025 geen enkele zaak meer op no cure no pay basis gevoerd. Elke cliënt betaalt een startfee en/of een percentage van de belastingbesparing. Desgewenst kan ik inzage geven in deze stukken.”

In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de factor van artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ toegepast zonder op enige wijze op de geciteerde passage uit het bezwaarschrift te responderen.

33. Op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb moet de uitspraak op bezwaar zijn voorzien van een deugdelijke motivering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze bepaling geschonden door in zijn uitspraak op bezwaar niet inhoudelijk in te gaan op de hiervoor geciteerde passage van het bezwaarschrift. In zoverre is het beroep gegrond. De rechtbank beoordeelt als aannemelijk dat eiseres door deze schending niet in haar belangen is geschaad en gaat daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb aan deze schending voorbij.

Slotsom

34. Gelet op wat hiervoor is overwogen, faalt het standpunt van eiseres dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ en slaagt haar standpunt van schending van het motiveringsbeginsel.

35. Nu het beroep gegrond is, bestaat aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand en het door eiseres betaalde griffierecht. De rechtbank stelt de voor vergoeding in aanmerking komende kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 46,70 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934, met een wegingsfactor van 0,25 ter zake van het gewicht van de zaak (zeer licht nu het beroep alleen ziet op de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase) en vermenigvuldigd met de factor van 0,10 van artikel 30a, tweede lid, onderdeel b, van de Wet WOZ).

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- laat de uitspraak op bezwaar in stand;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot het bedrag van € 46,70;

- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 397 te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.R.M. Dekker griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2026.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).

Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.

Verder vermeldt u ten minste het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoot

Voetnoot 1

Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Staatsblad 507.

Voetnoot 2

Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3, blz. 2. Zie ook blz. 8.

Voetnoot 3

Idem, blz. 2.

Voetnoot 4

Voetnoot in origineel: “zie onder meer advies van de Raad voor de rechtspraak bij Wet verlaging griffierecht van 6 december 2022, p. 10.”

Voetnoot 5

Voetnoot in origineel: “zie bijvoorbeeld rechtbank Amsterdam 20 juli 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:4717.

Voetnoot 6

HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.

Voetnoot 7

HR 24 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670, r.o. 3.4.6.

Voetnoot 8

HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.2.

Voetnoot 9

HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670, r.o. 3.4.3.

Voetnoot 10

HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1382.

Voetnoot 11

Voetnoot in origineel: “Vgl. Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3, blz. 2, en het arrest van 17 januari 2025, rechtsoverweging 3.4.1.”

Voetnoot 12

HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1382, r.o. 2.6.2.