Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursrecht overig

ECLI:NL:RBDHA:2026:5897

Op 3 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL24.26222, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:5897. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL24.26222
Datum uitspraak:
3 March 2026
Datum publicatie:
19 March 2026

Indicatie

Aanvraag afgifte verblijfsdocument ogv art 9 Vw afgewezen omdat referent zijn hoofdverblijf niet naar Nederland heeft verplaatst. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.26222

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F. Ben-Saddek),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).

Procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 10 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich daarbij laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1979 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij is op onbekende datum Nederland ingereisd. Op 5 mei 2023 heeft eiser onderhavige aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, op grond van de familieband met zijn broer [naam] (referent), van wie hij stelt afhankelijk te zijn. Referent heeft de Belgische nationaliteit en is dus Unieburger.

Het bestreden besluit

2. Het bestreden besluit houdt het volgende in. Eiser heeft allereerst onvoldoende aangetoond dat referent zijn hoofdverblijf in Nederland heeft. Verder heeft eiser niet aangetoond dat hij op het moment van de aanvraag in het land van herkomst of in het land waar referent eerder woonde, ten laste kwam van referent en dat deze materiële ondersteuning reëel en noodzakelijk was. Tot slot heeft eiser niet aangetoond dat hij voor zijn komst naar Nederland zes maanden bij zijn broer en zijn gezin heeft gewoond in België. Verweerder heeft verder (ambtshalve) geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsrecht op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Juridisch kader

3.1.

Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vw, voor zover hier van belang, verschaft verweerder aan de vreemdeling, die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1 van de Vw, een document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

3.2.

Op grond van artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is deze paragraaf van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, is deze paragraaf eveneens van toepassing op andere familieleden die een vreemdeling zoals bedoeld in het eerste lid begeleiden naar Nederland of zich bij hem voegen, indien zij in het land van herkomst ten laste zijn van of inwonen bij die vreemdeling of vanwege ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door die vreemdeling strikt behoeven.

Beoordeling door de rechtbank

4.1.

Eiser verzoekt de rechtbank allereerst wat in bezwaar is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen.

4.2.

De rechtbank overweegt dat het aan eiser is om in beroep gemotiveerd en specifiek aan te voeren waarom hij het niet eens is met het bestreden besluit. De verwijzing naar het bezwaarschrift wordt niet als zo’n gemotiveerde en specifieke betwisting opgevat. Daarop is immers gereageerd in het bestreden besluit. Eiser zal dus moeten aanvoeren waarom hij het met die reactie niet eens is. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep behandelen aan de hand van de in beroep nader uitgewerkte gronden en niet aan de hand van wat in bezwaar is aangevoerd.

5.1.

Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn referent zijn hoofdverblijf in Nederland heeft. Hij heeft in bezwaar uitgelegd dat referent zowel in Nederland als België boodschappen doet. Hij kan geen bewijs overleggen dat referent ook in Nederland boodschappen doet, omdat hij die boodschappen contant heeft betaald met in België gepind geld. Verder heeft referent tijdens de hoorzitting op 30 mei 2024 uitgelegd hoe zijn weekschema eruit ziet en dat hij vijf nachten per week in Nederland verblijft bij eiser. Ook op de zaterdagen is hij bij eiser. Op de overgelegde foto’s zijn eiser en referent samen te zien in hun woning in Nederland. De omstandigheid dat eiser en referent op hetzelfde adres zijn ingeschreven in Nederland is een indicatie dat er wordt samengewoond en dat referent zijn hoofdverblijf in Nederland heeft.

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn referent zijn hoofdverblijf daadwerkelijk in Nederland heeft. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser hiertoe onvoldoende bewijsstukken heeft overgelegd. De overgelegde foto’s van (zo begrijpt de rechtbank) onder meer eiser en referent bij de woning in Nederland onderbouwt dit niet voldoende, nu deze slechts een momentopname weergeven en eiser verder geen toelichting heeft gegeven bij de foto’s. Ook uit het overzicht van de betalingen die referent in Nederland heeft gedaan, heeft verweerder niet hoeven opmaken dat referent zijn daadwerkelijk hoofdverblijf in Nederland heeft. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser, ondanks dat hier wel specifiek naar is gevraagd, geen volledig overzicht van de banktransacties van referent heeft overgelegd voor de periode vanaf 1 april 2023 en dat uit de wel overgelegde gedeeltelijke afschriften opvalt dat pas vanaf het moment dat verweerder om de afschriften had verzocht er regelmatige transacties voor boodschappen in Nederland zijn. Eisers uitleg dat dat komt omdat referent de boodschappen in Nederland vooral contant betaalde heeft verweerder onvoldoende kunnen achten. Uit de pinoverzichten blijkt weliswaar dat er meermaals grotere bedragen zijn gepind in België, maar hieruit volgt niet dat referent zijn dagelijkse boodschappen in Nederland hiermee heeft betaald. Andere bewijsstukken, zoals bijvoorbeeld een mogelijke lidmaatschapsinschrijving van referent in Nederland, medische stukken van referent in Nederland, bewijzen van activiteiten van referent in Nederland of post van officiële instanties, heeft eiser ook niet overgelegd. Tot slot heeft verweerder kunnen betrekken dat referent fulltime werkt in België (en Noord-Frankrijk), dat hij zich niet heeft uitgeschreven uit zijn woonplaats in België en dat zijn vrouw en kinderen nog steeds in België wonen. In samenhang hiermee bezien heeft verweerder de omstandigheid dat referent zich heeft ingeschreven in de Basisregistratie personen en dat hij, zoals hij tijdens de hoorzitting heeft verklaard, vijf avonden per week bij eiser in Nederland verblijft, onvoldoende kunnen achten om aan te nemen dat referent zijn hoofdverblijf naar Nederland heeft verplaatst.

5.3.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat en waarom de overgelegde stukken en gegeven verklaringen onvoldoende zijn om het gestelde hoofdverblijf van referent in Nederland aannemelijk te achten. De aanvraag voor de afgifte van een verblijfsdocument op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vw is al daarom terecht afgewezen.

6. Gelet op wat onder 5.3 is overwogen, komt de rechtbank niet meer toe aan de bespreking van de overige beroepsgronden.

7. Ten overvloede stelt de rechtbank vast dat eiser het standpunt van verweerder dat het besluit niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM niet heeft bestreden. Eiser heeft dat ter zitting bevestigd. Gelet hierop hoeft dit standpunt niet te worden besproken.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.