Rechtbank Den Haag, wraking bestuursrecht overig
ECLI:NL:RBDHA:2026:26261
Op 7 September 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een wraking procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is C/09/709074 / KG RK 26-1074, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:26261. De plaats van zitting was Den Haag.
Indicatie
Wrakingsverzoek afgewezen. De stelling van verzoeker - dat de rechtbank in de uitspraak van 13 maart 2025 al zou hebben vastgesteld dat verzoeker ontvankelijk is in zijn beroep - is feitelijk onjuist. In de uitspraak van 13 maart 2025 heeft de rechtbank het verzet van verzoeker gegrond verklaard. Daarmee is de uitspraak van 20 september 2024 - waarin verzoekers kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard - komen te vervallen. Aangezien de ontvankelijkheid van verzoeker opnieuw beoordeeld dient te worden, heeft de rechter op de zitting terecht vragen gesteld over het tijdstip van indiening van de beroepsgronden en het standpunt van partijen met betrekking tot de ontvankelijkheid. Met het opwerpen van vragen over een onderwerp waarover de rechter nog moet gaan beslissen, heeft de rechter naar het oordeel van de wrakingskamer niet de schijn van vooringenomenheid gewekt.
Uitspraak
Rechtbank den haag
wrakingnummer 2026/49
zaak- /rekestnummer: C/09/709074 / KG RK 26-1074
Beslissing van 7 september 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. D.G. Oomkes,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de zitting van 13 juli 2026 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 11 augustus 2026.
1.2.
Op 24 augustus 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verzoeker en de rechter verschenen.
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college), de wederpartij in de hoofdzaak, is uitgenodigd om als toehoorder aanwezig te zijn, maar is niet verschenen.
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer SGR AWB 24/2571 tussen verzoeker en het college. Dit betreft een beroep tegen het besluit van het college tot afwijzing van een handhavingsverzoek van verzoeker. Op 20 september 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk is in zijn beroep, omdat de gronden van beroep niet tijdig waren ingediend. Tegen die uitspraak heeft verzoeker verzet ingesteld. Op 13 maart 2025 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard, waarmee de uitspraak van 20 september 2024 is komen te vervallen. Het onderzoek is vervolgens hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat de uitspraak van 20 september 2024 werd gedaan. De zaak is op 13 juli 2026 ter zitting behandeld.
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling van de wrakingskamer, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. De rechter heeft gezegd dat opnieuw moet worden beoordeeld of de beroepsgronden tijdig zijn ingediend, terwijl de rechtbank in haar uitspraak van 13 maart 2025 al heeft vastgesteld dat de gronden tijdig zijn ingediend. Door terug te komen op die eerdere beslissing, heeft de rechter laten zien dat zij vooringenomen is of over beperkte juridische kennis beschikt.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
Overwegingen
3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
De wrakingskamer overweegt dat de stelling van verzoeker - dat de rechtbank in de uitspraak van 13 maart 2025 al zou hebben vastgesteld dat verzoeker ontvankelijk is in zijn beroep - feitelijk onjuist is. In de uitspraak van 13 maart 2025 heeft de rechtbank het verzet van verzoeker gegrond verklaard. Daarmee is de uitspraak van 20 september 2024 - waarin verzoekers kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard - komen te vervallen. Het onderzoek is hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat de uitspraak van 20 september 2024 werd gedaan. Dit betekent dat de rechtbank alsnog ten volle over de ontvankelijkheid dient te beslissen. In de uitspraak van 13 maart 2025 (rechtsoverweging 6.3) heeft de rechtbank dan ook nadrukkelijk overwogen dat door de rechtbank opnieuw dient te worden bezien of de beroepsgronden tijdig per post zijn bezorgd en tijdig zijn ontvangen.
3.3.
Aangezien de ontvankelijkheid van verzoeker opnieuw beoordeeld dient te worden, heeft de rechter op de zitting terecht vragen gesteld over het tijdstip van indiening van de beroepsgronden en het standpunt van partijen met betrekking tot de ontvankelijkheid. Met het opwerpen van vragen over een onderwerp waarover de rechter nog moet gaan beslissen, heeft de rechter naar het oordeel van de wrakingskamer niet de schijn van vooringenomenheid gewekt. Het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.
Beslissing
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. A.M. Boogers, M. Rootring en D.E. Alink, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M.N. van Limpt-Schrover en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.