[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. F.S. Boedhoe),
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 mei 2025 niet in behandeling genomen omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2025, samen met de zaak NL25.22738, op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. (Voetnoot 1) Uit EU-VIS-gegevens is gebleken dat eiser door de Roemeense autoriteiten in het bezit is gesteld van een (Schengen)visum dat geldig was van 20 maart 2025 tot 11 april 2025. De minister heeft de Roemeense autoriteiten verzocht om eiser over te nemen. (Voetnoot 2) Op 11 april 2025 zijn de Roemeense autoriteiten hiermee akkoord gegaan.
Mocht de minister ten aanzien van Roemenië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat de minister ten aanzien van Roemenië niet langer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser stelt dat er sprake is van aan de asielprocedure en opvangvoorzieningen gerelateerde tekortkomingen. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar het AIDA-rapport van mei 2023. (Voetnoot 3) Volgens eiser volgt hieruit dat de hygiënische omstandigheden in de opvangvoorzieningen ontoereikend zijn en niet voldoen aan de basisvereisten, er onvoldoende personeel aanwezig is en voedselvoorziening niet wordt gegarandeerd. Ook volgt uit het AIDA-rapport dat tolken onvoldoende training hebben gehad en partijdig zijn. Klagen over de slechte omstandigheden is niet mogelijk vanwege de taalbarrière.
Verder betoogt eiser dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van aan de asielprocedure en opvangvoorzieningen gerelateerde tekortkomingen. Volgens eiser legt de minister deze bewijslast ten onrechte volledig bij eiser. Gelet op het voorgaande zal eiser bij terugkeer naar Roemenië risico lopen op schending van artikel 4 van het EU Handvest dan wel artikel 3 van het EVRM.Tot slot betoogt eiser dat het claimakkoord alleen garandeert dat Roemenië eiser terugneemt en niet dat zijn verzoek om internationale bescherming in behandeling wordt genomen.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel van uitgaan dat Roemenië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geoordeeld in haar uitspraak van 27 december 2023. (Voetnoot 4) Het is in eerste instantie aan eiser om aannemelijk te maken dat er aanknopingspunten zijn dat de asielprocedure en/of opvangvoorzieningen in Roemenië dusdanige systeemfouten bevatten dat een uitzondering op dit uitgangspunt moet worden gemaakt. (Voetnoot 5) Eiser is hier niet in geslaagd. Het AIDA-rapport waar eiser naar verwijst is door de Afdeling meegenomen in genoemde uitspraak en leidt daarom niet tot een ander oordeel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de situatie nu wezenlijk anders is dan de situatie die de Afdeling heeft betrokken in haar uitspraak. In het geval eiser eventueel problemen zou ervaren na zijn overdracht aan Roemenië dient hij daarover te klagen bij de competente (hogere) Roemeense autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. Tot slot stelt de minister terecht dat Roemenië met het claimakkoord heeft gegarandeerd het verzoek om internationale bescherming van eiser met inachtneming van de richtlijnen te behandelen. (Voetnoot 6)
Had de minister de aanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich moeten trekken?
6. Op grond van artikel 17 van de Dublinverordening mag de minister een asielaanvraag ook onverplicht in behandeling nemen als hij voor de behandeling daarvan niet verantwoordelijk is. De minister mag zelf bepalen wanneer hij van deze bevoegdheid gebruik maakt. De rechtbank moet daarom op dit onderdeel terughoudend toetsen. In het beleid van de minister staat dat van deze bevoegdheid terughoudend gebruik wordt gemaakt, onder meer in de situatie dat bijzondere, individuele omstandigheden maken dat overdracht van onevenredige hardheid zou getuigen. (Voetnoot 7)
6.1.
Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen aanleiding ziet om in zijn geval toepassing te geven aan de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening. Volgens eiser heeft hij aannemelijk gemaakt dat in Roemenië sprake is van aan de asielprocedure en opvangvoorzieningen gerelateerde tekortkomingen en dat hij bij terugkeer risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser ten aanzien van de bijzondere individuele omstandigheden op grond van artikel 17 van de Dublinverordening nogmaals aan omstandigheden refereert die eiser ook reeds in het kader van zijn eerdere beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft aangevoerd. Deze omstandigheden, die zien op onderwerpen die van betekenis zijn voor de beoordeling of er aanwijzingen zijn dat Roemenië zijn internationale verplichtingen niet nakomt, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid als niet van betekenis hoeven achten bij de beoordeling of zich bijzondere, individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening voordoen.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.