Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2025:14475

Op 1 August 2025 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.32548, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2025:14475. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.32548
Datum uitspraak:
1 August 2025
Datum publicatie:
5 August 2025

Indicatie

Bewaring. Beroep ongegrond. Gehoor voorafgaand tkb, grondslag tkb.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.32548

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. F. Boone),

en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2004.

Gehoor voorafgaand aan het aanvullend terugkeerbesluit

2. Eiser stelt dat er een motiveringsgebrek aan het aanvullend terugkeerbesluit kleeft. Eiser is niet gehoord voorafgaand aan het aanvullend terugkeerbesluit. Het vertrekgesprek van 14 juli 2025 kan niet worden gezien als het horen over dit besluit. Er is niet gevraagd naar een zienswijze over een aanvullend terugkeerbesluit, hem is enkel gevraagd wat hij van een laissez-passer (lp) aanvraag zou vinden. Mocht het vertrekgesprek als horen over het aanvullend terugkeerbesluit worden opgevat, dan is dit onvoldoende geweest omdat niet is onderzocht of sprake is van een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Algerije. Eiser wijst naar het arrest Ararat1 en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 2 juni 20252.

1. Arrest van het Hof van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat, K.L.M.N. tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-156/23, ECLI:EU:C:2024:892.

2 ECLI:NL:RBDHA:2025:9712.

3. De rechtbank is van oordeel dat het vertrekgesprek van 14 juli 2025 kan worden beschouwd als het horen van eiser over het aanvullend terugkeerbesluit. Tijdens dit vertrekgesprek is eiser in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaren kenbaar te maken. Uit het aanvullend terugkeerbesluit blijkt dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd. Bovendien is in een door eiser ingesteld beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring door deze rechtbank geoordeeld dat de lp-aanvraag gericht aan Algerije niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM.3 Eiser heeft nimmer gesteld of onderbouwd dat hij vrees heeft voor vervolging van de zijde van de Algerijnse autoriteiten. Ook anderszins heeft eiser nimmer verklaard of onderbouwd dat er aanwijzingen zijn dat een eventuele terugkeer naar Algerije in zijn geval een schending van artikel 3 van het EVRM met zich mee kan brengen. De beroepsgrond slaagt niet.

Grondslag aanvullend terugkeerbesluit

4. Eiser stelt dat er geen grondslag was om een aanvullend terugkeerbesluit Algerije te nemen. Eiser heeft geen banden met Algerije, geen Algerijnse aliassen en er zijn geen concrete aanwijzingen dat hij uit een ander land komt dan Marokko, zoals hij stelt. Het enkele feit dat de regievoerder een Algerijns accent meent te horen, is onvoldoende om een aanvullend terugkeer Algerije te nemen.

5. De rechtbank verwijst voor haar oordeel naar de uitspraak van deze rechtbank van 24 juli 20253. In r.o. 5 en 6 is geoordeeld dat eiser zijn Marokkaanse nationaliteit op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Het dossier bevat daarentegen voldoende aanwijzingen dat eiser mogelijk afkomstig is uit Algerije. Gelet hierop heeft de minister dan ook kunnen inzetten op uitzetting van eiser naar Algerije naast het lopende lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 NL25.31317.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

01 augustus 2025

Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: